Ik ben dol op treurmuziek, maar ik ben wel heel kieskeurig. Arvo Pärt kan geen slechte treurmuziek schrijven. Wat er met het Vienna Philharmonic Orchestra aan de hand is, weet ik even niet. Dit orkest werd altijd geleid door de grootste vrouwenhaters ter wereld – goed, laten we zeggen Europa – ze vonden het maar een gedoe om te spelen met vrouwen, ze waren te vaak ongesteld etc. Er is heel veel gedoe over optredens en lidmaatschap van vrouwen geweest en de eerste vrouw die de zooi mocht dirigeren moest wachten tot 2005 (het orkest is opgericht in 1842). Naast seksisme speelde ook racisme, dat zal niemand verbazen, beide grootheden zijn nauw met elkaar verbonden, volgens mij kunnen ze zelfs niet buiten elkaar. Intussen is er een Vienna Philharmonic Women, waarover ik momenteel niets op het internet kan vinden, op deze korte film na op YouTube. De vrouwen laten hier in elk geval horen dat ze hun instrumenten bijzonder mooi kunnen laten treuren, geheel in de geest van Arvo Pärt.
Tagarchief: film
Ascese en wereldse verlokking
Als ik de televisie uit mijn zoontjes kamer jat en beneden zet, dan ben ik ziek. Iets met griep of zo. Koortsig. Ik kan dan weinig anders doen dan heel stompzinnig televisie kijken. Ik had lang niet meer gekeken en verbaasde me over wat er zoal werd vertoond. Seks word je nog méér de strot door geduwd, als je snel wegzapt dan vliegen de kogels je om de oren. Verder ijdeltuiterij alom van praatprogrammaganzen. Ik moest de televisie trouwens opnieuw instellen, aangezien de plaatselijke aanbieder weer eens de boel heeft omgegooid. Marokkaanse televisie eraf, Surinaamse televisie erop, dat soort zotternij. Voor Al Jazeera moet worden betaald, laat staan voor Indonesische televisie, die zender alleen al kost 120 euro per jaar. Fijn geregeld voor ons 500.000 nazaten uit die contreie. Vanavond had ik schoon genoeg van die afgrijselijke televisie. Ik plukte Spring, Summer, Fall, Winter… and Spring (2003) van Kim Ki-Duk van de plank en ben eens lekker gaan genieten. Mijn zoon mocht het eerste tafereel meekijken, het was al laat, we gaan de film volgende week samen helemaal bekijken. De film gaat over het leven. Ik bedoel over de eeuwige herhaling van het leven. Over ascese en wereldse verlokking. Ik vergat er bijna mijn fysieke lamlendigheid door. De helft van mijn zoontjes klas heeft kou gevat na de extreem vroege zomer en de intrede van de herfst, dus het zal wel niet aan mij liggen. Ik ben wel al koortsvrij, anders had ik dit niet kunnen of ook maar willen schrijven.
Naschrift: ik zie aan de berichten op het internet dat er buikgriep heerst. Well, all right…
See my friends
Eén de mooiste dingen met vrienden is dat je nooit hoeft bij te praten, al heb je elkaar bijna een decennium niet meer gezien. De tijd krijgt het niet voor elkaar iets onhandigs tussen oude vrienden te frommelen. De tijd kan niet alles namelijk. Een oude vriend kwam onverwachts, althans voor mij. Ik had afgesproken bij een of ander vaag hotel in de stad met zijn ex-vriendin, die inmiddels van man numero zoveel af is en nu een vriend heeft die graag gitaar wil leren spelen. Mooie kans voor mij om te zien of ik het nog wel leuk vind om, na een jaar of tien pauze, iemand gitaar te leren spelen. Enfin, de zon scheen, het was lekker op het terras en toen zag ik mijn oude vriend aan komen fietsen. Ik zag hem in de weerspiegeling van het hotelraam, ik zag hem als in een film. We kwamen te spreken over dingen waarover je niet spreekt op een weblog en we kwamen te spreken over muziek, film, kunst en al die dingen waarover je wél spreekt op een weblog. We kwamen babbelend bij the sixties uit, want ja, daar is voor ons heel veel begonnen. We vonden elkaar in See my friends van The Kinks. Het is een nummer dat zelden genoemd wordt door zogenaamde Kinks-liefhebbers. Maar wij luisteren juist vrijwel alleen naar dát nummer en nauwelijks naar de rest van die band. Wát is het dat het nummer voor ons zo mooi maakt? Er wordt getreurd, houden wij misschien van treurzang? Ray Davies schreef het naar aanleiding van het verscheiden van het zusje van hem en zijn broer, die de tweede stem zingt.
Traagheid als uitdrukking van eeuwige herhaling
Ik moet me heel erg vervelen wil ik de televisie aanzetten. Het kan niet zijn omdat ik mijn zoon mis, die weer naar zijn moeder is, want dat gaat al jaren zo. Misschien heb ik de smaak van de beweging te pakken en wil ik eigenlijk niets anders dan fietsen. Ik koos een SF-film uit, een genre dat me in het geheel niet aanstaat. Een of andere variatie op het Frankensteinmotief, met veel trucage en zo meer. Ik keek de film uit, nieuwsgierig naar wat het grote publiek nou eigenlijk mooi of spannend vindt. Zappend viel ik daarna in een nagesynchroniseerde Koreaanse film op de ARD. De film had een zeer traag tempo vergeleken met het SF-geweld dat ik eerder zag, een tempo vergelijkbaar met Kawabata’s roman, die ik in de namiddag uit had gelezen. In het drama raakt een leerling op een school van een boeddhistische monnik verstrikt in de verleidingen van het leven zodra er een vrouw in de afgelegen tempel komt. Hij vlucht en verwordt door jaloezie uiteindelijk tot moordenaar. Na zijn straf keert hij terug naar de tempel. De episoden zijn verdeeld over vier seizoenen, met fraai gestileerd camerawerk. Net als in Kawabata’s boek gebeurt er nauwelijks iets aan de oppervlakte van het verhaal. Daaronder speelt zich echter het leven af, zoals het was, zoals het is en zoals het altijd zal zijn zolang er mensen op aarde wonen. Wie dat met eenvoudige middelen onuitwisbaar kan tonen is een groot kunstenaar. Zulke werken halen zelden de televisie.
Film
De film als kunstvorm bevalt me nauwelijks. Wil ik ervan genieten, dan moet aan verschillende voorwaarden worden voldaan. 1. Ik moet me mateloos vervelen. 2. De film mag geen geweld bevatten. 3. Seksscènes mogen niet voor de hand liggen. 4. Er moet minstens één acteur zijn in wiens rol ik me echt in kan leven. 5. Het script mag niet ingewikkeld zijn, zoals in een literair werk. Liefst een klein aantal personages. Een film van gisteren op de televisie was nog maar enkele jaren jong (oud dus voor de gemiddelde filmkijker) en gebaseerd op een bestseller, getiteld De passievrucht, van een vroegtijdig overleden schrijver-journalist. Een vader weet pas van zijn onvruchtbaarheid wanneer zijn zoon al 13 is, zijn vrouw al 9 jaar dood is en zijn vriendin een kind van hem wil. Van wie is zijn zoon dan in hemelsnaam? Verbeten gaat de vader achter de waarheid aan, om uit te vinden dat zijn zoon van zijn vader is… Nogal tragisch in onze cultuur, zeer lachwekkend in andere culturen. Ik leefde vooral mee met de vriendin, wier hoop op een kind voorgoed vervlogen was. Mijn log van gisteren heeft als titel een zin uit een nummer van Neil Young: A man needs a maid (1972). Het nummer kent een mooie interlude, waarin wordt gezongen: A while ago somewhere / I don’t know when / I was watching a movie with a friend / I fell in love with the actress / She was playing a part that I could understand.
Narcis en Borges
Jorge Luis Borges had het in een van zijn verhalen over de indrukwekkende luchten van Australië. Als ik me niet vergis in ‘De Aleph’. In de tijd dat ik veel naar Egberto Gismonti luisterde, trok Carolina voor drie maanden bij me in. Ze was weggelopen bij haar vriend. Mijn flat was een tussenstop, ze zou emigreren naar Australië. Ik herinner me dat ik haar een keer terugbracht. Haar ex-vriend was ingestort en zij kampte met allerlei tegenstrijdige gevoelens. In hun onderkomen, een uitbouw achter een louche café, hing een Australische vrouw rond, een wereldreiziger. Zij was een kennis van Carolina en haar vliegtuig zou de volgende dag vertrekken. In de kleine voorkamer maakte de Australische aanstalten om in een slaapzak te kruipen en ze nodigde me uit die met haar te delen. Ik zei dat de slaapzak te klein was, dat we genoodzaakt zouden zijn dicht tegen elkaar aan te liggen. Dat vond ze geen probleem. Carolina hoorde het en kwam even een kijkje nemen. Ik kreeg het gevoel in een eigenaardige film te spelen en vluchtte naar huis, waar Carolina me opbelde voor telefoonseks. Ze was verslaafd aan masturberen, maar anders dan Alice, die het voor de spiegel deed en klaarkwam op haar eigen borsten. Dit soort narcistische erotiek vind ik moeilijker te begrijpen dan de literaire esoterie van Jorge Luis Borges. Het is moeilijk om het gewoon maar mooi te vinden, zoals literatuur en muziek. Geen deel uitmaken van iets waarbij je betrokken bent, is een hel.
Achter raamkozijnen
De herfstregen sloeg tegen de ramen afgelopen nacht. Ik voltooide een gebruiksaanwijzing voor een nieuw merk shampoo en ging naar bed toen het al licht was. Ik dacht dat ik de vuilnisophaaldienst hoorde tijdens het inslapen, maar toen ik rond halftwee in de middag wakker werd en de gordijnen opende, staarden lege raamkozijnen van de overkant mij aan. Wat kunnen mensen snel verdwijnen. Een treurig kinderloos echtpaar dat niets anders deed dan televisie kijken en nu elders televisie gaat zitten kijken. Je kunt jezelf verplaatsen, maar niet je leven. De moeder van Naomi laat van de ene op de andere dag haar man zitten en komt tegenover me te wonen. Wij zijn beiden gecharmeerd van elkaar. Nu en dan zwaaien we. Naomi krijgt er lucht van en maakt om de kleinste dingen ruzie met haar moeder. Op een avond ziet ze mij scharrelen in de slaapkamer en plooit een kier tussen haar gordijnen. Ze trekt haar shirt uit en bekijkt haar lenteborsten van verschillende kanten in de spiegel. Ze loopt naar het raam en kijkt me recht in het gezicht voordat ze de gordijnen nog even verder opent en ze dan pas sluit. Ik moet denken aan Susan George uit de film ‘Strawdogs’. Een kindvrouw verveelt zich en toont zich herhaaldelijk achter haar raam naakt aan de bouwvakkers. Op zekere nacht komen ze haar verkrachten. Haar echtgenoot, een suffige wetenschapper, helpt de verkrachters één voor één koel en berekenend naar de andere wereld. Begin jaren zeventig. Een film zonder muziek.
De liefde kent geen plagiaat
Ik ken Nabokov beter uit zijn Russische periode. ‘Masjenka’ uit 1926 sprak me meer aan dan ‘Lolita’, ik las het rond 1975. Ik herinner me een Russische zomer, een landgoed, een verliefdheid. Het was in een tijd van leeswoede, waarin ik simultaan romans las. ‘Lolita’ stamt uit Nabokovs Amerikaanse periode. Ik denk dat meer mensen de verfilming van Stanley Kubrick kennen dan het boek zelf. Ik ken geen van beide varianten. Het boek verveelde me al na de derde bladzijde en van de film ken ik alleen het beroemde affiche van een meisje met hartvormige zonnebrilglazen. Dito lolly in haar mond. Het schijnt dat Nabokov het lolitamotief had gestolen van een zekere Heinz von Lichberg. Deze vergeten schrijver publiceerde in 1916 een bundel met het korte verhaal ‘Lolita’. Beide schrijvers woonden tijdens het interbellum in dezelfde Berlijnse buurt. Nabokov moet het verhaal hebben gekend toen hij na de moord op zijn vader naar Parijs vertrok en vandaar naar Amerika emigreerde. Nabokovs klassieker is uit 1955. Ik was vier. Er zitten bijna 40 jaar tussen beide boeken. Dat is ongeveer evenveel als tussen mij en Naomi. Onder plagiaat versta ik het min of meer overschrijven van andermans teksten. In Nabokovs geval zou ik spreken van een bewerking op een thema dat aan niemand in het bijzonder kan worden toegeschreven. Maar zijn Berlijnse collega verzon de naam Lolita. Haar Japanse zusje uit Junichiro Tanizaki’s klassieker ‘De liefde van een dwaas’ uit 1925 zou in de Engelse vertaling bekend worden als Naomi…
Zatoichi
Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.
Het verhaal van Zatoichi is eenvoudig. Een stadje in het oude feodale Japan wordt geterroriseerd door elkaar beconcurrerende bendes. Zatoichi, een blinde zwervende masseur, strijkt er een poosje neer en neemt het op voor de onderdrukte dorpelingen. Hij is grijs, loopt krom, wordt niet gehinderd door zoiets als een gezichtsvermogen en hoort en voelt alles. De snelheid waarmee hij zijn verborgen zwaard uit zijn wandelstok trekt dankt hij aan een zeer onorthodoxe techniek.
Een tweede outsider hangt rond in het stadje: een samoerai op zoek naar werk om zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen, wat hem sympathiek maakt. Helaas wil het lot dat deze samoerai bij de tegenpartij terechtkomt waar Zatoichi voor strijdt. De ziende samoerai is ongemeen bedreven in het zwaardvechten en trekt zijn zwaard zoals het hoort: met de handpalm over het heft heen, de duim omlaag. De blinde masseur daarentegen trekt zijn zwaard andersom uit zijn wandelstok: de handpalm onderlangs, de duim omhoog. Halverwege de film komen zij al tegenover elkaar te staan. Beiden trekken hun zwaard, maar ze staan te dichtbij elkaar om uit te halen. Het verschil in techniek is duidelijk zichtbaar, maar het is moeilijk uit te maken wie later – want dat voel je aankomen – de snelste zal zijn.
Wanneer de clans door zowel de ziende samoerai als de blinde masseur zijn uitgeschakeld en de dorpelingen zich opmaken voor hun bevrijdingsfeest, moet nog een van de hoofdrolspelers wijken. Ze hebben over elkaars snelheid gehoord en koesteren ontzag voor elkaar. Op een verlaten plek lopen ze op elkaar toe. De ziende samoerai trekt zijn korte zwaard en werpt die naar de blinde masseur, die het wapen met een buitengewone reflex afweert. Hier heeft de ziende samoerai het pleit eigenlijk al verloren. Maar hij is dapper, als een samoerai betaamt, en maakt zich gereed.
De ziende samoerai monstert de blinde masseur, grinnikt en brengt zijn hand net als zijn opponent omgekeerd naar het heft van zijn zwaard. De blinde masseur voelt het en haalt een truc uit, waarin een wijze les verborgen ligt. Hij brengt nu juist zijn hand op de klassieke manier naar het heft. Dat brengt de ziende samoerai van slag. Gaat die blinde masseur nu toch op de klassieke wijze zijn zwaard trekken? Nee, het is een afleidingsmanoeuvre. En in de laatste seconde van zijn leven leert de ziende samoerai nog net dat je altijd trouw moet blijven aan je eigen kunstenaarschap.
Haagsche Courant, vrijdag 11 maart 2005
Aquarium (2)
Op een zondagmiddag moet ik met Soerabaja Papa mee naar een obscuur adres ergens aan de Hengelolaan, waar iemand in een portiekwoning op de bovenste etage illegaal in aquariumvissen handelt. De woning staat etages aquaria met zingende luchtpompjes. Tussen de klanten bevinden zich veel Indische jongens. Hollandse jongens dragen colberts, die ze jasjes noemen; Indische jongens dragen jacks en noemen ze jackets.
Soerabaja Papa kiest zijn vissen per paar. Er zitten zebravisjes bij, schoolvissen die paarsgewijs niet gedijen. Daarom moeten er later 10 worden bijgekocht. Mama Helmond vraagt zich aldoor af hoe we de week door moeten komen als hij al het huishoudgeld er bij die aquariumvisboer op de Hengelolaan doorheen jaagt. ‘Wat moeten we met die stomme vissen als we verder niks te vreten hebben. Jij gaat bij die stinkvrienden van je nasi en bami zitten vreten, jij eet nieuwe Hollandse haring voor je thuiskomt, jij maakt in de lunchpauze je geld op aan saucijzenbroodjes en ik moet de kinderen met droog brood naar school sturen en ze ’s avonds een half ei te vreten geven omdat jij zo nodig dat stinkaquarium hier in huis moest halen, waar ik de godganse dag mijn knieën tegen stoot.’
‘Ach, gezellig toch, die visjes? Mooi, voor als het donker wordt.’
Nou, dan kijkt zij naar een besneeuwde film op een zwartwit-televisie met één kanaal en wij kijken naar het aquarium, waarin het leven mooi is, en de dood op de loer ligt.
Een Hollandse kennis uit het Westland, een ex-marinier die regelmatig opduikt in Soerabaja Papa’s oorlogsverhalen, zegt: ‘Ik denk dat het water is vergiftigd.’ Hij steekt zijn arm in de bak en haalt wat zand weg van de bodem. ‘Kijk, die vorige eigenaar heeft gewoon een laag verf over de verroeste bodem gesmeerd. Daardoor gaan die vissen dood.’
‘Maar hoe kan het dan dat die goerami’s blijven leven?’
Goerami’s. Indonesische vissen. Indonesiërs waren ooit de tegenstanders van Soerabaja Papa en die Hollandse kennis in een moeilijk te begrijpen oorlog. De Indonesiërs wonnen de oorlog, Soerabaja Papa en zijn Hollandse mariniersmaat hadden die kampongs net zo goed niet in de fik hoeven steken.
Wanneer zijn oude mariniersmaat is vertrokken, kijkt Soerabaja Papa nog lang naar de goerami’s. Sterven er geen guppen door het slechte water, dan worden ze wel opgegeten door die verdomde goerami’s. Ze zijn met vijf stuks vertegenwoordigd en zijn de grootste vissen in het aquarium. Het zijn net peloppers, die goerami’s: extremisten, vijanden van koningin en vaderland. Ze komen Soerabaja Papa bezoeken in de nacht, doorzwemmen zijn bloederige dromen. Beelden van haat en angst verstillen tot batik goerami.
Haagsche Courant, vrijdag 30 mei 2003