Sura & Baya

soerabaja Ik ben in je voetsporen getreden, duizenden dagen heb ik de seizoenen getrotseerd in liefde, haat, verlangen en verbijstering. Je was gekomen van heel ver, je hebt je opgericht als een monster uit de zee, waar je dacht je verleden van je af te kunnen spoelen. Maar wie waren het die je achter je liet: geslagen, verkracht, vermoord, drijvend in de kali die stonk naar de dood en die jou begeleidde naar de haven aan de monding van de rivier? Ze noemen het de Kali Mas, de Gouden Rivier, waar ooit een Sura en een Baya met elkaar vochten, gedoemd om in een eeuwige omstrengeling te bevriezen in het stadswapen van Surabaya, jouw geboortestad op de Noord-Oostelijke punt van Java. Je vertelde me verhalen van de oorlog, avonden lang, je vertelde me hoe je bloed en verderf zaaide met je krijgsmakkers in de dorpen van je jeugd. Wilde je je jeugd met vlammenwerpers en granaten te lijf gaan, om zo de sporen van schaamte en schande uit te wissen? Je werd nooit erkend door je vader, maar je moeder gaf jou het leven niet om de levens van anderen te verwoesten. Wat heb je gedaan? Wie jaagden jou zo op toen de strijdbijl tussen Nederland en Indonesië was begraven? Een Nederlandse legerkapitein bracht jou naar de boot. Zes weken lang voer je op zee en op het laatst was je zo paranoïde dat je overboord sprong en bent gaan zwemmen. Ben je gek geworden in de oorlog of ben je eenvoudig gek geboren? Ik ben in je voetsporen getreden en heb je verhaal geschreven, keer op keer, en niemand heeft me begrepen, laat staan dat ze jou begrepen. Ik trad in jouw voetsporen en reisde terug naar Java. Ik nam niet de boot, ik nam het vliegtuig en kwam droog en schoon aan land op Java. Ik vond de Jembatan Merah, de Rode Brug over de Kali Mas, waaronder het mythische gevecht plaatsvond tussen de Haai en de Krokodil, die het water rood kleurden van de wonden die de dieren elkaar toebrachten. Wie was jij? De haai of de krokodil? Ben ik de brug die zich over jouw verleden buigt zonder zijn eigen spiegelbeeld in het water te kunnen zien? Is er iemand die me volgen kan, helemaal tot hier?

* * *

Deze tekst schreef ik voor de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto, november 2011 in de Maldoror Galerie, Den Haag. Op twee van zijn fotowerken, in de traditie van de oude Chinese schilderkunst op papieren rollen (scrolls), bracht ik de tekst met een stift aan. Om het fotopapier niet te bevlekken, droeg ik een speciale handschoen. De scrolls zijn te koop bij Fabio-Romano del Castelletto. Serieuze gegadigden kunnen zich via het contactformulier op deze website tot de kunstenaar wenden.

Trio las sombras

Kijk eens hoe ze opkwamen in de jaren vijftig. Gesoigneerd, er gaat nog net geen gordijn open. De zanger en sologitarist kruisen elkaar voor het lied wordt ingezet. Terwijl de zanger zich met een toen nog straffeloze macho mime tot een denkbeeldige schone dame wendt, tovert de sologitarist de brutaalste riedels uit zijn gitaar. Het is vooral hij die mijn aandacht trekt. Hij speelt zo gemakkelijk dat ik er bijna om moet lachen. Als deze muziek door de radio klonk, dan kreeg mijn vader heimwee naar een land waar hij nooit geweest was: Mexico. Hoe hij zich daar het leven voorstelde, weet ik niet. De zon scheen altijd, dat was genoeg voor hem. Ik zag dit trio nooit op de Nederlandse televisie, ik weet zelfs niet of ik ze ooit wel op de radio hoorde, zoals mijn romanheld in Het verloren lied. Het moet haast wel. Ik begroet de heren met een glimlach van herkenning. Zijn ze dood nu? Of heel erg oud? Negen gedaantenverwisselingen onderging het trio in zijn roemruchte bestaan.

Waarom The Tielman Brothers nooit wereldfaam verkregen

Met de dood van Andy Tielman twee dagen geleden is voorgoed een eind gekomen aan het bestaan van The Tielman Brothers, al leeft Reggie nog en zal die roemruchte band uit de jaren zestig nog wel lang voortleven in de herinnering van liefhebbers van Indorock en mensen met een ongeneeslijke jaren zestig-nostalgie. Waarom The Tielman Brothers nooit wereldfaam verkregen, dat beschreef ik eens in een journalistiek verhaal voor Annemarie Cottaars Indisch leven in Nederland. Ik baseerde me hierbij op het boek Rockin’ Ramona (1989) van Lutgard Mutsaers (1953).

Hierboven een opname uit 1960, waarop onder meer te zien is dat Andy Tielman zijn gitaar achter zijn rug bespeelt, een act die veel later navolging kreeg van Jimi Hendrix, Stevie Ray Vaughan etcetera…

Teksten voor foto-installatie Fabio-Romano del Castelletto

raamvertelling Op vrijdagavond, 4 november a.s. om 19:00 uur vindt de opening plaats van de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto in de Maldoror Galerie, Den Haag. Er hangen vier hedendaagse fotowerken, in de traditie van de oude Chinese schilderkunst op papieren rollen (scrolls). Deze zijn vermengd met teksten van de de Turkse schrijver Murat Tuncel, de Chinese kalligrafist Wu Park en de Indische schrijver Alfred Birney.

De laatste, Alfred Birney, zal zijn teksten tijdens de opening live op twee van de ‘scrolls’ aanbrengen. Dit is livestream te volgen.

De tentoonstelling is na de opening te bezoeken op alle zaterdagen in november van half twee tot half zes ’s middags. Verder op afspraak en tijdens Hoogtij #27! (Persbericht)

Opzet van de installatie:

De Wagenstraat in Den Haag functioneert als het ware als een sluis, via welke verschillende culturen komen en gaan. Hollanders die uit andere buurten naar het centrum komen om te shoppen, Turken die op weg gaan naar de Grote Moskee, kunstenaars die er wonen en het unieke gedeelte van het oude centrum delen met de Chinezen van China Town. En… elkaar nu ontmoeten in de intieme galerie van Stichting Maldoror.

De bedoeling van Fabio-Romano del Castelletto is om de reacties van de bezoekers van de expositie vast te leggen, terwijl die kijken naar het werk van de schrijvers uit verschillende culturen en de fotografische observaties ondergaan van wat door de zee aan onze kust aanspoelt.

Murat Tuncel, die op een minimalistische manier, als op een schoolbord, een ritmische klank proza in zijn moederstaal (Turks) toevoegt aan het bijna kalligrafisch aangespoelde zeewier.

Wu Park, die zijn met indische inkt vloeiende, vluchtige poetische indrukken op foto’s van zware en concrete objecten achterlaat. Zijn observaties zijn, zoals de Chinese dichters en schilders die in het China van de 17de eeuw ze op papieren rollen uitwisselden: poëtisch en filosofisch tegelijk.

Alfred Birney reageert op dood materiaal en natuur, die symbolisch zijn voor het Indische verleden van zowel hem als Fabio-Romano del Castelletto.

Het geheel is een interactie van vier personen met verschillende cultuurhistorische achtergronden, tegen het licht van de natuur die op foto’s zijn vastgelegd.

Raamvertelling in de middag

raamvertelling Het kleine Maliestraatje loopt van de Denneweg naar het Smidswater en is een perfecte locatie voor een moord in een ouderwetse zwart-witfilm of stripverhaal uit het genre crime noir. Voor het middagprogramma heeft de organisatie een souterrain als cachot uitgekozen voor drie schrijvers, die elkaar afwisselen: Gerbrand Bakker, Gustaaf Peek en ik. Maar eerst is er een podiumvraaggesprek in Theater Branoul. Mijn gastheren zijn Christiaan Weijts en Kees ’t Hart. Er zit een enorm verschil tussen geïnterviewd worden door een journalist, een presentator of een schrijver. Het gesprek gaat al gauw over het vak zelf. Kees ’t Hart is goed op de hoogte van mijn Rivierentrilogie en duikt met mij in de werkwijze en composities van de novellen. Ik vertel hem dat Rivier de Lossie fluistert en dat het verhaal dat dus ook doet. Rivier de IJssel zingt en daarom zingt het verhaal in contrapunt. Rivier de Brantas is een spiralerende rivier die hier en daar is verzand en zijn geschiedenis als het ware heeft verstopt. En zo is het gelijknamige boek. Christiaan Weijts en Kees ’t Hart willen weten of ik dat écht zo bewust heb gedaan. Jazeker, is het antwoord. En hun lichte verbazing verbaast en amuseert me tegelijk.

Na het vraaggesprek wandel ik wat rond in de Maliestraat. Aan het begin van de straat is een podium dwars opgesteld, waar singer songwriters elkaar afwisselen. Ik moet terugdenken aan halverwege de jaren zeventig, toen ikzelf als singer songwriter optrad maar er weinig publiek was: men wilde rock & roll… Ik breng een bezoek aan Gerbrand Bakker. Hij houdt zich in het souterrain bezig met het werken aan een tekst op zijn laptop en het roken van zware shag. Hij is een ochtendschrijver, vertelt hij me. Daar zijn er meer van, zoals Doeschka Meijsing. Dat type staat op, neemt een ontbijt en zet zich onmiddellijk aan het schrijven. Ikzelf doe dat alleen in de tropen (lees: Indonesië). In Holland duik ik de nacht in voor rust achter mijn schrijftafel.

[portfolio_slideshow]

Gustaaf Peek lost Gerbrand Bakker af. Hij heeft een mechanische schrijfmachine meegenomen en typt haiku’s. Het is jammer dat de organisatie geen poster met onze namen aan de gevel heeft gehangen, zodat het publiek kan zien wie er zit en dat er gelegenheid is voor vragen stellen. Mij is een lijk beloofd van een mooie jonge vrouw, maar als ik de kelder in moet, ligt er geen lijk. Ik verzoek dus om een lijk. De organisatie gaat naarstig op zoek naar een actrice, die even later voor lijk het trapje wordt afgedragen. De ruimte in de kelder is te klein, vanwege het bureautje en de snuisterijen, om haar neer te leggen. Dus er wordt besloten de vrouw op de trap te leggen. Ze speelt haar rol goed, ze ligt volkomen ontspannen en zegt helemaal niets. Uiteraard trekt ze veel aandacht. Via de microfoon onderhoud ik het publiek en lees hardop voor wat ik inderhaast met mijn vulpen op papier zet (de tekst staat in de vorige posting). Dit optreden is een gimmick, uiteraard, want schrijven doe je zonder bespied te worden. Er komen zelfs ambulancebroeders aanlopen om vast te stellen of de dame op de trap dood is. Ze is dood. Echt. Mijn gimmick valt in het water wanneer er iets misgaat met de microfoon en het lijk wordt weggehaald.

Maar dan komen er nieuwsgierige kinderen op de trap zitten. Ze vragen me waar de vrouw is die er zonet lag. Ik zeg: “Ga haar maar zoeken.” Ze keren onverrichte zake terug en gaan nu zelf maar voor lijkje spelen. Ik neem foto’s van ze en lees de haiku’s voor van Gustaaf Peek, die de schrijver in propjes op straat heeft achtergelaten en door de kinderen gevonden zijn.

Later zie ik het lijk, gespeeld door Sofieke de Kater, na haar wederopstanding breeduit lachend een biertje staan drinken in de brede deuropening van iets dat op een hotel lijkt. Boven haar hoofd zwaait een raam open: een dichteres laar haar poëzie door het straatje schallen.

Een dergelijk literair festival zou elk seizoen gehouden moeten worden.

Raamvertelling – schrijven in het cachot

alfred birney met actrice

Ze hebben me op een voor mij onzalig uur van mijn bed gelicht en me in dit cachot gevangen gezet. Achter een draad dat onder elektrische hoogspanning staat, loopt een arduinen trap omhoog naar de straat, waar zich een mensenmenigte heeft gevormd. Een vrouw in een shirt met zebramotief proost op de dood van een dame die levenloos op de trap ligt. Naast haar staat een jongeman te grijnzen met een biertje in zijn hand. Volgens mij kan hij niet wachten op het moment dat ik aan de galg boven het Smidswater bungel. Een giechelende verslaggeefster maakt aldoor foto’s van het lijk van een naar het zich laat aanzien bijzonder mooie vrouw. Wie zou zo idioot zijn zo’n schoonheid om zeep te helpen? Ik. Daar word ik althans van verdacht. Als ik over de hoogspanningsdraad zou reiken, kon ik haar aanraken… Ze draagt gympen van het merk Cars, paarse sokken en afgestroopte beenwarmers. Verder een maillot van een onbestemde kleur onder een kort rokje met bloemmotief. Op haar ranke bovenlijf draagt ze een wollig truitje, haar haren golven over de stoeprand, terwijl op straat de mensen zich aan haar verlustigen. De zwarte raven die me hebben opgepakt zinspeelden op een lustmoord mijnerzijds. Ik ben hier neergezet om een verweerschrift te schrijven, maar in het gemompel van de mensen klinkt reeds mijn veroordeling. Als ze wisten met welke romancier ze van doen hadden, dan was het ze wel overduidelijk geweest dat ik liever iets anders met deze dame had gedaan dan haar zo bruut te vermoorden. Hoewel… ik herinner me dat ik ooit een verhaal schre…

Metamorfoza

Mijn uitgever stuurde me een webadres uit talloos veel miljarden, waarop een would-be-schrijver uit talloos veel miljoenen probeert een boek van mij te recenseren. De tijd waarin de smaak van het leesvee werd bepaald door een handjevol recensenten in landelijke dagbladen, veelal gemankeerde schrijvers, is voorbij. Het is geen tijd om naar terug te verlangen, maar zeker niet om te verafschuwen. Er zit geen filter meer tussen schrijver en leesvee, hooguit een robot vermomd als zoekmachine, die bepaalt welke teksten als eerste worden getoond in de resultaten na een zoekopdracht. Kwaliteit was ooit een fenomeen waarover heftig werd gestreden. Thans heeft het woord zijn betekenis verloren, als het al de aandacht krijgt van de kudde die zich te loeien begeeft op de hobbelige velden van Facebook, WordPress.nl en wat al niet meer. Nederland heeft naar schatting 2000 serieuze lezers en ongeveer een miljoen would-be-schrijvers. Een serieuze lezer is iemand die het vermogen bezit zelfstandig een boek te beoordelen zonder oor voor dom geblaat van buitenaf. Een would-be-schrijver is een plaag, een insect dat zou moeten worden doodgetrapt. Nou klinkt dit wel heel erg oneerbiedig ten opzichte van de talloos vele prutsers op het internet en daarom zouden ze het misschien beter verdienen om edel te sterven. Maar ja, hoe herkent een insect zichzelf in de weerspiegeling van zijn laptop? En waar hangen de samoerai uit met hun scherpgeslepen zwaarden? Er zijn mensen die denken dat het hiernamaals onze driedimensionale wereld doorkruist. Dat tijden en parallelle werelden door elkaar heen lopen. Thans is het januari 1621. Jan Pieterszoon Coen gaat met een aanzienlijke vloot bij Lonthor voor anker, het grootste van de Banda-eilanden. Veertig compagnieën peddelen in sloepen naar het strand, versterkt met in Japan geronselde samoerai. Hier gaat een van de ergste moordpartijen uit de geschiedenis van de VOC plaatsvinden. Duizenden mannen, vrouwen en kinderen vinden de dood. Honderden Bandanezen worden in scheepsruimen gestouwd om op de slavenmarkt te worden verkocht. De samoerai ontfermen zich over ruim veertig dorpsoudsten; hun hoofden worden op bamboespiesen gestoken. Mensen vluchten de bergen in, lijden honger en stierven door ziekte. Aan het einde van de operatie zijn van de oorspronkelijke bevolking van 15.000 inwoners nog slechts enkele honderden Bandanezen in leven… Dit heet bij ons “een stukje” koloniale geschiedenis, dames en heren.

Natuurlijke recycling als begrafenisritueel

aasgier Elk mens stelt zich weleens zijn begrafenis voor. Dat neem ik aan, ik heb er nooit iemand naar gevraagd. De een droomt zich een crematie met serene muziek, de ander een klassieke begrafenis met een fanfare, een derde ziet zijn as in een ruimtesonde rond de aarde cirkelen. Ikzelf ben wat beducht voor de oven van een crematorium, stel je voor dat je toch nog even wakker wordt, dan lig je toch maar mooi in de hel te branden. En tijd is relatief, zoals u weet. In een kist onder de grond lijkt me ook al niks, daarvoor heb ik te veel Edgar Allan Poe gelezen in mijn jonge jaren. Ik stelde me eens voor dat mij een onheuglijke tijding was bereikt van een ongeneeslijke ziekte. Ik had nog maar drie maanden te leven. Zoiets. Wat zou ik doen? Ik zou een enkele reis naar Indonesië nemen en daar de rimboe opzoeken om er te sterven, liefst zo dicht mogelijk bij de krokodillen. Dan hadden zij aan mij een lekker hapje, niemand zou mij ooit terugzien en eh… ja, mijn dood zou een eeuwig raadsel blijven. Een dood zónder begrafenis dus.

Nou heb ik net mijn recensie van Het spoor naar Tibet van Abrahm Lustgarten (uit het Engels vertaald door Gerrit Jan Zwier) naar het AD gemaild, die het in een van de komende weken in de zaterdagbijlage zal opnemen. Er zit een voor mij treffende anekdote in het boek. Die begint zo (blz 209):

“Die herfst overleed Kaldens vader op 57-jarige leeftijd. Monniken uit een klooster voerden de begrafenisrituelen uit, waarna het lichaam van de oude man op een heuveltop aan de overkant van de rivier in stukjes werd gehakt, waar de gieren konden neerstrijken en het vlees meenemen…”

Alweer een bevestiging van mijn idee dat ik in het verkeerde land ben geboren.

Mercurius transiterend door het achtste huis

hat logo meneer b Mijn naam is Meneer B. en Mercurius wandelt momenteel door mijn achtste huis. De astrologen van astro.nl grijpen elke transit aan om je te vertellen wat je wel en niet moet doen. Het achtste huis symboliseert onder meer seksualiteit en de dood. Mercurius is de planeet van het verstand. Dus is mij verteld dat ik niet zo over de vergankelijkheid en verloren vrienden moet piekeren. Ik moet in het hier en nu leven. Het is bijna vijftien jaar geleden dat Christina alvleesklierkanker kreeg en amper de tijd kreeg zich op haar dood voor te bereiden. Ze was mijn levensgezellin geweest, ik had haar verlaten omdat ik als kluizenaar wilde schrijven. Ze ontmoette een man, kreeg een kind, werd zwanger van een tweede en moest die nog ter wereld brengen toen ze al doodziek was. De hel. Ik haalde alternatieve medicijnen bij een aurahealer. Ik geloof dat Christina die lachend in de vuilnisbak mieterde zodra ik weer weg was. Ik moest de afgelopen dagen veel aan haar denken, ik wist niet waarom. Vanavond zette ik na een dutje op de bank de televisie aan en viel midden in een show van David Letterman. Deze grappige talkshowpresentator vertelde het publiek dat hij ooit een stand up comedian had ontslagen en eigenlijk nooit heeft begrepen waarom hij dat nou had gedaan. Als een soort goedmaker nodigde hij de moeder uit van de stand up comedian, die ongeveer tegelijk met Christina was gestorven, aan dezelfde vorm van kanker, ook vroeg in de dertig. David Letterman vertoonde een door hem afgekeurde opname van de stand up comedian. Die was zo goed, dat het hem nog meer speet dat hij hem had gedumpt. Zo hebben ze het nooit uit mijn hoofd kunnen praten dat Christina nog zou hebben geleefd als ik niet van haar was weggegaan.

Een vergeten schrijver

jo otten bed en wereld.jpg Of een vergeten boek, dat weet ik even niet. Als je zoekt naar informatie over de schrijver Jo Otten (1901 – 1940), dan valt direct de behoorlijke lijst van boektitels op. Het zijn er een stuk of twintig. Zijn novelle Bed en wereld verscheen in 1932 en was een klein succes, ook wel wat geruchtmakend, waarschijnlijk door de vrijmoedigheid waarmee de schrijver seksualiteit thematiseerde. Nou was dat helemaal niets vergeleken met de meer scabreuze Indische pulpfictie van dertig, veertig jaar eerder, maar goed: Nederland is er altijd een kampioen in geweest schandaaltjes in de koloniën te situeren en ze daar ook te laten, zelfs meer dan een halve eeuw na de dekolonisatie van Indonesië. Plus, het moet gezegd, er was waarschijnlijk geen hond in de koloniën die zo goed schreef als Jo Otten. Des te opvallender is het dat Jo Otten nooit opviel in de officiële canon van de Nederlandstalige literatuur. Hij debuteerde op de perfecte leeftijd van 27 jaar, daar kan het niet aan hebben gelegen. Met méér dan boektitel per jaar kon hij ook moeilijk een luiwammes worden genoemd. Hing hij misschien te veel rond in Den Haag en Parijs en meed hij Amsterdam te veel naar de smaak van de literaire smaakmakers? Who knows. Hij zou de eerste niet zijn. Louis Couperus had ook een broertje dood aan Amsterdam, zijn roem kreeg pas werkelijk gestalte na zijn dood.

Terug naar Jo Otten. Kan een schrijver op grond van één boektitel worden bijgezet in de eregalerij van literatoren? Zeker. Wat te denken van Marcellus Emants met zijn Een nagelaten bekentenis. Gerard Reve met De avonden. Ik zie de revianen al van protest de tanden knarsen, maar geloof me: de rest van Reves werk zal echt worden vergeten. Het overkomt wel meer schrijvers, ze mogen nog van geluk spreken als er maar één werk in de herinnering van toekomstige generaties blijft hangen. Een groter compliment dan een personage scheppen die boven jezelf uitstijgt, sterker, die jouw naam doet verbleken, is er gewoon niet. Moby Dick, Robinson Crusoe, Don Quichot enzovoort. Helaas zien we dergelijke bijkans onsterfelijken nauwelijks terug in de Nederlandstalige letteren. Nou goed, Max Havelaar dan, ik zeg het met tegenzin want ik heb een hekel aan Multatuli. Vraag me nu niet waarom. Wie me kent, die weet het. Multatuli, u is groot! Wat u presteerde, daar kon Jo Otten nauwelijks van dromen! Die Otten was nog te beroerd om ook maar een verzonnen personage in elkaar te flansen in zijn novelle Bed en wereld. Of was hij gewoon wat bescheidener dan u?

De ik-figuur in de fraai uitgevoerde novelle ligt in zijn bed, kan de slaap niet vatten en maakt in gedachten een reis door heel Europa. Hij heeft weinig op met de Amerikanen met hun afschuwelijke elektrische stoel, geilt op mulattinnen, gaat café in en café uit, moppert op apothekers omdat ze verdommen hem voldoende slaappillen te geven, dat moet allemaal op recept, ja ook toen al. Jo Otten beschrijft het leven als een hel waarin hij zich niettemin kan overgeven aan hemelse verlangens, die uiteraard niet worden ingelost, want de ik-figuur ligt op bed, blijft op bed liggen en de lezer zal hem niet zien opstaan. Bijzonder aan de novelle is, dat het maar enkele alinea’s kent. Ze is jonger dan James Joyce’s Ulysses, dus het kan zijn dat Jo Otten de monoloog interieur van zijn Ierse tijdgenoot heeft afgekeken, of misschien toch van Marcel Proust, van wie de ik-figuur weinig moet hebben. Jo Otten hanteert mijn geliefde associatieve manier van schrijven die mij dunkt wel als voorbeeld kan dienen voor wie met schrijversaspiraties rondloopt. Een sterke beeldende kracht toont Jo Otten ook, hij, de gekwelde, die er niet aan denken moest om zijn aantrekkelijkheid te verliezen, ziek te worden en weg te moeten teren tot die afschuwelijke dood hem kwam halen. Zijn wens werd ingewilligd, in real life. Een verdwaalde Duitse bom trof zijn huis en de 39-jarige schrijver lag begraven onder het puin. Sommige critici noemen hem daarom een ongeluksvogel. U ziet het: ze snappen er weer geen jota van. Veel leesplezier!