Zus Soemini was jarig, ik bedoel haar warung was jarig. Hollandse restaurants vieren hun zoveeljarig bestaan, maar de warung van Zus was dus jarig. Ze werd vijf. Nogal roerige jeugd, vijf inbraken in drie jaar tijd. Haar warung, op de hoek van de Weimarstraat en de Franklinstraat, had een volglazen deur van een Jamin-zaak geërfd en gemeenteambtenaren wilden dat onding met die pompeuze nepgouden deurknop behouden voor ons armzalige cultuurgoed. Er vliegt een steen doorheen, inbrekers nemen een paar duiten mee en Zus zit met een paar duizend gulden schade. Glazen deur hersteld, weer een steen erdoorheen, inbrekers kapen een doos AA-sportdrank en na een derde inbraak kan de deur niet meer gerepareerd. Maandenlang moet Zus het stellen met een deur van sinaasappelkistjeshout, terwijl gemeenteambtenaren zich buigen over de richtlijnen inzake het straatbeeld. Na veel bureaucratische soesa heeft Zus nu een glazen deur met sponningen, iets tussen Jamin en ABN-AMRO in, met het zegel van onze gemeenteambtenaartjes. Ze kwamen niet eten op de verjaardag van de warung. Ik zou ze stellig hebben herkend. Humorloos type, zuinige lolliemondjes en een historisch besef dat niet verder teruggaat dan de deuren van Jamin: een snoepwinkelketen die ooit hele legers tandartsen wist te mobiliseren. In mobiliseren is Nederland altijd goed geweest, met name in verband met slavernij en ronselarij. In de periode van 1890 – 1939 werden ruim 30.000 Javaanse contractarbeiders van Nederlands-Indië naar Suriname verscheept, waar de slavernij in 1863 was afgeschaft en de ‘vrije slaven’ en masse naar Paramaribo waren getrokken. Het ontstane tekort aan arbeidskrachten had men eerder geprobeerd te dekken met Portugezen uit Madeira en Chinezen uit Java en, onder handjeklap met de Engelse regering, met Hindoestanen uit Brits Guyana. De aanwas van Javanen stopte bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Een derde van hen keerde na de oorlog terug naar Java. De onafhankelijkheid van Suriname in 1975 dreef groepen Javanen met Hindoestanen, Creolen en Chinezen naar Nederland. De Javanen hebben nog het meest weg van Indo’s, je hoort ze het minst van allemaal. Beetje broertjes en zusjes, zo voelt dat voor mij. Daarom noem ik de eigenaresse van Warung Soemini ‘zus’. Ze werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Als ze eens vakantie heeft gaat ze naar Jakarta, waar ze nog familie heeft wonen. Misschien zit er nog een oudje bij die zich destijds niet door de Hollanders in de maling heeft laten nemen met een armzalig contractje voor ontberingen op zee en harde arbeid op de plantages, allemaal onder het toeziende oog van Hollandse gouverneurs van het slag dat nu mag bepalen aan welke eisen een deur van een Javaans-Surinaamse warung moet voldoen. Hogere functies vereisen geen bijzonder talent maar een mentaliteit, begrijpt u?
Haagsche Courant, vrijdag 21 mei 2004
Het was nacht, de konijnen sliepen op het strand, ik zag een langoor waken, en toen was jij in het tropische bos en ik moest je zoeken. Ik had niets te vrezen, het was maar een spelletje. Ik doolde, zocht en vond je op een open weide. Het werd ernst. Je wilde vechten en ik werd weer bang voor je. Je lachte om mijn ongeoefendheid, je hoonde me en daar stond je, je was weer jong en knap, je bruine ogen glansden vreemd in indigo en rood en je mond vertrok zich weer zo spottend. Ik viel op de grond, de warme aarde, ik slaakte een schreeuw, hij vulde de slaapkamer, mijn vriendin zij werd niet wakker. Nu zit ik beneden in mijn kamerjas na te rillen aan mijn bureau en de konijnen van het strand staan onbewogen op een cd-hoes met de titel Multiplication. Maar de gitaar van Eric Gale zwijgt en jouw geest vult de ruimte. Je ruikt naar sigarenrook, pepermuntjes en Indische kruiden…Wanneer sterf je nou eens de moord man, je hebt me nu al lang genoeg gekweld, zoals jouw slachtoffers jou vanuit het hiernamaals zijn blijven kwellen. Eens zal je ze voor je stervende ogen zien opdoemen. Volgens de verhalen die je me voor het slapengaan vertelde, zijn het er velen, honderden, die jij met mes, bajonet, pistool, geweer, handgranaat, benzine, lont en lucifer de dood in hebt gejaagd… Of was het er in werkelijkheid maar één, was het ooit maar één persoon wiens dood jij op je geweten hebt: een oude schoolvriend misschien die in het vijandelijke kamp terecht was gekomen omdat hij niet wilde vechten voor de Hollanders, in wie jij de broeders zag van een vader die jou nooit heeft willen erkennen? Misschien herinner jij je in je eenzaamste ogenblikken voor de slaap je komt halen de dag nog en het kwade uur waarin jij je dolk in zijn lijf voelde glijden en je kotsend op hem lag omdat hij je niet wilde loslaten. Je hebt je losgerukt en bent van hem weggerend, maar niemand behalve je moeder heeft de onschuld uit je ogen zien verdwijnen. Een jaar later is je oude schoolvriend op die ene dag aan jouw voeteneinde verschenen, ongrijpbaar als een kakkerlak die zich zou gaan multipliceren… Het jaar daarop kwamen zijn twee gedaanten terug en deelden zich op in vieren. In het daaropvolgende jaar kwamen zij terug met vier en deelden zich op in achten. En zo, in ongeremde vermenigvuldiging bewoont inmiddels een heel leger het dodenrijk waarin jij als stichter wordt verwacht, zodat men in koor kan gaan zingen: Soerabaja Papa, welkom thuis, welkom in ons midden. Wij zijn intussen met zo velen en toch zijn wij nog altijd bang voor u. Vertel ons wat wij hebben misdaan, opdat u voor ons kunt bidden, zoals wij altijd voor u zijn blijven bidden toen u na de oorlog hopeloos uw weg zocht in de bakstenen jungle van dat verre Holland, waar gesloten deuren zich niet laten intrappen omdat een onbegrijpelijke macht dat steeds verhoedt, iets dat oneindig sterker is dan de toverkunsten van de knapste man uit onze jeugd in Indië, de doekoen die pas wilde sterven toen hij zeker wist dat de Hollanders eindelijk voorgoed waren vertrokken.