Telefictie

logo alfred birney Televisie is het leukst als het live gaat, maar dat durft men zelden aan, er kan veel fout gaan. Ook voorgebakken uitzendingen zijn zelden vlekkeloos, je ziet het al aankomen wanneer je je gaat melden op de plaats van afspraak. In mijn geval was dat heden middag om 16:45 uur bij Toko Toet aan de Beeklaan numero 376A te Den Haag. Met mijn geweldige timing kwam ik precies om kwart voor vijf aan fietsen. Dan moet, vind ik, de televisieploeg van de betreffende lokale zender natuurlijk meteen een shot nemen van hoe de schrijver aan komt fietsen op zijn blauwe Union en in zijn linnen jasje. Ik bedoel: als je zo te werk gaat, dan bespaar je tijd en kun je weer snel naar huis, of lekker naar de zee. (Ja, ik was liever naar de zee gegaan.)

Er stond natuurlijk helemaal geen filmploeg op me te wachten. Die televisielui werken net als uitgevers. Dit wil zeggen dat zij zichzelf een ruime vrijheid veroorloven in het overschrijden van tijdslimieten. Meantime moet jij natuurlijk wél op tijd zijn, anders kunnen zij de tijdlimiet niet overschrijden. Is that clear? Onthoud dit nou goed voor later, voor als u ook eens op de televisie moet. Enfin, ik sta daar zo’n beetje te hangen in de deuropening. Zegt een ander, hangende tegen een muurtje verderop (het was lekker warm buiten): ‘Zeg, ben je van TV West?’ Ik zeg: ‘Ja, maar voor heel even.’ De man kijkt me aan alsof hij kiespijn heeft en inderdaad, wanneer we aan de praat zijn geraakt blijkt hij onder een enorme kiespijn gebukt te gaan. Mijn gsm gaat af en de joviale meid die mij enkele malen eerder in de week van mijn fiets belde (ja dat kan, wordt straks duidelijk) meldde dat het team later zou komen.

‘O, maar waar ben jij dan?’ vraag ik.
‘Ik zit op kantoor,’ zegt ze.
‘O, dus wij zien elkaar helemaal niet!’ roep ik eh… teleurgesteld uit.
‘Nee!’
‘Ja, maar ik kom voor jou! Je denkt toch niet dat ik hier voor die sukkels met dat cameraatje ben gekomen.’
‘Ja nee ja eh ha ha ha! Zeg, maar ze komen er aan hoor, over een kwartiertje zijn ze er!’
‘Nou, dat wordt dan drie kwartier.’
‘Nee hoor, ze rijden net weg.’
‘Weet je het zeker? Rijden ze net weg?’
‘Ja, ze zeiden dat ze net weg reden.’
‘Ja, kijk, dat bedoel ik dus: ze zeiden dat…’
‘Okay, ja maar…’
‘Hoorde jij dat ze de wagen startten dan?’
‘Nee, het is een fluisterstille wagen.’
‘En waar stonden ze toen ze wegreden? Stonden ze in de parkeergarage, reden ze net de parkeergarage uit of tuften ze net de weg op?’
‘Ik neem aan dat ze net de weg op reden.’
‘Nou, dat wordt dan veertig minuten, maar dat maakt niet uit joh. Waar moeten ze vandaan komen?’
‘Van de Pasar Malam, daar hebben ze net met Siem Boon gesproken.’
‘O, ik dacht dat ze hier zouden beginnen en dan naar de Pasar Malam zouden gaan. Het is dus andersom! Wise people, het eten is veel beter hier.’

De man met kiespijn stelt me voor aan een man zonder kiespijn maar met zorgen aan zijn hoofd. Toko Toet is namelijk van hem. Hij zit nog net niet tegen een burn out aan, maar hij is wel erg capeh, moe dus, erg moe, hij is zo verschrikkelijk moe, hij zou wel eh… niet moe willen zijn. Ik geef hem een aantal tips, maar in korte vakanties gelooft hij niet. Het lijkt hem het beste om maar te gaan sporten. Dat vind ik ook en eh, zeg nu ik jou toch spreek: Toko Toet lag vroeger toch aan de Leyweg, is het niet zo? Ik moet dat weten, anders kraam ik straks allerlei onzin uit op de televisie. En je weet hoe Indische mensen zijn: die pakken dan pen en papier en sturen je ellenlange epistels met hoe het volgens hun ooit was. In koloniaal handschrift, je weet wel: met veel krullen en tierelantijnen.

Terwijl de vermoeide man me vertelt hoe het allemaal zat, gaat mijn gsm weer af.

‘Halloooooooooooo!’
‘Hey, hi there, hallo, hoe gaat ie achter je peeceetje?’
‘O goed hoor, zeg je begrijpt het wel hè?’
‘Yo ya hoor ik begrijp het, zeg hoe lang moet jij nog (hoe oud ben je, wat ga je vanavond doen, heb je een vriend, gaat ie vreemd die klootzak, hey ben je lekker) eigenlijk?’
‘Pffffff ik zit hier nog de hele avond joh, teevee hè? Maar ze komen eraan hoor, over een kwartiertje.’
‘Okay, over een kwartiertje, maar dat zei je net ook al (baby).’
‘Ja, ik bedoel ze komen over tien minuten, echt, tien minuten, nou goed laten het er elf zijn dan.’
‘All right (baby), don’t worry (baby), ik sta hier lekker te keuvelen met (een paar lekkere babes, ben je nou jaloers?) eh…’
‘Nou joh, anders neem je toch alvast wat.’
‘Welja joh, mooi weer toch?’
‘Ja, nou ik zit hier wel te puffen achter die pc maar ik mag niet klagen hoor, voor hetzelfde geld eh…’
‘Nou?’
‘Eh, o niks joh, ha ha ha! Het is goed joh, hey en zij is ook aardig hoor, echt ze is heel aardig, sorry dat ik er niet bij kan zijn, maar ze is echt aardig hoor.’
‘En wie zijn er nog meer bij dan?’
‘Nou zij dus, en dan de cameraman en Wim Willems.’
‘Okay, en wat doet Wim Willems?’
‘Wim Willems doet de presentatie.’
‘En zij dan?’
‘Zij voert de regie.’
‘En jij?’
‘Ik? Ik bel de hele dag in het rond, wel leuk hoor, ik had net nog een boer aan de lijn die ik niet, dus helemaal niet verstond, ha ha!’
‘Zat ie op de tractor of zo? Zoals ik steeds op de fiets zat als je belde?’
‘Nou, het was wél een soort tractorgeluid maar dat kwam toch écht uit zijn mond, ha ha.’
‘Hey, leuk baantje heb je (baby, zeg ik kap er nou mee hoor, melig gedoe, leidt toch nergens toe, je bent ook veel te jong voor me joh, ik wil trouwens onderhand wel het klooster in, er schijnen aardige in Thailand te staan, met massagekamers en zo, huh huh), echt, leuk baantje heb je, hey keep going hè, toedeloe!’
‘Joehoe! Toedels!’

Drie kwartier na het afgesproken tijdstip komt een busje aangereden. Iemand van de crew slingert zonder te kijken het portier open en een fietser weet het nog maar net te ontwijken. De fietser heeft geen zin om te stoppen om zijn verhaal te gaan halen, hij is wijs en ongetwijfeld blij dat hij nog leeft. Het drietal dat uit het busje komt gestrompeld, ziet eruit alsof ze door de gehaktmolen van de AIVD gehaald is, en anders wel onder een stapel flauwgevallen bejaarde Indo’s uit Australië op de Pasar Malam Besar vandaan heeft moeten kruipen. Moet dát mij komen interviewen? Is ick soo ende diep gesonck?

Nu komt het, let vooral op, in het bijzonder als u wel eens, of vaak, of altijd, televisie kijkt. Ik ga niet zeggen dat de televisie liegt, ik zeg alleen dat de dingen die u op de buis ziet niet altijd de dingen zijn zoals ze zijn. Dat wist u ongetwijfeld al en daarom kijkt u televisie, gewoon omdat u van fictie houdt. Okay, dus u begrijpt dat het mogelijk is dat straks op de televisie de presentator op MIJN fiets aan komt rijden terwijl IK in de toko zit te wachten. Dat shotje moest trouwens één of twee keer over. Wim Willems deed mijn fietsslot niet handig genoeg op slot, het was hem, kortom, aan te zien dat hij al een jaar of twintig niet op een fiets had gezeten. Zijn introbabbel was ook niet al te sterk, uitgeknepen als ie al was van een rondje over de Pasar Malam Besar. Ik vond zijn tweede opkomst sterk genoeg, voor zo ver ik dat kon beoordelen, ik zat namelijk binnen, maar wel dicht bij de open deur. Bij het mislukte shot was ik nog blijven zitten toen hij de toko binnenkwam en wij elkaar begroetten, maar nu dacht ik: kom ik sta eens op, dan maken we er even een real nice entrance van en dan kan die regisseur niet meer zeuren.

Ze bleek geen zeur en ondanks haar vermoeidheid was ze nog alert genoeg om de presentator tijdig af te kappen (regisseurs denken in blokjes, professoren als Wim Willems in colleges) en de boel zo te organiseren dat de sateh kambing op driekwart van de opnametijd werd geserveerd door een levensecht Indisch meisje uit het begin van de vorige eeuw (geen idee hoe ze dat voor elkaar kregen bij Toko Toet) enzovoort. Waar het nou eigenlijk allemaal over ging, dat ben ik onderhand al bijna vergeten. Ja, dat moet. Anders zie je later jezelf terug en zeg je aldoor: ‘Ja, nee hoor, laten ze dít staan en hebben ze dát eruit geknipt!’ Overigens wist ik niet eens waar het allemaal over zou gaan toen ik op de fiets aan was komen rijden. Die joviale meid aan de telefoon had gezegd dat ik één van mijn onvolprezen columns mee moest nemen, wat ik had gedaan, maar ter plekke zei de presentator dat het over mijn boeken moest gaan. Ik had dus mijn boeken mee moeten nemen. Maar als ik mijn boeken mee had genomen, dan zouden ze natuurlijk hebben gevraagd waarom ik mijn gitaar niet had meegenomen.

Enfin, uitzending aanstaande dinsdag. De boel gaat Google Video op, u hoort wel wanneer. Ik ga nu schrijven. Off line. The real stuff.

Van den web ende maan

logo alfred birney Ik denk dat ik een beetje maanziek ben, ik verbaasde mezelf gisteren met mijn eigen onvoorspelbaarheid. Mijn veertienjarige zoon schrok zich het lazarus en wel zó dat hij aanbood me in de keuken te komen helpen. Nou wil die jongen al jarenlang bami leren maken, dus het werd eens tijd dat ie naar beneden kwam. Plus het werd tijd dat ie achter die ellendige pc vandaan kwam. Zijn MSN- YOUTUBE- en WHAT’S MORE- verslaving komt me onderhand de strot uit. Het is vakantie, maar ik zie nauwelijks leeftijdgenoten van hem op straat. Ze zitten allemaal maar achter die ellendige pc met elkaar te chatten. Zegt iemand iets onwelgevalligs, dan wordt de persoon in kwestie met één click van de muis geblokkeerd. Ik heb mijn zoon omstandig uitgelegd dat in real life mensen zo geen problemen oplossen. Dat in real life mensen altijd grilliger zijn dan jij voor mogelijk houdt. Kijk maar naar je vader. En geen discussie over what is real, hoor je me? Het scheelde niet veel of je vader had je het huis door geslagen. In real time, hoor je me? Jij gaat voortaan na elke drie kwartier een kwartier van die klote pc af, hoor je me? En jij speelt voortaan elke dag een half uur gitaar, hoor je me? Elke boerenlul kan een muis vasthouden, maar gitaarspelen is iets anders, dat moet je léren, hoor je me? En jij gaat vanaf morgen elke dag een uur de straat op, hoor je me? En zo ging ik nog een tijdje door. Zelfs een valiumpje en een ritje op de fiets brachten me niet tot bedaren. Klote maan. Het is voorbij middernacht en ik heb nóg altijd een rotbui. The moon sucks. Ik heb nergens zin in. Shit maan. Ik heb nog wel een kolossale spin het leven uitgejaagd, die bij mijn zoon in de gordijnen hing. Ook dat is allemaal de schuld van die maan.

Naschrift:

Naar aanleiding van enkele reacties per e-mail laat ik voor de zekerheid maar weten dat ik mijn zoon niet sla, laat staan hem het huis door sla. De ironie moet gezocht worden in: In real time, hoor je me? Het internet blijft een brak medium voor dit soort nuances. Overigens zetten ouders die hun kinderen mishandelen dat doorgaans niet op het internet. Tot slot: mijn zoon beoefent jiu jitsu, de edele kunst der zelfverdediging. Maakt u zich over hem vooral geen zorgen. En over mij ook niet.

Van den dweyl ende racefiets

hat logo meneer b Mijn tweelingbroer, met zijn hilarische cyberhumor, stuurde me een e-card met custom made racefiets. Hij ziet er nog sneller uit dan de mijne, maar ja, misschien was ik een beetje te optimistisch geweest na die testrit op mijn racefiets afgelopen zaterdagmiddag in het warme weer? Ik heb wat dweildagen achter de rug: dagen waarop men zich als een dweil voelt (wij gaan er gemakshalve vanuit dat wij, mensen, zo ongeveer wel weten hoe een dweil zich voelt: zoals hij, nog niet helemaal uitgewrongen, eruitziet. Gisteren, op de Dag van de Arbeid – stelt in Nederland weinig voor, anders dan in de rest van de wereld – voelde ik me niet op en top maar ik vond dat mijn zoon er eens uit moest, anders hangt die jongen de godganse dag maar achter zijn pc en gameconsoles. Het kostte wat meer energie, ik moest herhaaldelijk achterom kijken om te zien waar hij bleef, mijn zoon heeft namelijk de beleefdheid heel lang achter een stel zondagsfietsers aan te blijven rijden totdat hem eens een doorgang wordt gegund, terwijl ikzelf gewoon dwars door zo’n kudde heen fiets. Bij de watertoren voelde ik al dat ik Wassenaar niet zou halen, we sloegen linksaf en mijn zoon stelde vragen over teken, eekhoorns en uitlaatgassen en verbeterde twee van mijn zinnen (hij moest van mij meer dan fatsoenlijk Nederlands leren spreken en dat zal ik nu weten ook, ha!). Op de boulevard kreeg hij zijn patatje pinda. De jongen wist zich opeens niet meer te herinneren wat een golfbreker was en aangezien het vloed was moest ik met hem het zand door zeulen om hem althans een onder water liggende golfbreker te wijzen. De zee was vreemd, rusteloos door de naderende volle maan. Wonderlijk, die zonnebadende mensen dezer dagen. Ik stelde voor om bij de Egyptische visboer in onze buurt zalm te gaan halen. Ertegenover ligt een Turkse supermarkt met uitstekende groenten. Maar bij aankomst bleek die gesloten, ik was vergeten dat het dinsdag was. En toen stortte ik in. Soort deadline, die supermarkt. Het duizelde me bij de visboer. Ik werd chagrijnig, wilde naar huis. Op de radio raaskalde de één of andere deskundige over hooikoorts, astma, allergieën, pollen, fijn stof en stuifmeel in de lucht, maar hij zei niets over hartpatiënten. Die zijn er in vele soorten en maten, ik denk dat ik bij de lichtgewichten hoor. Toch vrees ik beter af te zijn met een normaal dagnachtritme, zodat ik in de ochtend met mijn oude fietsmaatjes mee kan. Maar wanneer moet ik dan schrijven met die dagelijkse herrie om me heen? Ik haat de dag. Mensen maken zulk afschuwelijk lawaai.

Iemand met een mening

hat logo meneer b Enkele dagen terug hoorde ik iemand met een mening op BNR Nieuwsradio, zeg de zender van het kapitalisme, waar ik graag naar luister om die idiote geldwereld te leren begrijpen (vergeefs totnogtoe). Ik ben helaas vergeten of de persoon een woordvoerder was van de Hartstichting of één of andere cardioloog met vage redenen die in het gebied van het menselijke ego gezocht moeten worden. De radioluisteraar kreeg te horen dat van alle hartpatiënten die een behandeling heeft ondergaan de helft nog altijd rookt én te dik is. Ik moest als luisteraar dus begrijpen dat die helft zowel rookt als te dik is. Merkwaardig, je zou bijna denken dat roken en dik zijn samengaan, terwijl eerder het tegenovergestelde het geval is. Nou ben ik als ervaringsdeskundige ooit uitgebreid een enorme hartafdeling wezen bekijken én interviewen. Wat wilde het geval? De helft van alle patiënten had nog nooit in zijn of haar leven gerookt en de enige dikkerdjes, om niet te zeggen kolossale reuzen, bevonden zich onder het huishoudelijk personeel: wanstaltige gedrochten die amechtig de maaltijden ronddeelden. De iemand met een mening op BNR Nieuwsradio had dus moeten zeggen dat de helft van de rokende en / of te dikke hartpatiënten gewoon doorgaat met paffen en / of donuts vreten. En dan had hij er ook nog bij achteraan kunnen zeggen dat het een raadsel blijft hoe al die niet-rokers op de hartafdeling terechtkomen. Misschien moet hij maar eens op de fiets een kilometertje achter een auto aan rijden. Eén kilometer maar.

Beginnen

hat logo meneer b Gisteren zat ik sinds jaren weer op de racefiets. De fiets stond me al een paar weken, opgelapt en opgetut, aan te kijken, maar ik had haar links laten liggen. Ik wendde onverschilligheid voor. In werkelijkheid was ik bang als een beginner om met mijn schoenen in de beugels te blijven haken, om een klapband te krijgen, of een gebroken stuur. Of zo traag te rijden dat zelfs mensen op ordinaire fietsen mij voorbij zouden stuiven. Om door de hitte bevangen te worden, ook dat was een aardige reden om niet om dat ding te klimmen. Toch kwam de dag, mijn lijf vroeg erom. Ik graaide mijn wielerkleding uit de kast, zocht lichtelijk nerveus naar gereedschap voor onderweg, vulde mijn bidon en liet me uitzwaaien door mijn zoon, die blij was het rijk voor zich alleen te krijgen. Ik was de straat nog niet uit of ik voelde me alweer één met mijn fiets, wat een goddelijk gevoel is dat vergeleken met dat gesjouw op zo’n kolossale stadsfiets. Ik ben een langzame starter, geef niets om mensen die me voorbijgaan in de stad, ik moet het eerste duin over zijn eer ik een beetje warm begin te draaien. En een uurlang trappen voor ik in mijn cadans begin te komen. Maar ik ben er lang, heel lang uit geweest, en dan beginnen de dingen weer van voren af aan: je moet niet trappen maar molenwieken, je schouders ontspannen, maar dan beginnen je tenen te tintelen en weet je dat je je voeten niet ontspant. Ik weet nu niet wat er de volgende keer pijn gaat doen, ik weet alleen dat er ergens pijn zal komen. Je lichaam toont je elke keer je zwakste plek en pas als je 2000 kilometer in de benen hebt, zit je lekker, zoals dat heet.

Plannen

hat logo meneer b De racefietshersteller kende me nog. Schijnt niet zo bijzonder, mijn kop is onveranderlijk, wordt alleen maar ouder. Uiterlijk ouder worden is geen probleem voor me, helaas begint mijn lijf kuren te vertonen. Maar het kan erger. Gisteren nam ik spontaan mijn racefiets op mijn nek en droeg hem de trappen af. Ik vroeg me af of het niet wat netter zou zijn het spinrag te verwijderen, maar besloot dat karweitje aan de wind over te laten. Vijf jaar stof, ik fietste mijn laatste kilometers in 2002 toen ik me al aan martial arts was gaan wijden. Fietsen en martial arts gaan niet samen, voor mij tenminste niet. Martial arts beoefenen is leuker dan fietsen, speelser, maar ik moet doen wat gezond is en niet mijn lijf nog verder slopen. Mijn stadsfiets wordt me onderhand te zwaar in de duinen, ik moet nu kilometers gaan maken en dat doe je niet op zo’n stalen ros compleet met fietstas. Dat vond mijn racefietshersteller ook, die mijn racefiets in mijn toptijd (begin jaren 90) leverde: een klassiek Italiaans frame met professionele toebehoren, de commandeurs nog op de schuine buis. Inmiddels is het ding verouderd, de jonge generatie rijdt op ultralichte fietsen met versnellingen in de remhandels verstopt. Er was zelfs geen nieuw stuur meer voor me te vinden, daarvoor moet mijn halve fiets worden verbouwd, vanwege de nieuwe versnellingsmechanismen. Ik houd mijn ouderwetse wegbaanstuur wel. Ik ben benieuwd hoe ik over enkele dagen de duinen door zal komen. Demarrages zullen er niet bij zijn. Ik zal onverschillig blijven voor jakkeraars die me voorbij stuiven, maar inhaalmanoeuvres van zondagsfietsers op zondagsfietsen zullen bij mij ongetwijfeld het schaamrood naar de kaken doen stijgen. Gelukkig ken ik een vluchtroute via de Wassenaarse villawijk voor een oudemannenrondje van 30 kilometer. Die afstand haal ik inmiddels wel. Dat zou een half jaar geleden ondenkbaar zijn geweest. Verjongeren bij het ouder worden, heeft wel wat.

Een wereldkampioen vloog voorbij

hat logo meneer b Het werd weer eens tijd om op de fiets te stappen na een buikgriep die kennelijk veel mensen te grazen heeft genomen en misschien een gevolg is van de angstwekkende klimatologische veranderingen, die onze kinderen later grote problemen zullen bezorgen. De lente is te vroeg, er was geen winter die slapende insecten doodvroor en voor de zomer wordt een wespeninvasie verwacht. De dag was zuurstofrijk, ik begon sloom, dook even in het wiel van een flinke Hollandse meid met een parfum dat heerlijk rook. Ze hield me goed uit de wind maar werd wat nerveus van zo’n meneer achter zich. Ze deed alsof ze iets in haar jaszak zocht zodat ze vaart kon minderen en toen ben ik maar afgeslagen. Onderweg naar de Watertoren moest ik in slalom tussen dranghekken door. Het begon me te dagen dat de City-Pier-City Loop werd gehouden. Ik had geen idee waar de atleten en trimmers zich bevonden, totdat ik bij de haven kwam en wegwijzers mopperende automobilisten buiten het parcours zag houden. Eén zei tegen me dat de eerste lopers binnen enkele minuten werden verwacht. Ik ging bij een groepje jolige Scheveningers staan kijken en zag de eerste atleet op ons af komen. Hij liep niet, rende niet, nee: hij vloog. Het duurde meer dan een minuut voordat een paar van zijn Keniase makkers voorbijkwamen. Zij zweefden, wat lager boven het asfalt dus. Later kwamen de duizenden trimmers, van wie de langzaamste nog altijd te snel voor mij zou zijn. In de avond las ik dat de atleet die vloog Samuel Wanjiru heet, 20 jaar is en zijn eigen wereldrecord heeft gebroken. Ik word oud. Als ik al iets heb te breken, dan zijn het mijn botten.

Nieuwjaarsdag anno 4704

hat logo meneer b Ik had geloof ik beter op oudejaarsdag mijn racefiets schoon kunnen maken, gisteren dus. Chinezen maken namelijk op oudejaarsdag hun huis schoon. Wat ze op nieuwjaarsdag doen kun je wel raden. Ze zullen ongetwijfeld heel veel eten van de niangao, de nieuwjaarscake. De kids die ik gisteren achter aan de processie zag – ze stonden zo’n beetje in conclaaf over de verder te volgen procedure – vond ik nogal fors uitgevallen. Meisjes en jongens van rond de 20, en dan al van die enorme babi-konten en -smoeltjes. Ik zou ze eerder op de racefiets zetten dan naar de kung fu-schuur sturen achter het een of andere vieze restaurant. Een jaartje flink fietsen en ze kunnen op de catwalk. Ik heb nog nooit een Chinees op een racefiets gezien, maar ik moet zeggen dat mijn rennersjaren ver achter me liggen. De fiets die ik vandaag schoon maakte, is uit 1991. Italiaans stalen frame met Campagnolo onderdelen, daar rijdt geen hond meer op. Het merk is van de vader van Ivan Basso, die ooit een goede sprinter was. Ik kocht de fiets van het geld van een literaire prijs, ik denk dat ie nu slechts 100 euro oplevert. Vijf jaar terug heb ik er nog 500 kilometer op gereden, maar ben toen aan vechtkunst gaan doen. Vechtkunst en wielrennen gaan niet samen. Ziet u Lance Armstrong al van zijn fiets klimmen en een kata uitvoeren? Dat is zoiets als Marilyn Monroe op gummilaarzen de ploem-ploem-jenka zien dansen. Vergeef me dit anachronisme. Ik ben overigens nog niet klaar met het schoonmaken van mijn fiets. De waarheid wil dat dat ding zo smerig was, dat ik er vandaag alleen de stofzuiger overheen heb gehaald. Ik heb me in moeten houden. Anders zou ik, volgens de Chinezen, mijn geluk hebben weggepoetst. Morgen ga ik mijn geluk oppoetsen.

Chinees nieuwjaar knort me tegemoet

hat logo meneer b Ik had een halve afspraak in de stad met de ex-hoofdredacteur van een krant, maar versliep me grandioos vandaag. Ik zag een gemiste oproep op mijn mobiel, belde de man op, sprak wat in zijn voicemail en at een boterham met aardbeienjam. Die aardbeienjam is bedoeld als afwisseling op de kersenjam die ik bij elk ontbijt tot mij neem. Ik ben overigens een poosje aan de gemberjam geweest, maar toen rookte ik nog. Ik vind gemberjam echt iets voor rokers. Kersenjam vind ik iets voor dames, maar op één of andere manier past het ook wel bij een schrijver. Ik hoop dat u begrijpt wat ik bedoel. Is dat niet het geval, wéét dan dat ik zelf ook niet helemaal weet wat ik nou precies bedoel.

De dag was ook wel eigenaardig. Ik had het gevoel naar de stad te moeten vanwege die halve afspraak en besloot om dan maar de Chinese nieuwjaarsviering bij te wonen. Mijn zoon, gekluisterd aan zijn pc, wilde niet mee. Eenmaal buiten besloot ik om een grote omweg te maken, zodat ik, eenmaal in de stad gekomen, het einde van de Chinese optocht zou zien. Ik houd namelijk erg van achteraan lopen, ik weet niet waarom, maar als jongen liep ik tijdens schoolreisjes en zo meer graag achteraan.

Het was erg rustig aan de boulevard, misschien bevindt een kwart van Nederland zich in de Europese sneeuwgebieden terwijl een tweede kwart wat rondhangt in goedkope Afrikaanse toeristenoorden en de rest met griep ligt? Ik besloot langs de Scheveningse gevangenis naar de stad terug te fietsen en zag in een flits Helga Ruebsamen, die aan de verkeerde kant van de weg fietste. De laatste keer dat ik haar zag was rond 1990, Margaretha Ferguson leefde toen nog en Helga Ruebsamen reed in een oude Mercedes rond. Nu reed ze op een fiets, zwaar opgemaakt, ze lachte een beetje schaapachtig maar ik zal wel ernstig hebben gekeken, want fietsen is ernst. Ik bedoel: als ik fiets, dan fiets ik en dan ga ik niet uitgebreid naar passerende collega’s zwaaien. Schrijvers onder elkaar is toch al een ramp, een enkele uitzondering daargelaten.

Ik hing zo’n beetje achter een jong wezen op een mountainbike en kon niet uitmaken of het een meisje of een jongen was. Achter me hoorde ik iemand in mijn wiel puffen, al fietste ik niet hard. Mijn zoon zou later zeggen dat vandaag iedereen duf was. Zeker suf geblaft in het voorbije Hondenjaar.

De weg was lang, werkelijk, het Haagse Bos doemde akelig kaal op, de Laan van Nieuw-Oost-Indië was desolaat als de hel, alsof de Engelsen dat gebied zijn blijven bombarderen sinds de Tweede Wereldoorlog. Ik kocht een risolles bij mijn vroegere favoriete toko, die inmiddels van naam is veranderd, en fietste naar mijn oude wijk achter het CS, momenteel nauwelijks bereikbaar vanwege allerlei nieuwbouwactiviteiten, een soort speeltuin voor gewetenloze projectontwikkelaars en hardvochtige architecten.

Op de hoek van mijn oude straat at ik mijn risolles, gezeten op de bagagedrager van mijn trouwe fiets. Verderop stond een huurwoning aangeboden, waarvoor ik hoge ogen zou kunnen scoren en die ik nu wilde gaan bekijken. Maar zodra ik mijn oude straat in fietste vroeg ik me af: moet een mens ooit teruggaan naar waar hij vandaan kwam? Je gaat toch ook niet terug naar een ex-geliefde? De woning bleek onzichtbaar ook nog, want het hele portiek ging schuil achter een ondoorzichtige plastic bouwzeil, alsof er een week eerder een bomaanslag was gepleegd of er tenminste een kakkerlakkenplaag is bestreden.

De wijk was ooit de enige stationsbuurt die níet was verpauperd, maar toen woonden er nog schrijvers als ik. De wijk was ook ooit één van de moeilijkst bereikbare van de stad, nu waarschijnlijk van het hele land. Zelfs op de fiets kon ik het gebied niet aan de kant van het station verlaten. Ik moest hem aan de hand nemen. Ik ontmoette troosteloze gezichten in een grimasserende stationshal. Toen klonk het geweld van de Chinese optocht uit de stad, ik sprong op mijn zadel en ging er op af. Bij de Markthof zag ik nog net de staart van de stoet het Spui oversteken naar het plein.

Ik denk dat het de staart van de Hond was, het voorbije jaar. Vandaag is immers oudjaar en morgen nieuwjaar: het jaar van het Varken. Waarom wordt het niet om middernacht gevierd? Omdat dan de christenen en de moslims willen slapen? Ik had trouwens een Hondenjaar, na een nog verschrikkelijker Hanenjaar. Mag ik nu varkentjes gaan wassen?

Mijlpaal

hat logo meneer b Vandaag heb ik de sprong in het diepe gewaagd. Onnodig te zeggen dat ik niet ben verzopen, anders had u niets meer van mij vernomen. Gisteren was ik al voorbij de Watertoren en over de Oliebollenberg (het hoogste duin in het gebied) gefietst tot aan het eerste kruispunt, waar Meijendell begint, u weet wel: dat kustgebied waar Vincent van Gogh ooit een jaartje vertoefde en dat jaarlijks een miljoen bezoekers te verwerken krijgt. Zodra je de open monden van talmende dagjesmensen bij richtingwijzers ontwaart, al dan niet met een gehuurde fiets aan de hand, weet je dat je Meijendell hebt bereikt. Gisteren maakte ik rechtsomkeert en beklom de Oliebollenberg van de andere kant. Vandaag fietste ik heroïsch door, op die zware stadsfiets van me, een onverwoestbare Union Paloma. De tocht viel mee, maar de grindweg is intussen geplaveid met tuttige tegeltjes en afgrijselijk afgezoomd, reden waarvoor, vind ik, de ontwerper moet hangen. Ooit sjeesde ik hier met mijn kompanen de paden af richting Noordwijk – men haatte ons, renners worden nog altijd gehaat – nu reed ik als een brave 50-plusser helemaal naar de waterpomp bij Wassenaar. Voorwaar een prestatie! In deze tijd van het jaar is de waterpomp vanwege nachtvorst nog dicht, maar ik had een flesje water in mijn fietstas, waarmee ik de haringsmaak pleeg weg te spoelen na een bezoek aan een viskraam in de haven. Op de terugweg joeg ik tijdens klimmetjes opzettelijk mijn hart een tikje op hol, ongeveer als tijdens zo’n fietstest in het ziekenhuis. Kan een mooi jaar worden.