L’association Pasar Malam se réjouit de la ré adhésion* de
Alfred Birney!
Écrivain néerlandais, né en 1951 aux Pays-Bas d’une mère hollandaise et d’un père indo-néerlandais de Surabaya, descendant d’une famille de planteurs aux origines chinoise et écossaise, Alfred Birney réside à La Haye où il écrit depuis 1987 des romans (surtout), des essais, des critiques, des articles journalistiques (parfois).
Son style est à la fois narratif, expérimental, rêveur, tour à tour chaleureux et distant. En revanche dans ses essais et critiques il adopte volontiers un ton mordant, ironique, humoristique aussi.
Ses thèmes récurrents : la solitude, l’amour, et la musique ; le racisme, l’histoire coloniale et postcoloniale.
Citons quelques ouvrages liés a l’Indonésie :
- Vogels rond een Vrouw, In de Knipscheer, 1991, traduit en indonésien Lalu Ada Burung, Galang Press, 2002 (Des oiseaux autour d’une femme).
- De Onschuld van een Vis, In de Knipscheer, 1995, traduit en indonésien Ikan Tanpa Salah, Galag Press, 2004 (L’innocence d’un poisson).
La trilogie des rivières:
- Rivier de Lossie, In de Knipscheer, 2009.
- Rivier de IJssel, In de Knipscheer, 2010.
- Rivier de Brantas, In de Knipscheer, 2011.
*Alfred Birney a été membre de Pasar Malam en 2006
Op vrijdagavond, 4 november a.s. om 19:00 uur vindt de opening plaats van de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto in de Maldoror Galerie, Den Haag. Er hangen vier hedendaagse fotowerken, in de traditie van de oude Chinese schilderkunst op papieren rollen (scrolls). Deze zijn vermengd met teksten van de de Turkse schrijver Murat Tuncel, de Chinese kalligrafist Wu Park en de Indische schrijver Alfred Birney.
De laatste, Alfred Birney, zal zijn teksten tijdens de opening live op twee van de ‘scrolls’ aanbrengen. Dit is livestream te volgen.
De tentoonstelling is na de opening te bezoeken op alle zaterdagen in november van half twee tot half zes ’s middags. Verder op afspraak en tijdens Hoogtij #27! (Persbericht)
Opzet van de installatie:
De Wagenstraat in Den Haag functioneert als het ware als een sluis, via welke verschillende culturen komen en gaan. Hollanders die uit andere buurten naar het centrum komen om te shoppen, Turken die op weg gaan naar de Grote Moskee, kunstenaars die er wonen en het unieke gedeelte van het oude centrum delen met de Chinezen van China Town. En… elkaar nu ontmoeten in de intieme galerie van Stichting Maldoror.
De bedoeling van Fabio-Romano del Castelletto is om de reacties van de bezoekers van de expositie vast te leggen, terwijl die kijken naar het werk van de schrijvers uit verschillende culturen en de fotografische observaties ondergaan van wat door de zee aan onze kust aanspoelt.
Murat Tuncel, die op een minimalistische manier, als op een schoolbord, een ritmische klank proza in zijn moederstaal (Turks) toevoegt aan het bijna kalligrafisch aangespoelde zeewier.
Wu Park, die zijn met indische inkt vloeiende, vluchtige poetische indrukken op foto’s van zware en concrete objecten achterlaat. Zijn observaties zijn, zoals de Chinese dichters en schilders die in het China van de 17de eeuw ze op papieren rollen uitwisselden: poëtisch en filosofisch tegelijk.
Alfred Birney reageert op dood materiaal en natuur, die symbolisch zijn voor het Indische verleden van zowel hem als Fabio-Romano del Castelletto.
Het geheel is een interactie van vier personen met verschillende cultuurhistorische achtergronden, tegen het licht van de natuur die op foto’s zijn vastgelegd.
Museum Nusantara is nog maar net bekomen van een ingrijpende en geslaagde verbouwing, of de monsters van het kabinet hebben het al in het sloopzuchtige vizier. Het kent maar één mantra: “Het zijn zoals bekend economisch zware tijden en hierin is geen plaats voor de culturele sector. Alles wat niet direct zichtbaar zakken met geld oplevert, moet sneuvelen. Gemeenten moeten drastisch op hun budgetten worden gekort, want zij geven alleen maar geld uit en bieden ons daar niets voor terug.”
Dit is het beleid van de Generatie Nix, die met Nix is opgegroeid, die Nix had om naar uit te zien, die Nix uit de handen liet komen en thans aan de macht is en denkt dat de wereld beter af is met Nix. De geschiedenis begint volgens deze imbecielen in het jaar 2000, en alles wat eerder plaatsvond heeft geen enkele betekenis, een enkele oorlog daargelaten. Dit heeft in Delft tot direct gevolg dat Erfgoed Delft, het overkoepelende orgaan waar museum Nusantara onder valt, ook moet bezuinigen. En hoe!
De directie van Erfgoed Delft dreigt met ingang van 1 januari 2013 Museum Nusantara haar deuren te laten sluiten. De reden is dat het aantal bezoekers te laag is waardoor het museum niet rendabel zou zijn. Hiermee wordt volslagen gedachteloos een zoveelste poging ondernomen om het belangrijkste hoofdstuk van de Nederlandse geschiedenis, die van de VOC, het kolonialisme, de dekolonisatie en de eeuwenoude banden met Indonesië onder de zoden te stoppen.
En nu komt het… Het gebouw zal een jaar later weer voor het publiek open gaan met een presentatie rond Delfts Blauw Aardewerk.
Welnu, wat is Delfts Blauw en hoe en waardoor is het ontstaan?
Aan het einde van de 16e eeuw introduceerden de Portugezen Chinees porselein, met zijn kenmerkende blauwe beschildering, in Nederland. Dat is kort voor voordat de Hollanders op de gestolen zeevaartkaarten van Jan Huygen van Linschoten de zeilen hesen en richting Indië voeren, waardoor al gauw de VOC werd opgericht – Dit geïmporteerde Chinees porselein was fijn en sierlijk en onmiddellijk zeer gewild. Later kwam het via de Hollanders en Zeeuwen met de VOC-schepen naar Amsterdam.
Alleen de zeer rijken konden zich Chinees porselein permitteren. De Delftse majolicabakkers, die nog geen echt porselein konden maken, begonnen toen met veel succes imitaties te maken. Delfts Blauw is dus in het geheel niet los te zien van de geschiedenis van de VOC, en uiteraard is de geschiedenis van de VOC niet los te zien van Neerlands koloniale geschiedenis en ook niet van de oorlog die Nederland voerde in Indonesië, nadat het zelf was bevrijd van de Duitsers.
Een Delfts Blauw Museum betekent dus: een museum rond namaak Chinees porselein. Ik spreek niet tegen dat Delfts Blauw in een latere periode zelfs roem in China zou oogsten. Dat is het punt niet. Ik zeg: een Delfts Blauw Museum in de plaats van Museum Nusantara is een museum dat liegt, een museum dat de oorspronkelijke geschiedenis verknipt.
Concreet betekenen de plannen van de rücksichtslose overheid het einde van Nusantara als internationaal uniek museum voor Indonesisch cultureel erfgoed. De collectie blijft weliswaar in Delft – die wordt nog net niet in zee gedumpt – maar zal een slapend bestaan gaan leiden.
Zijn musea gedoemd om hun voortbestaan op lekkende zolderetages voort te zetten of zoiets?
Uiteraard strijd de conservator voor het behoud van Museum Nusantara. Maar zo’n strijd kan je niet alleen voeren. Neem deze weblogpost dan ook over, als je Museum Nusantara een warm hart toedraagt. Zet er je eigen reactie bij, of bewerk de tekst naar eigen inzicht en stuur het verder de wereld in (weblog, Facebook, Hyves, link hierna toe op Twitter etc.)
Alleen dán kan de conservator, Amy Wassing, gesterkt door alle reacties, opnieuw een dialoog aangaan met de directie in de hoop een zekere toekomst voor Nusantara te bewerkstelligen.
* * *
Bij de heropening van Museum Nusantara op 11 maart jongstleden:
This Balinese court dance was performed by DwiBhumi – Centre for Balinese Dance and Culture in The Netherlands, during the opening ceremony of Museum Nusantara, March 11th, 2011. Title of the dance: Legong Keraton Lasem. Dancers: Febrina Tanoewidjaja, Mirah Ayu Supriyono and Aafke de Jong. See also: Balinese Dans
De bezoekersafname van 25.0000 mensen op de Tong Tong Fair voorheen Pasar Malam Besar kan niet alleen geweten worden aan het mooie en/of het slechte weer. De naamsverandering krijgt eenvoudig geen steun van het publiek. Maar het verdwijnen van Indische mensen van het eerste uur weegt volgens mij écht door. Veel haastige mensen die elkaar op zijn Hollands bijkans van de sokken lopen. Nooit eerder gezien daar. Men behoort te slenteren.
Na uw eerste droeve tijding heb ik nog geen nader berigt van u kunnen ontvangen, toch wil den mail, die heden van hier vertrekt, niet laten gaan, zonder een woordje aan u mede te geven. -
Gij kunt u niet voorstellen welk een treurig gevoel het is, nu verder niets van u af te weten, van hoe gij het maakt en wat uwe plannen voor de toekomst zijn. In het lieve oude huis zult gij wel niet blijven, dat zal u te groot zijn, vrees ik. Ik weet dus volstrekt niet meer waar, of hoe, ik u mij voorstellen moet: noch ook hoe veel leed gij hebt gedragen bij het verstoren en wegnemen dier wereld van souvenirs waarin uw lieve doode zijn ganscher grooten geest had afgedrukt, en die ik zóó gaarne nog eenmaal weer in hun geheel had aanschouwd: ach, Sophie, uw broeders heengaan heeft de eenige bekoring welke Holland voor ons had weggenomen; en wij zouden lust hebben er niet weer heen te gaan. Zeg het aan niemand: doch het is zoo. Wie zal Huet met ware hartelijkheid te gemoet komen, buiten die eenige, die alles vergoedde, en die het niet meer doen kan. – Toch zouden wij zoo gaarne met u zamen zijn. Ik wil u daarom van onze plannen vertellen, om te zien, of het mogelijk zijn zou, ze eenigzins met de uwe in overeenstemming te brengen. – Ik zal u dus, in vertrouwen mededeelen, dat Huet, reeds eenige maanden geleden, een zekeren heer Birnie beloofd heeft, voorloopig althans, de wintermaanden met hem in Italië te zullen doorbrengen. Daarna zullen wij waarschijnlijk naar Zwitserland gaan, om Gideon op school te brengen, en ook daar eenigen tijd vertoeven. De reden nu waarom mijnheer Birnie er zoo op gesteld is, ons gezelschap te genieten, zal ik u nader verklaren. Mijnheer Birnie heeft hier zijn fortuin in de tabak gemaakt. Hij bezit eenige tonnen in de wereld, en gaat nu in Europa van zijne renten leven. Tot zoover is alles goed; doch er is een drawback; en wel deze; de man is getrouwd met eene Javaansche vrouw, bij wie hij, ik geloof, 8 kinderen heeft, en die hij, op aanraden zijner familie en ter liefde van zijne kinderen, voor een paar jaar heeft gehuwd. Die vrouw, zij spreekt zelfs niet anders dan maleisch, is volstrekt ongeschikt om een Europeesch huishouden te drijven; zelfs vertrouwt hij haar de opvoeding zijner kinderen niet toe; deze gaan alleen naar eene zijner zusters te Zwolle en gaan daar naar school; alleen de allerkleinsten houdt zij bij zich. Ziehier de ramp van dezen vermogenden, welontwikkelden en zeer interessanten man. Nu heeft hij, – aan wien Huet in zijne zaken veel verpligting heeft, – ons voorgesteld, in zijn gezelschap te reizen en voorloopig met hem zamen te blijven; en wij hebben dit beloofd. Wij kunnen daarvan dus onmogelijk af. – Maar nu is er eene andere vraag. Kunt gij niet bij ons in Italië komen? Voor uwe gezondheid was dat zeker goed. Tegen het einde van October komen wij te Napels aan. Zeg dat gij komt, dan reist Huet u te gemoet. Het zou ons ontzaggelijk veel genoegen doen, indien gij er toe besluiten kondt. Wat hebt gij alleen in het sombere kille Amsterdam? Die vrouw zal ons niet hinderen; zoo iemand is net een groot kind; daarbij heeft zij hare kindertjes, om zich mede bezig te houden, en gaat er waarschijnlijk nog een jufvrouwtje van gezelschap voor haar mede. Ik heb alleen beloofd: haar te protégeren en het oog over haar te houden. – Al hetgeen ik u hiervan zeg, weet niemand anders; het is meneer Birnie’s geheim; en gij moet het stipt voor u houden. – O wat zou ik hierop gaarne een gunstig antwoord van u krijgen; aan eene gewone Hollandsche, Amsterdamsche dame, nog wel, zou ik het niet durven voorstellen; maar aan u, dat is heel wat anders. Het zou zoo goed voor u, en voor ons allen zijn.
En hiermede eindig ik voor dezen keer; vreezende dat mijn brief anders te laat in den bus komt. Dag, lieve Sophie.
Uwe zeer hartelijk liefh.
Anne.
De invloed van de Indische cultuur op de Nederlandse blijkt zo groot te zijn, dat je beter kunt spreken van een innige vervlechting tussen beide culturen. Althans, volgens Lizzy van Leeuwen, antropologe, die in haar nieuwe boek Ons Indisch erfgoed talloze opvattingen over de Indische geschiedenis van Nederland volkomen op zijn kop zet. Dat doet ze zo overtuigend dat het weleens het belangrijkste boek over de Indische geschiedenis kan worden sinds J.J.P. de Jongs De waaier van het fortuin (1998). Daarin werd de Indische geschiedenis van 1595 tot 1950 beschreven.
Lizzy van Leeuwen neemt de afgelopen zestig jaar voor haar rekening. Voor degenen zonder voorkennis: geen zorgen, ze neemt het complete verhaal vanaf de VOC-tijd in vogelvlucht nog even door. Actueel spilpunt in haar boek is de opkomst en ondergang van het Indisch Huis. Het is een verhaal dat vooral de Haagse gemoederen zeer heeft beziggehouden maar dat gezien de diepe historische achtergronden in heel Nederland bekend zou moeten zijn. Wat ging er aan de bouw van het Indisch Huis vooraf, wat kwam erna en hoe liep het uiteindelijk af? Belangrijker nog is de vraag waarom dat Indisch Huis er zo nodig had moeten komen. Het is hier vanwaar de sporen leiden naar talloze personen, instellingen en ondernemingen.
Lizzy van Leeuwen toont zich een uitstekend gedocumenteerd auteur met oog voor detail én het grote geheel, een intelligente gedachtegang en een meeslepende schrijfstijl, die zoveel van haar wetenschappelijke collega’s ontberen. Heel Indisch Nederland, met al zijn bekende en op de achtergrond opererende figuren, komt ter sprake. Ook de vaderlandse politiek blijkt innig verweven met de Indische cultuur en het is smullen geblazen voor wie van roddels en weetjes houdt. Speels knoopt Lizzy van Leeuwen bekende en onbekende, soms ronduit hilarische feiten aan elkaar. Ze biedt de lezer een bonte kijk op het Indische leven, dat, zo blijkt, eigenlijk nooit een kwestie is geweest van onderonsjes onder Indo’s. Wat dat aangaat is haar invalshoek bijna revolutionair te noemen. Zelfs de opvatting, dat ‘Indo’s een probleem hebben’, weet ze met flair terug te kaatsten naar de bedenkers ervan. De worsteling met de naoorlogse overkomst van scheepsladingen vol Indische mensen met Nederlandse achternamen is niet aan boord van die schepen ontstaan, maar achter onze dijken en duinen. Vanzelfsprekend is de conclusie dat het niet alleen een boek is voor Indische mensen maar ook, of misschien wel juist voor Hollanders, ofwel autochtonen. Welke Hollanders dan? Wat te denken van geschiedenisleraren, ambtenaren, schrijvers, journalisten en webloggers. Als die de Nederlandse geschiedenis in een groter kader leren zien en niet angstvallig in een hoekje blijven zitten, dan kan Nederland zich, bevrijd van allerlei taboes, met al zijn ervaring eens met flair in het internationale culturele debat mengen.
Afgelopen avond at ik voor het eerst in mijn leven Afrikaanse meerval. Deze grote, uiterst belangwekkende historische gebeurtenis, die in geen literatuurgeschiedenis onvermeld mag blijven, vond plaats in een Thais restaurant ergens aan de Laan van Meerdervoort te Den Haag, nog altijd de langste laan van West-Europa. De vormgeefster van mijn nieuwste boek had eventjes geaarzeld toen ze met de menukaart in haar handen haar favoriete gerecht wilde aanwijzen. “Ja, eh, meerval,” zei ze, “maar daar houd je zeker niet van, hè?” Ze was er vanuit gegaan dat ik deze vissoort niet at omdat de meerval een rol speelt in een paar van mijn boeken en zelfs een hoofdrol in De onschuld van een vis. Maar ik bleek integendeel juist zo nieuwsgierig naar de smaak van die vis na alle wilde verhalen over Hollandse kwekers die bijna slapend rijk worden van de eenvoudige kweek van deze vis, die voor 90 tot 95 procent wordt uitgevoerd naar Duitsland en Frankrijk, waar men, anders dan hier in Holland (wat de boer niet kent dat eet men niet) de vis wel kan waarderen. De meervalsoorten die in mijn boeken een rol spelen zijn: de Amerikaanse dwergmeerval (Ictalurus nebulosus) in Tamara’s lunapark; de Europese meerval (Silurus glanis) in Sonatine voor zes vrouwen en de Synodontis angelicus (geen Nederlandse naam voor deze schoonheid, ik zou zeggen: de Dansende Engel) in De onschuld van een vis. Deze opsomming is onvolledig, in elk geval beschreef ik nooit de algemene Afrikaanse meerval (Clarias gariepinus), omdat ik die vis niet mooi vind. Hij smaakte zoals men zijn smaak in het algemeen omschrijft: weinig naar vis, nogal stevig, bijna als vlees. De Thaise kok had er een sausje overheen gemikt met iets te veel anijs naar mijn dunken, al was mijn vormgeefster de mening toegedaan dat die anijssmaak dat overheersende karakter wel diende te hebben. De meerval werd geserveerd als filet, helaas, ik heb liever vis met kop, staart en graat, zoals in Amerika, waar je echt catfish kunt schransen. Mijn boek op komst gaat overigens niet over vis. Wél over water. Er figureert een dier in: de otter. Daartegen legt elk mens het af in een wedstrijdje vis eten.
Voor mijn doen vroeg naar bed gegaan, het was rond een uur of drie. Ik had mijn avonddutje, ofwel opgeschoven siësta, overgeslagen. Als gevolg sliep ik zeer lang achtereen. Ik stond redelijk fit op en maakte me gereed voor een fietsetappe naar de boulevard, toen het begon te regenen. Ja, zo zijn de goden als ze je om het een of ander een lesje willen leren: tegen de tijd dat je zo ver bent dat je elke dag een uurtje kan gaan fietsen zorgen zij wel voor druilerig zeikweer, dat zo typerend is voor Holland. Is het niet afschuwelijk om in Holland te moeten wonen? Is het niet absurd om er zelfs geboren te worden? Als er zoiets als karma bestaat, wat heb ik dan allemaal op mijn kerfstok staan uit een vorig leven? Ik herinner me geen vorige levens, ik geloof niet in reïncarnatie. Ik geloof wel dat ik me dingen herinner van mijn voorouders, en dat die vervagen met de eeuwen, anders wordt het allemaal wat veel met wat er op deze afgrijselijke planeet allemaal is uitgespookt. Hier ligt ook het antwoord op de vraag hoe het komt dat ongeborenen al dromen terwijl ze nog in de baarmoeder wonen. Ik ben een optelsom van erfelijkheden en als ik al zou geloven in zoiets als een vrije wil, dan was ik dat geloof vandaag volledig kwijtgeraakt. Wat wil je met dit hondenweer? Fietsen? Is u zot? Waarmee ik op de vraag kom of Holland niet geschapen is voor honden.
Indisch leven in Nederland
Annemarie Cottaar (samenstelling en redactie)
Amsterdam, uitgeverij Meulenhoff, 2006
Paperback, 256 blz, geïllustreerd
Cover Suzan Beijer
Foto omslag: HBM
ISBN: 90 290 7550 3
Uitverkocht!
Indisch leven in Nederland is een bundel met bijdragen van vooraanstaande publicisten die alle op een of andere manier betrokken zijn bij het naoorlogse Indische leven in Nederland. Het boek zit vol uniek fotomateriaal. Geen palmbomen, vulkanen en patriciërswoningen, maar Hollandse bakstenen, tafelkleedjes en aanrechten met verhalen van acht publicisten uit diverse disciplines. Het boek kwam tot stand onder redactie van Annemarie Cottaar, die als historicus verbonden is aan de Universiteit van Amsterdam. Bijdragen aan het boek komen van Alfred Birney, Jan Blokker, Siem Boon, Adriaan van Dis, Basha Faber, Helga Ruebsamen, Ricci Scheldwacht, Anneloes Timmerije en Hans Vervoort. Tjalie Robinson is postuum ook van de partij.
De auteurs kregen in het afgelopen jaar elk een serie foto’s voorgelegd waaruit zij een keuze mochten maken, om er vervolgens een tekst bij te schrijven. De foto’s zijn afkomstig uit de Indische Collectie van het Historisch Beeldarchief Migranten.
Alfred Birney kreeg tientallen foto’s van Indische mensen met gitaren voorgelegd, haalde er een dozijn uit en schreef een lang verhaal over de rol van de gitaar onder Indo’s, vanaf de tijd in het voormalige Nederlands-Indië via de jaren vijftig en zestig in Nederland tot op heden.
Het is weer lente als ik me niet vergis. Het weer valt tegen, automobilisten rijden chagrijnig door rood en besproeien en passant een rijtje passagiers onder een abri, er staan files voor de reisbureaus, websites van zonaanbieders gaan plat door te hoge bezoekersaantallen en het KNMI krijgt nog net geen bommeldingen binnen. Maar wat niet is, kan nog komen. Behalve de zon dan, laten we die maar even vergeten.
Of Chinezen op de weerkaart kijken voor ze een vakantie boeken naar Holland denk ik niet, aangezien de Chinees van een blanke huid houdt en wijselijk het zonlicht mijdt. Voor arabieren worden speciaal regenvakanties georganiseerd, dus die zitten in elk geval goed bij ons. Geen idee wat Chinezen hier zouden moeten komen zoeken, of ze bijvoorbeeld van Van Gogh houden, zoals de Japanners, met wie ze momenteel zo’n ruzie maken vanwege de verdraaiing van de geschiedenis in de Japanse schoolboeken, terwijl ze zelf momenteel de Tibetanen onder de zoden walsen terwijl Bush & Co toevallig de andere kant op kijken.
Maar daar wou ik het niet over hebben. Feit is dat het Nederlands Bureau voor Toerisme & Congressen, kortweg het NBTC, een toename verwacht van Chinese toeristen. China is booming, snelwegen worden met een noodgang aangelegd, autofabrieken draaien op volle toeren en reeds nu al verveelt de Chinees zich zo, dat het vliegtuig naar Holland lonkt. Tulpen, rosse buurten, patat met mayo, weet ik het.
Chinezen zitten niet alleen in China en Taiwan maar ook in Singapore. Verleden jaar kwam er eentje naast me in het vliegtuig zitten toen ik van Jakarta via Singapore terug moest naar Amsterdam, pardon eh… Den Haag. Nou, die man bekijkt me zo’n beetje van opzij, ik bekijk hem zo’n beetje van opzij, hij mij weer, u weet wel hoe dat gaat, en toen vroeg hij me waar ik vandaan kwam.
‘Holland,’ zei ik.
‘Ah, Holland! Is het mooi in Holland? Ik wil graag eens met vakantie naar Holland. Hoe is het leven in Holland?’
Om een lang verhaal kort te maken: ik vertelde hem van alles over Holland, dus ook over het geweld op straat, zelfs jegens toeristen, die in Amsterdam worden bestolen alsof het om seriewerk gaat.
‘O, dus bij jullie worden dagelijks een hoop criminelen opgehangen zeker? Bij ons maar drie per dag!’
‘Welnee, ze krijgen hooguit een taakstraf.’
‘Een taakstraf? Wat is een taakstraf?’
‘O, dan moeten ze 40 uur bussen wassen of zo.’
‘Wat zegt u? Bussen wassen? Niet de galg? Wáárom niet de galg?’
Ik heb het die man niet kunnen uitleggen. Daarvoor duurde de vlucht te kort. Toen de man uitstapte zei hij dat hij toch maar liever vakantie ging vieren in een land waar de doodstraf nog bestaat. Amerika dus. Dit is geen hint voor de EU overigens.