Salju

salju Soerabaja Papa telah membeli kereta luncur bekas buat kami, tapi dia tidak ikut ke luar, dia kedinginan, dia berasal dari negeri panas di mana tidak pernah hujan salju. Aku berbagi kereta luncurnya dengan adik kembarku, kami harus berbagi segalanya, sampai dengan susu yang kami terima di sekolah setiap hari. Kami bergantian saling menarik, bertengkar mengenai gilirannya siapa sekarang, memandang jalan yang makin ke ujung makin putih, pasti ada salju yang banyaknya luar biasa di sana, selewatnya deretan panjang rumah-rumah suram, di taman Zuiderpark dan di belakangnya, di mana dunia nyata mulai, kota orang besar. Mereka memakai topi abu-abu dan jas abu-abu, kadang-kadang orang lewat yang tersesat mendekatkan kepalanya kepada kami dan kami mendengar: ‘Bilang saja kepada ibumu, kamu harus mencuci matamu lebih bersih.’Kami menggosok mata. Kami memandang orang itu sampai lama dari belakang dan kemudian menyampaikan pesannya kepada Mama Hellemond.
     ’Ah, orang itu gila.’
     Kalau kami harus percaya dia, banyak orang gila berkeliaran. Dengan topi abu-abu, jas panjang abu-abu, sepatu hitam dengan kaos kaki abu-abu, jenis orang yang memenuhi gereja pada hari Minggu.
     Kami terlalu kecil untuk memahami lelucon picik seorang Den Haag asli dan tanggapan kesal Mama Hellemond. Dan kami sama sekali tidak melihat bahwa Mama Hellemond kami yang pirang cenderung bersikap seakan-akan kami bukan anak-anaknya sendiri, tapi milik seorang kenalan yang sedang sakit.
     Masih bisa lebih parah lagi. Salju yang menipis dan berubah menjadi salju yang siap ditiup angin.
     Kereta kami lagi-lagi dengan suara berderus mogok di trotoar abu-abu. Dunia memberontak, menjemukan dan dingin. Kami saling membelakangi duduk di kayu kereta dan setuju menunggu sampai salju turun lagi. Menunggu salju di Holland, anak-anak tolol, Natal selalu mengecewakan.
     Kami tidak pernah berhasil melewati seluruh lintasan penuh persimpangan jalan yang berbahaya sampai ke ujungnya, di mana dunia nyata mulai. Salju yang sesungguhnya selalu ada di sana, di mana kau tidak perlu turun dari keretamu untuk menghindari tangga-tangga rumah yang abu-abu itu, di mana kau bisa tetap meluncur, terus dan terus dan terus. Dan di musim panas, matahari di sana selalu bersinar di balik awan. Bagaimana rasanya, tiba di tempat itu dan tidak pernah kembali lagi?
     Suatu hari kami menarik kereta kami yang berderit merindukan saldu, menuruni jalan. Kami berjalan begitu jauh sampai tidak bisa melihat rumah kami lagi. Seorang laki-laki dengan topi abu-abu bertanya, kami mau ke mana, dan kami lalu mengatakan kami tersesat. Orang laki-laki itu mengantar kami, jauh kembali ke rumah serambi kecil, tempat belangsungnya perang, biasanya pada malam hari.
     Suara-suara menyeramkan di kamar tidur orang tua kami, atau permainan bayangan Soerabaja Papa dan pisau belatinya di tembok kamar tidur kami, sementara dia bergumul dengan orang yang tidak kelihatan.
     ’Dia melihat hantu, ayahmu itu,’ kata Mama Hellemond pagi sesudah malam berlalu, dengan teriakan dan caci maki dalam kegelapan, yang tiba-tiba bisa berubah menjadi sunyi senyap dan kau bisa mendengar Soerabaja Papa berjalan mengendap-mengendap di atas karpet sabut kelapa di depan kamar dan memutar semua sakelar lampu, sehingga dia bisa mencari para pelopor, yang jauh-jauh datang dari Indonesia untuk membunuh dia dan kami, seluruh keluarganya.
     ’Kita seharusnya mengatakan bahwa kita tidak punya rumah, kepada orang yang memakai topi abu-abu itu.’
     ’Ya.’
     ’Mungkin orang dengan topi abu-abu itu lalu membawa kita ke ujung jalan.’
     ’Ya, dan ia akan menarik kita dengan tali di atas salju, karena semua salju ada di kejauhan.’
     ’Ya, dan di salju kita tidak melihat tapak kaki lain di belakang kita. Hanya tapak kaki orang dengan topi abu-abu, di antara jejak-jejak kereta kita.’
     ’Seperti apa rumah-rumah di sana, di ujung jalan?’
     ’Mungkin rumah di mana dia tidak akan pernah bisa menemukan kita.’
     ’Tidak pernah?’
     ’Ya, tidak pernah.’
     ’Lalu Mama? Dan yang lain-lainnya?’
     Kami bisa berlama-lama merenungkan pertanyaan itu. Pertanyaan yang memenjarakan kami. Di saat kami tetap menunggu di atas kereta, mungkin kami tidak mengharapkan salju. Tapi mengharapkan seseorang yang akan mengajak kami. Bukan ke ujung jalan, tapi pergi dari sini, untuk selamanya, dan tidak pernah kembali.

* * *

Hak cipta © 2001 pada Alfred Birney. Judul asli: “Sneeuw”. Dimuat dalam koran Haagsche Courant. January 17, 2003. Suara Merdeka, Indonesia, 21 November 2004. Alih bahasa: Widjajanti Dharmowijono. Reproduksi dalam bentuk apa pun dilarang kecuali dengan izin tertulis dari pengarang.

Leeg = Leeg

logo alfred birney Vakantietijd. Relatieve rust in Den Haag. Het is toch steeds weer opvallend hoe Den Haag vrijwel leeg lijkt te stromen in de zomervakantie. Recessie of niet: de straten zijn verlaten, er zijn minder verkeersdoden dan anders, ondanks de jongste fatale steekpartij bij het eindpunt van tramlijn 2 worden er minder mensen overhoop gestoken, er worden minder vrouwen mishandeld en verkracht enzovoort. Het kan beter, maar het gaat nogal in de zomer.

Volgens een telling van het CBS telde Den Haag op 1 januari 2003 463.826 inwoners. Als je daar wat illegalen en overige gasten bij optelt, dan kom je op een half miljoen. Nou zou ik wel eens willen weten hoeveel inwoners Den Haag heeft gedurende de hondsdagen, die zoals u weet duren tot aan mijn verjaardag – nou die weet u allemaal wel hè? Volgens mij zitten we momenteel met 200.000 mensen inclusief toeristen in ons dorp, dat bestaat sedert 1248 toen graaf Willem II van Holland een kasteel liet bouwen aan een duinmeer, de huidige Hofvijver, – een dorp dat pas in 1806 onder Frans bewind zijn stadsrechten kreeg.

Maar daar wou ik het niet over hebben. Waar ik het over wilde hebben is die enorme leegloop als het weer een beetje tegen zit (en dat is meestal het geval). Een beetje internetreisbureau krijgt op een regenachtige dag een miljoen bezoekers te verwerken en die willen allemaal naar Turkije, Griekenland, Portugal, Brazilië, Thailand, Cambodja, Mexico, Mauritius of de Zuidpool (waar het veiliger is met die pinguïns dan op de Noordpool met die ijsberen). Het zij ze gegund, maar waar betalen ze het van? Een weekje Turkije last minute kost al gauw een bijstandsuitkering, met zijn tweetjes twee bijstandsuitkeringen. En wat is een gezin kwijt? Okay, je kunt er voor sparen, maar die toeristenkudde pakt dan ook nog in de winter effe een skivakantietje en tussendoor ‘nog effe wat zon in Tel Aviv’ of zo.

Aan het begin van de vakantie vroegen achterblijvers elkaar nog wel naar vakantieplannen, maar nu de boel duidelijk is, hebben achterblijvers iets berustends over zich gekregen. Velen kunnen een vakantie gewoonweg niet betalen en ze hebben er geen idee van hoe die anderen dat voor elkaar krijgen. Achterblijvers klagen niet, zelfs niet over de vervuilde zee, daar laten we onze vette baggerhumor op los, wat moet je anders.

Weet je wíe er klagen? Die straks terugkeren van die vakantieparadijzen, waar ze zich vet hebben liggen vreten en zuipen en vervelen. Klagen over hoe verschrikkelijk de prijzen weer zijn gestegen, hoe ze worden genaaid waar ze bijstaan, en dan roepen ze dat ze blij zijn dat ze weer thuis zijn. Maar moeten wij, trouwe dienaren des vaderlands, daar dan ook blij om zijn? Kunnen we niet even een noodwet in werking stellen waarmee we die klagers linea recta terug kunnen sturen naar waar ze vandaan komen? Leeg = Leeg. Ja toch?

Haagsche Courant, vrijdag 30 juli 2004

Spoelwet

logo alfred birney Zo, dus de FC Den Haag, nee ik bedoel ADO, eh nee ADO Den Haag heeft nu ook een Japanse kanjer. Ik dacht eerst even dat ik las ‘Japanse karper’ (= koi) en vroeg me meteen af of die karper de ooievaar op de spelershirts zou vervangen en welke kleur die vis dan wel niet zou hebben, of dat de middenstip misschien was vervangen door een rond vijvertje waarin de koi vredig kon zwemmen ter lering ende vermaeck van voetbalvandalen. Maar nee, we hebben hier dus echt van doen met een ‘Japanse kanjer’. Zijn naam is Kazu Toda. Hij was die speler met die rode kuif, zeg de Koi van het Japanse team, tijdens het WK van Hiddink weet u wel. Het opmerkelijkste wat over Toda’s lippen kwam bij de eerste persconferentie in het Haegsche is dat zijn appartement een bad mist. Leuk, hè? Nou zijn de verschillen in badcultuur tussen Holland en Japan al zo’n 400 jaar bekend, er is uitgebreid over geschreven in een megaseller als Shogun van James Clavell, maar een Japanner het hier naar de zin maken door zoiets eenvoudigs als een bad, nou nee, dat zal nog zo’n 600 jaar duren, denk ik. Gut, straks stuurt ADO een gedelegeerde naar de voetballende Karper om hem uit te leggen hoe ie een washandje moet gebruiken, wah! Kan ie van schrik niet meer voetballen tot zeg de laatste wedstrijd voor degradatie naar de flutdivisie.

Ik maak effe een sprongetje naar de Indische mensen die met 300.000 naar Holland werden verscheept in de jaren vijftig. Beetje link dit, want er zijn oudere Indische mensen die terstond mata gelap (oog rood = woedend) worden als ze in één adem met een ‘Jap’ (Jap = zoiets als Mof) worden genoemd. Maar ik begon dit sprongetje toch netjes met een nieuwe alinea, niet? (Voor wie werkelijk niet weet waar ik het over heb: zet die teevee eens uit en lees een geschiedenisboek, desnoods eentje van Bosma en Raben).

Goed, sprong gemaakt. Nou, die Indische mensen die keken zich hier de ogen uit het hoofd. Wat bleek? Hun Hollandse voorouders bedienden zich op het toilet van papier! Smeercultuur, wah! Indische mensen daarentegen hadden een spoelcultuur. In het eenvoudigste geval bedienden zij, en bedienen zij zich van de fles om hun achterste mee te spoelen. Spoelcultuur, ya! (Botol cebok = mencebok met fles.) Die vergaten onze dominee Multatuli en onze dandy Couperus helaas te beschrijven in hun romans en met echte Indische romans vegen onze ‘grote’ recensenten in Damsko zich de gat af, tja, ach, al, sudah laat maar.

Of ADO inmiddels niet al een klusjesman op onze Japanse Karper heeft afgestuurd om een bad te plaatsen zou ik niet weten. Maar nu ik het er toch over heb… eh, is het niet mogelijk dat er een Spoelwet komt, waarin staat vermeld dat elke verhuurder verplicht is voor Indische mensen een sproeiertje in het toilet te monteren? Laat geen sporen na. Is Indisch.

Haagsche Courant, vrijdag 30 januari 2004

Follow

logo alfred birney Ik ga denk ik maar een auto kopen. Kan ik met de tuffende niet-rokers het milieu verder gaan verzieken. Mijn zoontje mag dan halverwege deze eeuw gezellig met een gasmasker over straat. Maar hemel, die auto’s van tegenwoordig zien er niet uit. Het is allemaal dezelfde fantasieloze blikzooi met veel oog voor zuinigheid in brandstofverbruik (zodat we nóg meer kunnen rijden), veel computergefreak (sprekende wegwijzers, dan hoef je niet te denken), op afstand bestuurde vergrendeling (leuk voor zappers), 100 watt hifi-installaties (zodat je het verkeer om je heen niet hoort) en meer van die ongein. Geef mij maar een ouderwetse VW of Citroën Traction Avant waar mijn Brabo opa met zijn dronken kop eens de vaart mee in reed (hij won tweemaal de staatsloterij en had de volgende dag alweer een nieuwe). Die auto’s hadden een eigenheid, wat zeg ik, een ego! Haal ik me wel een probleem mee op de hals, want die ego’s kenden geen therapeuten indertijd. Dus dat wordt sleutelen en dat kan ik niet met die verwende schrijfvingertjes van me.

Het VW-busje is mijn favoriet, liefst een T1 (1948-1966), want daar reed Ome Willem in. Wie Ome Willem is doet er nu even niet toe, dat komt later wel. Eerst maar onze Craig. Die reed, moderner, in een T2 (1967-1979). Mwah, ging nog wel. Enorme zeikerd van een vent overigens, maar hij reed lekker, smooth you know, yeah!

Craig was een naar het stadshippiedom afgegleden ex-militair en toerde een poosje door Holland in een VW-busje met Duits kenteken. Achterin lag een matras, waarop we blowden, gitaar speelden en zemelden over de zin van het leven. Onze tochten waren doelloos en dus perfect, aangezien wij de doelloosheid als de tao van het leven beschouwden. Maar Craig was een kapotte grammofoonplaat, die bleef hangen bij een alarmknop die Amerika het sein kon geven onmiddellijk haar raketten op Rusland af te vuren. Craig had zwetend van angst achter die knop gezeten. De Derde Wereldoorlog had ooit in Craigs handen gelegen! Gitaarspelen kon hij niet. Wat een handicap voor een traumadier. Hij had wel een cassettespeler aan boord, met maar één bandje, dat eindigde met ‘Follow’ van Richie Havens, die zwarte folkartiest die op Woodstock even niet wist wat ie moest zingen en spontaan ‘Freedom’ begon te schreeuwen. Ik heb zijn eerste elpee nog, bekrast, bevlekt, doorleefd. ‘Follow’ staat erop. Als ik dat draai, dan zit ik weer in Craigs busje. Zonsondergang in 1972. Neonlicht. Kalklijnen spelen op het asfalt. Richie Havens zingt: ‘If all the things you see ain’t what they seem… Then don’t mind me, cos I ain’t nothing but a dream…’

We zwijgen, Craig erbij. Wat kan het leven mooi zijn. Met zo’n lied dan, hè? Laat dat VW-busje eigenlijk maar zitten ook. Muziek, tabak en de Haagsche Courant. Dat is zat, joh.

Haagsche Courant, vrijdag 23 januari 2004

De bezem

logo alfred birney Een asielvinder laat zich in een interview ontvallen dat ze hier kwalijk als schoonmaakster kan gaan beginnen. Is beneden haar niveau. Nog niet koud in Holland en dan al verwend. Dát is nog eens inburgeren! Schoonmaakwerk biedt tóch geen garantie voor sympathie bij de de autochtonen.

Op een nieuwjaarsdag begin jaren zeventig, na het laatste zware bombardement van Amerika op Noord-Vietnam, had ik het genoegen met een groepje betaalde vrijwilligers de sporen van oud en nieuw te mogen opruimen. Gewapend met heksenbezems werden we in Bezuidenhout gedropt. Op een hoek lag een uitdagende hoop vuurwerkafval. Een dame wees me tikkend tegen haar gepoetste raam op een drol. Ik knikte haar vriendelijk toe en veegde er het vuurwerkafval netjes omheen. Een toegewijde straatveger houdt zijn bezem immers schoon.

Tijdens het schaftuur in de kantine werd ik van mijn formica tafeltje weggeroepen en naar het opperhoofd der straatvegersgilde aan de Gaslaan gecommandeerd. Daar liet deze caesar me snauwerig weten dat er een klacht was uit het Bezuidenhoutse over ‘zo eentje met zwart haar.’ De bullebak wenste geen wederhoor en blafte me het terrein af.

Woef!

Wat een manieren. Wat een blindheid voor de eigen cultuur! Elke toerist die Nederland aandoet, wrijft zich verlekkerd in de handen bij de gedachte aan het zien van molens, tulpen én hondenpoep.

Zeg caesar! Oud geworden inmiddels? Alsnog een dispuutje beginnen over de drol als vermaard nationaal symbool? Herintreden anders? Er staan nog vacatures open voor mijnopruimers op de Killing Fields in Cambodja. Wel je eigen bezem meenemen.

Haagsche Courant, woensdag 2 januari 2002

Een neus voor vliegen

De witte Jumbo van Singapore Airlines met het getal 1000 op zijn kop heeft een gaatje in zijn neus, veroorzaakt door een onduidelijke vogel met kamikazeneigingen. Ik ben terug op Schiphol, ditmaal om in oostelijke richting te vliegen. KLM zette me eerder niet op het gewenste vliegtuig naar Amerika omdat het bijna volle maan was en zijn zusje North West Airlines vloog niet op tijd terug naar Nederland omdat de piloot niet uit zijn nest kon komen.
     
Singapore Airlines blijkt nu ook last van kuren te hebben, maar verslaat KLM/NorthWest toch met klantenbinding. Hun baliepersoneel van mooie, fijngebouwde blonde meisjes biedt ons passagiers consumptiebonnen aan plus een snelcursus vliegtuigneuskunde. De meisjes in de lucht zijn ook mooi en fijngebouwd, maar bruin. Eigenaardig, die apartheid. Vinden de imagebuilders van Singapore Airlines die sarongs niet passen bij blanke meisjes?
     
Ik eet nootjes en drink cola van mijn consumptiebonnen aan een bar waar je toevallig mag roken in Schiphols huichelachtig rookvrije en schone labyrint. De barkeeper doet zijn best om zijn homoseksuele geaardheid met een soap act te etaleren en zegt dat er niks boven cybersex gaat. Leest hij Cyberney dan-nie? Zijn humor heeft een bittere ondertoon, misschien is hij eenzaam thuis, waar-ie aldoor over spreekt: zijn pc, zijn kabelmodem, zijn webcam.
     
Ik ga naar een land waar eenzaamheid niet lijkt te bestaan, ik ben er al 12 jaar niet meer geweest sinds ik er een bezoek bracht aan het graf van mijn peranakan-Chinese grootmoeder. Ik herinner me dat ik daar in Indonesië nooit alleen was. Eenzaamheid voelt anders daar, minder alleen. Toch is het leven er oneindig harder dan hier in Nederland.

Na het urenlange gehang aan de bar ga ik eens kijken naar hoe het met de neus van de witte Jumbo is gesteld. Een nieuwe neus was niet voorradig op het vliegveld en is ijlings uit de fabriek gekomen. Toch niet uit een speelgoedfabriek? De glanzende witte snoet scharniert als een deur op de toet van de plane en moet de radargevoelige elektronica beschermen.
     
De mecaniciens krijgen hem niet dicht. Is er al een rol plakband onderweg?
     
Ik sta aan de gate en monster mijn medepassagiers. Fronsen zij hun wenkbrauwen vanwege het nerveuse gestuntel van twee inderhaast opgetrommelde mecaniciens van Lufthansa, of vanwege de vertraging? Ik zal mijn aansluitende vlucht in Singapore missen, dat is zeker. De chauffeur van de secretaris van de Nederlandse ambassade zal mij in Jakarta tevergeefs opwachten.
     
We mogen al instappen. Nou dank u, gaat u gerust voor. De passagiers slenteren wat weifelend naar de slurf. Een klein groepje blijft bezorgd staan. Wie onderweg is, is onderweg en moet zich oefenen in niet daar willen zijn waar hij of zij niet is, nietwaar? Ach overgrootmoeder, was ik maar een wijze Chinees, een oude uit een antieke dynastie. Zet me met een penseel en rijstpapier aan de goudvissenvijver en laat mij luisteren naar het zingen van de hofdames van mijn heer, die me morgen de strot zal laten afsnijden omdat een haartje van mijn penseel in de inkt op het perkament is achtergebleven.
     
Zal ik ditmaal sterven, voorouders? Je moet toch ééns neerstorten. Hoe vaker je vliegt, hoe groter de kans, zeg mij maar dat het niet zo is.
     
Ik ga als een der laatsten aan boord. Wie bang is voor vliegen die toont moed door te vliegen. Wie niet bang is voor vliegen, die toont niets bijzonders door te vliegen.
     
Mijn stoel staat helemaal achterin, een plek van niks omdat je er je leuning maar half naar achteren zetten. Slapen wordt dan nóg lastiger dan het al is in zo’n ding. Nou blijft de staart meestal wel heel na een crash, dus jouw lijk kunnen ze er dan als eerste uithalen. Scheelt toch weer tijd, je ligt dan eerder in je kist, prettig voor je nabestaanden want die hebben het als iedereen druk-druk-druk of cultiveren een burned out, in elk geval tonen ze de wereld dat ze hier niet zijn om alleen maar boter-kaas-en-eieren te spelen.
     
Ik zit naast de nooduitgang. Prettig. Minder prettig is het dat het boordpersoneel die dikke deur niet dicht kan krijgen. De vliegtuigtrap is te ver omhooggeschoten en houdt de deur in de tang. Het ongetwijfeld intelligente personeel probeert nu trekkend en rukkend de loodzware deur over het trapbordes te trekken. Verkieslijker lijkt het me om het grondpersoneel de trap onder die deur te laten zakken, maar dat zal nog wel bezig zijn met het onontbeerlijke reukorgaan aan de andere kant.
     
Enige doorgewinterde luchtreizigers naast me beginnen te verhalen over de spannendste vliegreis uit hun logboek. Noodlanding op Timboektoe. Duizend verschroeide pinguïns na een tussenstopje op de Zuilpool. Vechtende krokodil en haai op de startbaan van Surabaya. Dat soort dingen.
     
‘Volgens mij staat het vliegtuig scheef.’
     
‘O ja?’
     
‘Ja, kijk maar, zie je die lijn? Ze hebben het vliegtuig helemaal verkeerd geladen.’
     
De take off is de onzekerste die ik ooit heb meegemaakt. Het lijk wel alsof deze Jumbo een ego heeft en helemaal de lucht niet in wil. Er staat een stevige wind, het toestel trekt zo traag en hortend op, dat ik bijna echt begin te bidden voor mijn nabestaanden.
     
‘Komt dat ding nog omhoog of hoe zit dat?’
     
‘Het is die lading, ze hebben het schip veel te erg volgestouwd.’
     
‘Het schip, hè?’
     
‘Straks wordt de lucht ijler en dan vliegen we.’
     
Die profetie wordt bewaarheid. We komen te vliegen. Zal me een lekkere landing worden met zo’n scheef geladen toestel. Enfin, dat is een zorg van 12 uur later.
     
Elke stoelleuning heeft een monitor in de rug, waarop je speelfilms kunt zien, Nintendo kunt spelen én de vluchtroute kunt volgen. Kan de KLM niet aan tippen. Bovendien wordt er champagne geschonken, wat ik niet lust, en aero-rijsttafel geserveerd, wat niet te vreten is. Nou hoef je je neus maar op te halen of een stewardess komt je vragen of je misschien iets anders wilt eten. Maar de sarongs en condé’s die ze dragen geven je ook weer het gevoel in een reclamespot te zitten en je zou toch weer bijna heimwee krijgen naar die tof-horkerige Hollandse KLM-meiden.
     
Ik zal 12 uur lang muziekzenders afzappen, van jazz via klassiek naar Asian Pop, terwijl ik me kinderlijk verbaas over de landen die we bijna hautain overvliegen.

Iemand in Tajikistan ziet in de heldere nacht een vliegtuig overkomen. Ze kan niet slapen, maakt haar zusje wakker en zegt: ‘Kijk, een vliegtuig! Waar zou dat heengaan?’
     
‘O,’ zegt het zusje slaperig, ‘naar Singapore.’
     
‘Hoe weet je dat?’
     
‘Nou, dat denk ik zo.’
     
‘Misschien zit de man van je dromen wel in dat vliegtuig en gaat-ie je zomaar voorbij.’
     
‘Ja… een schrijver.’

birney in vliegtuig

‘Ja, die Cyberney, die bruine desperado op klompen uit dat land waar alles kan en mag en waar ze penalty’s missen bij het voetbal omdat ze in de kleedkamer cocaïne snuiven.’
     
‘Stortte hij maar neer, dan kwam hij met de staart in onze tuin terecht en dan konden we hem oplappen en dan mochten we met hem mee naar Holland, waar het leven zo goed is en waar ze je niet meteen voor je kop schieten als je eens met de postbode neukt.’

Blij dat ik er even vandaan ben.
     
De landing op Singapore is een harde, het toestel lijkt even op één schaats te rijden.
     
Smokkelen de Singaporezen misschien een paar stuurse Hollandse BSE-koeien mee voor hun dierentuin?
     
Fijn dat het grondpersoneel te Singapore alles zo heeft geregeld dat je direct een alternatieve vlucht naar Jakarta kunt nemen. Aangenaam ook te ontdekken dat het land, waar men je kop bijkans in de strop legt als je een sigarettenpeuk op straat gooit, een rookkamer heeft op zijn luchthaven. Fransen, Duitsers, Zweden, Hollanders en vooral Singaporezen paffen er dat het een lust is. Zelfs mannen in uniform, die zodra ze de rookkamer hebben verlaten weer je grootste vijanden zijn en je vele Singaporese dollars laten dokken als ze je betrappen met een peuk op de wc.
     
De plees bieden de bezoeker liefst drie manieren om de kont te reinigen. Dat kan hier met wc-papier, met een klassiek mandi-emmertje én met een kraanslangetje.
     
Dames en heren architecten in Negri Belanda! Houdt bij het ontwerpen van uw sociale woningbouwprojecten voortaan niet alleen rekening met de behoeften van onze mohammedanen, die de wc niet naast de keuken willen! Denkt u ook aan het kraanslangetje, waarmee u de zwijgzaamste minderheid van Nederland gelukkig kunt maken! En leert u eens uw kont te spoelen, verdomme nog aan toe! Onze ouders uit de Gordel van Smaragd zijn hier niet alleen gekomen om jullie enkel saté te leren vreten en Tjalie Robinson te leren lezen! Neemt u eens iets over van andermans pleecultuur: kijk eens naar de multiple choice die de Singaporees u biedt bij het verblijf op de vrolijke vierkante meter!
     
Ziezo. Cyberney heeft gesproken, geschreeuwd. Nog één peuk en dan het volgende toestel in naar Jakarta. Een kleinere Boeing. Smooth flight.
     

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Ingewikkeld

The river flows. Ik heb diep geslapen. En kort. Ik neem een bad. Iowa House, een hotel op de campus, is zo groot dat je blij bent als je iemand in de gangen ziet lopen. Wordt hier een conferentie gehouden?
Ik neem als ontbijt broodpudding, ik zie zo gauw niks anders, sta met mijn suffe hoofd gewoon in de verkeerde rij van de cafetaria, waar enorme porties eten wordt geserveerd. Twee van de vijftig tafels zijn bezet. Nou, gezellig hier.
Na mijn ontbijt wandel ik naar de rivier. Ik kijk naar de rivier. Als ik water zie, hou ik op met denken. Ik heb een vrije dag om te acclimatiseren, het is donderdag, men heeft het programma ge-rescheduled, er is nog weinig te doen.
Bunga komt later op een bankje zitten en maakt een foto van mij en een oude hippie, die verderop al een uurlang probeert een band van zijn mountainbike te plakken. Duurt langer dan dat bandje van die Jumbo Classic. Bunga maakt een kiekje van mij en de cowboy, ik van Bunga met mijn laptoptas, als troost voor haar zwervende koffer.

In de middag maak ik met Wanda en Bunga een wandeling door de stad, met zijn rechttoe-rechtaan straten. Bunga heeft maar liefst 25 dollar schadevergoeding gekregen van North-West Airlines, de zus van KLM, om wat kleding van te kopen. Nou kost een hotdog met een cola al gauw tien dollar hier.
In de struiken langs de schone rechttoe-rechtaan-straten dartelen eekhoorns rond. We hebben Indian Summer. Op een veld speelt een horde studenten een onduidelijk spel met één frisbee.
Iemand heeft ons Nederlands horen praten in een kledingzaak. Een oud echtpaar stapt op mij af, terwijl Wanda en Bunga proberen om voor 25 dollar ondergoed uit te zoeken. Het echtpaar spreekt mij aan. Holland? Ja. Vakantie? Nee, conferentie. Ah!
De man gaf ooit les aan de universiteit hier, totdat ze de Germaanse faculteit sloten. Wanda heeft de man herkend, ze kreeg ooit les van hem. Maar dat weet hij niet meer. Wat hij nog wel weet is dat hij in de jaren veertig nog in Indië heeft gezeten. Indië? Jazeker. Hij was erheen gegaan als vrijwilliger, om er te knokken tegen de Indonesiërs. Nu, een halve eeuw later, vond-ie het nog altijd maar niks dat Indonesië een zelfstandige staat was geworden. Kijk maar naar het nieuws op CNN, zei de man, het is één rotzooitje. Nou, alsof het vóór de onafhankelijkheidsstrijd géén rotzooitje was, dacht ik maar ik hield mijn mond. Altijd respect voor ouderen hebben, leerden Indische kinderen vroeger. Zo’n oude man, ik liet hem maar klagen, ook over Nederland, waar het zo was veranderd, waar het ook al zo’n rotzooitje was. Dat wist hij, ja want hij was er tien jaar eerder nog geweest. Hondenpoep hè? Ja, hondenpoep. Veel junks hè? Ja, veel junks. Liederlijke vrouwen hè? Ja, liederlijke vrouwen. Zeg Bunga, heb jij nog een onderbroek kunnen vinden?

marion bloem in iowa

Die avond laat Wanda me zien dat je ook in Iowa sushi kunt eten. Terug in het hotel zap ik wat Amerikaanse nieuwszenders af, ga slapen en sta weer vroeg op.
Ik kijk naar de roeiers op de River Iowa. Het zijn studenten die trainen voor de roeiwedstrijd. Het water is glad, er is geen wind, de boten glijden in een rechte lijn door het water. Ik heb een interview voorbereid, maar het programma is in de war gelopen door een verkeerde verwijzing in de gids naar de studio waar het interview zou plaatsvinden. Er zal ge-rescheduled worden.
Ik weet nog niet precies wat er allemaal van me wordt verwacht en neem in mijn hotelkamer mijn essay hardop door. Neemt 30 minuten. Dat is 10 minuten te lang, maar ik kan er l’improviste wel iets van brouwen, als het moet. Bovendien is het geschreven als bijdrage aan een essaybundel van allerlei deelnemers, een boekwerk getiteld Writers on Writing: Short Story Writers and Their Art; Maurice A. Lee ed. (Westport, CT: Greenwood Publishing Group), dat ook al is ge-resceduled, naar het jaar 2001.
Ik woon een tamelijk melige paneldiscussie bij in de Ballroom, de grootste zaal in het gebouw naast het hotel, waar de grootste publiektrekkers worden verwacht. Op het podium zit de helft van wie was aangekondigd, de andere helft springt re-scheduled bij.
Het thema is race, gender, sexual orientation, and writing in today’s world maar ik hoor helemaal niks over race, gender, sexual orientation, and writing in today’s world. Op het podium zit een Amerikaanse incrowd, die wat lollig zit te doen. De enige zwarte schrijver van het vijftal, James Alan McPherson, verstopt zich.
Een schrijfster uit New York, blasé, kennelijk een arrivé, stelt voor om als schrijvers gezamenlijk voortaan met twee romanfiguren te werken: George en Maggie of zoiets. We krijgen dan boeken met George en George, George en Maggie, Maggie en Maggie, George en Maggie, George en George plus Maggie enzovoort. Nou, ha ha dan maar. Ik sta paf van de onzin die deze Amerikaanse schrijvers verder nog gezamenlijk de zaal in slingeren. Moeten ze in Nederland toch niet mee aankomen. Geen wonder dat de gespreksleider Bharati Mukherjee weggebleven is, had de bui al zien hangen zeker.
Op een zeker ogenblik komt er een vraag vanuit de zaal: hoe het zit met de neiging van de pers om schrijvers met een hoegenaamde achtergrond aldoor de richting in te willen duwen van die hoegenaamde achtergrond. Met andere woorden: zwarte schrijvers moeten hun zwarte cultuur vertegenwoordigen, homo’s hun homocultuur, mengbloeden hun mengcultuur en ga zo maar door.
Deze vraag wordt gesteld door Maurice A. Lee, de director van de conferentie, op wiens verzoek ik een essay schreef voor het Amerikaanse publiek, getiteld Apartheid in literary criticism, dat dezelfde vraagstelling heeft.
Het klinkt ongelooflijk, maar Maurice Lee krijgt gewoonweg geen antwoord. Iemand op het podium begint een vaag verhaal, dat in helemaal niets eindigt. Verhalenverteller? Zodra het panel elkaar weer vindt in meligheid, is men de vraag alweer vergeten.
Na afloop stap ik op Maurice Lee af en vraag hem wat hij vindt van de reactie op zijn antwoord.
‘Ze staan erboven, zo willen ze doen voorkomen,’ zegt hij.
‘Maar staan ze er echt boven?’
‘Nee, ze denken dat ze erboven staan.’

De conferentie heet voluit Sixth International Conference on the Short Story in English en wordt gehouden van 12 tot 15 oktober 2000 aan de Universiteit van Iowa, een tamelijk conservatieve en blanke universiteit. De eerste short story-conferenties werden gehouden in Parijs (2 keer), Cedar Falls, Iowa City en New Orleans, Louisiana.
Centraal staat het korte verhaal als genre, dat terrein verliest of allang verloren heeft met de opmars van de vuistdikke roman, dus niet alleen in Europa maar ook in de USA. Op de tweede plaats proberen de organisatoren het korte verhaal van allerlei minorities onder de aandacht te brengen. Wat zijn minorities tegenwoordig? Dat is iedereen die niet vanzelfsprekend in een bepaalde categorie valt. Een willekeurige greep uit een circulerende namenlijst geeft eenvoudige voorbeelden te zien:

Joy Kogawa – tweede generatie Japans

Katherine Vlassie – tweede generatie Grieks

William Valgardson – derde generatie IJslands

Paul Yee – derde generatie Chinees

Janice Kulik Keefer – tweede generatie Ukraïns

Elisabeth Harvor – tweede generatie Deens.

Iets ingewikkelder ligt het met Clark Blaise, die geboren is in de USA uit Franse en Engels/Canadese ouders. Nog ingewikkelder, of gevoeliger, ligt het met ene Thomas King, die een Cherokee vader en Grieks/Duitse moeder heeft.
Maar zo ingewikkeld als een Indische schrijver van de Tweede Generatie tref je het niet zo snel aan. Want wat schrijf je achter de namen Marion Bloem en Alfred Birney in het Engels? Second Generation Indonesian kan niet. Second Generation Indisch kan ook niet, want men weet hier niet wat Indisch is, als men dat in Nederland al weet. Second Generation Indo evenmin, want achter ‘Indo’ verwacht men een koppelteken plus toevoeging. Second Generation formal Dutch East Indies is ook onjuist, want wij zijn in Nederland geboren.
Het wordt dus gewoon Dutch postcolonial writers, of Postcolonial writers from the Netherlands. Wat is postcolonial? Dat zijn werken die komen van auteurs die voorheen tot de gekoloniseerden behoorden. Indo’s zijn voortgekomen uit kolonialen en gekoloniseerden en zaten daar dus tussenin. Nu de kolonie niet meer bestaat, vormt het werk van hun kinderen, wij dus, het coda op de Indische literatuur. Dus niet op de koloniale literatuur.
Maar wat is Indische literatuur? Er zit bijna niets anders op dan die gewoon te claimen voor literatuur van Indo’s. Evenwel, nu het Indië én het Indische van toen dan niet meer bestaan, dan zou je in ons geval weer moeten spreken van post-Indische literatuur. Enzovoort.
En dan representeer je met je brontaal een land dat behalve Nederland ook nog eens Holland heet en voor de gemiddelde Amerikaan ergens in Duitsland ligt met als hoofdstad Kopenhagen. Een land ook dat niet bepaald schittert in de export van haar literatuur, behalve dan naar Duitsland, waar ze in elk geval weten waar Scheveningen ligt. Een land dat ministers kent die op het internationale podium niet fatsoenlijk met de voertaal Engels uit te voeten kunnen en daarom hun hoofdstad niet eens op zijn Hollands durven uit te spreken.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!