Rivier de Brantas begint te stromen

logo alfred birney weblog Op mijn bureau ligt naast mijn toetsenbord mijn manuscript, feestelijk bekrabbeld met de correcties van een uitgeversredacteur. Hij heeft een voorliefde voor accenttekens en puntkomma’s. Laat ik daar nou toevallig een bloedhekel aan hebben. Die stomme Hollanders doen eerst alle moeite om zich van trema’s en overige ‘hinderlijke’ leestekens te ontdoen (zoëven werd zo-even) en dan komen ze met á’s en ó’s aangehobbeld, na een eeuw Couperus’ eigen spelling te hebben verkracht. Mijn redacteur stelt zoiets voor:

Ik wist niet of ik bang was voor háár, voor haar verschíjning of voor de onduidelijke bóódschap die ze mij probeerde over te brengen.

Een vriendin van me schrijft zo, alsof ze praat. Erg mooi, maar ik zet alleen een accentteken als het echt moet. Dus niet als het écht móét.

Uiteraard is mijn redacteur goed in spellen. Hij weet precies wanneer je ergens vanuit gaat of ergens van uitgaat, ervanuitgaande dat Van Dale het allemaal wel weet. Maar Van Dale schrijft niets voor, Van Dale beschrijft. Er zijn bij mijn weten een slordige vijf spellingboekjes in Nederland te vinden: het groene boekje, het rode boekje, het blauwe boekje, het witte boekje en het groen-geile boekie. Ik schrijf ze zonder hoofdletters neer, want anders moet ik steeds de shifttoets indrukken en dáár heb ík nú géén zín in. Schrijvers moeten kunnen spellen, maar een dicteewedstrijd winnen zou werkelijk een afgang voor een schrijver zijn. Spellen is namelijk voor apen, het is nadoen. Spellen is voor de brave burger, het is doen zoals het moet. Spellen is niet creatief. Aan de kijkcijfers van het Nationale Dictee kun je wel ongeveer aflezen hoeveel oncreatieve mensen Nederland rijk is. Nog méér dan het aantal mensen dat een boek probeert te schrijven.

Toch ben ik blij met mijn redacteur. Wanneer je een manuscript vijf keer hebt herschreven, ga je blinde vlekken ontwikkelen. Door het verplaatsen van tekst ontstaan bijvoorbeeld gemakkelijk doublures. Het lastigs is te bepalen welke Maleise of Indische of Indonesische uitdrukkingen wel of niet in een woordenlijstje achterin moet worden opgenomen. Iedereen heeft weleens (moet dit woordje los geschreven of aan elkaar?) van ‘tempo doeloe’ gehoord, maar niet iedereen weet wat dat precies betekent. Volgens Van Dale zou een ‘toean besar’ een titel zijn die ‘de inheemse bevolking van het voormalige Nederlands-Indië aan de gouverneur-generaal gaf, ook wel informeel door de Europeanen gebruikt.’

Dat is natuurlijk niet helemaal waar. Reden waarom ik ‘toean besar’ in mijn woordenlijst heb opgenomen, waar het volgens mijn redacteur niet hoeft te staan omdat het in de Van Dale staat. En omdat het zus en zo in de Van Dale staat denkt mijn redacteur opeens dat een van mijn romanhelden gouverneur-generaal was.

Natuurlijk is er ook gedoe rond het begrip ‘Indo’. Volgens de meeste spellingboekjes moet Indo met kleine letter worden geschreven: indo. Indo’s vormen namelijk geen volk maar een groep. Zoals eskimo’s en zigeuners. Sinds zigeuners de volkenrechtelijke status van Roma en Sinti hebben gekregen, moeten die groepen met een hoofdletter worden geschreven.

Harry Mulisch had maling aan hoofdletters in zijn roman De aanslag. Duitsers en overige volken krijgen een kleine letter. Dat was zijn keus. En Indo met een hoofdletter is mijn keus. Simpel. Overigens staat het proza van Mulisch vol met puntkomma’s, hij was gek op die broekrok uit onze leestekengarderobe.

Terug naar de toean besar of de toewan besar of de toewaan besar of de tuan besar. Een meneer in goeden doen. Naast gouverneurs-generaal waren er veel toewans besar. Dat Van Dale dat niet weet, kan ik ook niet helpen. Dit krijg je ervan als je scholieren de verkeerde boeken laat lezen. Die gaan later namelijk uitmaken hoe de volgende nieuwe spelling eruit moet gaan zien. Het bekrompen idee dat de Nederlandse geschiedenis zich alleen maar achter onze duinen heeft afgespeeld, dringt zich dan eens te meer op. De hongerwinter and all that. Zal het ooit nog wat worden met de fusie tussen onze traditionele en (post)koloniale geschiedschrijving? Ik betwijfel het, maar een serieuze schrijver heeft nog altijd een taak, ook in de huidige tijd van hypes, oppervlakkigheid en vluchtigheid. Reden waarom ik een trilogie schrijf van Rivier de Lossie – Rivier de IJssel – Rivier de Brantas. Want ja, er zijn dingen die moeten worden gezegd. Móéten, zou mijn redacteur schrijven. Ja, het moet gezegd. Het moest gezegd. Eh… het is al gezegd, maar men heeft (nog) niet geluisterd.

Rivier de Brantas moet volgende week worden ingeleverd. Er komt dan nog een rondje voor de zetproeven. In februari moet het verschijnen. Soms word ik dol van de correcties en ga ik met mijn websites spelen. Ik bewerk ze, verkracht ze, verplaats ze, jaag mijn bezoekers weg, en dan zet ik alles weer in de oorspronkelijke staat terug. Het is nu 4 minuten voor 4 in de ochtend. Ik ga de afwas maar eens doen.

Doch er is een drawback – 1

Wie in zijn familiegeschiedenis duikt, komt vroeg of laat wel ergens een wapenschild of beroemdheid tegen. Op een dag keek ik terug op wat ik geschreven had en welke familieleden model in mijn romans hadden gestaan. Dat waren mijn vader en mijn grootmoeder. Er restte nog één figuur die ik moest ontdekken langs de Indische lijn in mijn familie: mijn overgrootmoeder. Onderzoek plegen hoefde niet, gegevens over haar werden me mettertijd ongevraagd aangereikt door historici en literatuurwetenschappers die mijn schrijverspad kruisten en verdwenen ongelezen in mijn lade. Die hoefde ik slechts open te trekken toen ik aan een novelle begon te werken en haar – dit klinkt oneerbiedig – als bijfiguur nodig had.

Rabina heette ze, geboren ergens op Oost-Java, zonder achternaam. Niet direct iemand die je in de negentiende eeuw ergens in Overijssel zou tegenkomen, dacht ik. En zo dachten indertijd Anne Busken Huet en Sophie Potgieter ook. Anne was de vrouw van de schrijver, criticus en journalist Conrad Busken Huet, die zijn heil in Batavia was gaan zoeken. Sophie was de zuster van E. J. Potgieter, mede oprichter van het tijdschrift waar u nu in leest: De Gids.

Wie een beetje thuis is in de Indische bellettrie, weet dat schandalen bij voorkeur in de kolonie werden gesitueerd en dat de beschaving begon en eindigde in Nederland. Je ziet het in de werken van Couperus en Multatuli, maar de echte liefhebber haalt zijn informatie uit de boeken van niet gecanoniseerde schrijvers.

De naam Dé-lilah zal alleen de ingewijde iets zeggen. Haar verbeelde werkelijkheid van onverschillig Hollanders, Chinezen of Indo’s was meedogenlozer dan die van haar voorgangers, al dweepte zij als Indo-Europees kind van haar tijd enorm met het beeld van ‘de aristocratische westerling’. Dit zal haar literaire positie in de ogen van diezelfde westerling ironischerwijs wel hebben verzwakt, als er al een kans was dat de smaakmakers van de Nederlandstalige literatuur haar boeken opensloegen.

Dé-lilah geboortejaar wordt door haar ontdekker Joop van den Berg rond 1850 geschat. Zekerheid over haar ware naam is er niet. Maar ze heeft tenminste een pseudoniem én een hilarische wijze van zichzelf aan de lezer voorstellen.

In het verhaal Een zuinige huisvrouw uit de bundel Een Indisch dozijntje (1898) gaat ze met haar vriendin naar de markt, een verschrikkelijke onderneming voor iemand zo ongeschikt voor het huishouden als Dé-lilah. Het verhaal is in zoverre interessant, dat de schrijfster een coming out inlast, tamelijk uniek voor die tijd:

Hanna, mijne vriendin is een aardig indisch vrouwtje, precies zooals ik, dat wil zeggen, dat ik ook een indiesche ben, of ik aardig ben daarover zullen we maar zwijgen.

Deze zin luidt een boosaardige scène in, die zich later op de markt afspeelt:

Vol afschuw sloegen we een ander paadje in, dat nog voller was dan al de andere wegen. Ik ergerde me vreeselijk. Ik was al uit mijn humeur over hetgeen ik gezien had en nu overkwam mij weêr de ergernis, als een pilaar vastgemetseld te moeten blijven staan en me niet te kunnen bewegen door deze foule van menschen. En wat voor menschen? Armoedige, vuile, magere inlanders, menschen met huid- en andere ziekten, vrouwen met ongekamde haren en natuurlijk het noodige gezelschap bij zich, of met een enkele sarong aan, met ontbloot bovenlijf; mannen, vuil en verwilderd, waaronder echte galgentronies.

Ik werkte geducht met mijn ellebogen, maar ’t hielp niet veel. Daar staat een Soendanees naast me met een rits, nog levende, spartelende goudvischjes aan een touwtje, en ik merk tot mijn ontzetting, dat hij dat zoodje tegen het aardbeien satijn mijner kabaija houdt en dat daar een leelijke vies ruikende vlek op gekomen is.

In mijn boosheid stoot ik met de punt van mijn parasol in zijn ribbenkast. Het schijnt aangekomen te zijn, want de kerel valt achterover, precies op een oude vrouw, die zwarte boeboer ketan verkoopt en hij trapt met zijn eene voet in de pan kokende toeboer. De vrouw schreeuwt en scheldt vreeselijk, maar de consternatie wordt nog grooter, wanneer diezelfde man, die van pijn brult, al strompelende terecht komt in een hoop katjang. Gelukkig is er nu ruimte gekomen en kan ik verder gaan

Dé-lilah is waarschijnlijk de allereerste overduidelijke Indo-Europese vrouw die zich aan verhalend proza wijdde. Ze kende het plantersmilieu goed, vooral in de uithoek Deli (Dé-lilah) aan de Oostkust in het Noorden van Sumatra, dat indertijd als een staat in een staat functioneerde. Daar gaf de zogenaamde ‘Koelie-ordonnantie’ planters de vrijheid hun arbeiders naar eigen goeddunken te berechtigen. Een dergelijke bizarre autocratische samenleving kende men op Java niet.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Uit het leven van een schrijver

Hallo A.,

Hoe gaat het? Ga je dit jaar iets doen op de Pasar Malam, ik bedoel de Tong Tong Fair? Ik heb een vraag. Op verzoek van Johnny Rahaket, violist en koorleider van het 100-koppig Colourful City Koor in Nijmegen, ga ik een bundel samenstellen met een aantal verhalen van zes auteurs, Indisch, Indonesisch en één Nederlander voor het contrast, met als onderwerp de PUPUTAN op Bali, ruim honderd jaar geleden. Ik heb al een paar namen, waar jij er een van bent. Het is onderdeel van de voorstelling PUPUTAN in juni van dit jaar. Hij wil de bundel presenteren op de Tong Tong Fair. Dit betekent dat ik je verhaal, als je mee wilt en kunt doen, – wat ik van harte hoop! – uiterlijk 10 maart moet hebben. Wanneer je ja zegt, mail ik je de voorwaarden. Ik zeg er meteen bij dat er geen vorstelijke gage achter zit, maar vast wel eeuwige roem.

Ik hoor graag van je.

Intussen hartelijke groet van

Z.

Hallo Z.,

Dank voor je uitnodiging, al is het wat kort dag vanwege overige opdrachten. In principe wil ik wel meedoen, maar eerst wil ik de volgende dingen weten:

1. het aantal woorden van het verhaal
2. de termijn waarin het verhaal niet in een andere uitgave mag worden geplaatst
3. het honorarium
4. de namen van de andere schrijvers
5. de uitgever van de bundel
6. de omvang van de bundel
7. de verkoopprijs van de bundel

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Fijn dat je zo snel antwoordt. Ik kan je nog niet op alle vragen antwoord geven, maar wel zo snel mogelijk. Ik ben van 5 t/m 25 februari niet thuis, maar we kunnen wel mailen. Johnny Rahaket wil dit boek koppelen aan de voorstelling Puputan (waarvan het script geschreven wordt door Frans Lopulalan), omdat hij (en ik) steeds weer ontdekken dat men er nauwelijks iets van weet. Schuldgevoel van de Nederlandse kant? Verdringing? De première is op 11 juni en dan volgen er nog een paar voorstellingen in het land. Er wordt hard gewerkt voor en achter de schermen. Zo, nu weet je in elk geval weer iets meer.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Ik antwoord zo snel omdat de uitnodiging erg laat komt. Bij zulke projecten wordt een schrijver gewoonlijk een half jaar tot een jaar tevoren gepolst en niet anderhalve maand voor een deadline. Wordt het boek in eigen beheer uitgegeven misschien? Ik kan Frans Lopulalan wel mailen, maar wat zou hij me dan verder weten te vertellen? Het aantal woorden en de hoogte van het honorarium kun je toch wel alvast noemen? Een goed verhaal heeft tijd nodig, ik ga niets afraffelen, de thematiek is al lastig genoeg. Dus geef de eerste gegevens die een schrijver nodig heeft en niet eerst de deadline.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Het idee van een boekje is pas een week geleden geboren. We zaten met de gedachte dat we iets moesten doen om wat kennis over de puputan te verspreiden. Het zijn toch zeer tragische en bittere momenten in de geschiedenis van Indonesië en ik denk ook een beetje van Nederland. Vandaar mijn vrij late verzoek. Het aantal woorden heeft een ruime marge: 2000 -3000. Het honorarium: dat kunnen wij niet geven. Behalve natuurlijk een aantal boeken voor elke auteur. Wij hopen dat de auteurs deze gelegenheid willen aanpakken als een vorm van PR. In elk geval schrijft Paula Gomes een verhaal, en Carola Eijsenring, een beginnend schrijfster die al verschillende prijzen won in Brabant. Verder zal mijn opdrachtgever Johnny Rahaket overleggen met Frans Lopulalan om een fragment van zijn script in het boek op te nemen. De Indonesische auteur die wij hebben benaderd is Agus Sarjono, een grote naam in de Indonesische literaire wereld en daarbuiten. Heeft in opdracht van de Universiteit Leiden en de Heinrich Böll Stichting gewerkt en verbleef daarvoor twee keer acht maanden in respectievelijk Nederland en Duitsland. Hij gaat deze verhalen ook vertalen in het Indonesisch en wij gaan praten over publicatie, in en na overleg met de auteurs. Hij is onder meer redacteur van het literaire tijdschrift Horizon. Ik meen uit je mail op te maken dat je “not amused’ ofwel een beetje geïrriteerd bent. Terecht, ik ben niet duidelijk genoeg geweest, waarvoor mijn excuses. Ik ken jou als een gedegen werker en je zult zeker niets afraffelen, dat hoort niet bij jou. Maar de tijd is inderdaad krap en hoe dit komt heb ik hierboven uitgelegd. Als je, na dit gelezen te hebben, denkt dat je het onder deze omstandigheden niet kunt of wilt, even goede vrienden. Ik hoop alleen dat je aan me denkt als overenthousiast voor de goede zaak: een beetje eerherstel voor de Balinees.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Nou, dat “not amused” is natuurlijk iets dat door gaat klinken in mijn mails omdat ik wel vaker vage uitnodigingen krijg met summiere informatie. Te vaak heb ik iets geschreven en er niets voor betaald gekregen, zelfs geen boek opgestuurd gekregen en ga zo maar door, ook voor buitenlandse contacten. Deze gang van zaken wordt met de tijd ook “normaler”: men krijgt een idee, men stuurt even een mailtje en dan ziet men wel weer. Nou blijk jij ook al aan die rare mode mee te gaan doen. “Het idee voor het boekje is een week geleden geboren.” Wat is dat nou, Z.? Ik ben toch geen beginner of zo? Als jij het niet was geweest, dan had je mail allang weggemieterd ja, maar ik vind jou toevallig aardig. Kijk, die vragen van me zijn doodsimpel en de antwoorden daarop horen gewoon in een uitnodiging, zelfs al heb je er geen antwoord op. Dus: uitgever, aantal woorden, eventueel honorarium, oplage etc. Of: wij kunnen u helaas geen honorarium bieden, het idee is pril etc. Dan kan ik direct bepalen of ik er mijn energie in moet gaan stoppen. Maar dat weet je nu wel. Het heeft trouwens niets met Indo’s te maken, de hele wereld werkt zo en dat bevalt me in het geheel niet, amen. Schrijvers als sluitpost van de begroting, dat zit me tot hier, dat moet zo niet doorgaan, dat is een schande. Maar goed, ik blijf in principe, uit sympathie voor jou, nog een klein beetje beschikbaar. Rest mij nog één vraag: wordt het een “boekje” (zo’n stapeltje ingelijmd papier met een kris erop die door het hart van de een of andere Balinees gestoken wordt) of wordt het een serieuze uitgave? Dus: wordt het gewoon een aardige gelegenheidsuitgave dat tijdens en na de voorstellingen wordt uitgedeeld of verkocht, of wordt er een ISBN-nummer aan vastgeplakt en staat er de naam van een uitgever op? Laat me dat nog even weten. Waarom kwamen jullie hier trouwens niet drie jaar eerder mee? Deze zaak is in 1906 al ruimschoots herdacht, een van mijn uitgevers is met de heruitgave gekomen van een boek over die rare actie van die stomme Belanda’s. Beetje mosterd na de maaltijd.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Natuurlijk heb je gelijk. Ik ín mijn enthousiasme spring ik erin, ja, gaan we doen. Laat ik even voorop stellen dat ik niets betaald krijg voor dit project, zal ik maar zeggen. Ik ga nu proberen je het verhaal te vertellen vanaf het begin.

1. Johnny Rahaket zei zo’n anderhalf jaar geleden in een gesprek tegen mij: Eigenlijk gaat een bepaalde vorm van puputan nog steeds door, anno nu. Ik wil er iets mee doen. Uitgangspunt was zijn vader, KNIL-man, je moet doden als het moet, want je bent militair. Ik heb Johnny ooit geïnterviewd en het is een bitter verhaal. Hij stelde zijn koor voor om naar Bali te gaan en les te nemen in kecak, in de opmaat naar de puputan-voorstelling. Dat was in juni/juli vorig jaar. Zo’n zestig koorleden zijn gegaan. Ik was erbij als tolk. Ik heb het zien groeien. De lessen zijn allemaal gefilmd, zodat de bewegingen en ‘commando ‘s’ etcetera goed waren. Praktisch niemand had nog ooit van de puputan gehoord. Er is een puputan kerkhof op Bali, maar die is van recente datum, van 1947. Terug in Nederland heeft Johnny Frans Lopulalan benaderd om het script te schrijven. Als je ziet wat het koor nu doet en kan ben je sprakeloos. Het is een groot project en ik heb begrepen dat de TV belangstelling heeft. Mijn rol in het geheel is op de achtergrond meekijken, meelezen, meedenken.

2. Het boek. Om de draad met het publiek nog een beetje vast te houden, leek het een goed idee een boek(je) samen te stellen over de puputan. Johnny gaf mij de vrije hand in het benaderen van auteurs. Omdat ik Indische ben, and proud to be one, wilde ik aanvankelijk alleen Indische auteurs. Maar al pratende leek het ook spannend er een Nederlandse en een Indonesische auteur bij te halen. Ik had iemand in gedachten omdat hij een prettige schrijfstijl heeft, al is hij meer een Midden-Oosten kenner. Maar na een gesprek met Frans kwam ik op Ewald van Vugt die twee jaar geleden een boek over de puputan heeft geschreven. Zijn uitgever In de Knipscheer heb ik gepolst en die heeft er wel oren naar. Wanneer het te lang gaat duren, wil Johnny het in eigen beheer uitgeven. Gebonden met een hard kaft, of gelijmd met een gelamineerde kaft, dat weet ik nog niet.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Dat boek van Ewald van Vugt was een heruitgave, het was al eerder in 1986/87 uitgebracht. Ik heb me het lazarus lopen zoeken maar ik heb het waarschijnlijk uitgeleend en zoals je weet komen geleende boeken nooit retour. Beroerd geschreven vond ik het, niet om doorheen te komen, maar Ewald VanVugt is wel dé kenner bij uitstek over Puputan 1906, hij heeft er ook lezingen over gegeven. Ik ben nu dat boek van Edita Morris aan het lezen, Poepoetan, want mijn kennis van de Balinese geschiedenis is slecht, ik heb me altijd verdiept in de Javaanse zooi, dat vond ik al meer dan genoeg. Ik ben nu aan het kijken of ik inderdaad iets zinnigs of iets moois over Puputan zou kunnen schrijven. Technisch kan ik dat wel, maar je moet ook een drive hebben, een wil om het te doen, en die ontbreekt nog bij mij, niet omdat ik niet betaald krijg maar omdat ik helemaal niets heb met Puputan, het verhaal heeft me eenvoudigweg nooit aangesproken. Dus dat is momenteel het probleem: kan ik iets met het thema? Dat Johnny Rahaket liefst zestig koorleden meeneemt, moet wel heel veel geld hebben gekost. Ik vind het nu nog absurder en idioter dat die man niet eerst even normaal over zijn begroting nadenkt. Het is mij allemaal veel te veel van hup we gaan eens even op Bali kijken, we smijten er al het geld tegenaan, we stoppen alles in het koor en… o ja, nu we anderhalf jaar verder zijn, gut laten we Frans Lopulalan eens voor het script vragen, helaas is er geen geld, we moesten namelijk een half vliegtuig afhuren, begrijpt u wel? Ik vind dit zo verschrikkelijk idioot van die man, dat mag je hem gerust zeggen hoor, dat ie een beetje collegialer moet zijn in plaats van als een kinderjuf maar even met een enorme groep naar Bali te vliegen – weet je wat dat kost, Z.? En weet je wat een schrijvertje kost? Nog geen zitplaats in zo’n vliegtuig. Nou, waar hebben we het dan eigenlijk over? Laat die vent maar extra subsidie aanvragen.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Een onmogelijke love story, een sprookje of zo, zit dat er niet in? Mij spreekt dat verhaal nog steeds aan hoor. Ik voel woede naar de Hollanders die een volk, dit volk, koste wat kost wilden onderdrukken en zo trots was dat zij zich niet liet onderdrukken. Iedereen heeft zijn eigen reis en verblijf betaald, zo enthousiast waren de koorleden. Ik ook. De korting die we kregen vanwege het grote aantal werd hoofdelijk omgeslagen. En nu zeg ik, net als Tjalie tegen zijn vriendje zei: Kallem dong. Vriendje met opgeheven vuist: Ini kallem. Uit: Piekerans. Tot nu toe heeft dus iedereen er zijn eigen geld ingestoken. Het is iets van: geloven in een droom, in dit geval een mooie productie. Want mooi wordt het.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo A.,

Hierbij een artikel dat ik uit Australië ontving. Misschien heb je er iets aan. Verder wil ik je zeggen dat ik voor het eerst over de puputan hoorde, of liever las in het boek Liebe Und Tod auf Bali van Vicky Baum. Ik vind het nog steeds een mooi, ingetogen geschreven boek. Het fragment staat op de laatste pagina ‘s. Het is vertaald en heet dan Liefde en dood op Bali. Vast overbodige info voor jou, maar ik geef het toch maar voor alle zekerheid. Verder ga ik op Bali dichter/schrijver Nyoman Wijaya ontmoeten die over de puputan heeft geschreven. Hebben we dus de Indonesische invalshoek. Ik ga dat fragment in het Nederlands vertalen. Ik heb achteraf gezien het grote geluk gehad een deel HBS en helemaal SMA te hebben gedaan in Indonesië. Daarna heb ik cursussen Bahasa Indonesia gedaan. Ik heb dus the best of both worlds gehad.

Salam,

Z.

Hallo Z.,

Het enige dat ik kan verzinnen is een monoloog met scheldproza dat zo ongeveer zegt dat het die stomme Belanda’s toch allemaal niets kan schelen en dat dat hele puputan-verhaal niet eens vergeten hoeft te worden, simpel omdat het nooit gekend is, etcetera – dat is het enige dat me na een paar dagen van gepeins te binnen schiet. Het puputan-verhaal vervult me namelijk met zoveel weerzin dat ik er alleen maar over kan schelden en mopperen, maar dat schijn ik goed te kunnen – dus geen geseyck over liefde en al dat Vicky Baum- en Evita Morris-gezwam, gewoon lekker schelden, te beginnen op Multatuli met zijn Saidjah en Adinda en dan komen die Batavieren vanzelf wel aan de beurt. Wil je scheldproza? Ja? Nee? Let me know.

Groet,

A.

Dag A.,

Sorry dat ik je nu pas antwoord. Bedankt voor je antwoord. En nogmaals, de schrijvers waren niet een sluitpost. Ik heb gedacht en gehandeld vanuit mijn Indisch-zijn: gotong royong, samen sterk. Ik ben lekker een dagje op familiebezoek geweest. Ik vertrek 5 februari naar Bali via Hong Kong en ben 25 februari terug. En oh zaligheid, ik ga ook een paar dagen naar Surabaya, waar ik ben geboren. Ik heb goed nagedacht over je voorstel en ik denk dat “scheldproza”, zoals jij dit noemt, niet zal passen met de rest van de inhoud van het boekje. Het zou er geen recht aan doen en aan de andere auteurs ook niet. Dus met heel veel spijt moet ik je bedanken voor je moeite tot nu toe. Mocht zich ooit weer iets voordoen, mag ik dan terugkomen? En dan wel met zoveel mogelijk informatie. Ik heb hier echt van geleerd. Dank je voor je duidelijkheid hierin.

Salam manis,

Z.

Zeg F.,

Nou heb ik die Z. waerachtig een schitterend voorstel gedaan, gratis en voor niets, en nu vindt ze mijn idee te eh… kasar! Wat moeten die Batavieren nou met een sprookje of een liefdesverhaal? Dat is voer voor neokoloniale sentimenten. Gescheld, gemopper en gekanker, dat is het enige wat bij dit project past.

Nah,

A.

Het licht van de maan

mitorai light of the moon Een groot voordeel van de weeromslag is dat er veel meer zuurstof in de lucht zit. Als een mens moet kiezen tussen een leven in een zonovergoten bakpan vol koolmonoxide of een leven in een winderige betonnen hel vol zuurstof, dan hij maar beter voor de hel kiezen. Ik kwam bijna geen fietser tegen gisteren, de softies hadden de auto genomen, bang voor een druppeltje regen, te slap om tegen de wind in te beuken. Nou moet ik niet stoer gaan doen, want toen ik op de boulevard de wind vol tegen kreeg, dacht ik heel even aan afstappen, ha! Ik keek om me heen en genoot van Igor Mitoraj’s Light of the Moon, ik vind dat beeld toevallig mooi, hoe zeer tegenstanders (kunstkenners) mij ook op andere gedachten hebben geprobeerd te brengen. Die Igor Mitoraj heeft als peuter het bombardement van Dresden meegemaakt, dus wie weet is hij daarom zo gepreoccupeerd met beschadiging. De beschadiging van het klassieke beeld, veel meer hoef je niet achter zijn werk te zoeken, denk ik.

Even verderop, als je helling af bent en het vlakke deel van de boulevard op fietst, krijg je die afschuwelijke Sprookjesbeelden aan Zee van Tom Otterness. Ik had tot afgelopen middag altijd geweigerd om die infantiele beelden wat beter te bekijken, maar nu het zo hard waaide en ik van narigheid even niet wist waarnaar ik kijken moest, ontwaarde ik de Haringeter. Dat kwam natuurlijk doordat ik vlak voor het ontwaken een voorspellende droom had over de nieuwe haring. Ja, ik droomde dat de nieuwe haring véél lekkerder was dan die van afgelopen jaar, die waarschijnlijk de slechtste haring is sinds Hollanders besloten rauwe vis uit de zee te eten. Men had verleden jaar besloten de nieuwe haringvangst met twee weken uit te stellen vanwege het veel te koude weer. Een blunder. Net als die Sprookjesbeelden aan Zee. Maar wil het zeewater niet al te koud blijven zodat de haring wat op gewicht kan komen, moet de zon straks wel weer gaan schijnen. Het zal dan weer een gekkenhuis zijn op Scheveningen, met kilometers lange files die de lucht verzieken. Hoe zal het leven op de maan zijn over vijftig jaar?

Het spijt me, dank u, het spijt mij ook

hat logo meneer b Het was voor het eerst dat ik het Japanse winkeltje binnenging in de winkelstraat bij mij om de hoek over de brug. Ik had de eigenaar, een jongeman van 35, vaker op straat gezien en zowel hij als ik hadden bij het passeren de ogen neergeslagen. In het gewone verkeer kijk je als man naar een vrouw, je kijkt van een man weg, maar de ogen neerslaan is wat anders. Ik was nog niet binnen of de Japanse jongeman vroeg me of ik Indo was. Hij wachtte amper op antwoord en begon zich te verontschuldigen voor wat de Japanners de Indo’s hadden aangedaan in WO-II in Indonesië. Ik glimlachte hem toe en zei dat ik van de Tweede Generatie was en in het geheel niet met wrok rondliep jegens de Japanners. Zoals er veel Hollanders van mijn generatie zijn die niet met wrok rondlopen jegens de Duitsers. Sterker, mijn tante had een kind van een Japanse soldaat, dus het deugde allemaal al niet in mijn familie, zei ik hem en hij moest er erg om lachen. We namen in sneltreinvaart de geschiedenis van Japan, Amerika en Nederland en Overzeesche Gebiedsdeelen door en kwamen toen pas ter zake. Dat had niet veel om het lijf, ik had alleen wat Japans briefpapier nodig. Later besefte ik dat in oosterse culturen men meer aansprakelijk is op het gedrag van de voorouders dan in westerse culturen. Zo werd ik eens op een lezing in Indonesië door studenten ter verantwoording geroepen voor mijn vaders oorlogsverleden.

We kunnen het maar niet geloven

logo alfred birney Volgens mij zullen mensen met moslimuiterlijk en zonder jihadneigingen zich deze dagen ongeveer voelen zoals ik me voelde tijdens de Molukse treinkapingen in de jaren zeventig. De eerste treinkaping joeg me naar de spiegel, zodat ik vast kon stellen dat ik inderdaad wel wat weg had van een Molukker. Ik was als Indische jongen van kinds af aan al uitgescholden, dus daar viel nog wel weer mee te leven. Maar tijdens de tweede treinkaping, in 1977, werd het menens. Indische vrienden van me werden het ziekenhuis in geslagen en ik durfde in het weekend de straat niet meer op.

Ik bewoonde een kamer in een huisjesmelkerpand aan de Bazarstraat. Ik zat lekker tussen de Hollanders en die deden boodschappen voor me. Ik had een kantoorbaantje en tijdens de lunchpauze op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen in een wijde boog om me heen. Niet bijster prettig. Je besprak de toestand met wildvreemde Indische generatiegenoten op straat en we konden die Molukkers wel vervloeken. Totdat de regering een troep mariniers naar de gekaapte trein stuurde en er zes Molukkers overhoop werden geschoten. Dat geschiedde onder druk van de toenmalige minister van justitie Van Agt, hij die nota bene nu met een bord voor zijn kop vice-premier Zalm ‘oorlogstaal’ verwijt. Voorlopig zijn er onder Zalm en Balkenende nog geen doden gevallen. Dat kon Van Agt toch moeilijk zeggen.

Indertijd had ik het twijfelachtige genoegen in mijn eentje in een lege coupe in een verder stampvolle trein te mogen zitten. Maar op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen niet meer in een boog om me heen. Ze bekeken me eerder alsof ze net een voetbalwedstrijd tegen ‘mijn club’ hadden gewonnen. Mijn zusje zat in die dagen in de trein op haar gemak een sjekkie te draaien. Toen ze onnadenkend een aansteker in de vorm van een speelgoedpistooltje tevoorschijn haalde, sprong een oudere vrouw tegenover haar in paniek overeind en riep uit: ‘Help! Help! Een treinkaper!’

Dat Molukkers christenen waren, deed er niet toe. Dat de beoogde vijand van nu moslim is, doet er wel toe, en niet zo’n beetje ook. Amerika en zijn bondgenoten voeren een oorlog in Irak die door vele moslims over de hele wereld als provocatief neokoloniaal gedrag wordt ervaren. Futuristen voorspelden in de jaren zeventig al dat later – nu dus – over de hele wereld kleinere brandhaarden zouden gaan woeden. Er is geen enkele reden voor Nederland te denken dat die sfeer van wederzijdse onverdraagzaamheid aan ons voorbij zal gaan. Onze minister-president wentelt zich met de buitenlandse pers in onnozelheid door over een ‘on-Nederlandse situatie’ te spreken. ‘Nederlands’ is een versleten imago dat zich al lang niet meer als tolerant laat onderstrepen. Het is als met ons superieure Nederlandse voetbalsysteem van decennia her. We verliezen meer dan we winnen en kunnen het maar niet geloven.

Haagsche Courant, vrijdag 12 november 2004

Promotour (5) Bandung bij nacht

logo alfred birney Ik reis van Jakarta naar Bandung per auto, begeleid door boekhandelaar Richard Oh van QB World en Sitok Srengenge, een Javaans dichter en bekende gast op Festival de Winternachten in Den Haag. De Indonesische autowegen zijn overvol, onvergelijkbaar met de drukste uren op de Nederlandse autowegen. De afstand tussen Jakarta en Bandung is niet groot, maar het kost ons vele uren om door de verkeerschaos heen te komen, het is heet, de uitlaatgassen zijn verstikkend. We stoppen ergens onderweg om bij een warung te eten. Ik heb een verschrikkelijke hoest uit Nederland meegenomen, slaap slecht en ben oververmoeid. Ik eet nasi tim, in rijst gekookte kip, het spul dat Indische moeders vroeger hun zieke kinderen te eten gaven.

Zodra we Bandung binnenrijden begint het enorm te hozen. De straten lopen in een mum van tijd onder water, kleine warungs worden bijkans weggespoeld door het snel stromende water. Richard Oh kiest een veel te duur hotel voor mij uit, ik haat vijfsterrenhotels, die worden bevolkt door stijve zakenlui en ook nog een gewild doelwit vormen voor terroristen. De beveiliging is er buitengewoon verscherpt: auto’s worden volledig nageplozen, iedereen die de detectiepoortjes achter zich heeft, wordt ook nog eens gefouilleerd, met excuus voor het ongemak uiteraard.

Een uur later word ik in QB World opgewacht door een batterij fotografen, ik lijk wel een popster hier. De boekpresentatie duurt uren, men houdt hier van eindeloze discussies over literatuur. In Jakarta doen ze alsof ze alles over literatuur weten, maar in Bandung weten ze het echt. Het wordt middernacht, er is geen tijd meer om boeken te signeren en ik word meegenomen naar een warung, gevolgd door een radiojournaliste en een schrijvende journalist van Tempo, het grootste serieuze magazine van geheel Indonesië. Ik geef mijn interviews terwijl ik lekker ordinair patat eet met gegrilde kip. Gut, hadden ze er maar appelmoes bij, hé. De Bandungse lucht bij nacht na de regenbui is heerlijk, zoals een Hollandse zomer aan Scheveningen. Hier zaten veel Hollanders en Indo’s in de oude tijd, want het weer is hier aangenaam, zelfs nu nog met die ongemeen smerige luchtverontreiniging.

Het is lang na middernacht wanneer ik met dichter Sitok Srengenge terugga naar dat bizarre luxe hotel. Sitok valt onmiddellijk in slaap, ik kleef nog een uurtje als een tjitjak tegen het raam om mijn blik te laten dwalen over Bandung bij nacht.

Ik heb nauwelijks geslapen wanneer ik in de vroege ochtend word gewekt. Ik gebruik mijn ontbijt in grote haast en wordt dan in grote vaart naar het station gereden voor de lange treinreis naar Jogja. Er is veel over deze zuidroute gejubeld, maar de slaap wint het toch van het landschap met de palmen, bergen, desa’s en de rijstvelden met de bibitplanters. Ik ben hier niet op vakantie, zo is het.

Haagsche Courant, vrijdag 15 oktober 2004

Hartono was here

logo alfred birney Vandaag speelt Hartono voor het laatst in Toko Oen, dus wie hem nog wil horen en zien, moet rennen. Lekker bordje nasi gudek erbij, die is erg lekker daar, al is Toko Oen in de eerste plaats befaamd om zijn loempia Semarang, die inmiddels overal geïmiteerd wordt.

Morgen is er een afscheidsfeestje ergens in een achterafstraatje in de Schilderswijk, waar Hartono zijn logeerkamertje heeft. Hij vroeg me of ik mijn gitaar mee wilde nemen, maar eh, ik hoor liever hem spelen. Zijn repertoire omvat zo’n 100 jaar populaire muziek, van krontjong via jaren twintig blues naar jazz, bossa nova, rock & roll, pop en allerlei Jawa Pop, want Hartono is van Java.

Zoals veel Indonesiërs is Hartono een etnische mix, eigenlijk zijn het een soort Indo’s. Maar om in Indonesië Indo te zijn moet je blank zijn uitgevallen, liefst met een carrière in de showbizz. Om in Nederland Indo te zijn ligt veel ingewikkelder, laten we daar maar over ophouden, want als Indo’s hier er al zelf niks van begrijpen, hoe kunnen ze dan verwachten dat Hollanders dat wel doen?

Hartono noemt zich Chinees, maar hij heeft ook Javaans bloed en misschien iets Europees, dat is vaag. Wat dat betreft loopt het spoor al dood bij zijn vader, die ooit bij het KNIL werkte (in de garage). Chinese christenen zijn de allochtonen van Java en leiden soms een wat angstig bestaan in Indonesië, ze hebben het zwaarder dan wat hier voor allochtoon doorgaat, Nederland is zo extreem nog niet.

Toch voelt Hartono zich Javaans, diep van binnen. Komt door de muziek. Als hij een gamelan hoort, zwijgt hij ontroerd. Krontjong is voor hem geen muziek van tempo doeloe maar een dynamische muziekvorm, die hij steeds nieuwe gezichten geeft in zijn eigen muziek. Hij is de huismuzikant van Toko Oen in Semarang en soms stuurt de bedrijfsleider hem naar Nederland om de zustertoko alhier ook eens van zijn spel te laten genieten. Je moet hem eigenlijk zien spelen: kretekje in zijn mond als hij in een jazzy improvisatie zijn tanige vingers over de toetsen laat dartelen.

Hartono was ooit scheikundeleraar – zijn vader had hem de technische kant op geduwd – maar in de avond maakte hij altijd muziek, als gitarist, pianist en op zondag als organist in de kerk. Op zekere dag zei hij zijn leraarsbaantje vaarwel. In Indonesië is het allemaal anders dan hier: daar kun je met muziek maken geld verdienen, hier niet. Hier kun je met schrijven geld verdienen, daar niet.

Toch is hij aan een boek bezig. Over de repatriëring van Indo’s uit Indonesië. Dat waren toch vrienden van zijn vader. En zijn muzikale voorouders. Wie weet komt hij hier ooit nog terug om zijn boek te promoten. In het Nederlands, want hij is een van de zeer weinige Indonesiërs die onze taal nog willen leren. Ja, die zijn er nog.

Haagsche Courant, vrijdag 27 augustus 2004

Bentheim blues

logo alfred birney Het is alweer een paar weken terug dat ik per ongeluk televisie keek, maar voor wie vrijwel nooit televisie kijkt is dat natuurlijk een ervaring als de dag van gisteren. Televisie maakt pas indruk als je vrijwel nooit kijkt, anders zijn uitzendingen nauwelijks ervaringen te noemen, eerder geestdodende middelen waaraan nauwelijks te ontsnappen valt, te vergelijken met de junk die een verslaafde dagelijks tot zich neemt: de stakker begint pas een verandering waar te nemen wanneer er niets te snuiven of te spuiten valt. Maar goed, ik dwaal af. Ik keek dus per ongeluk televisie. Ik had dat ding eventjes verplaatst bij mijn jaarlijkse zomeropruiming en toen ik hem terugzette wilde ik hem even testen.

De nieuwslezeres kwam met een item over Nederlanders die van ellende in Duitsland zijn gaan wonen, omdat daar niet om de haverklap wordt ingebroken wanneer je je auto even onbeheerd ergens laat staan, omdat daar de mensen beleefder zijn, omdat men daar nog een praatje met je maakt wanneer je je hond uitlaat, kortom: omdat je voor Leefbaar Nederland nu eenmaal in Duitsland moet zijn. De NOS stuurde een paar vakantiewerkers af op het rustieke plaatsje Bentheim. Een Nederlandse meneer mocht uitleggen waarom Leefbaar Nederland tegenwoordig in Duitsland moet worden gezocht. Een Duitse juf kwam dat volmondig bevestigen. Maar toen kwam een richtige Deutsche in beeld. Die liet van de Hollanders instromers geen spaan heel: ‘Ach, die Hollanders die komen hier maar naar toe, maar ze passen zich niet aan, verstehen Sie? Dass lult maar over die Türken, aber zij zijn zelf ook zo!’

Het werd me even niet duidelijk wat die mevrouw nou erger vond: dat die Hollandse kolonie zich niet fundamenteel tot de braadworst bekeerde en haar Heineken afzwoer of het gewoon verdomde haar kinderen naar Duitse scholen te sturen. Maar goed, de boodschap was duidelijk: vol = vol. Diep onder de indruk van dit televisieavontuur verviel ik in diep gepeins. Niet van die vreemdelingenangst natuurlijk, dat is gewoon dagelijkse kost. Maar waar kende ik die plaatsnaam Bentheim ook weer van? Ik slaapwandelde op mijn boekenkast af, trok een boek tussen de duizend-en-een ruggen vandaan en ja… ik had het teruggevonden.

Mijn bedovergrootvader, genaamd Johan Willem Birnie, was een van de groten die de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten te Deventer bestierde, zo’n anderhalve eeuw geleden. De man was zo braaf en hardwerkend dat Koning Willem III hem met ridderkruizen overlaadde. Maar toen het even minder ging met de wereldberoemde tapijtfabriek verviel Johan Willem Birnie in somberheid. Op een dag kon hij de neergang van de fabriek niet langer meer aanzien. Hij vertrok naar Bentheim. Niet om een nieuw leven te beginnen, maar om het leven uit te stappen. De man verdronk zich er in een meertje. Zou hij zich met die daad nou hebben aangepast aan de cultuur daar in Bentheim?

Haagsche Courant, vrijdag 23 juli 2004

Is de bal wel goed van dessin?

logo alfred birney Ik heb nog nooit zo’n fascinatie voor een bal gevoeld als tijdens dit EK in Portugal. Bij eerdere edities waren het de spelers, de combinaties, techniek en tactiek en wat al niet meer die mijn aandacht trokken. Nu is dat helemaal anders, al is het maar omdat het vertoonde spel van geen der landen mij ook maar vijf minuten kon boeien. Zelfs tijdens editie numero zoveel van Nederland tegen Duitsland interesseerde het me hoegenaamd niets of Oranje nog zou tegenscoren. Mijn fascinatie voor de bal was al wel gewekt, vooral toen onze spits in de eerste minuten net niet de punt van zijn schoen tegen de bal kon zetten ben ik dat ding met nog grotere ogen gaan volgen. Want deze bal, dames en heren, heeft iets hinderlijks, met een eigen wil, om niet te zeggen een onwil. Hij beschikt over de zeldzame gave de ene na de andere speler net even te snel af te zijn. Dat onze voetbalcommentatoren daar geen oog voor hebben, zegt veel over hun volslagen ondeskundigheid. Ze zaniken aldoor over 4-3-3 of 4-5-1 maar ik hoor geen enkele verwondering over die rare bal waarmee men thans in Portugal speelt.

Wat is er dan met die bal aan de hand, of aan de voet? Nou, ten eerste heeft ie de kleur van een racefiets of mountainbike. Hij is zilverkleurig, je zou bijna denken dat dat speeltuig van aluminium is. Ten tweede zit er een rare zwarte strik omheen, zonder lussen, het is een cadeautje dat je liever niet krijgt, een soort kanonskogel direct uit de konstabelkamer van een VOC-schip, waarop Hollanders en Zeeuwen zich gereed maken om de zich in luiheid wentelende Portugezen van hun lekkere stekkies langs de kusten van het vroege zeventiende eeuwse Indië te gaan verjagen. Maar wat zou zo’n Bush nou van die bal denken? Dat Al-Quida er een bom in heeft verstopt of zo? Portugal ligt niet ver van Spanje, hoor.

Wat ik jammer vind van de spelers van nu is dat ze niet zeuren over de bal. Toen Nederland onder veel protest van dominee Freek de Jonge naar Argentinië was afgereisd voor het WK van 1978 begon al direct het geklaag over de zogenoemde Tango-bal. Die was veel te licht voor onze jongens, had een enorme afwijking bij passes over de volle breedte van het veld, en die smiechten van Argentino’s hadden er al lekker mee geoefend en konden er beter mee overweg met hun korte combinatie-spel. Dit is slechts één voorbeeld in de bonte geschiedenis van de bal.

En dan zijn uiterlijk. Voor het televisietijdperk was de bal gewoon bruin. Toen kreeg je de televisiebal, zwart en wit geblokt, de eerste bal met allure. Onder druk van kleurentelevisiekijkers werd een oranje bal gebruikt voor partijtjes op besneeuwde velden in Alkmaar of achter het IJzeren Gordijn. De televisiebal en de oranje bal hadden dus een functie. Maar wat is nou de functie van deze merkwaardige zwartgestrikte bal? Waarom konden tot aan dit schrijven alleen de Zweden er goed mee overweg? Is het een IKEA-bal misschien? Dat zou wel passen bij die dertien in een dozijn-partijtjes die we voorgeschoteld krijgen.

Haagsche Courant, vrijdag 18 juni 2004