Lezing Indische Genealogische Vereniging

birney twin Afgelopen zondagmiddag hield ik een lezing voor de Indische Genealogische Vereniging. Plaats van handeling was Bronbeek in Arnhem, een oord dat ik jarenlang angstvallig had vermeden. Ten eerste is Arnhem altijd een spookstad voor me geweest, gezien mijn jeugdervaringen daar in een afschuwelijk tehuis dat de naam Welkom droeg. Ik wijdde er een hoofdstuk aan in Het verloren lied. Verder is het zo, dat Bronbeek de herinneringen conserveert aan de oorlog in Indonesië, waar mijn vader als een idioot heeft huisgehouden. Ik schreef daar onder meer over in De onschuld van een vis.

Gelukkig bevond ik me in goed gezelschap en ook het tijdstip van de lezing – drie uur in de middag – was wel te doen. Werkgroep Indische Letteren bijvoorbeeld houdt er bijeenkomsten die ‘s morgens om tien uur beginnen, zodat je om zes uur je bed uit moet. Een dergelijk tropenritme heb ik alleen in Indonesië, niet in Holland.

Ik vertoonde fragmenten uit de film De Birnies en lichtte toe wat voor invloed die film heeft gehad op mijn rivierentrilogie. In de pauze stond ik even buiten een sigaretje te roken, toen een jongeman op me afkwam. Hij stelde zich voor als de zoon van Alfred Birnie, mijn neef en naamgenoot die quasi model heeft gestaan voor mijn dubbelganger in Rivier de IJssel. Wat bleek? In een andere zaal te Bronbeek werd de verjaardag van een ver familielid van me gevierd. Ik haastte me naar de zaal om er met een van de hoofdrolspelers uit de film kennis te maken. Ik had hem nooit eerder in levenden lijve gezien. Ik vroeg hem, en enkele anderen, of ze zin hadden het tweede deel van mijn lezing bij te wonen. Ze weifelden. En ze kwamen niet.

Jammer. Het was een goede middag, met een aandachtig publiek. Ook de rijsttafel als afsluting was niet slecht. Niet slecht betekent niet: goed. Het betekent dat het ermee doorgaat. Al die sajoers en vlees- en tempegerechten bovenop een bord rijst gekwakt, dat is toch hoogst ordinair?

Jason Gwen danst Itch! van Aafke de Jong

Afgelopen donderdag keek ik naar de voorstelling Itch! Live Van Aafke de Jong in Theater De Gouvernestraat, Rotterdam. Ik interviewde deze kameleontische danser al eens voor Archipel Magazine. Inmiddels timmert ze ook als choreograaf aan de weg.

jason gwen

Itch! Live is een voorstelling voor een solodanser, voor wie de talentvolle Jason Gwen is aangetrokken. Het podiumdecor is minimalistisch: er ligt een witte vloer en er hangt een filmdoek voor de spaarzaam gebruikte videobeelden die een duet van verleiding, irritatie en strijd aangaan met de danser. Er wordt gewerkt met drie beamers, die de vloer, het doek en het lichaam bespelen, soms ondersteund met muziek. De videobeelden staan volgens de choreograaf

‘voor het innerlijk van de ‘ingekapselde mens, die uiterlijk vaak beslissingen neemt waar hij in wezen niet achter staat, gebonden door schaamte, angst of druk vanuit zijn sociale omgeving. De cultuur waarvan hij deel uitmaakt, of juist het idee dat hij over zichzelf heeft, zorgen er keer op keer voor dat hij zich in tweespalt bevindt.’

De voorstelling duurt kort, 20 minuten, en heeft veel weg van een lang verhaal of korte novelle zonder zwakke punten. De choreografie kent een paar rustpunten en subtiele herhalingen, zodat je niet halverwege verdwaalt in de duizelingwekkende danskunst van Jason Gwen. De choreografe leunt daarbij duidelijk niet alleen op de videoprojecties, maar ook in de dans zie je herhalingen terug. Of de ontwikkeling van de met zichzelf en de buitenwereld strijdende mens naar een oplossing leidt, wordt, voor mij althans, in het midden gelaten. De dansvoorstelling is, zeg, een verhaal met een open einde.

Jason Gwen, met wie ik na afloop even sprak, is geboren in Vietnam, opgegroeid in Canada en in Nederland neergestreken. Hij is/was fotomodel, dressman, televisieacteur, danser en beweegt zich richting choreografie. Ik zou hem wel willen interviewen voor East Magazine. Eens kijken of dat gaat lukken…

Het was prettig om te zien dat ondanks de economische crisis en de overdreven hetze jegens kunstenaars er nog altijd mensen zijn die de televisie uit laten en naar het theater gaan. Al is het maar om de danser te zien hijgen, zweten en worstelen met zijn lijf en conditie. Itch! Live is live het mooist.

Itch! Live werd eerder uitgevoerd in de Schouwburg Arnhem, Paradiso Amsterdam, Lantaren/Het Venster Rotterdam en Festival De Oversteek Nijmegen. Kijk voor meer informatie op Aafke de Jong.

Bij de première van Een zoon van Porto

Afgelopen vrijdag vond in Utrecht tijdens Het Nederlands Filmfestival de première plaats van de film Een zoon van Porto, van Annelotte Verhaagen. Ik ging kijken met het idee dat mijn collega schrijver er de hoofdrol in zou spelen. Dat bleek niet helemaal het geval. De uiteindelijke hoofdpersoon is zijn zoon Bendja, een jongen van 19 jaar met een Nederlandse moeder, in Nederland geboren en getogen, iemand van de zogenoemde 3e generatie. Zijn verlangen naar het thuisland van zijn grootouders is nog sterker dan dat van zijn vader.

In sterk contrasterende scènes, die voortdurend je aandacht vragen, krijg je te zien: de motieven van vader en zoon, de voorbereidingen op de reis, het verblijf op het eiland Saparua (de Molukken) en oude filmopnamen in zwart-wit uit de koloniale tijd.

Mijn gezellin, 24 jaar oud, was net terug uit Indonesië. Ze bezocht afgelopen zomer voor het eerst het land vanwege een onbenoembare binding met een van haar grootvaders, die in Bogor is geboren en in allerlei plaatsen op Java heeft gewoond. Haar verlangen om het land van haar grootvader te zien was sterk, en zelfs zij verbaasde zich over de enorme wil waarmee Bendja zijn land van herkomst wilde gaan zien.

Frans Lopulalan vertelt onder meer in de film dat zijn zoon Bendja dingen wist die hij noch een ander ooit aan de jongen verteld kon hebben. Los van de koloniale geschiedenis van Nederland en de Molukse geschiedenis in Nederland, met alle herinneringen die daarbij horen, gaat deze film voor mij in de kern over het raadsel van de herinnering. Ik verweef dit motief in mijn boeken Rivier de Lossie en Sonatine voor zes vrouwen. Zijn herinneringen overdraagbaar via de genen? Zo ja: waarom wél bij Bendja en niet bij zijn zusje, dat ook eventjes optreedt in de film?

De film is op de website van Oogland Filmproducties te bestellen. Ook wordt hij nog op verschillende regionale televisiekanalen uitgezonden. Het zoveelste bewijs dat Nederland weinig wil weten van zijn geschiedenis overzee en onverschillig staat tegenover de nazaten uit Nederlands “Overzeesche Gebiedsdeelen”. Ik bedoel: deze film hoort gewoon te worden uitgezonden door een van de nationale publieke omroepen.

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

Zomaar een film

hat logo meneer b De laatste tijd kijk ik tenminste één film per week uit op de televisie. Dat is veel voor mijn doen. Meestal doe ik het om bij te komen van de een of andere afspraak. The mind clearen. De programmamakers moeten zoveel mogelijk kijkers trekken, dus echt goede films zijn zeldzaam. Meestal zijn ze oud voor het grote publiek, zoals Panic (2000) van Henry Bromell. De film gaat over een huurmoordenaar. Ik schreef ooit een verhaal over een huurmoordenaar, dus het thema sprak me aan. Gaat het in mijn verhaal over fictie en werkelijkheid en vrouw versus man, in deze film gaat het tussen vader en zoon. De vader is namelijk de opdrachtgever, een control freak met duistere kanten. De moeder is the godmother maar blijft vrijwel buiten beeld. De zoon komt in gewetensconflict en gaat bij een psychiater te rade. Omdat zijn vader erachter komt, zet hij uitgerekend de psychiater van zijn zoon op de lijst van veroordeelden. De zoon raakt in een uiterst lastig parket. In flashbacks krijgen we te zien hoe vroeg de vader al is begonnen zijn zoon te leren schieten. Eerst op eekhoorns. Wanneer nu zijn eigen zoontje, pas zes, thuiskomt met het verhaal dat hij iets ergs heeft gedaan, samen met zijn grootvader – een eekhoorn doorgeschoten – neemt de huurmoordenaar een besluit. Het is moeilijk om geen begrip voor de vadermoord aan het slot van de film te krijgen.

Moby Dick

Keek vannacht naar de verfilming van Moby Dick van de regisseur John Huston. Het boek van Herman Melville is uit 1851, de film werd geschoten in 1954 en twee jaar later uitgebracht. Het boek is minstens vijfmaal verfilmd, maar deze versie van Huston met Gregory Peck in de rol als Kapitein Achhab is wel het beroemdst. Orson Welles, die zijn meesterwerk Citizen Kane (1941) al had gemaakt, een van de beste films aller tijden, speelde ook mee. Ik zag de film ooit eerder, in zwart-wit, in de originele taal. Nu, in een nagesynchroniseerde versie, stak de film nog poverder af bij het gelijknamige boek van Herman Melville. Het is afschuwelijk hoe het medium film literaire meesterwerken weet te verkrachten. Het is daarom ook aan te raden altijd eerst de film te gaan zien voordat je het boek leest, en niet andersom.

Affiche Association franco-indonésienne

Association franco-indonésienne Pasar Malam
Association culturelle pour l’amitié entre les peuples français et indonésien
14 rue du Cardinal Lemoine – 75005 Paris
Tél. 33-(0)1 56 24 94 53
afi.pasar-malam@wanadoo.fr

http://pasarmalam.free.fr


logo pasar malam franco-indonesienne paris

From the Private Sphere to the Public Arena: “Auto-Fiction” or a True “Self’ Revisited”? An examination of the role of autobiography in literature

Third conference in a biennial series promoting cultural and literary exchange among noted French and Indonesian scholars and literary figures. The theme of this year’s conference series is an examination of the transitional space between the private sphere and the public arena, with a focus on the concept of the “Self” as presented in a variety of literary forms.The programme will feature speeches, roundtable sessions and a film hosted by acclaimed scholars and literary figures as include a dinner buffet. With Vincent Bardet, Bernard Chambaz, Anda Djoehana Wiradikarta, Gilbert Hamonic, Christine Jordis, Etienne Naveau, Richard Oh, Laksmi Pamuntjak, Ilse Peralta, Sitor Situmorang.

Maison des Cultures du Monde
101 boulevard Raspail, 75006 Paris (metro Notre Dame des Champs, Rennes, St Placide)
Sunday, December 7, 2008, 13h00 – 23h00
Information : afi.pasar-malam@wanadoo.fr, Tel. : 33 (0)1 56 24 94 53

Partners : Maison des Cultures du Monde, Ambassade d’Indonésie, Centre national du Livre, Conseil régional Régional d’Ile de France, Direction Régionale des Affaires Culturelles d’Ile de France, Éditions du Pacifique, Dora Gruner, Saritaksu Editions and Willem

Schoonheid

affiche Een van de weinige vrienden met wie ik over kunst kon praten, is mij begin dit jaar ontvallen. In het jaar voor zijn overlijden bezocht ik hem veel. We luisterden naar muziek, bekeken films en discussieerden over verdachte politieke manoeuvres die op wereldschaal werden uitgevoerd. Vaak vonden we elkaar, maar soms ook helemaal niet en daar kon hij erg treurig van worden. Hij was kunsthistoricus en geobsedeerd door schoonheid. Ik ben een minimalist en functionalist maar kan geraakt worden door schoonheid mits er iets achter zit. De afgelopen uren bekeek ik de film Death in Venice (1971) van Visconti voor de vijfde maal. De eerste keer zag ik de film in bioscoop Kriterion aan het Westeinde in Den Haag. Daar werd elke zaterdagnacht een film gedraaid, veelal links of literair, ik wist nooit wat maar ging er uit gewoonte naar toe. Het was er tochtig, ik zorgde er altijd voor dat ik een kraag op kon zetten zodat ik niet met een stijve nek het obscure zaaltje uitkwam.

Verleden jaar liet mijn vriend me fragmenten zien ter ondersteuning van een betoog over schoonheid. Om hem te herdenken bekeek ik de film vannacht wederom op de televisie. Ik herkende de scènes die hem zo hadden aangesproken. Ik vergat de belangrijkste dialoog te noteren over schoonheid als kunstuiting en schoonheid als iets dat een kunstenaar eenvoudig niet kan grijpen of misschien zelfs niet kan begrijpen. De hoofdpersoon, een componist (in de gelijknamige novelle uit 1912 van Thomas Mann is hij een schrijver), vertrekt ontgoocheld na een onbegrepen première van zijn nieuwste compositie naar Venetië. Hij probeert er wat te componeren maar dan raakt hij in de ban van een beeldschone jongeling, die er met zijn Poolse familie vakantie viert. De jongeling laat zich de smachtende blikken van de oudere man welgevallen. Hij belichaamt de onbereikbare schoonheid en mag als zodanig aan het einde van de film nog eenmaal stralen voordat de componist bezwijkt aan hevige koortsen ten gevolge van een epidemie.

Mijn vriend zelf zag er vele malen slechter uit dan de componist toen hij zijn laatste adem uitblies. Daar stond tegenover dat hij zich omringd zag met twee ex-vriendinnen en zijn zuster rond zijn sterfbed. Degene aan het voeteneinde beweerde tegenover mij dat hij haar het laatst had aangekeken voor hij stierf. Ze was de mooiste van de drie, ongetwijfeld. Misschien stelde mijn vriend schoonheid zelfs boven de liefde? Ik kan het hem niet meer vragen. Toch hoor ik hem ja zeggen.

Een ander beeld

hat logo meneer b Ik ben een televisiehater en daar heb ik een goede reden voor. Vijfennegentig procent van het programma-aanbod bedient de niet-avontuurlijk kijker. Een halve eeuw van Amerikaanse dominantie heeft de televisiekijker murw gemaakt en gehersenspoeld. Afgelopen nacht had ik het geluk een Koreaanse remake van een Amerikaanse remake van een Franse remake te ontdekken. Ik had wel behoefte aan wat afleiding, want mijn pc had kuren en het nationale voetbalelftal had een slechte avond en vloog uit het toernooi. Welke voetbaltrainer laat dan ook een B-team opdraven zodra de volgende ronde is gehaald, zodat het A-team liefst een volle week kan gaan rusten? Zelfs vrouwen mochten komen overnachten. Een voetbaltoernooi dient in volkomen afzondering benaderd te worden, spelers zijn monniken, ze hebben geen recht op een gewoon leven en waarom zouden ze dat willen? Enfin, mijn naam is Meneer B. en ik heb een geweldige smaak. Voor werkelijk fraaie cinema moet je naar China, Japan en Korea. De film was uit 2003 en speelde in het achttiende-eeuwse Korea. Alleen de kostuums en de subtiele mimiek van de spelers waren al een genot om naar te kijken. Erotische scènes waren niet expliciet en dus een verademing. Maar dan: op driekwart van de film breekt het beeld horizontaal, de spelers worden onthoofd, hun voeten en de ondertiteling komen in de lucht te hangen en hun rompen dansen onderin. De storing in de uitzending duurde zeker een kwartier. Waarom is de film niet teruggespoeld tot waar het misging? Waarom is schoonheid gedoemd te sterven?

Pindakaasfestival

Op het Pindakaas Festival in Den Bosch op zaterdag 16 februari a.s. treed ik op als gespreksleider in The Battle of the Columnists, met Theodor Holman, Frans Lopulalan, Hans Vervoort, Roy Piëtte en Kees Schepel. Het Pindakaasfestival is een multicultureel festival voor (quote) ‘derde generatie pinda’s, indo’s en nieuwsgierige kaaskoppen’ en biedt een keur aan Indonesische en Nederlands-Indische kunst, film, vele uiteenlopende voorstellingen en als afsluiting een Asian Party. De ‘battle of the columnists’ wordt georganiseerd door Archipel Magazine, die op het festival ook een lounge heeft, waar de lezer kan zien hoe het blad wordt gemaakt. In de wintereditie van Archipel staat een 10 pagina’s grote special over het pindakaasfestival, met portretten en achtergrondinformatie over de artiesten. Kijk voor meer informatie op www.pindakaasfestival.nl