Huilen in Den Haag

logo den haag feuilleton De Tong Tong Fair, waar ik mijn jongste novelle Rivier de Lossie had zitten signeren, was nog niet afgelopen of ik zat in een totaal andere Haagse sfeer: die van de misdaadroman, conspiracy stuff rond politiek and all that:

Het jaar 2010 zal vermoedelijk bekend worden als een roerig jaar in de Haagse geschiedenis. De politiek lijkt steeds meer het domein te worden voor populistische sentimenten. Blijft Den Haag de trotse stad voor Internationaal Recht en Vrede, of wordt het een stad waarin scheidslijnen haarscherp langs etnische of religieuze kenmerken worden gelegd? Wordt het huilen in Den Haag, of valt er ook nog wat te lachen? De krant Den Haag Centraal laat een estafettefeuilleton verschijnen waarin door verschillende auteurs, ieder op eigen wijze, over het Haagse lief en leed kritisch, humoristisch, literair, met een knipoog naar de actualiteit, als een pastiche of in welke andere vorm dan ook, wordt verhaald. Het verhaal speelt in Den Haag, met veel topografie, en alle emoties zitten er in: verdriet, woede, vreugde, romantiek, verraad en – wie weet – ook nog moord en doodslag.

Wekelijks verschijnt er een aflevering in Den Haag Centraal met een lengte van 1500 woorden. De afleveringen worden zonder auteursnaam gepubliceerd. Wel worden de namen van alle deelnemende auteurs wekelijks vermeld. Dit is voor de aan het estafettefeuileton gekoppelde publiekswedstrijd, waarbij men aan de hand van stijlkenmerken en dergelijke tracht vast te stellen wie de auteur van de week is. De hoogste eindscore wordt beloond met een prijs. Reeds verschenen afleveringen worden later wel met auteursnaam gepubliceerd op de website van Huilen in Den Haag. Het estafettefeuilleton zal worden gebundeld en in alle Haagse boekwinkels te koop zijn tijdens het evenement Huilen in Den Haag.

Parallel aan het feuilleton loopt een beeldwedstrijd. Bekroonde inzendingen worden periodiek in Den Haag Centraal gepubliceerd en zullen later in de Affiche Galerij in de tramtunnel en de Centrale Bibliotheek aan het Spui worden geëxposeerd.

De climax wordt een groot feest voor auteurs en publiek in de Centrale Bibliotheek aan het Spui. Het feest vindt plaats tijdens het UIT-weekend ergens in het najaar. Tijdens dit feest zal het boek met daarin de verzamelde afleveringen van het feuilleton worden gepresenteerd en de expositie van de bekroonde inzendingen van de beeldwedstrijd worden geopend.

Voor het estafettefeuilleton was ook ik gevraagd voor het schrijven van een aflevering. Het brein van het vooraf bedacht plot is Tomas Ross en ik en mijn collega’s hebben dan ook een nogal ingewikkeld slot voorgelegd gekregen. Ik had gevraagd mij zo vroeg mogelijk op de kalender te zetten, zodat ik kon ontsnappen aan allerlei losse eindjes die voorgaande auteurs laten liggen, want ja: daar kun je op wachten. Maar dat is ook wel de sport natuurlijk, je tekst zo goed en kwaad als maar mogelijk zo schrijven dat het verhaal goed blijft lopen. Ik was onlangs aan de beurt en moest wat troep opruimen van mijn voorgangers. Sommigen hadden zich er makkelijk vanaf gemaakt door de hoofdpersoon met veel introspectie rond te laten dolen. Dat had ik eigenlijk ook gewild, maar na een aantal (geplande) afleveringen dreigde het verhaal aan spanning en actie in te boeten, dus ik heb maar even wat bloed, seks, kidnapping en vaart in mijn aflevering gestopt. Ik heb nog nooit iemand een ander met een revolver overhoop laten schieten, maar nu ik dat heb laten gebeuren kan ik dat ook weer op mijn lijstje van fictionele ervaringen zetten. Benieuwd of mijn tekst er zonder redactionele verminkingen in komt te staan.

De gevraagde auteurs zijn verder Wim de Bie, Sjaak Bral, Bart Chabot, Inez van Dullemen, Mensje van Keulen, Yvonne Keuls, Kees van Kooten, Roel Janssen, Tomas Ross, Helga Ruebsamen, Kees Ruys, Hans Sahar, Jan Siebelink, Nicolette Smabers, Jill Stolk, Marcel Verreck en Lulu Wang. Wie er uiteindelijke allemaal meedoen is mij niet bekend.

De eerste aflevering, van Tomas Ross, verscheen in Den Haag Centraal op woensdag 26 mei 2010.

Indisch Anders 2010

indisch-anders-2010 Stichting Tong Tong geeft drie bladen uit: De Pasarkrant, De Sobat en Indisch Anders. De Pasarkrant is het informatiebulletin van de Tong Tong Fair voorheen Pasar Malam Besar. De Sobat verschijnt driemaal per jaar voor donateurs. Indisch Anders is de gratis boekenkrant bij het Tong Tong Festival.

Waarom deze kranten niet in één jaarlijkse uitgave worden samengevoegd begrijp ik niet helemaal, al heb ik de ontwikkeling wel zien ontstaan. De naamsverandering van de Pasar Malam Besar in Tong Tong Fair is voor een belangrijk deel ingegeven door de wens om van het eetimago af te komen waarmee de Pasar Malam Besar jarenlang werd achtervolgd. Mij dunkt dat je dan juist een boekenkrant als Indisch Anders in de Pasarkrant stopt, om zo de aandacht te vestigen op het brede culturele aanbod van de Tong Tong Fair. Nu worden boekenlezers apart bediend, wat op zich zo slecht nog niet is, maar de Pasarkrant wordt er naar mijn smaak te mager van. Vrij Nederland werkte ooit zo: een weekkrant waarin een glossy werd geleverd en een boekenbijlage. Dat was wel handig: ik nam de boekenbijlage eruit en maakte met de rest de open haard aan. Toen Vrij Nederland later de boel ging samenvoegen ben ik de rest ook maar gaan lezen.

Indisch Anders is bedoeld voor lezers met belangstelling voor de koloniale en postkoloniale geschiedenis en literatuur. De gratis boekenkrant wordt in een oplage van liefst 50.000 exemplaren verspreid via boekwinkels, bibliotheken, theaters en musea door heel Nederland. De inhoud:

Siem Boon (hoofdredacteur) probeert voor de zoveelste maal wat ik en vele anderen ook hebben gedaan: de positie van mensen uit mengculturen toe te lichten. Een bijna hopeloze taak, maar wie weet gaat het uiteindelijk toch nog lukken… Edy Seriese (directeur IWI) gaat diep in op het boek The Inheritance of Loss, een bestseller van Kiran Desai… Rabin Baldewsingh (wethouder) schrijft een brief aan Tjalie Robinson, multiculturalist pur sang… Nicolette Smabers (schrijfster) publiceert een prozafragment uit een work in progress… Peter van Amstel (musicoloog) gaat in op boeken over Balinese dans en muziek… Sylvia Dornseiffer (directeur Amsterdams Fonds voor de Kunst), Hans Moll (redacteur NRC), Marion Bloem (schrijfster) en ik vormen een kwartet van ‘eminente veellezers’ die hun favoriete boeken van het afgelopen jaar mogen presenteren… Tineke Hellwig (wetenschapper) bespreekt een Maleise roman over Indonesische geschiedenis… Bert Paasman (wetenschapper) bekijkt kritisch de eregalerij van het Letterkundig Museum (waar Indische schrijvers ondervertegenwoordigd zijn)… Leslie Boon (publiciste) komt met een verslag rond het Monument Indië-Nederland in Amsterdam… Siem Boon schrijft een mooi In Memoriam voor Rudy Kousbroek… Eva van Geleuken (neerlandica) interviewt Pauline Slot naar aanleiding van haar boek over de eerste vrouw van Pablo Neruda: een Nederlandse met Indische wortels… Tot slot een oriëntalistische kijk van Pamela Pattynama (wetenschapper) op de film Avatar en verder aandacht voor veel nieuwe boeken…

Je zou wensen dat er geen apartheid heerste in de literaire kritiek en dat het multiculturele verleden van Nederland als vanzelfsprekend week in week uit de pers haalde. Maar nee. Daarom is Indisch Anders niet zomaar een uitgave naast de Pasarkrant en De Sobat van Tong Tong, maar een noodzaak. Of de teksten en besproken boeken ooit onder de ogen komen van het stelletje boerenkinkels dat de canon onnadenkend predikt met hun troeteldier Multatuli op de sokkel als antikoloniale schrijver (wat hij helemaal niet was), valt te hopen. Maar verwachten doe ik dat niet.

De (na)smaak van Indië

Op zondagmiddag a.s., 14 februari, 15:00 u, voer ik in Boekhandel van Pampus te Amsterdam met Lizzy van Leeuwen een tweegesprek over postkoloniaal Nederland, vanuit verschillende perspectieven. Leidraad vormen mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998), mijn postkoloniale polemische bundel Yournael van Cyberney (2001) en Lizzy van Leeuwens geschiedenis van zestig jaar Indisch Nederland: Ons Indisch erfgoed (2008).

Vanwege drukke werkzaamheden aan een nieuw boek heb ik wat laat mijn toezegging gedaan en mijn enige probleem van die dag zal waarschijnlijk dan ook zijn of ik wel op tijd mijn nest uit kan komen. Ik schrijf namelijk ’s nachts tot vroeg in de ochtend en slaap dan een gat in de dag, want de wintermaanden zijn voor mij toch het aanzien niet waard.



Grotere kaart weergeven

Ik sta dus (nog) niet aangekondigd op de site van Boekhandel van Pampus, waar als thema van de middag is gekozen de “Nasmaak van Indië”, naar aanleiding van de uitgave van de moderne vertaling van Multatuli’s Max Havelaar (maart 2010), overigens niet bepaald een van mijn favoriete literaire werken.

Lizzy van Leeuwen en ik zullen beginnen bij de koloniale literatuur en via Hella Haasses novelle Oeroeg (1948) en Tjalie Robinsons ongezouten kritiek op dat boek een link leggen naar de postkoloniale ontwikkelingen in Nederland. Uiteraard is er gelegenheid tot het stellen van vragen.

Aan Indisch 3.0 is gevraagd een korte bloemlezing te geven over wat de jongere generatie Indische Nederlanders bezighoudt. Ook zal Ed Caffin namens Indisch 3.0 een lezing geven.

Het programma is gevarieerd, met film, muziek, hapjes en signeersessies.

Programma

15.00 u Tweegesprek Lizzy van Leeuwen met Alfred Birney
16.30 u Film: Contractpensions – Djangan Loepah! Aansluitend een gesprek met regisseur Hetty Naaijkens-Retel Helmrich.
18.00 u Kalangkang, Sundanese muziek
18:30 u Bijdrage door Ed Caffin, van weblog Indisch 3.0
19.00u Einde

Nasmaak van Indië, 14 februari 2010, 15.00 – 19.00 uur.
Toegang, inclusief snacks: € 5.
Locatie: Boekhandel van Pampus, KNSM Laan 303, Amsterdam

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

Postkoloniaal naschrift

de-republikein-december-2009 Op het moment van dit schrijven vindt er een Oeroeg-hype plaats in de Modderpoel van West-Europa. De filmversie van het boek wordt op de televisie uitgezonden. Er vinden talloze lezingenavonden plaats met medewerking van wetenschappers die onnadenkend de literaire canon dichtmetselen tegen aanvallen van buitenaf. Als klap op de vuurpijl doedelzakt er een speciale voorleestrein op het traject Amsterdam – Den Haag vol BN’ers die geen idee hebben van de koloniale onnozelheid waarvan Oeroeg doortrokken is. Het hele circus schijnt bedoeld om een discussie aan te wakkeren. Maar obligaat gezemel houdt geen miljoen door de CPNB verspreide exemplaren van het beroerdste boek rond de vrijheidsstrijd van Indonesië tegen. Welk thema moet de discussie eigenlijk dienen? De tragiek in tijden van oorlog of het ‘tragische’ einde van Neerlands koloniale heerschappij?

De ‘tragiek’ volgens Hella Haasse in Oeroeg werd al in juni 1948 door Tjalie Robinson als volstrekt onwaarachtig afgedaan. Dat diens nog altijd actuele, scherpe kritiek de CPNB na zestig jaar nóg niet heeft gehaald is pijnlijk. En verwarrend, vooral voor Indo’s, die zich nauwelijks in dat boek herkennen. Nou is verwarring wel zo ongeveer synoniem aan Neerlands oorlogsjaren. Duurde die oorlog nou van 1940 tot 1945, tot 1949 of tot 1963, toen de VN Nieuw-Guinea aan Indonesië overdroeg?

Ik leerde ooit een ernstige snoet trekken bij deprimerend klokgelui op elke 4e meiavond. Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei: de Duitse capitulatie in Nederland. Mijn Indo-vader vierde de 15e augustus: de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Ik ben nooit bij die herdenking rond het Indisch Monument in Den Haag geweest. Ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorstin en Vaderland. En zij houden niet van mij: een ‘linkse Indo’ in hun ogen.

Er is nog altijd gedoe over de onafhankelijkheidsdatum van Indonesië. De Indonesiërs houden het op 17 augustus 1945, toen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uitriepen. Zestig jaar na dato accepteerde onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ alsnog de datum van 17 augustus 1945 als de dag van de onafhankelijkheid. Politieke onzin natuurlijk, want het gaat om een onafhankelijkheidsverklaring. Tussen die verklaring en de feitelijke soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949, ligt een poel van bloed, zweet en tranen.

Dat in geschiedenisboeken nog altijd eufemistisch over de Politionele Acties wordt gesproken is een ontkenning van de vieze oorlog die Nederland overzee voerde. Voor Indo’s was het een lange oorlog. Zij maken sindsdien een spagaat tussen beide landen en worden daar onderhand stram en stijf van. Elke oorlog eindigt op papier. En wordt uiteindelijk fictie. Oeroeg is pulpfictie. Dat de kritiek van Tjalie Robinson nooit gehoord werd is veel tragischer dan dat verhaal zelf.

© 2009 Alfred Birney – gastcolumn voor De Republikein winternr 2009/10 retroblogged 31 juli 2011

Indië verloren, rampspoed geboren

de-republikein-december-2009 Naar aanleiding van de onlangs herdachte soevereiniteitsoverdracht, die plaats vond 60 jaar geleden op 27 december 1949, wijdt kwartaaltijdschrift De Republikein een themanummer aan Neerlands interessantste geschiedenis, namelijk die van een der grootse koloniale wereldmachten. Dat die geschiedenis wordt weggemoffeld, is voornamelijk bekend aan mensen die zich ermee bezighouden. Dat spreekt. En zodra die geschiedenis door zogenaamde vaklui wordt verteld, breekt in heel Indisch Nederland – ja, dat bestaat nog – rumoer uit. Mensen van de eerste generatie Indische Nederlanders beginnen met te zeggen dat mensen van de tweede generatie Indische Nederlanders / Indo’s het leven in “Indië” nooit hebben meegemaakt en daarom geen recht hebben van spreken, laat staan van schrijven. De tweede generatie Indo’s verwijt de eerste generatie een overdreven Hollands culturele opvoeding en kijkt intussen met argusogen naar de derde generatie, die vrolijk bahasa Indonesia leert en zich uitleeft op Asian Party’s. Soms klinkt het verwijt van de derde generatie, dat de tweede generatie helemaal niets heeft gedaan aan het overbrengen van de Indische cultuur, terwijl er toch een sloot boeken van de tweede generatie in de bibliotheken te vinden is. Interessant is dat de tweede generatie zich veelal uit in fictie, terwijl de derde generatie vrijwel alleen met non-fictie komt.

Maar hier gaat het allemaal niet om in De Republikein, nummer 4, december 2009, jaargang 5. Deze aflevering, waarvoor ik als gastcolumnist ben gevraagd, brengt met een serie frisse artikelen de geschiedenis van Nederland en Indonesië in kaart voor, zeg, de lezer die wel eens wat meer wil weten dan wat geleuter over tempo doeloe, sarong en kabaya en het scheepsjournaal van Bontekoe in tijden van de VOC.

Rik Smits, hoofdredacteur van het kritisch tijdschrift, stelt terecht in zijn voorwoord dat Nederland helemaal geen “klein landje” is, zoals wij onszelf dat graag voorhouden. In economisch, cultureel en wetenschappelijk perspectief is Nederland een reus. Helaas is Nederland ook kleingeestig en de geschiedenis houdt dan ook bij voorkeur op bij de duinen. Rik Smits haalt Tjalie Robinson aan om de scherpe toon van zijn blad te onderstrepen, terwijl ik het themanummer afsluit met Tjalies veronachtzame kritiek op Hella Haasses overgewaardeerde novelle Oeroeg, onder de titel Postkoloniaal naschrift.

Binnen deze tangconstructie beschrijft Gerard Aalders de lepe, of gluiperige, rol die de Amerikanen speelden tijdens de dekolonisatie. Mooi is te zien hoe cruciaal WO-II is geweest voor het dekolonisatieproces. Onder Henk Schulte Nordholts pen krijgt het democratie een werkelijk Indonesisch karakter en good old Ewald Vanvugt legt, onvermoeibaar als hij is met een oeuvre van intussen meer dan 30 boeken, nog maar eens haarfijn uit hoe het koningshuis schatrijk werd aan de opiumhandel. Voor wie deze klok al eens heeft horen luiden maar nog niet weet waar de klepel hangt, moet deze bijdrage beslist lezen.

Er staat nog meer verbazingwekkends in deze aflevering van De Republikein. Dat inwoners van het Javaanse dorpje Rawagedeh nog niet zo lang geleden de Nederlandse staat aansprakelijk stelde voor de moord op vierhonderd ongewapende inwoners, is iedereen nog wel bekend, mag ik hopen. Gerrit-Jan Pulles beschrijft dit internationale misdrijf van a tot z en hij toont aan dat het beroepen op “verjaring” van de Nederlandse overheid inconsequent en juridisch zeer twijfelachtig is. Want ja, zodra Nederland de portemonnee moet trekken, is men niet thuis. Maar zelfs zoiets eenvoudigs als het aanbieden van excuses aan de nabestaanden was zelfs al te veel voor onze overheid.

Er staat nog veel meer in dit nummer. Marije Plomp over een Molukse ambtenaar die op een wel heel merkwaardige manier door de overheid wordt behandeld. Eveline Buchheim zoomt in op de “werkelijke rol van Europese vrouwen” in de kolonie, Leo Polak vat de geschiedenis van de Molukkers samen, etc.

Surf naar De Republikein en bestel dit nummer. Een abonnement is ook de moeite waard. De stukken zijn serieus maar niet droog geschreven, en houden het midden tussen journalistiek en wetenschap… zonder vervelende voetnoten.

Postkoloniale geschiedenis in Nederland

bosma-terug-uit-de-kolonien.jpg In het kielzog van Lizzy van Leeuwen met Ons Indisch erfgoed volgt Ulbe Bosma met Terug uit de koloniën. De eerste bood ons een uitgebreide blik op Indisch Nederland van na de Tweede Wereldoorlog tot op heden. Ulbe Bosma verdiept die periode door heel postkoloniaal Nederland onder de loep te nemen. Naast Indo’s komen Molukkers, Surinamers, Antillianen en Arubanen aan bod. Vergeleken met ex-koloniale mogendheden, zoals Engeland en Frankrijk, is het “postkoloniale debat” in Nederland nooit van de grond gekomen. Wij spreken liever van het “multiculturele drama” en zoomen dan in op de “arbeidsmigranten”. Bosma maakt wel uitstapjes naar die groep, maar blijft verder stevig bij de les. Met zijn brede kennis is het soms jongleren en koorddansen geblazen. Toch weet hij een interessant en hopelijk invloedrijk verhaal te maken van wat Nederland bij voorkeur onder het tapijt zou vegen.

Auteur: Ulbe Bosma
Titel: Terug uit de koloniën.
Paperback, aantal pagina’s 448 (met noten)
Uitgever: Bert Bakker
Prijs: €19,95

© 2009 Alfred Birney. Dit signalement verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 18 april 2009. Alleen de eerste 50 woorden van deze recensie mogen worden overgenomen, gevolgd door een link naar deze pagina.

Koloniale poëzie in de popmuziek

Onderstaand lied, A Salty Dog (1969) van Procol Harum, maakte destijds indruk op me vanwege de herkenbare kreet: All hands on deck! Als jochie riep ik dat altijd wanneer een vijandige bende van een andere straat in aantocht was. Scheepvaarttaal kwam via speelfilms en geschiedenisonderwijs tot ons maar bereikte nooit de Nederlandse popmuziek in die tijd. Daarvoor was onze kennis van de Engelse taal te beroerd, als je al in staat was met een goede beheersing van een vreemde taal een werkelijk schitterende tekst neer te pennen. Dat deed Keith Reed namelijk, op muziek van Gary Brooker, die achter de piano zong.

Naar verluidt had Keith Reed poëzieklassen gevolgd. Met A Salty Dog zou hij schatplichtig zijn geweest aan The Rime of the Ancient Mariner (1798) van Samuel Taylor Coleridge, een lang gedicht dat zich als volgt laat samenvatten:

Een zeeman schiet op zee zonder duidelijke reden een albatros neer en wordt daarom met de rest van de bemanning gestraft door hogere machten. De zeeman draagt als teken van boetedoening de dode albatros om zijn nek en is de enige op het schip die niet omkomt van dorst. Als hij in een delirische toestand een aantal waterslangen zegent, valt de albatros van zijn nek en wordt zijn schuld uitgewist. Het schip keert op wonderlijke wijze terug in de thuishaven, waar de zeeman de absolutie krijgt van een heremiet. Voortaan zwerft hij rusteloos de wereld rond om aan iedereen zijn verhaal te vertellen.

Maar hier enkele strofen uit A Salty Dog:

Upon the seventh seasick day we made our port of call
A sand so white, and sea so blue, no mortal place at all

We fired the gun, and burnt the mast, and rowed from ship to shore
The captain cried, we sailors wept: our tears were tears of joy
Now many moons and many Junes have passed since we made land
A salty dog, this seaman’s log: your witness my own hand

Als je de invloed van Coleridge even vergeet, dan zie je een tekst voor je van een stel muzikanten met een sterk historisch besef. Engeland was immers ooit een grote koloniale zeemacht, net als Nederland dat was. Het grote verschil is dat de koloniale geschiedenis van Engeland onlosmakelijk in woord en schrift verweven is met de geschiedenis van het eigen land. Dus tot en met de popmuziek. Bij Nederland is daar geen enkele sprake van. Ik moest daaraan denken toen ik slechts 140 woorden in een krant mocht wijden aan Ulbe Bosma’s boek Terug uit de koloniën, waarin de Nederlandse postkoloniale geschiedenis en wat daaraan voorafging wordt beschreven. Geen kost dat de Nederlander met de paplepel krijgt ingegoten.

Rudy Kousbroek beschouwde het in zijn boek Het Oostindisch kampsyndroom (1992) als een enorme gemiste kans dat de Nederlandse cinema ons koloniale verleden vrijwel geheel links hebben laten liggen. Maar is die kans ooit wel reëel geweest? Nederland is een vlak land, waar je kilometers ver kunt kijken. Het ligt wel achter de duinen, en beneden de zeespiegel.

Uit het leven van een schrijver

Hallo A.,

Hoe gaat het? Ga je dit jaar iets doen op de Pasar Malam, ik bedoel de Tong Tong Fair? Ik heb een vraag. Op verzoek van Johnny Rahaket, violist en koorleider van het 100-koppig Colourful City Koor in Nijmegen, ga ik een bundel samenstellen met een aantal verhalen van zes auteurs, Indisch, Indonesisch en één Nederlander voor het contrast, met als onderwerp de PUPUTAN op Bali, ruim honderd jaar geleden. Ik heb al een paar namen, waar jij er een van bent. Het is onderdeel van de voorstelling PUPUTAN in juni van dit jaar. Hij wil de bundel presenteren op de Tong Tong Fair. Dit betekent dat ik je verhaal, als je mee wilt en kunt doen, – wat ik van harte hoop! – uiterlijk 10 maart moet hebben. Wanneer je ja zegt, mail ik je de voorwaarden. Ik zeg er meteen bij dat er geen vorstelijke gage achter zit, maar vast wel eeuwige roem.

Ik hoor graag van je.

Intussen hartelijke groet van

Z.

Hallo Z.,

Dank voor je uitnodiging, al is het wat kort dag vanwege overige opdrachten. In principe wil ik wel meedoen, maar eerst wil ik de volgende dingen weten:

1. het aantal woorden van het verhaal
2. de termijn waarin het verhaal niet in een andere uitgave mag worden geplaatst
3. het honorarium
4. de namen van de andere schrijvers
5. de uitgever van de bundel
6. de omvang van de bundel
7. de verkoopprijs van de bundel

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Fijn dat je zo snel antwoordt. Ik kan je nog niet op alle vragen antwoord geven, maar wel zo snel mogelijk. Ik ben van 5 t/m 25 februari niet thuis, maar we kunnen wel mailen. Johnny Rahaket wil dit boek koppelen aan de voorstelling Puputan (waarvan het script geschreven wordt door Frans Lopulalan), omdat hij (en ik) steeds weer ontdekken dat men er nauwelijks iets van weet. Schuldgevoel van de Nederlandse kant? Verdringing? De première is op 11 juni en dan volgen er nog een paar voorstellingen in het land. Er wordt hard gewerkt voor en achter de schermen. Zo, nu weet je in elk geval weer iets meer.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Ik antwoord zo snel omdat de uitnodiging erg laat komt. Bij zulke projecten wordt een schrijver gewoonlijk een half jaar tot een jaar tevoren gepolst en niet anderhalve maand voor een deadline. Wordt het boek in eigen beheer uitgegeven misschien? Ik kan Frans Lopulalan wel mailen, maar wat zou hij me dan verder weten te vertellen? Het aantal woorden en de hoogte van het honorarium kun je toch wel alvast noemen? Een goed verhaal heeft tijd nodig, ik ga niets afraffelen, de thematiek is al lastig genoeg. Dus geef de eerste gegevens die een schrijver nodig heeft en niet eerst de deadline.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Het idee van een boekje is pas een week geleden geboren. We zaten met de gedachte dat we iets moesten doen om wat kennis over de puputan te verspreiden. Het zijn toch zeer tragische en bittere momenten in de geschiedenis van Indonesië en ik denk ook een beetje van Nederland. Vandaar mijn vrij late verzoek. Het aantal woorden heeft een ruime marge: 2000 -3000. Het honorarium: dat kunnen wij niet geven. Behalve natuurlijk een aantal boeken voor elke auteur. Wij hopen dat de auteurs deze gelegenheid willen aanpakken als een vorm van PR. In elk geval schrijft Paula Gomes een verhaal, en Carola Eijsenring, een beginnend schrijfster die al verschillende prijzen won in Brabant. Verder zal mijn opdrachtgever Johnny Rahaket overleggen met Frans Lopulalan om een fragment van zijn script in het boek op te nemen. De Indonesische auteur die wij hebben benaderd is Agus Sarjono, een grote naam in de Indonesische literaire wereld en daarbuiten. Heeft in opdracht van de Universiteit Leiden en de Heinrich Böll Stichting gewerkt en verbleef daarvoor twee keer acht maanden in respectievelijk Nederland en Duitsland. Hij gaat deze verhalen ook vertalen in het Indonesisch en wij gaan praten over publicatie, in en na overleg met de auteurs. Hij is onder meer redacteur van het literaire tijdschrift Horizon. Ik meen uit je mail op te maken dat je “not amused’ ofwel een beetje geïrriteerd bent. Terecht, ik ben niet duidelijk genoeg geweest, waarvoor mijn excuses. Ik ken jou als een gedegen werker en je zult zeker niets afraffelen, dat hoort niet bij jou. Maar de tijd is inderdaad krap en hoe dit komt heb ik hierboven uitgelegd. Als je, na dit gelezen te hebben, denkt dat je het onder deze omstandigheden niet kunt of wilt, even goede vrienden. Ik hoop alleen dat je aan me denkt als overenthousiast voor de goede zaak: een beetje eerherstel voor de Balinees.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Nou, dat “not amused” is natuurlijk iets dat door gaat klinken in mijn mails omdat ik wel vaker vage uitnodigingen krijg met summiere informatie. Te vaak heb ik iets geschreven en er niets voor betaald gekregen, zelfs geen boek opgestuurd gekregen en ga zo maar door, ook voor buitenlandse contacten. Deze gang van zaken wordt met de tijd ook “normaler”: men krijgt een idee, men stuurt even een mailtje en dan ziet men wel weer. Nou blijk jij ook al aan die rare mode mee te gaan doen. “Het idee voor het boekje is een week geleden geboren.” Wat is dat nou, Z.? Ik ben toch geen beginner of zo? Als jij het niet was geweest, dan had je mail allang weggemieterd ja, maar ik vind jou toevallig aardig. Kijk, die vragen van me zijn doodsimpel en de antwoorden daarop horen gewoon in een uitnodiging, zelfs al heb je er geen antwoord op. Dus: uitgever, aantal woorden, eventueel honorarium, oplage etc. Of: wij kunnen u helaas geen honorarium bieden, het idee is pril etc. Dan kan ik direct bepalen of ik er mijn energie in moet gaan stoppen. Maar dat weet je nu wel. Het heeft trouwens niets met Indo’s te maken, de hele wereld werkt zo en dat bevalt me in het geheel niet, amen. Schrijvers als sluitpost van de begroting, dat zit me tot hier, dat moet zo niet doorgaan, dat is een schande. Maar goed, ik blijf in principe, uit sympathie voor jou, nog een klein beetje beschikbaar. Rest mij nog één vraag: wordt het een “boekje” (zo’n stapeltje ingelijmd papier met een kris erop die door het hart van de een of andere Balinees gestoken wordt) of wordt het een serieuze uitgave? Dus: wordt het gewoon een aardige gelegenheidsuitgave dat tijdens en na de voorstellingen wordt uitgedeeld of verkocht, of wordt er een ISBN-nummer aan vastgeplakt en staat er de naam van een uitgever op? Laat me dat nog even weten. Waarom kwamen jullie hier trouwens niet drie jaar eerder mee? Deze zaak is in 1906 al ruimschoots herdacht, een van mijn uitgevers is met de heruitgave gekomen van een boek over die rare actie van die stomme Belanda’s. Beetje mosterd na de maaltijd.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Natuurlijk heb je gelijk. Ik ín mijn enthousiasme spring ik erin, ja, gaan we doen. Laat ik even voorop stellen dat ik niets betaald krijg voor dit project, zal ik maar zeggen. Ik ga nu proberen je het verhaal te vertellen vanaf het begin.

1. Johnny Rahaket zei zo’n anderhalf jaar geleden in een gesprek tegen mij: Eigenlijk gaat een bepaalde vorm van puputan nog steeds door, anno nu. Ik wil er iets mee doen. Uitgangspunt was zijn vader, KNIL-man, je moet doden als het moet, want je bent militair. Ik heb Johnny ooit geïnterviewd en het is een bitter verhaal. Hij stelde zijn koor voor om naar Bali te gaan en les te nemen in kecak, in de opmaat naar de puputan-voorstelling. Dat was in juni/juli vorig jaar. Zo’n zestig koorleden zijn gegaan. Ik was erbij als tolk. Ik heb het zien groeien. De lessen zijn allemaal gefilmd, zodat de bewegingen en ‘commando ‘s’ etcetera goed waren. Praktisch niemand had nog ooit van de puputan gehoord. Er is een puputan kerkhof op Bali, maar die is van recente datum, van 1947. Terug in Nederland heeft Johnny Frans Lopulalan benaderd om het script te schrijven. Als je ziet wat het koor nu doet en kan ben je sprakeloos. Het is een groot project en ik heb begrepen dat de TV belangstelling heeft. Mijn rol in het geheel is op de achtergrond meekijken, meelezen, meedenken.

2. Het boek. Om de draad met het publiek nog een beetje vast te houden, leek het een goed idee een boek(je) samen te stellen over de puputan. Johnny gaf mij de vrije hand in het benaderen van auteurs. Omdat ik Indische ben, and proud to be one, wilde ik aanvankelijk alleen Indische auteurs. Maar al pratende leek het ook spannend er een Nederlandse en een Indonesische auteur bij te halen. Ik had iemand in gedachten omdat hij een prettige schrijfstijl heeft, al is hij meer een Midden-Oosten kenner. Maar na een gesprek met Frans kwam ik op Ewald van Vugt die twee jaar geleden een boek over de puputan heeft geschreven. Zijn uitgever In de Knipscheer heb ik gepolst en die heeft er wel oren naar. Wanneer het te lang gaat duren, wil Johnny het in eigen beheer uitgeven. Gebonden met een hard kaft, of gelijmd met een gelamineerde kaft, dat weet ik nog niet.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Dat boek van Ewald van Vugt was een heruitgave, het was al eerder in 1986/87 uitgebracht. Ik heb me het lazarus lopen zoeken maar ik heb het waarschijnlijk uitgeleend en zoals je weet komen geleende boeken nooit retour. Beroerd geschreven vond ik het, niet om doorheen te komen, maar Ewald VanVugt is wel dé kenner bij uitstek over Puputan 1906, hij heeft er ook lezingen over gegeven. Ik ben nu dat boek van Edita Morris aan het lezen, Poepoetan, want mijn kennis van de Balinese geschiedenis is slecht, ik heb me altijd verdiept in de Javaanse zooi, dat vond ik al meer dan genoeg. Ik ben nu aan het kijken of ik inderdaad iets zinnigs of iets moois over Puputan zou kunnen schrijven. Technisch kan ik dat wel, maar je moet ook een drive hebben, een wil om het te doen, en die ontbreekt nog bij mij, niet omdat ik niet betaald krijg maar omdat ik helemaal niets heb met Puputan, het verhaal heeft me eenvoudigweg nooit aangesproken. Dus dat is momenteel het probleem: kan ik iets met het thema? Dat Johnny Rahaket liefst zestig koorleden meeneemt, moet wel heel veel geld hebben gekost. Ik vind het nu nog absurder en idioter dat die man niet eerst even normaal over zijn begroting nadenkt. Het is mij allemaal veel te veel van hup we gaan eens even op Bali kijken, we smijten er al het geld tegenaan, we stoppen alles in het koor en… o ja, nu we anderhalf jaar verder zijn, gut laten we Frans Lopulalan eens voor het script vragen, helaas is er geen geld, we moesten namelijk een half vliegtuig afhuren, begrijpt u wel? Ik vind dit zo verschrikkelijk idioot van die man, dat mag je hem gerust zeggen hoor, dat ie een beetje collegialer moet zijn in plaats van als een kinderjuf maar even met een enorme groep naar Bali te vliegen – weet je wat dat kost, Z.? En weet je wat een schrijvertje kost? Nog geen zitplaats in zo’n vliegtuig. Nou, waar hebben we het dan eigenlijk over? Laat die vent maar extra subsidie aanvragen.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Een onmogelijke love story, een sprookje of zo, zit dat er niet in? Mij spreekt dat verhaal nog steeds aan hoor. Ik voel woede naar de Hollanders die een volk, dit volk, koste wat kost wilden onderdrukken en zo trots was dat zij zich niet liet onderdrukken. Iedereen heeft zijn eigen reis en verblijf betaald, zo enthousiast waren de koorleden. Ik ook. De korting die we kregen vanwege het grote aantal werd hoofdelijk omgeslagen. En nu zeg ik, net als Tjalie tegen zijn vriendje zei: Kallem dong. Vriendje met opgeheven vuist: Ini kallem. Uit: Piekerans. Tot nu toe heeft dus iedereen er zijn eigen geld ingestoken. Het is iets van: geloven in een droom, in dit geval een mooie productie. Want mooi wordt het.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo A.,

Hierbij een artikel dat ik uit Australië ontving. Misschien heb je er iets aan. Verder wil ik je zeggen dat ik voor het eerst over de puputan hoorde, of liever las in het boek Liebe Und Tod auf Bali van Vicky Baum. Ik vind het nog steeds een mooi, ingetogen geschreven boek. Het fragment staat op de laatste pagina ‘s. Het is vertaald en heet dan Liefde en dood op Bali. Vast overbodige info voor jou, maar ik geef het toch maar voor alle zekerheid. Verder ga ik op Bali dichter/schrijver Nyoman Wijaya ontmoeten die over de puputan heeft geschreven. Hebben we dus de Indonesische invalshoek. Ik ga dat fragment in het Nederlands vertalen. Ik heb achteraf gezien het grote geluk gehad een deel HBS en helemaal SMA te hebben gedaan in Indonesië. Daarna heb ik cursussen Bahasa Indonesia gedaan. Ik heb dus the best of both worlds gehad.

Salam,

Z.

Hallo Z.,

Het enige dat ik kan verzinnen is een monoloog met scheldproza dat zo ongeveer zegt dat het die stomme Belanda’s toch allemaal niets kan schelen en dat dat hele puputan-verhaal niet eens vergeten hoeft te worden, simpel omdat het nooit gekend is, etcetera – dat is het enige dat me na een paar dagen van gepeins te binnen schiet. Het puputan-verhaal vervult me namelijk met zoveel weerzin dat ik er alleen maar over kan schelden en mopperen, maar dat schijn ik goed te kunnen – dus geen geseyck over liefde en al dat Vicky Baum- en Evita Morris-gezwam, gewoon lekker schelden, te beginnen op Multatuli met zijn Saidjah en Adinda en dan komen die Batavieren vanzelf wel aan de beurt. Wil je scheldproza? Ja? Nee? Let me know.

Groet,

A.

Dag A.,

Sorry dat ik je nu pas antwoord. Bedankt voor je antwoord. En nogmaals, de schrijvers waren niet een sluitpost. Ik heb gedacht en gehandeld vanuit mijn Indisch-zijn: gotong royong, samen sterk. Ik ben lekker een dagje op familiebezoek geweest. Ik vertrek 5 februari naar Bali via Hong Kong en ben 25 februari terug. En oh zaligheid, ik ga ook een paar dagen naar Surabaya, waar ik ben geboren. Ik heb goed nagedacht over je voorstel en ik denk dat “scheldproza”, zoals jij dit noemt, niet zal passen met de rest van de inhoud van het boekje. Het zou er geen recht aan doen en aan de andere auteurs ook niet. Dus met heel veel spijt moet ik je bedanken voor je moeite tot nu toe. Mocht zich ooit weer iets voordoen, mag ik dan terugkomen? En dan wel met zoveel mogelijk informatie. Ik heb hier echt van geleerd. Dank je voor je duidelijkheid hierin.

Salam manis,

Z.

Zeg F.,

Nou heb ik die Z. waerachtig een schitterend voorstel gedaan, gratis en voor niets, en nu vindt ze mijn idee te eh… kasar! Wat moeten die Batavieren nou met een sprookje of een liefdesverhaal? Dat is voer voor neokoloniale sentimenten. Gescheld, gemopper en gekanker, dat is het enige wat bij dit project past.

Nah,

A.