Whodunit

postzegel Een vriendin stuurde me een maffe ansichtkaart . Ik dacht dat ze nogal vroeg was voor mijn verjaardag, maar daar was die kaart niet voor. Wat betekende die kaart dan? Nou, dat ik moest blijven fietsen. Oef! Ik had me zeker in een e-mail laten ontvallen dat dat gefiets me onderhand de strot uitkwam. En dat ik wel weer eens zin kreeg in een sigaretje na tweeëneenhalf jaar niet roken. Zij heeft na vijf rookvrije jaren ook weleens zin in een sigaretje, toch steekt ze er geen op. Nah vooruit, begrepen.

Vandaag mijn mountainbike maar weer van stal gehaald. Ja, ik rijd tegenwoordig op een mountainbike, ik ben de racefiets ontgroeid. Bedoeling was een oudemannenrondje van mijn huis via de watertoren naar de boulevard en dan weer terug om lekker op balkon te gaan zitten lezen. Maar bij de watertoren dacht ik: kom, ik rijd nog wel even de Oliebollenberg op. Op de flank van dat beruchte duin werd ik evenwel syckerig voorbijgefietst door een stel op afzichtelijke fietsen. De man bereed een ATB, de vrouw iets wat vroeger een trimfiets heette. Afschuwelijk was het dat de vrouw een racebroek onder haar shorts droeg, zo typisch voor zondagsfietsers. Ik dook in hun wiel, ze waren jong en ik was ook weer even jong. Ze blikten herhaaldelijk nerveus achterom en probeerden nu en dan amechtig een gesprekje te voeren.

Voor ik er erg in had stond ik voor de waterpomp bij Wassenaar. Het stel sloeg rechtsaf, ik vulde mijn bidon en reed door tot de vervelendste uitspanning met de vervelendste bediening in het vervelendste duingebied tussen Wassenaar en Katwijk. Daar draaide ik en reed op mijn gemak terug. Totdat ik weer syckerig voorbij werd gereden door stel bejaarden op elektrische fietsen. Ik schakelde een hogere versnelling in en sjeesde terug naar de watertoren, waar nog de verkoolde sporen van de snackcar liggen, die in het voorjaar op een nacht in de fik is gevlogen. De snackcar had er jarenlang gestaan, totdat de Gemeente stampei begon te maken. Er moest een stenen gebouwtje komen, maar de eigenaar wilde dat niet. Op een nacht was er kortsluiting en brandde het geval tot op de bodem af. Over de toedracht wordt natuurlijk veel gespeculeerd. Zoals: van welke importkrachten zou de Gemeente nou gebruik hebben gemaakt? Polen? Roemenen? Bulgaren? Of toch maar gewoon de duinwachter, die zich toch al nooit laat zien?

Met zoveel woorden

logo alfred birney Ik had vandaag een aangenaam onderhoud met een hoofdredacteur van een krantenkatern. Hij wilde me polsen over vlagerige bijdragen van mijn hand. Als u niet weet wat vlagerig betekent, en waar dat rare woord vandaan komt, leest u dan even de voorgaande twee logs van dit b-log. We hadden afgesproken in de tuin van een bekend etablissement dat soms gebruikt wordt als televisiestudio in tijden van verkiezingen of kabinetscrises. De wind was niet zo vlagerig meer als gisteren en de zon speelde tikkertje met de wolken, dus mijn jas ging aan en uit, u kent dat wel. We spraken over fietsen en ik deed alsof ik nog altijd driemaal per week fietste, terwijl ik toch weinig meer doe dan een beetje suf boodschappen doen, wat gitaarspelen en nu en dan wat in een manuscript krassen. Daarom is nu en dan een recensie schrijven wel iets voor mij. Ik moet dan immers aan het werk. De laatste recensie die ik voor een krant schreef dateert geloof ik al van vijf jaar terug. Vandaar dat mijn mond openviel van verbazing bij het horen van het aantal woorden dat wordt besteed aan een ‘signalement’ dan wel een ‘bespreking’. Een signalement telt 150 woorden en een bespreking 450. Vijf jaar geleden bedankte ik nog voor een stuk onder de 1000 woorden. Ik moet onderhand wel met de tijd mee, de vermindering van het aantal woorden komt voort uit de wisselwerking tussen de oude en de nieuwe media. Ik doe aan beide mee, in spagaat.

Waar blijft de herfst?

hat logo meneer b Nou had ik vandaag mijn derdewereldcamera mee willen nemen toen ik op de fiets stapte, maar er speelde kennelijk te veel door mijn hoofd. Ik kan niet zeggen wat er allemaal speelde, het zal deels zeer interessant zijn geweest en deels volstrekt oninteressant. Kortom: zoals de dag was. Weinig wind, geen onaangename temperatuur, het verkeer rustig, om niet te zeggen beleefd, de automobilisten bijna bespottelijk hoffelijk. In de duinen zocht ik op een zeker punt naar een eekhoorn, die ik eerder in het voorjaar zag. Ik verwachtte niet dat het jonge knaagdier er nog zou rondhangen, de herinnering stuurde eenvoudig mijn verwachting, enfin, dat snapt u natuurlijk wel, u weet toch hoe het leven is, niet? Ik kan niet zeggen dat ik bijzonder veel zin had in fietsen, weinig zin had ik er ook niet in. Ik voelde me goed noch slecht, een bijzonderheid voor een luimig persoon als ik. Toen ik het geasfalteerde duin van de Scheveningseslag opreed, bedacht ik pas dat ik mijn derdewereldcamera niet bij me had (2.0 mega pixels, gekocht in Solo op Java, drie jaar terug toen daar al gadgets freaks al over 8.0 mega pixels repten.) De camera bleek uiteindelijk niet nodig. Van het beeld dat ik gisteren zag, was weinig over. Niks geen troosteloze afbraak van strandtenten, tractorsporen, anderhalve hond met eenzame wandelaar op het strand. Hier en daar wel wat kaalslag, maar nog altijd te veel van die afschuwelijke strandtenten die je een vrij zicht op zee belemmeren. Waar blijft de herfst?

Fietsen is ongezonder dan autorijden

logo alfred birney Het werd eens tijd dat we het te horen kregen: volgens een vers rapport van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) overlijden jaarlijks 21.000 Nederlanders in eigen land als gevolg van het slechte milieu. Er sterven meer mensen aan luchtverontreiniging hier dan in onze buurlanden, dus ook meer dan in Duitsland met dat afschuwelijke Ruhrgebied. Er wordt nogal wat nadruk gelegd op het schadelijke fijnstof, alsof de autolobby erop aangedrongen heeft. Veertien procent van alle sterfgevallen in ons land staat in relatie tot het slechte milieu. Als direct gevolg van de luchtvervuiling sterven in Nederland jaarlijks 3600 mensen. Dat zijn er zo’n tien per dag. Het slechte milieu zorgt voor onder meer hart- en vaatziekten, kanker en aandoeningen aan de luchtwegen. En wij maar hysterisch doen over rookvrije zones, werkplekken en cafés. Uiteraard reageren organisaties als Milieudefensie en Stichting Natuur en Milieu geschokt op de jongste cijfers. Hun woordvoerders stappen in hun auto’s om naar weer een volgende vergadering te rijden, waar men leutert over verplichte roetfilters op vervuilende auto’s, alsof er auto’s bestaan die niet vervuilen. Persoonlijk vind ik nieuwe auto’s viezer ruiken dan oude. Als fietser hang ik nogal eens achter die uitlaatpijpen. Oude auto’s ruiken gewoon naar uitlaatgassen. Bij nieuwe auto’s is het alsof ze niet alleen benzine maar ook plastic verbranden. Intussen is in Arnhem een proef gestart naar de hoeveelheid schadelijke stoffen die verkeersdeelnemers inademen. Men laat mensen op de fiets naar het werk gaan en meet dan de gesteldheid van de luchtwegen. Er wordt beweerd dat nog niet eerder zo uitgebreid is onderzocht welke verkeersdeelnemers het meeste last hebben van luchtverontreiniging. Dat is een leugen. Er zijn allang uitgebreide metingen verricht, al heel lang. Uit welingelichte bronnen weet ik dat de rapporten klaar liggen op de ministeries. Belangrijkste conclusie: fietsen is ongezonder dan autorijden. Ik word gewoon langzaam vermoord. Maar er zal geen enkele maatregel volgen op welk rapport dan ook. Daarvoor zijn de mensen gewoon te dom.

Telefictie

logo alfred birney Televisie is het leukst als het live gaat, maar dat durft men zelden aan, er kan veel fout gaan. Ook voorgebakken uitzendingen zijn zelden vlekkeloos, je ziet het al aankomen wanneer je je gaat melden op de plaats van afspraak. In mijn geval was dat heden middag om 16:45 uur bij Toko Toet aan de Beeklaan numero 376A te Den Haag. Met mijn geweldige timing kwam ik precies om kwart voor vijf aan fietsen. Dan moet, vind ik, de televisieploeg van de betreffende lokale zender natuurlijk meteen een shot nemen van hoe de schrijver aan komt fietsen op zijn blauwe Union en in zijn linnen jasje. Ik bedoel: als je zo te werk gaat, dan bespaar je tijd en kun je weer snel naar huis, of lekker naar de zee. (Ja, ik was liever naar de zee gegaan.)

Er stond natuurlijk helemaal geen filmploeg op me te wachten. Die televisielui werken net als uitgevers. Dit wil zeggen dat zij zichzelf een ruime vrijheid veroorloven in het overschrijden van tijdslimieten. Meantime moet jij natuurlijk wél op tijd zijn, anders kunnen zij de tijdlimiet niet overschrijden. Is that clear? Onthoud dit nou goed voor later, voor als u ook eens op de televisie moet. Enfin, ik sta daar zo’n beetje te hangen in de deuropening. Zegt een ander, hangende tegen een muurtje verderop (het was lekker warm buiten): ‘Zeg, ben je van TV West?’ Ik zeg: ‘Ja, maar voor heel even.’ De man kijkt me aan alsof hij kiespijn heeft en inderdaad, wanneer we aan de praat zijn geraakt blijkt hij onder een enorme kiespijn gebukt te gaan. Mijn gsm gaat af en de joviale meid die mij enkele malen eerder in de week van mijn fiets belde (ja dat kan, wordt straks duidelijk) meldde dat het team later zou komen.

‘O, maar waar ben jij dan?’ vraag ik.
‘Ik zit op kantoor,’ zegt ze.
‘O, dus wij zien elkaar helemaal niet!’ roep ik eh… teleurgesteld uit.
‘Nee!’
‘Ja, maar ik kom voor jou! Je denkt toch niet dat ik hier voor die sukkels met dat cameraatje ben gekomen.’
‘Ja nee ja eh ha ha ha! Zeg, maar ze komen er aan hoor, over een kwartiertje zijn ze er!’
‘Nou, dat wordt dan drie kwartier.’
‘Nee hoor, ze rijden net weg.’
‘Weet je het zeker? Rijden ze net weg?’
‘Ja, ze zeiden dat ze net weg reden.’
‘Ja, kijk, dat bedoel ik dus: ze zeiden dat…’
‘Okay, ja maar…’
‘Hoorde jij dat ze de wagen startten dan?’
‘Nee, het is een fluisterstille wagen.’
‘En waar stonden ze toen ze wegreden? Stonden ze in de parkeergarage, reden ze net de parkeergarage uit of tuften ze net de weg op?’
‘Ik neem aan dat ze net de weg op reden.’
‘Nou, dat wordt dan veertig minuten, maar dat maakt niet uit joh. Waar moeten ze vandaan komen?’
‘Van de Pasar Malam, daar hebben ze net met Siem Boon gesproken.’
‘O, ik dacht dat ze hier zouden beginnen en dan naar de Pasar Malam zouden gaan. Het is dus andersom! Wise people, het eten is veel beter hier.’

De man met kiespijn stelt me voor aan een man zonder kiespijn maar met zorgen aan zijn hoofd. Toko Toet is namelijk van hem. Hij zit nog net niet tegen een burn out aan, maar hij is wel erg capeh, moe dus, erg moe, hij is zo verschrikkelijk moe, hij zou wel eh… niet moe willen zijn. Ik geef hem een aantal tips, maar in korte vakanties gelooft hij niet. Het lijkt hem het beste om maar te gaan sporten. Dat vind ik ook en eh, zeg nu ik jou toch spreek: Toko Toet lag vroeger toch aan de Leyweg, is het niet zo? Ik moet dat weten, anders kraam ik straks allerlei onzin uit op de televisie. En je weet hoe Indische mensen zijn: die pakken dan pen en papier en sturen je ellenlange epistels met hoe het volgens hun ooit was. In koloniaal handschrift, je weet wel: met veel krullen en tierelantijnen.

Terwijl de vermoeide man me vertelt hoe het allemaal zat, gaat mijn gsm weer af.

‘Halloooooooooooo!’
‘Hey, hi there, hallo, hoe gaat ie achter je peeceetje?’
‘O goed hoor, zeg je begrijpt het wel hè?’
‘Yo ya hoor ik begrijp het, zeg hoe lang moet jij nog (hoe oud ben je, wat ga je vanavond doen, heb je een vriend, gaat ie vreemd die klootzak, hey ben je lekker) eigenlijk?’
‘Pffffff ik zit hier nog de hele avond joh, teevee hè? Maar ze komen eraan hoor, over een kwartiertje.’
‘Okay, over een kwartiertje, maar dat zei je net ook al (baby).’
‘Ja, ik bedoel ze komen over tien minuten, echt, tien minuten, nou goed laten het er elf zijn dan.’
‘All right (baby), don’t worry (baby), ik sta hier lekker te keuvelen met (een paar lekkere babes, ben je nou jaloers?) eh…’
‘Nou joh, anders neem je toch alvast wat.’
‘Welja joh, mooi weer toch?’
‘Ja, nou ik zit hier wel te puffen achter die pc maar ik mag niet klagen hoor, voor hetzelfde geld eh…’
‘Nou?’
‘Eh, o niks joh, ha ha ha! Het is goed joh, hey en zij is ook aardig hoor, echt ze is heel aardig, sorry dat ik er niet bij kan zijn, maar ze is echt aardig hoor.’
‘En wie zijn er nog meer bij dan?’
‘Nou zij dus, en dan de cameraman en Wim Willems.’
‘Okay, en wat doet Wim Willems?’
‘Wim Willems doet de presentatie.’
‘En zij dan?’
‘Zij voert de regie.’
‘En jij?’
‘Ik? Ik bel de hele dag in het rond, wel leuk hoor, ik had net nog een boer aan de lijn die ik niet, dus helemaal niet verstond, ha ha!’
‘Zat ie op de tractor of zo? Zoals ik steeds op de fiets zat als je belde?’
‘Nou, het was wél een soort tractorgeluid maar dat kwam toch écht uit zijn mond, ha ha.’
‘Hey, leuk baantje heb je (baby, zeg ik kap er nou mee hoor, melig gedoe, leidt toch nergens toe, je bent ook veel te jong voor me joh, ik wil trouwens onderhand wel het klooster in, er schijnen aardige in Thailand te staan, met massagekamers en zo, huh huh), echt, leuk baantje heb je, hey keep going hè, toedeloe!’
‘Joehoe! Toedels!’

Drie kwartier na het afgesproken tijdstip komt een busje aangereden. Iemand van de crew slingert zonder te kijken het portier open en een fietser weet het nog maar net te ontwijken. De fietser heeft geen zin om te stoppen om zijn verhaal te gaan halen, hij is wijs en ongetwijfeld blij dat hij nog leeft. Het drietal dat uit het busje komt gestrompeld, ziet eruit alsof ze door de gehaktmolen van de AIVD gehaald is, en anders wel onder een stapel flauwgevallen bejaarde Indo’s uit Australië op de Pasar Malam Besar vandaan heeft moeten kruipen. Moet dát mij komen interviewen? Is ick soo ende diep gesonck?

Nu komt het, let vooral op, in het bijzonder als u wel eens, of vaak, of altijd, televisie kijkt. Ik ga niet zeggen dat de televisie liegt, ik zeg alleen dat de dingen die u op de buis ziet niet altijd de dingen zijn zoals ze zijn. Dat wist u ongetwijfeld al en daarom kijkt u televisie, gewoon omdat u van fictie houdt. Okay, dus u begrijpt dat het mogelijk is dat straks op de televisie de presentator op MIJN fiets aan komt rijden terwijl IK in de toko zit te wachten. Dat shotje moest trouwens één of twee keer over. Wim Willems deed mijn fietsslot niet handig genoeg op slot, het was hem, kortom, aan te zien dat hij al een jaar of twintig niet op een fiets had gezeten. Zijn introbabbel was ook niet al te sterk, uitgeknepen als ie al was van een rondje over de Pasar Malam Besar. Ik vond zijn tweede opkomst sterk genoeg, voor zo ver ik dat kon beoordelen, ik zat namelijk binnen, maar wel dicht bij de open deur. Bij het mislukte shot was ik nog blijven zitten toen hij de toko binnenkwam en wij elkaar begroetten, maar nu dacht ik: kom ik sta eens op, dan maken we er even een real nice entrance van en dan kan die regisseur niet meer zeuren.

Ze bleek geen zeur en ondanks haar vermoeidheid was ze nog alert genoeg om de presentator tijdig af te kappen (regisseurs denken in blokjes, professoren als Wim Willems in colleges) en de boel zo te organiseren dat de sateh kambing op driekwart van de opnametijd werd geserveerd door een levensecht Indisch meisje uit het begin van de vorige eeuw (geen idee hoe ze dat voor elkaar kregen bij Toko Toet) enzovoort. Waar het nou eigenlijk allemaal over ging, dat ben ik onderhand al bijna vergeten. Ja, dat moet. Anders zie je later jezelf terug en zeg je aldoor: ‘Ja, nee hoor, laten ze dít staan en hebben ze dát eruit geknipt!’ Overigens wist ik niet eens waar het allemaal over zou gaan toen ik op de fiets aan was komen rijden. Die joviale meid aan de telefoon had gezegd dat ik één van mijn onvolprezen columns mee moest nemen, wat ik had gedaan, maar ter plekke zei de presentator dat het over mijn boeken moest gaan. Ik had dus mijn boeken mee moeten nemen. Maar als ik mijn boeken mee had genomen, dan zouden ze natuurlijk hebben gevraagd waarom ik mijn gitaar niet had meegenomen.

Enfin, uitzending aanstaande dinsdag. De boel gaat Google Video op, u hoort wel wanneer. Ik ga nu schrijven. Off line. The real stuff.

Beginnen

hat logo meneer b Gisteren zat ik sinds jaren weer op de racefiets. De fiets stond me al een paar weken, opgelapt en opgetut, aan te kijken, maar ik had haar links laten liggen. Ik wendde onverschilligheid voor. In werkelijkheid was ik bang als een beginner om met mijn schoenen in de beugels te blijven haken, om een klapband te krijgen, of een gebroken stuur. Of zo traag te rijden dat zelfs mensen op ordinaire fietsen mij voorbij zouden stuiven. Om door de hitte bevangen te worden, ook dat was een aardige reden om niet om dat ding te klimmen. Toch kwam de dag, mijn lijf vroeg erom. Ik graaide mijn wielerkleding uit de kast, zocht lichtelijk nerveus naar gereedschap voor onderweg, vulde mijn bidon en liet me uitzwaaien door mijn zoon, die blij was het rijk voor zich alleen te krijgen. Ik was de straat nog niet uit of ik voelde me alweer één met mijn fiets, wat een goddelijk gevoel is dat vergeleken met dat gesjouw op zo’n kolossale stadsfiets. Ik ben een langzame starter, geef niets om mensen die me voorbijgaan in de stad, ik moet het eerste duin over zijn eer ik een beetje warm begin te draaien. En een uurlang trappen voor ik in mijn cadans begin te komen. Maar ik ben er lang, heel lang uit geweest, en dan beginnen de dingen weer van voren af aan: je moet niet trappen maar molenwieken, je schouders ontspannen, maar dan beginnen je tenen te tintelen en weet je dat je je voeten niet ontspant. Ik weet nu niet wat er de volgende keer pijn gaat doen, ik weet alleen dat er ergens pijn zal komen. Je lichaam toont je elke keer je zwakste plek en pas als je 2000 kilometer in de benen hebt, zit je lekker, zoals dat heet.

Wat is nou gezond?

logo alfred birney Een test onder Nederlandse kinderen zegt dat ze te dik zijn, maar toch tevreden met zichzelf. Ze snoepen veel en bewegen weinig. Wat de test niet zegt is dat kinderen meer binnen dan buiten spelen tegenwoordig. Ik ga nu even uit van mijn eigen waarneming. Hoe zou het anders kunnen dat kinderen behalve hun overgewicht ook nog te maken hebben met pesten, muisarmen en ademhalingsproblemen. Wie wordt gepest, die blijft binnen. Wie binnen blijft, die pakt een muis en surft naar cybercontacten. Die kunnen je ook pesten, maar die click je sneller weg dan die vervelende treiterkous bij je in de klas. Enfin, de test is het begin van een landelijke gezondheidscampagne waar zo’n 1000 basisscholen aan meedoen. Fijn. Hoe snel lees je over “ademhalingsproblemen” heen. Mijn zoon klaagde afgelopen zondag over de lucht en dan fietsten we nog door de duinen met een fris briesje uit zee. Gisteren stond ik met dat rare warme weer voor april voor een dilemma. Fietsen voor mijn gezondheid of thuisblijven voor mijn gezondheid? Fietsen schijnt volgende de jongste onderzoeken ongezonder dan autorijden. Maar auto’s zijn juist voor het grootste deel debet aan de luchtverontreiniging. De antirooklobby danst hysterisch de horlepiep bij het idee aan rookvrije cafés, maar is te corrupt om de auto-industrie aan te pakken. Het is 800.000 jaar vliegen met het Amerikaanse ruimteveer voor een enkele reis naar de Planeet 581 C. En dan moet je nog maar zien of je daar wat lekkerder adem kunt halen dan hier bij ons.

Communicatie

hat logo meneer b Nou begin ik net een beetje aan de warmte te wennen, krijg je zo’n dag met bewolking boven de stad. Ik had mijn racefietskleren klaargelegd, ze zien er nogal mallotig uit als je ze lang niet hebt gedragen. Nu heb ik geen zin om te fietsen. Ik heb trouwens werk af te maken, zo slecht komt me deze dag niet uit. Gisteren was ik met mijn zoon de duinen wezen verkennen en tot mijn verbazing had de jongen moeite me bij te houden. Zijn zadel stond te laag, wat een medeoorzaak was. Ik dacht dat ik een steeksleutel nodig had, maar eenmaal thuis bleek het een clicksysteem, waarmee mountainbikes tegenwoordig zijn uitgerust. Toch reed ik op een zware stadsfiets met maar drie versnellingen, dus hij had me moeten bijhouden. Ikzelf had gewoon een goede dag. Hij zou eigenlijk voortaan elke zondag met me mee moeten. Ik vind niet dat hij hard moet leren fietsen maar wél regelmatiger van die pc af moet. Als ik niet oplet, zit hij de hele zondag achter die pc te chatten en te gamen met zijn cyberkornuiten van over de hele wereld. Ik krijg hem bijna niet aan het gitaarspelen. Hij luistert niet naar muziek, wat ik hem ook allemaal laat horen. De muziekcultuur is duidelijk ingehaald door de gamecultuur. Muziek is teruggebracht tot ringtones. Ik ben benieuwd waar de literatuur naar toe gaat. In dikke boeken geloof ik niet meer. Ze worden wel gekocht maar er is geen tijd meer om ze te lezen. Mensen nemen niet eens de tijd meer een e-mail fatsoenlijk met een aanhef te beginnen. Enfin, communicatie teruggebracht tot telegramstijl. Ik zal wel zeuren. Communicatie was per slot nooit het sterkste punt van de mens.

Plannen

hat logo meneer b De racefietshersteller kende me nog. Schijnt niet zo bijzonder, mijn kop is onveranderlijk, wordt alleen maar ouder. Uiterlijk ouder worden is geen probleem voor me, helaas begint mijn lijf kuren te vertonen. Maar het kan erger. Gisteren nam ik spontaan mijn racefiets op mijn nek en droeg hem de trappen af. Ik vroeg me af of het niet wat netter zou zijn het spinrag te verwijderen, maar besloot dat karweitje aan de wind over te laten. Vijf jaar stof, ik fietste mijn laatste kilometers in 2002 toen ik me al aan martial arts was gaan wijden. Fietsen en martial arts gaan niet samen, voor mij tenminste niet. Martial arts beoefenen is leuker dan fietsen, speelser, maar ik moet doen wat gezond is en niet mijn lijf nog verder slopen. Mijn stadsfiets wordt me onderhand te zwaar in de duinen, ik moet nu kilometers gaan maken en dat doe je niet op zo’n stalen ros compleet met fietstas. Dat vond mijn racefietshersteller ook, die mijn racefiets in mijn toptijd (begin jaren 90) leverde: een klassiek Italiaans frame met professionele toebehoren, de commandeurs nog op de schuine buis. Inmiddels is het ding verouderd, de jonge generatie rijdt op ultralichte fietsen met versnellingen in de remhandels verstopt. Er was zelfs geen nieuw stuur meer voor me te vinden, daarvoor moet mijn halve fiets worden verbouwd, vanwege de nieuwe versnellingsmechanismen. Ik houd mijn ouderwetse wegbaanstuur wel. Ik ben benieuwd hoe ik over enkele dagen de duinen door zal komen. Demarrages zullen er niet bij zijn. Ik zal onverschillig blijven voor jakkeraars die me voorbij stuiven, maar inhaalmanoeuvres van zondagsfietsers op zondagsfietsen zullen bij mij ongetwijfeld het schaamrood naar de kaken doen stijgen. Gelukkig ken ik een vluchtroute via de Wassenaarse villawijk voor een oudemannenrondje van 30 kilometer. Die afstand haal ik inmiddels wel. Dat zou een half jaar geleden ondenkbaar zijn geweest. Verjongeren bij het ouder worden, heeft wel wat.

Vreemde dag

hat logo meneer b Gisteren was vreemd. Was het de wind? Ik fietste in een rechte lijn naar de zee, er stond geen maat op de windrichting. Rukwinden uit onverwachte richtingen deden me soms slingeren, terwijl auto’s hard voorbij stoven. Automobilisten lijken altijd haast te hebben met harde wind en regen, wat nogal ongerijmd is, je zit immers droog in zo’n blik op wielen. Ik ben geen autohater meer, wél vind ik het buitengewoon dom dat er mensen zijn die zomaar in zo’n ding stappen om zomaar een eindje te gaan rijden en zomaar dat ding met de neus in de richting van de zee zetten om zomaar een poosje dom naar de hoge golven te kijken zonder ook maar even dat koekblik te verlaten. Waarom blijven ze niet thuis en kijken ze niet via een webcam naar de zee? Zelfde resultaat, met bijkomend voordeel van de koelkast binnen handbereik. Maar daar wou ik het niet over hebben. Gisteren kon ik niet schrijven, ik kreeg geen zin uit mijn pen. Gitaarspelen ging ook al niet. Ik was bij vrienden en kennissen en wilde ze een luitstuk laten horen uit de renaissance, maar ik was de noten helemaal kwijt, terwijl ik dat stuk al enkele jaren kon dromen. Misschien kwam het doordat we onverwachts van locatie A naar B moesten verhuizen, toen bleek dat de butagasfles leeg was waarmee onze Roemeense gastheer zijn maaltijden bereidt. Hij had geen reserve butagasfles, zoals Ome Willem die vroeger altijd had. Ik zou over Ome Willem moeten gaan schrijven.