Schrijven is geen bloggen

hat logo meneer b Het schrappen van 3000 woorden in deel 3 van mijn manuscript is mislukt. Er kwam zo’n beetje evenveel bij als eraf moest. Het lettertype Times New Roman heeft als voordeel dat je er minder bladzijden mee opvult, maar het zakelijke karakter staat me tegen. Ik heb deel 3 in Batang gezet en het vormt zo met deel 1 een eenheid. Deel 2 bungelt ertussen, in Courier New. Ik draai mezelf dus een rad voor ogen door me met trivialiteiten af te geven. Deel 1 en deel 3 vormen namelijk geen eenheid. Deel 1 en deel 2 doen dat wel. Deel 3 lijkt wel geschiedschrijving, wat interessant en zelfs mooi kan zijn, maar het past niet bij de andere delen. Het deel zat me zo dwars dat ik gisteren te vroeg wakker werd en urenlang lag te piekeren over hoe het nu verder moest. Ik dacht tijdens het fietsen tot een oplossing te komen, maar het waaide hard, het verkeer was onrustig en ik kwam bovendien drie mensen tegen, met wie ik een babbeltje maakte. Het is verbazingwekkend hoeveel mensen ik tegenkom op de fiets, zelfs in de duinen eergisteren kwam mij een kameraad tegemoet, die er veel fietst om gezondheidsredenen. Je kunt overal met iedereen over kletsen, uitgezonderd de problemen die je ontmoet tijdens het schrijven van een boek. Ik kan de drie hoofdstukken in elke volgorde presenteren, maar welke is het best? Het grootste probleem moet het eerst: het van voren af aan herschrijven van deel 3. Een opgave.

Folkies (3)

logo alfred birney Suzanne had als lijflied Suzanne van Leonard Cohen, nogal obligaat, evenals haar gewoonte vrienden op thee en sinasappels te onthalen, naar de schets in het lied: and she feeds you tea and oranges… De Canadese dichter speelde als folkzanger eigenwijs walsend op nylon snaren, zijn bezongen Suzanne was een vriendin die nu met zeven poezen samenwoont en onze Suzanne een blasé Amerikaanse kosmopoliet die met haar Texaanse ouders de wereld rondde onder de vlag van een of andere oliegigant. Maar die olie interesseerde me niet, en dat doet het nu nog niet. Wat me wel interesseerde was het uitzicht van haar tuinkamer op een grote vijver. De kamer lag achter de garage, waarnaar ze was verbannen, opdat het folk- en hippievolk buiten beeld zou blijven. De moeder van Suzanne had nog nooit een Indo gezien en toen ze mij met Dave eens in de hal zag, riep ze uit: ‘Oh my God, they look like Indians!’

Enfin, de tuinkamer. Die heb ik later gebruikt in mijn roman Sonatine voor zes vrouwen, want ja, vaak is de omgeving waarin mensen zich bevinden aanmerkelijk interessanter dan die mensen zelf. Maar nu ik aan die episode terugdenk komen de Amerikaantjes toch weer mijn herinnering binnenwandelen. Steve was cool. Hij reed op een weerbarstige bromfiets die om de vijf kilometer een sleutelbeurt nodig had. Maar hij klaagde nooit, zelfs niet met pech in de nachtelijke duinen richting zijn kamer ergens in Wassenaar. Maar we zitten nu even in een drive in-woning in Voorschoten. Mijn Indische ‘broertje’ Dave was mijn held, hij had op zijn veertiende al een plaat opgenomen. Hij kon alles op het eerste gehoor naspelen, echt alles. Als Mitch er was, een droogkloot met een John Sebastian-act, dan speelde Dave een komische gitaarpartij van Arlo Guthrie (zoon van Woody Guthrie, Bob Dylan’s held), en Mitch deed dan de complete vertolking van Alice’s Restaurant, met de gevleugelde woorden: I wanna kill, I mean I wanna, I wanna kill! Intussen lieten de Americanos hun bommen als manna uit de hemel vallen op Hanoi en Haifong en wij liepen met die ban-the-bomb-speldjes op legerjasjes; die kunnen nu het museum wel in.

Op een avond waren er twee Amerikaanse vreemdelingen, al wat ouder dan wij, vijfentwintig of zo. Een van hen leek precies op de folkartiest Jim Croce. Hij zat daar maar over zijn gitaar gebogen te piekeren zonder een noot te spelen, terwijl Suzanne hem tea and oranges voerde. Ik vroeg hem waar-ie aan dacht. Suzanne fluisterde me in dat hij in Vietnam had gezeten. ‘Oh boy, zei ik, ‘sorry hoor, neem me niet kwalijk. Maar nu we het er toch over hebben… heb jij daar mensen doodgeschoten? Lijkt me niks, dat.’ Een bombardement van dodelijke blikken joeg me op de vlucht. Het sneeuwde buiten. Hij was dus zo’n Universal soldier uit het repertoire van Donovan. Die moest je bezingen. Die mocht je niks vragen.

Haagsche Courant, vrijdag 7 november 2003

Heerlijke zaken

logo alfred birney 1. Een stofzuiger waarvan de stofzak en filters zojuist vervangen zijn door nieuwe. 2. Je belt het waterleidingbedrijf om te melden dat de hoofdkraan is vastgeroest. De telefoniste verbindt je al door terwijl je je zin nog niet af hebt en je krijgt direct de monteur die vervolgens een kwartier later al op je stoep staat en het karweitje in een oogwenk fikst. 3. Je belt de bank en er is maar één wachtende voor u. De jongen van de helpdesk klinkt fris en heeft er zin in. Je klacht wordt onmiddellijk in behandeling genomen en je wordt uitgebreid bedankt voor je telefoontje. 4. Je moet ergens over nadenken en je besluit de galerij aan te vegen. Er is niemand die ziet hoe schoon alles wordt onder je bezem, maar de zon schijnt weldadig op je nek. Bovendien weet je na de schoonmaakpartij wat de oplossing van het probleem is dat jou ertoe deed besluiten de bezem te pakken. 5. Het is tijd om je conditie wat op te poetsen maar je hebt geen zin om je wielerkleding aan te trekken, de banden van je fiets op te pompen en in je eentje door het hectische verkeer naar de duinen te fietsen. Dan belt er iemand op en houdt je een uur aan de praat over zijn computer, zodat je je later niet schuldig voelt dat je alweer niet op de fiets bent geklommen. 6. Je hebt geen zin om te koken. Je favoriete toko is gesloten maar je ontdekt een nieuwe, waar de rijst geurig is, de vis vers en het groentegerecht lekker knapperig. 7. Een configuratie van sterren die je een dag bezorgen waarop er helemaal niets ter wereld is om je druk over te maken.

Haagsche Courant, vrijdag 6 september 2002

Perceptie

logo alfred birney Het is voor het eerst dat ik op een stadsfiets door de duinen rijdt, richting Wassenaar. Gewoonlijk neem ik de racefiets. Mijn zoontje heeft zijn eerste mountainbike en ik leer hem hoe hij met de versnellingen moet werken. Het is midden op de dag en warm, de konijnen en vossen laten zich niet zien. Dat komt mooi uit, de jongen moet leren in zijn koers te blijven. Gaat goed, smijt nog teveel met zijn krachten, dat wel. Keerpunt is de waterpomp bij Wassenaar, bouwjaar 1950. Het lijkt dat er meer mensen op een stadsfiets rijden dan op een racefiets, maar ik kijk anders vandaag. Ik zou mezelf bijna op een vorm van saamhorigheid betrappen. Nu ik op een stadsfiets zit, vind ik sommige racefietsers aanstellerig te keer gaan. Anderen gaan weer zo langzaam, dat ze net zo goed een stadsfiets kunnen nemen. Maar ze zijn behendig. Zondagsfietsers kunnen erg schrikken van een racefietser die in hun richting af komt suizen en gaan dan slingeren. Vandaag lijk ik bij het kamp der zondagsfietsers te horen, die soms met drie naast elkaar ruim uit de bochten komen zwieren. Ze zijn gevaarlijker dan racefietsers, blijven ineens midden op het pad stilstaan om er te vergaderen, of wat al niet. Wandelaars en joggers zijn nog erger, vooral die uit de auto komen. Die denken dan dat alles voetpad is, behalve het voetpad zelf. Treffend is, dat mij bekende racefietsers me niet herkennen op mijn ordinaire stadsfiets. Ze groeten me niet. Je herkent elkaar aan de fiets, de kleding, de zit, kortom: de stijl. Tja, het leven is een bal masqué.

Haagsche Courant, maandag 29 juli 2002

Voorschot

logo alfred birney Mijn ome Willem zaliger, een aanwaaier uit het Scheveningse, liet mij nog vóór de jaar- en muntwisseling via de geest van mijn Chinese grootmoeder weten niet bijster geïnteresseerd te zijn in een douceurtje voor ex-dwangarbeiders uit de Tweede Wereldoorlog. Weliswaar werd Wimmie door de Duitse bezetter op een aak aan de Brouwersgracht gepleurd en vandaar naar Duitsland verscheept, al met al was het toch een aardig tochtje. Leuker dan onze schoolreisjes naar Drievliet: het jaarlijkse gebaar van een onderwijsteam dat met afgestreken smoelen de grootste leugens verkondigde rond het reilen en zeilen van Nederland in de Tweede Wereldoorlog.

Wimmie kwam te werken aan de draaibank bij de vervaardiging van raketten, die in Hitlers dromen Londen moesten platleggen. In ruil kreeg hij te eten en te drinken. Maar er was geen haring. Hij vluchtte, werd opgepakt en opgesloten in een dodencel in Scheveningen. De oorlog eindigde net te vroeg om hem ter fusillade de duinen in te slepen, wat hij sedertdien nog weleens heeft betreurd in tijden van tegenslag.

Thans doet hij ons uit het hiernamaals het advies toekomen alvast bij de overheid te gaan soebatten om een voorschot voor toekomstig leed. Aan gene zijde kun je het immers ontvangen noch uitgeven. Mocht het later allemaal wel meevallen, dan kan de overheid ons lekker niet meer vragen het geld terug te storten. Want de hemel spekt geen schatkist als speeltje van ministers die met conjunctureel enthousiasme op de wapenindustrie gokken, al moeten mensen er gras voor vreten.

Haagsche Courant, woensdag 16 januari 2002