Op gevoel (slot)
Op mijn zevenentwintigste jaar begon ik zelf een lespraktijk als gitaarleraar. Dagelijks scherpte ik mijn techniek met de moeilijkste vingeroefeningen in mijn zucht naar virtuositeit. Ik was in constant gevecht met mijn instrument. ‘Gevoel’ was iets voor idioten, zielenpoten, ordinair volk, Indo’s als mijn vader die alleen maar naar achterlijke Maleise deuntjes konden luisteren. De goden straften mij met een ganglion, een verdikking in de pees van mijn Spartaans getrainde linkerwijsvinger. Vlak voor de operatie bij een plastisch chirurg gooiden de goden er nog een schepje bovenop door mij tijdens een potje sparren op een kungfu-school mijn ringvinger van diezelfde hand te laten breken.
Nooit meer zou ik met die gehandicapte hand op hoog technisch niveau gitaar kunnen spelen. Partituren van klassieke gitaarmuziek en ingewikkelde jazztranscripties konden de vuilnisbak in. Ik moest iets doen, wilde ik niet sterven van verdriet. En ik kwam net als mijn vader achter een ratelende schrijfmachine te zitten.
Lang heeft het geduurd voordat ik weer naar mijn jeugdliefde durfde te luisteren. Het zou uiteindelijk de pure gitaarmuziek worden, muziek die met de gitaar op schoot is geschreven en voor een gitaar is bedoeld. Gitaristische muziek heet dat. Indorock is gitaristisch. Krontjong is gitaristisch. Hawaiian is gitaristisch. Angelsaksische folk en Amerikaanse blues zijn gitaristisch. Flamenco is gitaristisch. Mozart bewerkt voor gitaar is belachelijk. Scott Joplin op gitaar is een belediging voor de piano en mist de dynamiek op de gitaar. Bach op de gitaar is een armoedig aftreksel van de barokluit.
De Indo’s hebben indertijd de gitaar begrepen, onverschillig of het krontjongers waren of Indorockers. Niet door erover na te denken maar door de traditie van de vrije maatvoering te volgen. Die provisorische maatvoering gaat wellicht terug tot de Portugezen, die een eeuw voordat de Hollanders naar de Archipel zeilden daar hun volksinstrumenten en -muziek al hadden geïmporteerd. Luisteren naar de hedendaagse fado is niet moeilijk, pas wanneer je het probeert te spelen voel je dat je met een straffe maatvoering de eerste de beste bocht uitvliegt.
Wat Hollanders op het gebied van de gitaar hebben meegenomen naar de Archipel zou ik niet weten. Denkelijk helemaal niets. Ze verscheepten piano’s, die er een ellendig leven leidden en hooguit de dominantie van het Westen met overdreven pedaalgebruik symboliseerden. In mijn familie werd op de plantages piano gespeeld, mijn grootvader draaide bakelieten grammofoonplaten van westerse opera’s op een slingergrammofoon.
Na jarenlang geen les meer te hebben gegeven, nam ik onlangs mijn laatste gitaarleerling aan: mijn zoon van twaalf. Ik heb hem niet gevraagd waarom hij gitaar wil leren spelen. Zijn moeder is Indo, ik ben het, voor de jongen is er geen ontkomen aan.
Waaraan? Aan de een of andere traditie die je kennelijk via de genen meekrijgt.
Toen ik mijn zoon na enkele lessen overhoorde, merkte ik dat hij niet naar het blad keek op de partiturenstandaard.
`Hey, waarom lees je niet?’ vroeg ik, kribbig in mijn rol van muziekleraar.
‘O, ik speel het op gevoel,’ zei mijn zoon, met dezelfde muzikale intonatie als die oude Indo’s van weleer.
Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)
Vraag een bejaarde Indo hoe hij speelt en het klassieke antwoord luidt: ‘Op gevoel. Je moet spelen op gevoel.’ Vraag hem welke akkoorden hij pakt en hij zal zeggen: ‘Ik weet niet, als maar klinkt ja…’
Mijn vader was geen gitarist, mijn vader was een drummer, zijn muziek een ritmisch gehamer tegen de papierrol van zijn Remington-schrijfmachine. Bezongen werd de oorlog op Java, tot in detail beschreven. Zijn paranoia nam groteske vormen aan, er viel niet langer met hem samen te leven, de kinderbescherming haalde mij en mijn broertjes en zusjes weg en we zagen hem nog maar om de paar weken op de zondagmiddag tijdens het bezoekuur in een Voorschotens tehuis waar wij waren ondergebracht. De overige zondagmiddagen waren voor onze Brabantse moeder, die in haar vroegste huwelijksjaren als ‘hoer van een Indischman’ was nageroepen wanneer zij met ons over straat ging, en nooit meer over die schaamte heen zou komen.
In Amerika woonde een man die de achternaam Fender droeg. Ook hij keek naar gitaren, maar met een revolutionair oog en zag uiteindelijk niet meer dan een stuk hout met een hals, bespannen met zes snaren. Hij bedacht dat als je het geluid elektrisch versterkte, je helemaal geen holle klankkast nodig had. Fender degradeerde de gitaar tot een plank, waarin hier en daar sleuven zaten voor de elektronica. De hals werd met een paar schroeven aan de plank vastgeschroefd en voor de stemmechanieken vond hij een enkele rij wel genoeg. De Fender-gitaar was geboren, het goedkoopste stuk rotzooi uit de gitaargeschiedenis, maar met een unieke vorm en futuristisch geluid. Elke Indo-rocker werd verliefd op de glanzende Fender Stratocaster, een gitaar waarmee je heerlijk kon showen. Indo-rockers, met The Tielman Brothers als trendsetters, waren latere beroemdheden als Jimi Hendrix en Eric Clapton vooruit. Lang voor Jimi Hendrix speelde Andy Tielman al met zijn tanden. Lang voor Eric Clapton vertolkte Andy Tielman al ballads. En Paul McCartney kreeg gitaarles van Andy Tielman in de vieze kleedkamers van het nachtclubcircuit van Duitsland, nog voordat The Beatles waren geboren.
Veel foto’s van gitaarspelende mensen uit de jaren vijftig en zestig verraden aan het kennersoog goedkope klankkasten van triplex, kromgetrokken halzen en snaren die pas werden vervangen wanneer ze braken. De snarenfabricage had nog niet die fijnzinnigheid van nu, je kon ze nog niet in verschillende maten kopen, ze waren stug en door de slechte gitaarhalzen lagen ze vaak hoog boven de toets. Gitaar leren spelen had iets van atletiek, je moest krachtige vingers kweken wilde je ooit in staat zijn een barré-akkoord te pakken, dat wil zeggen met een gestrekte wijsvinger zes snaren tegelijk indrukken. Wie dát kon, wie dát liet zien, was in ieders ogen bijkans virtuoos.
Den Haag Zuid-West, jaren vijftig. Lange lanen, eindeloze portiekwoningen, men plant rijtjes jonge bomen die zielig zijn vergeleken met de rimboe waarover mijn vader spreekt. Hier geen tijgers in de struiken rond onze nieuwbouwwoning, geen krokodillen in de zeven sloten die ons huizenblok van Loosduinen scheiden, zelfs geen vleermuizen die je met een jachtgeweer onder het dak vandaan kunt schieten. Wij kinderen doorkruisen een baksteenjungle, we spelen tikkertje en verstoppertje in de zijstraten. Op de lanen kom je elkaar snel tegen. Hollanders zijn groot en sterk maar niet gevaarlijk, ze kunnen me niet inhalen wanneer ze jacht op me maken. Indo’s zijn vaak kleiner maar gevaarlijk, ze kunnen allemaal vechten. Nog erger is dat ze allemaal gitaarspelen. Er ligt bij hen immer die ene borende vraag op de lippen: ‘Hey, speel jij gitaar?’
