Een duizelingwekkend gesprek

tekening van kafka Ik had vier dagen geleden een interviewer over de vloer die me met het stellen van enkele simpele vragen dwong af te dalen in gebieden van mijn herinnering waar ik liever niet meer kwam. De interviewer had een duik in mijn hele oeuvre genomen en er de belangrijkste persoonlijke motieven uit gehaald. Ik ben een schrijver die die motieven in dienst van zijn boeken stelt en het liefst met distantie over zijn romanhelden praat. Ditmaal had ik geen verweer en er ontspon zich een uiterst persoonlijk gesprek. Ik verbaasde me over wat er allemaal bij me naar boven kwam en op het moment van dit schrijven verbaas ik me zelfs over wat ik allemaal al geschreven heb.

Het gesprek met de interviewer, die me een “getormenteerd schrijver” noemde, duurde uren. Later bedacht ik dat het wellicht mijn leerzaamste gesprek ooit was met welke journalist dan ook. Ik moest veel aan Kafka denken, ooit een van mijn grote inspirators. Kijk eens naar zijn tekening…

Maar de volgende dag duizelde het letterlijk in mijn hoofd. Ik zeg: letterlijk. Een dag later had ik nog steeds last van duizelingen. Ik ben het internet gaan afzoeken naar oorzaken van duizelingen. Gewapend met een lijstje van aandoeningen bezocht ik mijn huisarts. Mijn bloeddruk was perfect. Met een paar simpele bewegingen probeerde ik de duizeligheid weer op te wekken, maar er gebeurde niets.

Ik vertelde mijn huisarts over het interview. Hij zei dat duizelingwekkende gesprekken bestaan. En hij feliciteerde me met deze les.

Morgen komt een volgende journalist langs, maar alleen om over rivieren te praten… Rivier de Lossie, Rivier de IJssel, Rivier de Brantas. Intussen dient zich een duizelingwekkend aantal verhalen aan die ik nog vertellen moet.

Ook vertalers begrijpen niet alles

hoofdkussenboek Dat ook vertalers niet alles begrijpen wat ze lezen, blijkt wel uit een voetnoot van Ivan Morris, die Het hoofdkussenboek van Sei Shōnagon uit het Japans naar het Engels vertaalde. De Nederlandse vertaling is helaas een vertaling uit het Engels. Men kan de Japanse schrijfster van duizend jaar terug niet minder onrecht doen dan haar werk op zo’n manier te laten verkrachten. Er zullen ongetwijfeld veel nuances uit de oorspronkelijke tekst verloren zijn gegaan, maar er is nog altijd genoeg over om van te genieten. Ik herlees het boek meestal in de zomermaanden, in de zon op mijn balkon, wanneer er tenminste geen knalharde muziek van buren door de straat galmt. (Wanneer richt men eens een audiopolitie op, die zulke lawaaischoppers hun apparaat afnemen na één of twee waarschuwingen? Ik dacht dat in Amsterdam al zoiets bestond, maar zeker weten doe ik dat niet.) Sei Shōnagon schrijft in haar 31e notitie dat in de zevende maand er vaak een harde wind staat en er zware stortbuien vallen. Quote: Als het zulk weer is, knap ik graag een uiltje nadat ik me heb toegedekt met kleren die vagelijk naar zweet ruiken. De vertaler laat in een voetnoot weten dat hij dat een merkwaardige opmerking vindt in het licht van Shōnagons gewoonlijke kieskeurigheid. Een logische verklaring is volgens hem niet voorhanden. Begrijpt hij dan niet dat tijdens zulke weersomstandigheden het moeilijker is voor minnaars om langs te komen en dat Sei Shōnagon zich daarom troost met de herinnering die in haar kleding is gaan zitten?

Waar blijft de herfst?

hat logo meneer b Nou had ik vandaag mijn derdewereldcamera mee willen nemen toen ik op de fiets stapte, maar er speelde kennelijk te veel door mijn hoofd. Ik kan niet zeggen wat er allemaal speelde, het zal deels zeer interessant zijn geweest en deels volstrekt oninteressant. Kortom: zoals de dag was. Weinig wind, geen onaangename temperatuur, het verkeer rustig, om niet te zeggen beleefd, de automobilisten bijna bespottelijk hoffelijk. In de duinen zocht ik op een zeker punt naar een eekhoorn, die ik eerder in het voorjaar zag. Ik verwachtte niet dat het jonge knaagdier er nog zou rondhangen, de herinnering stuurde eenvoudig mijn verwachting, enfin, dat snapt u natuurlijk wel, u weet toch hoe het leven is, niet? Ik kan niet zeggen dat ik bijzonder veel zin had in fietsen, weinig zin had ik er ook niet in. Ik voelde me goed noch slecht, een bijzonderheid voor een luimig persoon als ik. Toen ik het geasfalteerde duin van de Scheveningseslag opreed, bedacht ik pas dat ik mijn derdewereldcamera niet bij me had (2.0 mega pixels, gekocht in Solo op Java, drie jaar terug toen daar al gadgets freaks al over 8.0 mega pixels repten.) De camera bleek uiteindelijk niet nodig. Van het beeld dat ik gisteren zag, was weinig over. Niks geen troosteloze afbraak van strandtenten, tractorsporen, anderhalve hond met eenzame wandelaar op het strand. Hier en daar wel wat kaalslag, maar nog altijd te veel van die afschuwelijke strandtenten die je een vrij zicht op zee belemmeren. Waar blijft de herfst?

Apocalyps volgens Cormac McCarthy

logo alfred birney Als iemand mij vraagt of ik die en die schrijver al eens heb gelezen, dan begin ik meestal te gapen. Veel verder dan bladzijde 10 kom ik toch niet. Herlezen doe ik wel, om nog eens te kijken hoe de meesters en meesteressen het deden. En anders een boek van de plank koloniale en postkoloniale literatuur pakken, als studieobject. Laatst zat een dame naast me aan een diner, die de naam van een schrijver in de mond nam die ze drie keer voor me moest spellen. Het was een Amerikaan, dat beviel me al niet. De dame kon me ook niet uitleggen wat er nou zo goed was aan die schrijver. Dat beviel me weer wel. Ze had eerder namen laten vallen die me bevielen, dus ik vroeg haar of ze me de naam van de schrijver wilde mailen. Ik vergeet namelijk snel namen. De mail kwam: Cormac McCarthy. Ik surfde naar een online bookstore en bestelde maar meteen zijn laatste roman. Ik verveelde me toch al zo achter die eeuwige computer, het werd weer eens tijd om een boek te lezen. Het boek heet De weg (2007) en is een, denkelijk wat rammelende, vertaling van The Road (2006). Maar je stapt een wereld binnen die jou niet meer loslaat, nooit meer. Een wereld die vrijwel is verwoest, waar de zon niet meer schijnt, het ellendig koud is en de dagen hooguit enkele uren duren. Een man van een jaar of veertig trekt met zijn ongeveer tienjarig zoontje langs verlaten wegen. Hun core bizz: eten zoeken. Soms komen er desolate figuren voorbij, of menseneters tegen wie de man zijn zoontje beschermt. Hij bewaart de laatste kogel in zijn pistool voor zijn zoontje, dat hij heeft uitgelegd hoe je voor je kop te schieten. De man heeft zijn verleden in een wereld zoals wij die kennen, zijn zoontje kent alleen de vergane wereld. Ik kan me geen hopelozer roman herinneren, en tegelijk geen boek zo vol van liefde tussen een vader een zoon. Ik kan me ook niet herinneren dat ik nog dagenlang wakker ben geworden met de herinnering aan een boek. Het boek herinnert ons, zoals iemand in The Guardian schrijft aan wat wij mensen te verliezen hebben. Dat is veel, heel veel, onnoemelijk veel. Als je wilt weten wát, lees dit boek dan. Elke schrijver die dit leest zal jaloers zijn op het idee. Hoed af voor de uitwerking ervan.

Indisch Den Haag

In de vijfde aflevering van de serie Plekken van Herinnering gaat stadshistoricus Wim Willems op zoek naar sporen van Oost-Indie in Den Haag. Hij start bij het voormalig werkhuis van Tjalie Robinson, de oprichter van de tegenwoordige Pasar Malam Besar, die volgend jaar haar 50-jarig bestaan zal vieren. In deze uitzending praat Wim Willems met Tjalie Robinsons kleindochter Siem Boon over de Indische cultuur, haar grootvader Tjalie en de geschiedenis van het festival. Er worden unieke beelden getoond van Tjalie Robinson uit de privé collectie van Siem Boon. In het tweede gedeelte van de uitzending bezoekt Wim Willems de roemruchte Haagse Toko Toet aan de Haagse Beeklaan. Hier komen regelmatig Indische Hagenaars langs om de kruiden en geuren uit hun vaderland te proeven. Wim Willems ontmoet er de schrijver Alfred Birney. Onder het genot van de Indische maaltijd gaat hun gesprek o.a. over Indo-rock, Indisch eten en thema’s uit de Indische literatuur. Spectaculaire beelden van de vooruitstrevende Tielman Brothers verlevendigen dit deel.

(Vrij naar de omroepgegevens van TV West.)

SMS-terreur

hat logo meneer b Mijn voornaam begint met de letter A, mijn tweede naam overigens ook, en daardoor sta ik in nogal wat mobiele telefoons op nummer 1. Nou kent iedereen natuurlijk wel het geluid van een mobieltje in een broekzak of damestasje van een voortstappend persoon. Maar complete tafelgesprekken, die je geheimen vertellen waarmee je een chantagebureau zou kunnen oprichten, komen toch relatief vaker mijn kant op. Helaas ben ik een fatsoenlijk mens, beschaafd achter een somtijds wat branieachtige façade, fijngevoelig achter een gevloek en getier waarvoor zelfs pitbull terriërs op de vlucht slaan. En daarom heb ik een valluik in mijn herinnering: zaken die mij niet aangaan verdwijnen daarin, om nooit meer boven te komen. Hoewel… de geluiden van een aarzelend stel dat vreemdgaat en uitvindt dat het met je eigen partner toch nog altijd makkelijk gaat, kunnen amusant zijn. Huiselijke ruzies zijn treurig. Ik heb het geluk dat ik mijn naam nooit heb horen vallen tijdens tafelgesprekken vol roddel en vuilspuiterij en ook niet het gehijg heb hoeven aanhoren van een ontrouwe ex, want dan, lijkt mij, ga je, om zo te zeggen, toch door de grond, niet? Ik zag ooit een Italiaanse speelfilm (die toen in de mode waren, jaren zeventig, tachtig), waarin iemand ziet hoe zijn geliefde hem bedriegt. Hij sterft bijkans van ellende. De mensen in de bioscoop schaterden om zijn eenzaamheid en dat was voor mij het sein om die hel te verlaten en buiten een sigaretje op te steken. Bij zulk triviaal volk wil ik niet horen. Maar ik dwaal af. Wie nog even verder leest zal begrijpen waarom. Weet je wat het ergste is dat een A. per mobiele telefoon kan overkomen? Het allerergste? Een bombardement van sms-jes terwijl je nog ligt te maffen! Het was vanmorgen niet te eerste keer en het zal ook zeker niet de laatste keer zijn. Gelukkig was het een VIP, die ik toevallig juist nodig had. Dat ik de rest van de dag in sufheid door moet brengen zij de persoon vergeven. Per slot is het zomers, een augustusdag in april.

Then he was a she

hat logo meneer b Then she was a he is een omkering van het zinnetje Then he was a she, uit dat obscure nummer van Lou Reed, getiteld: Take a walk on the wild side. Dit voor wie de speelse verwijzing van de titel van mijn vorige log niet helemaal begreep. Het nummer (waarin travestie voorkomt, geen transseksualiteit) brengt me nare herinneringen aan een tijd waarin ik met veel te veel mensen een verwaarloosd herenhuis bewoonde, veel te veel voor mijn kamer betaalde en er veel te veel ellende had van mijn benedenburen. De politie verdacht hen van het handelen in drugs en kwam zo eens per week het herenhuis binnenvallen. Het pand werd aan ons onderverhuurd door een alcoholist die als stroman door een makelaar in vastgoed werd gebruikt, een boef die de grond wilde verkopen aan een of andere projectontwikkelaar van Jupiter of Mars. Jaren zeventig, de man was zijn tijd vooruit. Wanneer de politie huiszoeking kwam verrichten, kreeg ook ik bezoek en werd mijn kamer overhoop gehaald. Mijn benedenburen juichten altijd weer zodra de politie weg was. Dan werd Lou Reed gedraaid. Toch had hij één nummer dat ik erg mooi vond: Perfect day. Maar nu ik het met volwassener oren beluister, hoor ik weinig meer dan André Hazes in het nummer terug. De herinnering aan een lied is vaak mooier dan het lied zelf. Overigens was mijn dag perfect. Geen tegenwind op de fiets naar de boulevard. De zee glimlachte me vriendelijk toe. De haring smaakte bijna als een kerstkalkoen. Maar mijn herinnering zal me wel weer bedriegen.

Vergankelijkheid

hat logo meneer b De zomer was kort, heet. De zomer is een herinnering nu. Mijn lichaam houdt van warmte, hitte zelfs, maar misschien is ook dat een herinnering straks. Ik was maar één keer op het strand, met mijn zoon en een vriendje van hem, en fietsend op de terugweg stortte ik in, kwam amper nog vooruit. Ik had me te druk gemaakt om het gedrag van de jongens op het strand. Ik heb er de fut niet meer voor op een stel van die snotneuzen te letten. Had ik mezelf overschat? Welnee. Een door mijn cardioloog verordonneerde fietstest gaf een afwijking aan de kransslagader te zien. Hij was ondanks de goede waarden in mijn bloed, altijd achterdochtig gebleven. Nu had hij eindelijk iets gevonden waarmee hij het team in het concurrerende ziekenhuis – want dat zijn ze hier in Holland: concurrenten – kon overtuigen van de noodzaak mij nogmaals op de behandeltafel terug te zien. Doet me deugd, al blijft het knarsetanden met dat getreuzel van ze, reden waarom veel Nederlanders hun heil in Belgische ziekenhuizen zoeken. Het is een kwestie van wachten nu: twee, drie, vier, vijf weken. Misschien zal ik dan een nieuw hoofdstuk aan een roman-in-wording hebben toegevoegd. Ik ben weer een beetje gaan geloven in fictie, ja. Nooit gedacht, nee. Waar ik niet in geloof, is een commercieel succes. Mijn ambitie is een andere. Helaas gedragen uitgevers zich aldoor vaker als speculanten, en hun redacteuren zich als managers. Het publiek begrijpt dat. Kunst moet lonen. Wie wil zulk publiek?

Achter een fietsende vrouw

hat logo meneer b Gisteren had ik een dag die geschikt was om een herinnering neer te pennen, maar mijn lijf was te moe en ik was veroordeeld tot rusten. Vandaag na het ontbijt zat ik nog wel even als een oude vent achter het keukenraam, toch voelde ik mijn krachten terugkomen en ik besloot zowaar tot een fietstochtje naar de zee. Het weer was te warm voor een leren jack, een linnen jasje volstond. Ik droeg mijn spullen mee in een heuptasje: mijn portemonnee, sleutels, medicijnendoosje en gsm. Sigaretten maken sinds vier maanden geen deel meer uit van mijn proviand. Ik trapte in de lichtste versnelling naar de boulevard, en at er een nieuwe haring. De haring viel wat tegen, ofschoon de vangst met twee weken uitgesteld was geweest vanwege de kou. De vis is goed vet, dat wel, maar geeft geen ziltige smaak aan je tong. Het was rustig aan de boulevard. Ik liep een eindje naast mijn fiets, als een oude man dus, voor ik weer op het zadel klom. Ook huiswaarts fietste ik bedachtzaam in een lichte versnelling. Totdat ik werd ingehaald door een jonge vrouw met een magnifiek achterwerk. Ze reed op een vouwfiets, droeg een yuppenbroek, ik dook in haar wiel en schakelde zelfs naar de derde versnelling. De vrouw, type jonge advocaat, rook heerlijk. Gehypnotiseerd keek ik naar haar fraaie heupen, waaromheen haar pantalon zich perfect had gesloten. Alleen vrouwen kunnen je doen vergeten wie je bent, waar je bent en wat er met je is gebeurd.

Pasen, de hel

hat logo meneer b Pasen. De hel. Jarenlang de herinnering aan die afgrijselijke dag waarop mijn vader mijn vingers lam sloeg. Ik moet een jaar of zeven, acht zijn geweest. Het hinderde mijn vader al lang dat ik niet zelfstandig mijn schoenveters kon strikken, maar op die memorabele paasdag heeft hij zich laten gaan, een riem gepakt, mij gelast mijn vingers op de rand van het granieten aanrecht te leggen en de zweep erover gehaald. Met brandende vingers mocht ik nog eens proberen mijn veters te strikken. Dat ging niet. Het ritueel met de zweep herhaalde zich tweemaal. Mijn vingers zwollen zodanig op, dat zelfs mijn vader wijselijk even de keuken verliet. Mijn tweelingbroer sloop naar binnen en strikte snel mijn veters. Ik heb dit verhaal verwerkt in één van mijn boeken. De onschuld van een vis. Het hielp niet. Je kunt de dingen een plaats geven in proza, poëzie, muziek – de pijn van de herinnering blijft. Merkwaardig… mijn vader overleed enkele weken voor Kerstmis. Hij leefde in Spanje, ik had hem al meer dan tien jaar niet gezien. Het bericht was geen bevrijding voor me, integendeel. Twee maanden later lag ik met een hartinfarct in het hospitaal. Maar dan: Pasen… weg is de hel! Zelfs geen herinnering aan mijn bebloede vingers, waarmee ik nog twee weken in het verband heb gelopen. Geen wrok naar mijn vader ook. Als het zo is dat je een dode niets kwalijk kunt nemen, ligt hierin dan misschien het antwoord waarom wij, mensen, niets van de geschiedenis leren?