Op gevoel

Op gevoel (slot)

alfred birney Op mijn zevenentwintigste jaar begon ik zelf een lespraktijk als gitaarleraar. Dagelijks scherpte ik mijn techniek met de moeilijkste vingeroefeningen in mijn zucht naar virtuositeit. Ik was in constant gevecht met mijn instrument. ‘Gevoel’ was iets voor idioten, zielenpoten, ordinair volk, Indo’s als mijn vader die alleen maar naar achterlijke Maleise deuntjes konden luisteren. De goden straften mij met een ganglion, een verdikking in de pees van mijn Spartaans getrainde linkerwijsvinger. Vlak voor de operatie bij een plastisch chirurg gooiden de goden er nog een schepje bovenop door mij tijdens een potje sparren op een kungfu-school mijn ringvinger van diezelfde hand te laten breken.

Nooit meer zou ik met die gehandicapte hand op hoog technisch niveau gitaar kunnen spelen. Partituren van klassieke gitaarmuziek en ingewikkelde jazztranscripties konden de vuilnisbak in. Ik moest iets doen, wilde ik niet sterven van verdriet. En ik kwam net als mijn vader achter een ratelende schrijfmachine te zitten.

Lang heeft het geduurd voordat ik weer naar mijn jeugdliefde durfde te luisteren. Het zou uiteindelijk de pure gitaarmuziek worden, muziek die met de gitaar op schoot is geschreven en voor een gitaar is bedoeld. Gitaristische muziek heet dat. Indorock is gitaristisch. Krontjong is gitaristisch. Hawaiian is gitaristisch. Angelsaksische folk en Amerikaanse blues zijn gitaristisch. Flamenco is gitaristisch. Mozart bewerkt voor gitaar is belachelijk. Scott Joplin op gitaar is een belediging voor de piano en mist de dynamiek op de gitaar. Bach op de gitaar is een armoedig aftreksel van de barokluit.

De Indo’s hebben indertijd de gitaar begrepen, onverschillig of het krontjongers waren of Indorockers. Niet door erover na te denken maar door de traditie van de vrije maatvoering te volgen. Die provisorische maatvoering gaat wellicht terug tot de Portugezen, die een eeuw voordat de Hollanders naar de Archipel zeilden daar hun volksinstrumenten en -muziek al hadden geïmporteerd. Luisteren naar de hedendaagse fado is niet moeilijk, pas wanneer je het probeert te spelen voel je dat je met een straffe maatvoering de eerste de beste bocht uitvliegt.

Wat Hollanders op het gebied van de gitaar hebben meegenomen naar de Archipel zou ik niet weten. Denkelijk helemaal niets. Ze verscheepten piano’s, die er een ellendig leven leidden en hooguit de dominantie van het Westen met overdreven pedaalgebruik symboliseerden. In mijn familie werd op de plantages piano gespeeld, mijn grootvader draaide bakelieten grammofoonplaten van westerse opera’s op een slingergrammofoon.

Na jarenlang geen les meer te hebben gegeven, nam ik onlangs mijn laatste gitaarleerling aan: mijn zoon van twaalf. Ik heb hem niet gevraagd waarom hij gitaar wil leren spelen. Zijn moeder is Indo, ik ben het, voor de jongen is er geen ontkomen aan.

Waaraan? Aan de een of andere traditie die je kennelijk via de genen meekrijgt.

Toen ik mijn zoon na enkele lessen overhoorde, merkte ik dat hij niet naar het blad keek op de partiturenstandaard.

`Hey, waarom lees je niet?’ vroeg ik, kribbig in mijn rol van muziekleraar.

‘O, ik speel het op gevoel,’ zei mijn zoon, met dezelfde muzikale intonatie als die oude Indo’s van weleer.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Zoeken

Op gevoel (8) Zoeken

Ik zag nog niets in de Hawaiian-muziek van een grootheid als Sol Hoopii, die traditionele Hawaiian-muziek combineerde met Amerikaanse jazz. Deze virtuoze pionier speelde steelguitar, liet met de gitaar plat op schoot een flessenhals over de snaren glijden en zou later als groot voorbeeld dienen voor meestergitarist Ry Cooder. Volgens mijn vader speelde zijn broer al zo in Soerabaja vóór de oorlog, waar hij ooit de tweede plaats haalde bij een steelguitarwedstrijd.

Ik leerde mezelf mijn gitaar in allerlei alternatieve stemmingen zetten en had niet veel moeite om op die manier te spelen. Maar het verveelde snel. En waar ik mijn hersens over brak en mijn vingers dus nauwelijks aan toekwamen, was de krontjongmuziek, de échte, dus niet de nepzooi van Indo-liedjes gezongen achter de piano. Nee, de muziek van bijvoorbeeld een krontjongoctet, gewapend met gitaren in diverse maten, viool, ukelele en cello. Er stond letterlijk geen maat op, de muziek was onmogelijk in één maatsoort onder te brengen, wendingen waren te onverwacht om met potlood in notenschrift op papier te kunnen zetten. Ik begreep er niets van.

Krontjong luisterde naar andere wetten. Zoals leden van een klassiek westers strijkkwartet bij de uitvoering van, zeg, Mozart, Beethoven of Bartók vooral goed naar elkaar moeten luisteren, moeten die van een krontjongorkest elkaar vooral goed aanvoelen. Een strijkkwartet leest, een krontjongorkest doet dat niet.

Rond mijn vijfentwintigste jaar leerde ik mijn tweede gitaarleraar kennen, toevalligerwijs weer een Indo. Vreemd… als ik in de spiegel keek zag ik nooit een Indo, ik zag mezelf ongekleurd. Maar als ik bij mijn leraar binnenstapte voor mijn wekelijkse klassieke gitaarles, dan zag ik een Indo en verwonderde ik me over zijn muziekkeuze. Al die gitaarmuziek van Fernando Sor, Augusto Barrios en Abel Carlevaro detoneerde met zijn gestalte van een forse, ongepolijste Indo van Borneo. Verborg hij misschien iets?

Ja. Naast zijn baan als gitaarleraar aan het conservatorium van Den Haag en op de Stedelijke Muziekschool van Delft leefde hij zich uit op de saxofoon. In de weekends speelde hij in een latin-orkest, tussen de Hollanders en Antillianen. In die hoedanigheid heb ik hem nooit zien spelen, zoals ik mijn vader nooit heb zien luisteren naar zijn krontjong. Want zodra ik de huiskamer binnenkwam, zette mijn vader zijn krontjong- of Hawaiian-muziek af en legde een grammofoonplaat van The Rolling Stones op de draaitafel. Je kunt niet al je muziek delen met anderen. Zeker niet als het een opera van herinneringen in je wakker roept.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Noten lezen geen verraad meer

Op gevoel (7) Noten lezen geen verraad meer

notenschrift Vraag een bejaarde Indo hoe hij speelt en het klassieke antwoord luidt: ‘Op gevoel. Je moet spelen op gevoel.’ Vraag hem welke akkoorden hij pakt en hij zal zeggen: ‘Ik weet niet, als maar klinkt ja…’

Davey was in die tijd ook zo. Als ik met potlood en kladblok in de hand aan hem vroeg een akkoordenschema te dicteren, dan zei hij dat hij ook niet precies wist hoe al die akkoorden heetten. Zo liet hij mij gefrustreerd achter. Was ik niet muzikaal genoeg om zomaar voor de vuist weg te spelen of miste ik een basis? De directie van het tehuis wees een verzoek van mij om op gitaarles te mogen van de hand: ‘Komt toch niks van terecht.’

Er woedde een levendige ruilhandel in liedjes met akkoordenschema’s op school. Het waren liedjes uit de hitparade, nu en dan iets van een Indo-zangeres of een band waarin de een of andere verdwaalde Indo speelde. Als het zo was dat de Indo’s de gitaarmuziek populair maakten in de jaren vijftig, dan waren ook zij het die als eersten de slag misten naar een commerciële carrière. Indo’s waren – zo zou ik later leren – feitelijk de échte muzikanten, die alleen aan spelen denken en al het overige aan anderen overlaten. The Tielman Brothers vonden hun optredens in Duitsland belangrijker dan een commercieel circus in Amerika rond de gitaren van meneer Fender. Hollanders waren anders, die leken in plaats van plectrums guldens te hanteren bij het aanslaan van de snaren.

Hollandse muzikanten zouden ook nooit zeggen dat ze bij god niet wisten wat voor akkoorden zij speelden. Zij wisten het. Net als mijn grootvader van moederskant, een Brabantse schoenmaker die in zijn vrije tijd feestjes opluisterde met zijn orkestje. Hij speelde viool en accordeon en kon noten lezen.

‘Echt waar, mam? Kon hij noten lezen?’

‘Ja, natuurlijk kon hij noten lezen!’

Ik raakte in een muzikaal gewetensconflict. Moest ik nou de Indo gaan uithangen die nonchalant zei dat hij ‘op gevoel’ speelde, of moest mijn imago dat van de noten lezende muzikant worden?

De grote broer van Davey zou als voorbeeld gaan dienen. Hij speelde Bach op de gitaar en bezocht het conservatorium in Den Haag. Ik nam les bij hem en schiep er genoegen in dat geheimschrift van vlaggetjes, stokken, punten, herstellingstekens, kruizen en mollen te leren doorgronden. Maar ik hield het niet lang vol: de folkmuziek van Britse gitaristen klopte aan de deur en wist een restje Schotse genen in mijn lijf heftig in beroering te brengen.

Terug in Den Haag maakte ik Amerikaanse vrienden, bezocht met hen folkcafé na folkcafé en zag er onooglijke muzikanten zonder enig sex-appeal prachtig spelen op hun gitaren. Zonder plectrum lieten ze de bassen dansen en de hoge snaren twinkelen. Ze bezongen de liefde uit vervlogen tijden, flink geworteld in hun cultuur, de voeten lekker diep in de modder, en ze begrepen er niets van dat ik als ‘Dutchman’ geen enkel maar dan ook geen enkel Hollands lied ten gehore kon brengen.

Oh well…

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Vier, vijf snaren

Op gevoel (6) Vier, vijf snaren

davey Mijn vader was geen gitarist, mijn vader was een drummer, zijn muziek een ritmisch gehamer tegen de papierrol van zijn Remington-schrijfmachine. Bezongen werd de oorlog op Java, tot in detail beschreven. Zijn paranoia nam groteske vormen aan, er viel niet langer met hem samen te leven, de kinderbescherming haalde mij en mijn broertjes en zusjes weg en we zagen hem nog maar om de paar weken op de zondagmiddag tijdens het bezoekuur in een Voorschotens tehuis waar wij waren ondergebracht. De overige zondagmiddagen waren voor onze Brabantse moeder, die in haar vroegste huwelijksjaren als ‘hoer van een Indischman’ was nageroepen wanneer zij met ons over straat ging, en nooit meer over die schaamte heen zou komen.

Op mijn vijftiende verjaardag zag ik mijn vader het hek komen binnenwandelen met een kartonnen gitaardoos onder zijn arm. Het instrument was rood gespoten met een zwarte rand. De hoogste snaar knapte al in de eerste week en ik moest wekenlang sparen voor ik een reservesnaar bij een achterafzaak in een regenachtig straatje in Leiden kon kopen.

Ik was verplicht mijn gitaar aan de muur boven mijn bed in de slaapzaal te hangen, wilde het instrument niet steeds door de barbaarse tengels van mijn groepsgenoten in de dagzaal gaan. Gitaren horen niet aan de muur, ze verwelken, drogen uit, ze lijken op castraten wie de tong is uitgerukt. Maar de huisregels waren zó streng dat ik niet dagelijks op mijn jeugddroom kon spelen.

Op een dag kregen wij bezoek van Davey, een jongen uit het dorp, een Indo met lange haren, een gerafelde spijkerbroek en een spijkerjack waarop een Engelse vlag was genaaid. Zijn bezoek was bijzonder. Ten eerste kwamen er nauwelijks jongens of meisjes uit het dorp naar ons tehuis, omdat veel ouders dachten dat wij er zaten omdat we niet deugden. Ten tweede speelde Davey buitengewoon goed gitaar, zo goed dat zelfs de leiding van het tehuis naar zijn gitaarspel kwam luisteren.

Davey zong ook. Hij kende complete teksten van Bob Dylan van buiten, speelde de liedjes van The Beatles beter dan zijzelf en haalde zelfs muziek uit mijn gitaar als er twee snaren waren gesprongen. Was hij langs geweest, dan klonk mijn gitaar als een harp. Davey was mijn held, hij was groter dan welke popster ter wereld ook.

Toen ik hem vroeg hoe hij op vier snaren kon spelen, zei hij dat het een kwestie van stemming was. Hij draaide wat aan de stemmechanieken en zette de gitaar in een krontjong- of Hawaiian-stemming.

‘Je weet toch wel wat krontjong is, hè?’ vroeg hij me met een lachje, guitig, omdat die muziek allang uit de mode was.

Ik vroeg hem of hij Indorock kon spelen.

‘Ja,’ zei hij, ‘die spelen zó… Maar wij, wij spelen tegenwoordig zó…’

Wie waren ‘wij’? Bedoelde hij onze hele generatie of de tweede generatie Indo’s?

Er was geen tijd voor zulke vragen. Davey communiceerde bij voorkeur via de gitaar. Hij was pas vijftien toen zijn band een plaat opnam en de plaatselijke kranten haalde. Maar zijn band, met twee Indo’s en twee Hollanders, redde het niet tegen de overmacht van Haagse bands als The Golden Earrings, Shocking Blue, Q 65, The Motions of zelfs maar The Incrowd.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

De gitaarrevolutie

Op gevoel (5) De gitaarrevolutie

fender stratocaster In Amerika woonde een man die de achternaam Fender droeg. Ook hij keek naar gitaren, maar met een revolutionair oog en zag uiteindelijk niet meer dan een stuk hout met een hals, bespannen met zes snaren. Hij bedacht dat als je het geluid elektrisch versterkte, je helemaal geen holle klankkast nodig had. Fender degradeerde de gitaar tot een plank, waarin hier en daar sleuven zaten voor de elektronica. De hals werd met een paar schroeven aan de plank vastgeschroefd en voor de stemmechanieken vond hij een enkele rij wel genoeg. De Fender-gitaar was geboren, het goedkoopste stuk rotzooi uit de gitaargeschiedenis, maar met een unieke vorm en futuristisch geluid. Elke Indo-rocker werd verliefd op de glanzende Fender Stratocaster, een gitaar waarmee je heerlijk kon showen. Indo-rockers, met The Tielman Brothers als trendsetters, waren latere beroemdheden als Jimi Hendrix en Eric Clapton vooruit. Lang voor Jimi Hendrix speelde Andy Tielman al met zijn tanden. Lang voor Eric Clapton vertolkte Andy Tielman al ballads. En Paul McCartney kreeg gitaarles van Andy Tielman in de vieze kleedkamers van het nachtclubcircuit van Duitsland, nog voordat The Beatles waren geboren.

De Tien Geboden der Muziek werden compleet ondersteboven gehaald. Gebod nr 1 werd: Een gitaar moet glanzen. Gebod nr 2: Een band moet sex-appeal hebben. Gebod nr 3: Ongeacht de moeilijkheidsgraad van het repertoire moet een band voortdurend in beweging zijn op het podium.

Voor roem kenden Indo’s stellig geen gebod. Roem veronderstelt een mentaliteit.

The Tielman Brothers kregen een lucratief contract van de Fender Company aangeboden om reclame voor die ‘planken’ te maken. Maar ja, een Indo was een Indo en morgen was er weer een dag. The Tielman Brothers speelden al in Duitsland, Nederland was veel te klein voor ze en Amerika kon nog wel even wachten. Maar Amerika wachtte niet. The Tielman Brothers hadden net zo beroemd kunnen worden als de Fender-gitaar en misten de grootste kans uit de geschiedenis van de Indorock.

De rest van de wereld zat niet stil. Engelse en Amerikaanse bands bespeelden ook die Fender-planken, maar anders. Hoe? Het verschil lag in timing. Indo-muzikanten speelden nooit op de tel, ze dansten rond het strakke stramien van de vierkwartsmaat, zo verschillend van die Engelsen en Amerikanen, die met strak spel de wereld zouden gaan veroveren.

Indo-muzikanten die met hun Hawaiian-muziek nergens in Nederland meer terechtkonden, althans niet op de grote podia, probeerden hun geluk in Amerika. Tevergeefs. Hawaiian-muziek had afgedaan. Krontjong was in Indonesië achtergebleven. Indo’s wilden dat niet weten, maar het was een feit. Welke Hollander luisterde trouwens naar zoiets als krontjong?

Indo-muzikanten raakten meer en meer aangewezen op de Indische podia, de Indische feestjes doorheen het land, de Pasar Malam in Den Haag voorop. Marginaal werd hun rol, maar minder puristische Indo’s sloten zich aan bij Hollandse bands. En andersom: Hollandse jongens kwamen in Indo-bands spelen. Een mooi symbool voor het einde van de beruchte raciale vechtpartijen, waarachter vaak jaloezie speelde van Hollandse jongens om het geflirt van hun meisjes met Indo’s.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Wat voor gitaar heb je?

Op gevoel (4) Wat voor gitaar heb je?

radio Veel foto’s van gitaarspelende mensen uit de jaren vijftig en zestig verraden aan het kennersoog goedkope klankkasten van triplex, kromgetrokken halzen en snaren die pas werden vervangen wanneer ze braken. De snarenfabricage had nog niet die fijnzinnigheid van nu, je kon ze nog niet in verschillende maten kopen, ze waren stug en door de slechte gitaarhalzen lagen ze vaak hoog boven de toets. Gitaar leren spelen had iets van atletiek, je moest krachtige vingers kweken wilde je ooit in staat zijn een barré-akkoord te pakken, dat wil zeggen met een gestrekte wijsvinger zes snaren tegelijk indrukken. Wie dát kon, wie dát liet zien, was in ieders ogen bijkans virtuoos.

Gitaren hingen tuttig met een koord rond iemands nek, soms gewoon met een stuk padvinderstouw, die striemen achterliet in de hals van de gitarist. Amateurisme lees je af aan hoe de vingers van de rechterhand over de kast werden gelegd, soms met de vingertoppen rond de zijkant gekromd. Toch klonk de muziek goed, als mijn herinnering me niet bedriegt.

De zelfbewuste gitarist liet zijn gitaar klinken vanuit elke houding, bij voorkeur nonchalant met een blasé smoelwerk achteroverhangend in een luie stoel. Dat waren de vingervlugge jongens naar wie je bijna niet durfde te kijken, zó goed speelden ze vergeleken met al die andere Indo’s, die zonder uitzondering gitaar speelden of voordeden dat ze het konden.

Waar mijn broertje en ik op letten wanneer we een foto zagen van een Indo met gitaar: speelt hij de akkoorden alleen bovenaan bij de kop van de gitaar of laat hij zijn vingers ook in de hoogste regionen dicht bij de klankkast jongleren? Dat laatste was toen een teken van virtuositeit. Wanneer Indo’s met de gitaar op de foto gingen, zorgden de showbinken ervoor dat ze hun vingers hoog onderin lieten dansen, een beetje wegkijkend van de camera, de gedachten elders om elke schijn te mijden dat hier werd geposeerd.

De besten speelden jazz. Die grepen akkoorden die vreemd waren en duister klonken. Dat deden de oudere Indo’s, die zich het liefst stilletjes in een achterkamer met alleen hun gitaar terugtrokken.

De radio liet op de zondagochtenden dixieland uit de polder horen. Het was moeilijk een buitenlandse zender te vinden waarop je de gitaar in haar volle glorie kon horen. Mijn vader klaagde erover. Hij sprak niet alleen van krontjong, maar bovenal van Hawaiian-muziek. Ze schenen ook in Den Haag te zitten, een paar van die Hawaiian-orkestjes, waarin vaak vrouwen een vooraanstaande rol opeisten, de gitaar plat op schoot, de snaren beroerend met een lipstickkoker als ze geen flessenhals of metalen bar hadden. Ik kreeg ze nooit live te zien, maar wanneer ik eens een Hawaiian-nummer op de radio hoorde, viel mijn mond open om al het moois dat je met een gitaar kon doen.

Terwijl vriendjes en kennissen in gevecht waren met hun instrumenten, toonde mijn vader weinig oog voor hun geploeter. Hij had een gitaar en droomde van Amerika. Ik had een speelgoedauto met een afgebroken wiel en droomde van een gitaar.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Hey, speel jij gitaar?

Op gevoel (3) Hey, speel jij gitaar?

melis stokelaan 1951 Den Haag Zuid-West, jaren vijftig. Lange lanen, eindeloze portiekwoningen, men plant rijtjes jonge bomen die zielig zijn vergeleken met de rimboe waarover mijn vader spreekt. Hier geen tijgers in de struiken rond onze nieuwbouwwoning, geen krokodillen in de zeven sloten die ons huizenblok van Loosduinen scheiden, zelfs geen vleermuizen die je met een jachtgeweer onder het dak vandaan kunt schieten. Wij kinderen doorkruisen een baksteenjungle, we spelen tikkertje en verstoppertje in de zijstraten. Op de lanen kom je elkaar snel tegen. Hollanders zijn groot en sterk maar niet gevaarlijk, ze kunnen me niet inhalen wanneer ze jacht op me maken. Indo’s zijn vaak kleiner maar gevaarlijk, ze kunnen allemaal vechten. Nog erger is dat ze allemaal gitaarspelen. Er ligt bij hen immer die ene borende vraag op de lippen: ‘Hey, speel jij gitaar?’

De een of andere vreemde Indo uit een zijstraat monstert me nadat hij mij de gevreesde vraag heeft gesteld.

‘Tuurlijk,’ antwoord ik.

Hij kijkt onderzoekend naar mijn vingers. ‘Hoeveel liedjes kun jij al spelen? Speel jij Hello Mary Lou?’

‘Nee, nog niet.’

‘Je moet spelen A D E. Weet je?’

‘Ja.’

‘Maar mijn oom, hij speelt C F G, dat is moeilijk, met barré. Hij zit in een band. Zeg, zit jouw vader in een band?’

‘Nee, hij speelt alleen.’

‘Waarom alleen? Zeg, ik woon in de Zwartsluisstraat, kom langs op woensdagmiddag en neem je gitaar mee, ja? Nummer 9.’

Hij wandelt rustig verder, ik kijk hem na, ik zie aan zijn houding dat hij echt gitaar kan spelen. Dát moet mijn lichaam ook gaan zeggen, zó moet ik voortaan over straat lopen.

Eerst snel naar huis rennen, waar mijn moeder opendoet en me toesnauwt dat ik buiten hoor te spelen met dat mooie weer. Ik verzin een smoes, wacht mijn kans af en sluip de verboden slaapkamer in. Ik onderzoek de toets met de positiestippen op de hals van de gitaar en vraag me af hoe lang het zou duren voordat je die snaren ingedrukt kunt houden zonder pijn te krijgen aan je vingertoppen.

‘Ga weg bij die gitaar! Die vader van je vermoordt je nog!’

De Zwartsluisstraat… Die moet ik mijden. Straks roept die Indo me nog naar binnen. Ik moet elke Indo mijden totdat ik op zijn minst Hello Mary Lou kan spelen.

Geen ontsnapping mogelijk. Op een zondagmiddag neemt mijn vader me mee naar ‘Indische kennissen’ aan de Erasmusweg. Het huis ruikt naar gebakken tahoe en ikan teri, de speelkaarten op de salontafel zijn vet. Ik denk dat ik geluk heb wanneer mijn vader me naar de slaapkamer stuurt, naar de kinderen van de familie. Ze zitten er bijeengehokt op een stapelbed. Een van hen heeft een gitaar op schoot. Een lied komt driestemmig uit hun monden en ik kijk steels naar de vingers van het meisje dat de troep begeleidt.

Na het slotakkoord reikt het meisje mij haar gitaar aan: ‘Nu jij.’

Ik grijns en maak een verontschuldigend, afwerend gebaar.

Iemand roept: ‘Wah! Hij kèn niet!’

‘Hij ken wel,’ zegt het meisje, ‘elke Indo ken. Itoe maloe, hij is verlegen.’

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Verplicht meubelstuk

Transportschip de Groote Beer, die mijn vader naar Nederland bracht.

groote beer schip

Op gevoel (2) Verplicht meubelstuk

Er zat geen gitaar in mijn vaders hutkoffer op zijn bootreis van Java naar Holland in 1950. Zo snel mogelijk na aankomst schafte hij een goedkoop ding van triplex aan, in mijn ogen een pronkjuweel, en hing het aan de muur. Mijn vader speelde niet veel. Ik herinner me maar één avond waarop ik met mijn broertjes en zusjes rond hem op bed zat om te zingen van de stencils die hij in een strenge ordner bewaarde.

Hij speelde niets uit het volksrepertoire van zijn moederland. Terang Bulan. Nina Bobo. Bengawan Solo. Niets van dat. Zijn favoriete liedjes kwamen van Jim Reeves, een Amerikaanse zanger die in de jaren vijftig populair was onder Indo’s, vanwege zijn zoetheid en weemoed. Verder ordinaire Amerikaanse liedjes, die hij ongetwijfeld van zijn geallieerde makkers moest hebben geleerd, zoals South of the Border, waarin de bezongen liefde in Mexico woont. Mexico! Mijn vader koesterde The American Dream, maar zijn hart ging uit naar Mexico, misschien omdat hij dacht dat hij daar als Indo minder zou opvallen.

Met zijn verleden op Java, zijn struggle in Holland en zijn droom in Mexico moest hij toch een sterk motief hebben om gitaar te spelen? Maar ik hoorde vaker geratel van de hamertjes uit zijn schrijfmachine komen dan muziek uit het klankgat van zijn gitaar.

Misschien speelde hij wel stilletjes, zodat we het niet hoorden. Soms zag ik dat zijn gitaar van de muur was gehaald en dus ergens in de slaapkamer moest staan. Het was verboden zijn gitaar aan te raken. Ze was nauwelijks een instrument, eerder een meubelstuk en ze kreeg die behandeling ook: regelmatig werd ze in de teakolie gezet, nogal fnuikend voor de hals, die door het vocht krom ging trekken.

Als ik eens het streng verboden gebied van mijn ouders slaapkamer betrad, viel ik op mijn knieën voor het instrument, pakte voorzichtig de hals vast zodat de gitaar niet om zou vallen en liet mijn duim zachtjes langs de snaren gaan. Die vreemde moderne gitaarstemming was betoverend en angstaanjagend tegelijk. E A D G B E… díe stemming, zo anders dan de harmonieuze krontjong- of Hawaiian-stemmingen. De klank van die open snaren roept zelfs nu nog de herinnering in mij op aan de oorlogsboeken die rond het bed van mijn ouders lagen opgestapeld, en aan die koude mariniersdolk onder zijn hoofdkussen voor als de een of andere Indonesische vrijheidsstrijder ’s nachts uit de lucht kwam vallen om hem de strot door te snijden om wat hij had gedaan, dáár, ooit, op Java.

De gitaar was een verplicht meubelstuk, omdat elke Indo nu eenmaal zo’n ding moest hebben. Dat wist ik toen niet. Ik verlangde naar de muziek uit het klankgat, als zalving voor de bloederige oorlogsverhalen die mijn nimmer zwijgende vader avond aan avond door de huiskamer liet galmen. Waarom hield die man nooit eens op met zijn slachtoffers te tellen? Waarom zweeg hij niet en speelde hij niet gewoon gitaar, zoals zijn vrienden deden? Waarom beantwoordde hij niet gewoon aan het cliché van de Indo?

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Een gitaar gesneuveld

Mijn vader A. Birnie/Birney links op de foto, zonder gitaar +/- 1948

birney links anno 1948

Op gevoel (1) Een gitaar gesneuveld

Als jongeman zag mijn vader in Soerabaja de Vliegende Sigaren van de Japanse luchtmacht zijn ouderlijk huis aan puin bombarderen, hij zag Japanse soldaten burgers onthoofden, hij werd gemarteld wegens sabotage in dienst van het zogenoemde Vernielingskorps en in een ijzeren kist onder de brandende zon te smoren gelegd, hij zag Japanse soldaten Australische krijgsgevangenen in open bamboekisten aan de haaien voeren, hij zag Punjabi-soldaten in Engelse dienst Japanse soldaten besluipen en ze de strot doorsnijden, hij hoorde over de dood van een neef aan de Birma-spoorlijn, hij hoorde hoe zijn lievelingsoom door Japanse soldaten was doodgemarteld op het landgoed van zijn vaders familie, hij verraadde de Japanse vriend van zijn zuster, die als animeermeisje aan de kost kwam, hij wees de geallieerden de weg in de hitte van de Javaanse Oosthoek, waar opstandige Indonesiërs ondersteboven hangend aan de enkels werden verhoord terwijl hij optrad als tolk en de schrijfmachine hanteerde, hij hielp de geallieerden met het platbranden van desa’s, hij zag brandende opstandige jongelingen schreeuwend van de pijn hun eenvoudige huisjes uit rennen en overhoop geschoten worden, hij leerde schieten en doorzeefde op een treinstation een vrouw en zuigeling, achter wie een Javaanse vrijheidsstrijder zich had verscholen, hij kreeg als hoofd van de afdeling Verhoor van Gevangenen in Djember de hardnekkigste zwijgers aan het praten, hij reed met een pantserwagen op een landmijn en stortte tachtig meter een ravijn in, hij kreeg het bevel van een Hollandse adjudant om het transport te begeleiden van 100 gevangenen van de stadsgevangenis van Djember naar het station Wonokromo en mocht aan het einde van de veertien uur durende rit 46 lijken van gestikte mensen uit de goederentrein slepen, hij vond een Indo-vriend terug die zichzelf voor zijn kop had geschoten nadat hij had ontdekt dat zijn meisje met een Hollandse soldaat het bed had gedeeld, hij maakte tijdens de Bersiap-tijd jongens af met wie hij nog een appeltje te schillen had, maar het ergst van alles vond hij dat tijdens de Eerste Politionele Actie de hals van zijn gitaar brak.

Het gebeurde tijdens het passeren van twee elkaar tegemoetkomende convooien. Iemand hield de loop van zijn mitrailleur niet binnenboord en hij de hals van zijn gitaar niet. De mitrailleur was van onbekende makelij, de gitaar een originele Amerikaanse Gibson, de droom van elke Indo, een instrument waar alle grootheden op speelden, een juweel waarvoor je zelfs het mooiste meisje uit de stad zou inruilen.

De gitaar had hem en zijn kornuiten vergezeld en zo lang zij leefde, leek de oorlog op een gezellig schoolreisje: beetje rondlopen, beetje keten, beetje kanen, lekker krontjongen in de desa en gluren naar de vrouwen die zich wassen in de rivier, al die schelmenverhalen die ik als kleine jongen avond na avond van hem moest aanhoren. Maar als die gitaar nou niet was gesneuveld, had ze dan mensenlevens kunnen sparen?

Ik bedoel: je verhoort een gevangene en je ziet hem aldoor gluren naar je gitaar. Dan vraag je hem wat te spelen en hij speelt de sterren van de hemel. Martel je zo’n jongen dan nog het leven uit?

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Zingende gitaar

Hier een tegenstem in die menigte van gitaristen die zoveel mogelijk noten per minuut willen spelen. Jeff Beck laat zijn gitaar zingen in deze ode aan Paverotti. Hij heeft geen plectrum nodig, zelf zijn stembanden niet. En zo moet er ook geschreven worden. (Duras, Modiano, Armando…)