The river flows. Ik heb diep geslapen. En kort. Ik neem een bad. Iowa House, een hotel op de campus, is zo groot dat je blij bent als je iemand in de gangen ziet lopen. Wordt hier een conferentie gehouden?
Ik neem als ontbijt broodpudding, ik zie zo gauw niks anders, sta met mijn suffe hoofd gewoon in de verkeerde rij van de cafetaria, waar enorme porties eten wordt geserveerd. Twee van de vijftig tafels zijn bezet. Nou, gezellig hier.
Na mijn ontbijt wandel ik naar de rivier. Ik kijk naar de rivier. Als ik water zie, hou ik op met denken. Ik heb een vrije dag om te acclimatiseren, het is donderdag, men heeft het programma ge-rescheduled, er is nog weinig te doen.
Bunga komt later op een bankje zitten en maakt een foto van mij en een oude hippie, die verderop al een uurlang probeert een band van zijn mountainbike te plakken. Duurt langer dan dat bandje van die Jumbo Classic. Bunga maakt een kiekje van mij en de cowboy, ik van Bunga met mijn laptoptas, als troost voor haar zwervende koffer.
In de middag maak ik met Wanda en Bunga een wandeling door de stad, met zijn rechttoe-rechtaan straten. Bunga heeft maar liefst 25 dollar schadevergoeding gekregen van North-West Airlines, de zus van KLM, om wat kleding van te kopen. Nou kost een hotdog met een cola al gauw tien dollar hier.
In de struiken langs de schone rechttoe-rechtaan-straten dartelen eekhoorns rond. We hebben Indian Summer. Op een veld speelt een horde studenten een onduidelijk spel met één frisbee.
Iemand heeft ons Nederlands horen praten in een kledingzaak. Een oud echtpaar stapt op mij af, terwijl Wanda en Bunga proberen om voor 25 dollar ondergoed uit te zoeken. Het echtpaar spreekt mij aan. Holland? Ja. Vakantie? Nee, conferentie. Ah!
De man gaf ooit les aan de universiteit hier, totdat ze de Germaanse faculteit sloten. Wanda heeft de man herkend, ze kreeg ooit les van hem. Maar dat weet hij niet meer. Wat hij nog wel weet is dat hij in de jaren veertig nog in Indië heeft gezeten. Indië? Jazeker. Hij was erheen gegaan als vrijwilliger, om er te knokken tegen de Indonesiërs. Nu, een halve eeuw later, vond-ie het nog altijd maar niks dat Indonesië een zelfstandige staat was geworden. Kijk maar naar het nieuws op CNN, zei de man, het is één rotzooitje. Nou, alsof het vóór de onafhankelijkheidsstrijd géén rotzooitje was, dacht ik maar ik hield mijn mond. Altijd respect voor ouderen hebben, leerden Indische kinderen vroeger. Zo’n oude man, ik liet hem maar klagen, ook over Nederland, waar het zo was veranderd, waar het ook al zo’n rotzooitje was. Dat wist hij, ja want hij was er tien jaar eerder nog geweest. Hondenpoep hè? Ja, hondenpoep. Veel junks hè? Ja, veel junks. Liederlijke vrouwen hè? Ja, liederlijke vrouwen. Zeg Bunga, heb jij nog een onderbroek kunnen vinden?

Die avond laat Wanda me zien dat je ook in Iowa sushi kunt eten. Terug in het hotel zap ik wat Amerikaanse nieuwszenders af, ga slapen en sta weer vroeg op.
Ik kijk naar de roeiers op de River Iowa. Het zijn studenten die trainen voor de roeiwedstrijd. Het water is glad, er is geen wind, de boten glijden in een rechte lijn door het water. Ik heb een interview voorbereid, maar het programma is in de war gelopen door een verkeerde verwijzing in de gids naar de studio waar het interview zou plaatsvinden. Er zal ge-rescheduled worden.
Ik weet nog niet precies wat er allemaal van me wordt verwacht en neem in mijn hotelkamer mijn essay hardop door. Neemt 30 minuten. Dat is 10 minuten te lang, maar ik kan er l’improviste wel iets van brouwen, als het moet. Bovendien is het geschreven als bijdrage aan een essaybundel van allerlei deelnemers, een boekwerk getiteld Writers on Writing: Short Story Writers and Their Art; Maurice A. Lee ed. (Westport, CT: Greenwood Publishing Group), dat ook al is ge-resceduled, naar het jaar 2001.
Ik woon een tamelijk melige paneldiscussie bij in de Ballroom, de grootste zaal in het gebouw naast het hotel, waar de grootste publiektrekkers worden verwacht. Op het podium zit de helft van wie was aangekondigd, de andere helft springt re-scheduled bij.
Het thema is race, gender, sexual orientation, and writing in today’s world maar ik hoor helemaal niks over race, gender, sexual orientation, and writing in today’s world. Op het podium zit een Amerikaanse incrowd, die wat lollig zit te doen. De enige zwarte schrijver van het vijftal, James Alan McPherson, verstopt zich.
Een schrijfster uit New York, blasé, kennelijk een arrivé, stelt voor om als schrijvers gezamenlijk voortaan met twee romanfiguren te werken: George en Maggie of zoiets. We krijgen dan boeken met George en George, George en Maggie, Maggie en Maggie, George en Maggie, George en George plus Maggie enzovoort. Nou, ha ha dan maar. Ik sta paf van de onzin die deze Amerikaanse schrijvers verder nog gezamenlijk de zaal in slingeren. Moeten ze in Nederland toch niet mee aankomen. Geen wonder dat de gespreksleider Bharati Mukherjee weggebleven is, had de bui al zien hangen zeker.
Op een zeker ogenblik komt er een vraag vanuit de zaal: hoe het zit met de neiging van de pers om schrijvers met een hoegenaamde achtergrond aldoor de richting in te willen duwen van die hoegenaamde achtergrond. Met andere woorden: zwarte schrijvers moeten hun zwarte cultuur vertegenwoordigen, homo’s hun homocultuur, mengbloeden hun mengcultuur en ga zo maar door.
Deze vraag wordt gesteld door Maurice A. Lee, de director van de conferentie, op wiens verzoek ik een essay schreef voor het Amerikaanse publiek, getiteld Apartheid in literary criticism, dat dezelfde vraagstelling heeft.
Het klinkt ongelooflijk, maar Maurice Lee krijgt gewoonweg geen antwoord. Iemand op het podium begint een vaag verhaal, dat in helemaal niets eindigt. Verhalenverteller? Zodra het panel elkaar weer vindt in meligheid, is men de vraag alweer vergeten.
Na afloop stap ik op Maurice Lee af en vraag hem wat hij vindt van de reactie op zijn antwoord.
‘Ze staan erboven, zo willen ze doen voorkomen,’ zegt hij.
‘Maar staan ze er echt boven?’
‘Nee, ze denken dat ze erboven staan.’
De conferentie heet voluit Sixth International Conference on the Short Story in English en wordt gehouden van 12 tot 15 oktober 2000 aan de Universiteit van Iowa, een tamelijk conservatieve en blanke universiteit. De eerste short story-conferenties werden gehouden in Parijs (2 keer), Cedar Falls, Iowa City en New Orleans, Louisiana.
Centraal staat het korte verhaal als genre, dat terrein verliest of allang verloren heeft met de opmars van de vuistdikke roman, dus niet alleen in Europa maar ook in de USA. Op de tweede plaats proberen de organisatoren het korte verhaal van allerlei minorities onder de aandacht te brengen. Wat zijn minorities tegenwoordig? Dat is iedereen die niet vanzelfsprekend in een bepaalde categorie valt. Een willekeurige greep uit een circulerende namenlijst geeft eenvoudige voorbeelden te zien:
Joy Kogawa – tweede generatie Japans
Katherine Vlassie – tweede generatie Grieks
William Valgardson – derde generatie IJslands
Paul Yee – derde generatie Chinees
Janice Kulik Keefer – tweede generatie Ukraïns
Elisabeth Harvor – tweede generatie Deens.
Iets ingewikkelder ligt het met Clark Blaise, die geboren is in de USA uit Franse en Engels/Canadese ouders. Nog ingewikkelder, of gevoeliger, ligt het met ene Thomas King, die een Cherokee vader en Grieks/Duitse moeder heeft.
Maar zo ingewikkeld als een Indische schrijver van de Tweede Generatie tref je het niet zo snel aan. Want wat schrijf je achter de namen Marion Bloem en Alfred Birney in het Engels? Second Generation Indonesian kan niet. Second Generation Indisch kan ook niet, want men weet hier niet wat Indisch is, als men dat in Nederland al weet. Second Generation Indo evenmin, want achter ‘Indo’ verwacht men een koppelteken plus toevoeging. Second Generation formal Dutch East Indies is ook onjuist, want wij zijn in Nederland geboren.
Het wordt dus gewoon Dutch postcolonial writers, of Postcolonial writers from the Netherlands. Wat is postcolonial? Dat zijn werken die komen van auteurs die voorheen tot de gekoloniseerden behoorden. Indo’s zijn voortgekomen uit kolonialen en gekoloniseerden en zaten daar dus tussenin. Nu de kolonie niet meer bestaat, vormt het werk van hun kinderen, wij dus, het coda op de Indische literatuur. Dus niet op de koloniale literatuur.
Maar wat is Indische literatuur? Er zit bijna niets anders op dan die gewoon te claimen voor literatuur van Indo’s. Evenwel, nu het Indië én het Indische van toen dan niet meer bestaan, dan zou je in ons geval weer moeten spreken van post-Indische literatuur. Enzovoort.
En dan representeer je met je brontaal een land dat behalve Nederland ook nog eens Holland heet en voor de gemiddelde Amerikaan ergens in Duitsland ligt met als hoofdstad Kopenhagen. Een land ook dat niet bepaald schittert in de export van haar literatuur, behalve dan naar Duitsland, waar ze in elk geval weten waar Scheveningen ligt. Een land dat ministers kent die op het internationale podium niet fatsoenlijk met de voertaal Engels uit te voeten kunnen en daarom hun hoofdstad niet eens op zijn Hollands durven uit te spreken.
* * *
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!