Als er één heerlijke leefregel is voor hartpatiënten, dan is het wel dat je bij voorkeur overal maling aan moet hebben. Of je zelfs aan leefregels maling moet hebben, lijkt wat dubbel, dus ik zou niet weten of ik vanmorgen heb gezondigd door onbehoorlijk lang uit te slapen. De herinnering aan Jeff Beck’s leefregel van 40 jaar terug, dat om half 11 opstaan wel volstaat voor iemand die buiten het kantoortijdenregime valt, moet hebben geholpen. Ik schreef gisteren dat Love is blue (1968) destijds mijn favoriet was. Toch jengelt de hele dag Hi Ho silver lining (1967) door mijn hoofd. Eén van mijn groepsgenoten in Huize Nieuw-Voordorp had de 45-toeren-single, herinner ik me. In het knutselhok hadden we een aftandse Philips koffergrammofoon staan, waarop we Jeff Beck’s bescheiden tophit grijs draaiden. Want zo gaat het in het leven, ook in een kindertehuis. Je kunt ergens niet genoeg van krijgen totdat je er genoeg van krijgt en op zoek gaat naar iets anders waar je geen genoeg van kunt krijgen totdat je er genoeg van krijgt, ad libidum. Popmuziek biedt met zijn enorme archieven een schat aan ijkpunten voor de herinnering van zowel het individu als het collectief. (Wat een afgrijselijke zin is dit, ik lijk wel een journalist of wetenschapper.) Wijze mensen beweren dat leven in het hier en nu de weg naar de verlichting wijst. Je moet dan niet zoeken naar of wachten op de verlichting, want ook dat is iets willen waar je geen genoeg van kunt krijgen.
Tagarchief: herinnering
Borges, een leven
Op mijn bureau ligt een mooi gebonden uitgave van Edwin Williamson met de titel Borges, een leven. De vertaling is van Barber van de Pol, het origineel verscheen in 2004. Dat de Bezige Bij deze biografie uitgeeft, ligt voor de hand, de uitgeverij is verantwoordelijk voor de verspreiding van het werk van Borges in Nederland. Mijn literair agente liet het boek hier achter, ze weet dat ik een bewonderaar ben van Borges, al is er nog maar één verhaal dat ik blijf herlezen van deze Argentijnse schrijver (de rest ligt ergens in de kelder van mijn herinnering te rijpen): De ronde ruïnes uit De Aleph. Borges jongleerde met microkosmos en macrokosmos in literaire labyrinten en maakte daarbij geen vlekken met pen en inkpot. Kan een biografie over zo’n groot schrijver interessanter zijn dan het werk van de meester zelf?
De herkenning (1)
Wie de herinnering als onderwerp heeft van zijn geschriften kan niet om de herkenning heen. Herkenning kan verbazingwekkend zijn, werkelijk, het was een eigenaardige dag, de mensen waren jachtig, nu al, terwijl de maan pas over drie dagen vol in Leeuw zal schijnen. Vooral het verkeer in de supermarkt was hectisch. Het is een afgrijselijk idee dat de mensen geen benul hebben van de werking van de maan op hun gemoed. Bij de groentenafdeling trok een vrouw mijn aandacht, ik zag haar op de rug, haar heupen en billen in een perfect sluitende jeans waren een genot om naar te kijken. Ik kon het niet laten even stil te houden. Toen zij zich omdraaide, zag ik een gezicht dat ik totaal niet had verwacht. Ze was mooi lelijk, ze droeg een afschuwelijke yuppenbril en haar kapsel behoorde ook al toe aan een generatie waar ik helemaal niets van begrijp. Positief was dat ze op een juf leek, wellicht was ze een advocate in spé. Hinderlijk vond ik het dat ze aldoor met het thuisfront telefoneerde over de boodschappen, waarschijnlijk met haar vriend. De superjuf verlangde stellig naar de avond, ik zag het aan de losheid van haar heupen, maar dat doet er allemaal niet toe. Wat er toe doet is de vraag: hoe herkende ik een juf die op de rug gezien nog het meest weghad van een sexy actrice? En wat herkende ze in mij toen ze mij zo nakeek bij de kassa? Moet ik alsnog Proust gaan lezen?
Juf (1)
Ik ben een van de velen die beweert Proust te hebben gelezen zonder hem te hebben gelezen. Uiteraard heb ik het wel geprobeerd, maar ik werd kriegel van die jongen die vele bladzijden lang in zijn bed lag te wachten op een kusje van zijn moeder. Ik herinner me overigens niet ooit een kusje van mijn moeder te hebben gekregen, maar dit terzijde. Weliswaar viel mijn mond open bij elke briljante zin (ongeveer één per bladzijde) die Proust uit zijn pen toverde. Om mijn gebrek aan Proust-bagage te compenseren, heb ik ooit wat quasi-wetenschappelijke kost over deze grote schrijver tot me genomen. Bijvoorbeeld dat hij, volledig onafhankelijk van Freud, tot dezelfde inzichten kwam als die Weense geilaard. Proust leerde mensen in typen te onderscheiden, wat de Chinezen al duizenden jaren eerder deden, maar die wijsheden zijn slechts aan een bijzonder klein deel der Europeanen besteed, onder wie je dan zeker geen literatuurwetenschappers of westerse filosofen moet zoeken. Nou was ik laatst, na mijn winterdepressie, bij mijn mondhygiëniste op bezoek. De vrouw is juffig, tanig, heeft een ouderwetse kostschooluitstraling en draagt ook nog een sterke bril. Ik ben niet het type dat op mensen in machtsposities valt. Ik val wel op bepaalde typen, maar weet nog niet precies waarom. Vandaag viel mij echter in dat de herinnering hierbij een belangrijke rol moet spelen. Ik herinnerde me namelijk opeens een vakantievriendinnetje van toen ik 16 was. Ze heette Christie. Mijn mondhygiëniste lijkt op Christie. Maar waarom viel ik nou op Christie?
Geen herinneringen
Patrick Modiano’s boeken zijn zo inwisselbaar, dat je met plakken en knippen een nieuw boek van deze Franse schrijver zou kunnen samenstellen. De slotzin uit ‘Trouwboekje’ (‘Livret de famille’, 1977) luidt: ‘Ze had nog geen geheugen’. Of die bewering deugt zou ik niet direct onderstrepen. De hoofdpersoon zit met zijn pasgeboren dochtertje op schoot, ze slaapt met haar hoofdje tegen zijn schouder. Dromen in de baarmoeder, waaraan je bespiegelingen kunt vastknopen die heel ver gaan, passen niet in het universum van Patrick Modiano. De slotzin uit een later boek, ‘Verloren wijk’ (‘Quartier perdu’, 1984), luidt: ‘En ook ik wil mij van nu af aan niets meer herinneren.’ Eigenlijk was dat alles wat ik me vandaag herinnerde, die slotzinnen van Patrick Modiano dus. Ik heb ze wel even opgezocht, nadat ik het stof van zijn boeken had geblazen. Mijn boekenkast is een chaos, maar Modiano houdt redelijk stand met een stuk of zeven titels bijeen. Het is niet zo dat ik mij vandaag niets wilde herinneren. De herinneringen bleven vanzelf weg. Misschien is het mogelijk dat wanneer je je niets wilt herinneren, er ook geen herinneringen komen. Maar op dat niveau, zeg van de yogi, begeef ik mij niet. De dag was vlak, saai. Toen op straat de zon zo laag hing dat ik mijn hand boven mijn wenkbrauwen moest leggen, doemde er geen enkele fraai silhouet voor mij op. Een dag waarop niets gebeurt en geen herinnering je bezoekt, is dood. Of zoals het leven meestal is.
De seizoenen
Er is een 40 jaar oude song van een jeugdige Paul Simon: ‘April come she will’. Bezongen wordt de liefde die ontluikt in april, bloeit in mei en van toon verandert in juni. In juli vliegt ze zonder waarschuwing weg, om in augustus te moeten sterven. September brengt de herfst en de herinnering. Wie zoiets meemaakt, ziet later meestal ook dit romantisch beeld sterven. Geliefden komen en gaan in onverschillig welk jaargetijde. Liefdes kunnen elk uur van de dag doven. Wie over een perfecte liefdesbarometer beschikt, voelt direct wanneer de kaarsvlam moet gaan vechten om niet te verdrinken in het vet dat als dodelijk lava rond de lont komt drijven. Misschien is de herinnering aan de liefde wel het mooist, mooier dan de liefde zich zelf ooit kan manifesteren. Zelfs de herinnering aan een herfstliefde kan mooi zijn, tenzij het buiten zo guur is als de afgelopen dag. Het plein was van de wind, niet van de mensen. Gail en Rachel kwamen in de herfst van 1970. De winter bracht blues en jaloezie, geen jas was warm genoeg. Ik raakte hen uit het oog in de vroege lente. Mijn lied over deze Amerikaanse meisjes begint dus in de herfst en eindigt in het voorjaar. Geen lied voor klassieke tenoren, eerder een popsong die nooit doorbrak. Christien, die haar 35e jaar niet haalde, was het langst bij me en lijkt daarom mijn grootste liefde. Is ze het? Ik ontmoette haar in de winter. Er lag geen sneeuw. Het regende.
Amerindo
Sundahl was een soort broertje van Soerabaja Papa: het gitzwarte haar druipend van brillantine in een golf naar achteren gekamd, de terlenka pantalon keurig in de plooi, glanzend zwarte schoenen onberispelijk gestrikt. Net als Soerabaja Papa had Sundahl een hekel aan colberts. Ze droegen vaak een pull-over van hetzelfde dessin: zwart met een brede gele V-hals. Later kreeg ik Sundahls exemplaar als afdankertje, door Mama Helmond versteld aan de Singer trapnaaimachine.
Ik neem aan dat Sundahl zijn achternaam was, die een Zweed of een Noor als voorouder van vaderskant verried, die ooit op Java zijn heil was komen zoeken. Sundahl was net als Soerabaja Papa zonder familie na de oorlog in Indonesië in 1950 met de boot naar Nederland gekomen. Jeugdvrienden uit Soerabaja, die misschien dezelfde meisjes hadden gedeeld. Soerabaja Papa was inmiddels met een Nederlandse vrouw getrouwd, Sundahl leek de eeuwige vrijgezel. Ze konden urenlang opgewonden praten over motorfietsen, vliegtuigen en horloges. Styling had hun grootste aandacht. De boel moest gestroomlijnd en glanzen voor een Indo.
Ik weet niet of ook Sundahl als tolk bij de Nederlandse mariniersbrigade had gediend en voor de Indonesiërs had moeten vluchten. Anders dan Soerabaja Papa sprak hij niet over de oorlog, althans niet met mij als jochie van nog geen tien in zijn buurt. Toch had hij een nerveuze levendigheid over zich, iets kwajongensachtig. Was het een opgejaagdheid met de herinnering aan de oorlog die hem aldoor op de hielen zat? Sundahl was het type van de waakzame Indo die in een oogwenk een situatie kon overzien en als het moest pijlsnel kon handelen. Een kleine tanige jongeman die stellig in een gevecht over je heen kon springen, zoals in Kung Fu-films.
Sundahl sprak veel over emigreren naar Amerika. Hij probeerde Soerabaja Papa over te halen mee te gaan. Het toverwoord was ‘sponsor’. Je had een sponsor nodig indertijd om Amerika als immigrant binnen te kunnen komen. En Sundahl vond een sponsor. En Sundahl ging, in 1960. Ik weet niet waarom ik hem zo miste. Misschien omdat zijn glimlach altijd even een glans bracht over onze armoedige huiskamer aan de eindeloze, eentonige naoorlogse laan langs het Zuiderpark.
Er kwamen brieven uit Californië. Later kwamen er foto’s van een breedlachende Sundahl achter het stuur van een Chevrolet Cabriolet. Eén blondine zat naast hem, twee zaten op de motorkap. De meisjes droegen strakke jeans. Sundahl zou ons later nog zulke jeans per post laten bezorgen. Maar ze waren te klein voor ons. Voor Sundahl waren we nog altijd die kleine jongetjes van toen gebleven. En Mama Helmond riep uit: ‘Och wat jammer, de jongens hadden er zo Amerikaans uit kunnen zien!’
Nou was dat Sundahl anders slecht gelukt.
Haagsche Courant, vrijdag 10 december 2004
Quasimodo
Je had zo’n kwart eeuw geleden drie muziekwinkels dicht bijeen in een soort driehoek. Dat waren Servaas, de Bijenkorf voor de popmuzikant, Gerritsen, de V & D voor de modale muzikant, en Goebel, de HEMA voor de folkmuzikant. Bij Servaas zag ik Robbie van Leeuwen eens heel opzichtig bij de ingang op een flamencogitaar spelen. Dat klonk goed nep, is een kwaliteit op zich. Ik had een hekel aan Servaas, ze behandelden je als een bedelaar als je er alleen een setje snaren kwam kopen, maar haalden je als Sinterklaas binnen wanneer je met een bus en je complete band erbij een P.A.-installatie kwam wegslepen. Op een dag had ik zo’n genoeg van die kapsones van ze dat ik een verkoper de duurste Martin-gitaar uit een glazen vitrine liet halen. Ik speelde de sterren van de hemel – dat gelooft u wel, hè? – haalde toen mijn neus op en gaf hem dat schitterende instrument terug terwijl ik duidelijk hoorbaar voor iedereen zei: ‘Wat een brandhout, zeg!’
Die kop van mij konden ze niet meer luchten of zien daar. Ik werd klant bij Goebel, de HEMA voor folkies. Ik kocht er mijn eerste flattop, een Yamaha met massief bovenblad, de rest van triplex maar nog geen IKEA-hout zoals nu. Goede gitaar, is later verpest door iemand die hem een weekendje tegen de cv aanzette. Hals krom, je kon dat ding zo weggooien, wat een stomme mensen lopen er ook rond op de aarde, wie zet er nou een gitaar tegen een verwarmingsradiator, je zet toch ook geen piano in een vriesruimte, tjonge jonge.
Bij Gerritsen kocht ik van de weeromstuit een dure Martin D-35, eentje van mindere kwaliteit dan die D-45 bij Servaas, maar toch ook geen HEMA-spul van die brave Goebel, waar je nog snaren per stuk kon kopen, wat een tijden waren dat. Ik beweerde dus net dat ik bij Servaas de sterren van de hemel speelde, maar dat kan niet, want wat kon ik nou eigenlijk op dat ding? Ik liep altijd een jaar of twee achter mijn voorbeelden aan, nou dan ben je niks, helemaal niks, je moet een ander tot voorbeeld dienen, dan ben je pas wat.
Gerritsen had ook een pianoafdeling. Soms kwam een reïncarnatie van Quasimodo binnenschuiven en die ging daar dan orgel zitten spelen alsof hij Jimmy Smith was. Zijn enige publiek was de verkoper, die ook speelde en met wie hij soms fluisterde over ‘oplossingen’. Ingewikkelde jazzstuff dus. En ik maar pingelen in die stompzinnige folkschemaatjes.
Victor Hugo’s boek over Quasimodo speelt in 1482 maar werd een kleine vier eeuwen later geschreven. Wie zou model voor de gebochelde klokkenluider hebben gestaan? Een organist in een kerk misschien? Als ik een reïncarnatie van Victor Hugo was, zou ik de Quasimodo uit mijn herinnering kanonnier maken op een VOC-schip rond 1600. Esmeralda een nonna uit Batavia. En de corrupte priester Frollo predikant Servaas. That’s how it works.
Haagsche Courant, vrijdag 21 november 2003
Folkies (3)
Suzanne had als lijflied Suzanne van Leonard Cohen, nogal obligaat, evenals haar gewoonte vrienden op thee en sinasappels te onthalen, naar de schets in het lied: and she feeds you tea and oranges… De Canadese dichter speelde als folkzanger eigenwijs walsend op nylon snaren, zijn bezongen Suzanne was een vriendin die nu met zeven poezen samenwoont en onze Suzanne een blasé Amerikaanse kosmopoliet die met haar Texaanse ouders de wereld rondde onder de vlag van een of andere oliegigant. Maar die olie interesseerde me niet, en dat doet het nu nog niet. Wat me wel interesseerde was het uitzicht van haar tuinkamer op een grote vijver. De kamer lag achter de garage, waarnaar ze was verbannen, opdat het folk- en hippievolk buiten beeld zou blijven. De moeder van Suzanne had nog nooit een Indo gezien en toen ze mij met Dave eens in de hal zag, riep ze uit: ‘Oh my God, they look like Indians!’
Enfin, de tuinkamer. Die heb ik later gebruikt in mijn roman Sonatine voor zes vrouwen, want ja, vaak is de omgeving waarin mensen zich bevinden aanmerkelijk interessanter dan die mensen zelf. Maar nu ik aan die episode terugdenk komen de Amerikaantjes toch weer mijn herinnering binnenwandelen. Steve was cool. Hij reed op een weerbarstige bromfiets die om de vijf kilometer een sleutelbeurt nodig had. Maar hij klaagde nooit, zelfs niet met pech in de nachtelijke duinen richting zijn kamer ergens in Wassenaar. Maar we zitten nu even in een drive in-woning in Voorschoten. Mijn Indische ‘broertje’ Dave was mijn held, hij had op zijn veertiende al een plaat opgenomen. Hij kon alles op het eerste gehoor naspelen, echt alles. Als Mitch er was, een droogkloot met een John Sebastian-act, dan speelde Dave een komische gitaarpartij van Arlo Guthrie (zoon van Woody Guthrie, Bob Dylan’s held), en Mitch deed dan de complete vertolking van Alice’s Restaurant, met de gevleugelde woorden: I wanna kill, I mean I wanna, I wanna kill! Intussen lieten de Americanos hun bommen als manna uit de hemel vallen op Hanoi en Haifong en wij liepen met die ban-the-bomb-speldjes op legerjasjes; die kunnen nu het museum wel in.
Op een avond waren er twee Amerikaanse vreemdelingen, al wat ouder dan wij, vijfentwintig of zo. Een van hen leek precies op de folkartiest Jim Croce. Hij zat daar maar over zijn gitaar gebogen te piekeren zonder een noot te spelen, terwijl Suzanne hem tea and oranges voerde. Ik vroeg hem waar-ie aan dacht. Suzanne fluisterde me in dat hij in Vietnam had gezeten. ‘Oh boy, zei ik, ‘sorry hoor, neem me niet kwalijk. Maar nu we het er toch over hebben… heb jij daar mensen doodgeschoten? Lijkt me niks, dat.’ Een bombardement van dodelijke blikken joeg me op de vlucht. Het sneeuwde buiten. Hij was dus zo’n Universal soldier uit het repertoire van Donovan. Die moest je bezingen. Die mocht je niks vragen.
Haagsche Courant, vrijdag 7 november 2003
Broese (3)
Broese was een oude wees. Hij had niemand buiten zijn oude schoolkameraad. Soerabaja Papa was niet zuinig op zijn oude vriend en oefende veel kritiek op hem uit.
‘Jij hebt de HBS doorlopen, maar je doet het werk van een koelie!’
‘Ik heb het naar mijn zin hoor! ’s Nachts is het rustig. Dan kan ik goed nadenken.’
‘Nádenken? Wáárover?’
‘Ach, ik laat zo’n beetje mijn gedachten gaan, dat snap jij toch wel?’
‘Zo, dus jij laat je gedachten gaan… Jij moet je hérsens gebruiken, man! Ik werk bij Rijkswaterstaat. Maar jij? Wah, jij schopt het niet verder dan nachtwaker met je HBS!’
Broese waakte toch ook overdag. In een wat modeloos gehurkte houding houdt hij een oogje in het zeil terwijl wij kinderen spelen aan de waterkant. Lozerlaan rond 1960, waar de stad verzandt in hobbelig terrein met geraamtes van nieuwbouw. Ik sta dicht tegen Broese aan, zelfs ik als knaapje zie er nostalgisch uit op de foto, alsof ik Broeses herinnering deel aan de kali uit zijn jeugd ergens in Soerabaja. Als ik na zo’n dag niet slapen kan, zie ik hem zijn nachtelijke rondes maken langs de spookachtige bouwplaatsen. Hij draagt een zaklamp en om de tijd te doden zoekt hij naar ratten en praat tegen ze. Soms komt hij met een verhaal dat ik maar half begrijp, iets over een vrijend stel dat hij heeft betrapt. Heeft hij het ooit betreurd als knaapje oud te moeten worden omdat de Japanners hem hadden gecastreerd?
Op een zondag nam Soerabaja Papa mij mee achter op zijn bromfiets. De oude jongen met het dunne haar op zijn bevlekte ronde hoofd woonde ergens aan de Loosduinseweg op een parterre. De bel werkte niet. Soerabaja Papa probeerde door de ramen naar binnen te kijken, maar die waren te vuil. Hij klopte aan. Het duurde lang voor Broese opendeed. Misschien hadden we de nachtwaker uit zijn slaap gehaald. Hij liet ons wat onhandig binnen, onwennig met dat plotselinge bezoek. Zijn huis was bijna leeg. De hutkoffer van zijn overtocht uit Indië deed dienst als salontafel. Er stond één stoel. Die werd mij gewezen.
Soerabaja Papa zei: ‘Zo, woon je hier dus…’
Hij stapte onrustig door de lege kamers, de handen losjes in de zakken van zijn terlenka pantalon, mopperend, schertsend, schimpend.
Broese gaf me limonade te drinken uit een vlekkerig glas waaraan haartjes kleefden. Hij verontschuldigde zich voortdurend tegenover Soerabaja Papa, dat hij ons niets beters te bieden had. Maar het huis zou beslist worden opgeknapt, hij zou meubels kopen, fatsoenlijk servies en ja… gordijnen.
Als je iemand bent die zich voortdurend voor zijn leven moet verontschuldigen, komt de dood je dan nog wel met genoegen halen?
Haagsche Courant, vrijdag 3 oktober 2003