Zus Soemini

logo alfred birney Zus Soemini was jarig, ik bedoel haar warung was jarig. Hollandse restaurants vieren hun zoveeljarig bestaan, maar de warung van Zus was dus jarig. Ze werd vijf. Nogal roerige jeugd, vijf inbraken in drie jaar tijd. Haar warung, op de hoek van de Weimarstraat en de Franklinstraat, had een volglazen deur van een Jamin-zaak geërfd en gemeenteambtenaren wilden dat onding met die pompeuze nepgouden deurknop behouden voor ons armzalige cultuurgoed. Er vliegt een steen doorheen, inbrekers nemen een paar duiten mee en Zus zit met een paar duizend gulden schade. Glazen deur hersteld, weer een steen erdoorheen, inbrekers kapen een doos AA-sportdrank en na een derde inbraak kan de deur niet meer gerepareerd. Maandenlang moet Zus het stellen met een deur van sinaasappelkistjeshout, terwijl gemeenteambtenaren zich buigen over de richtlijnen inzake het straatbeeld. Na veel bureaucratische soesa heeft Zus nu een glazen deur met sponningen, iets tussen Jamin en ABN-AMRO in, met het zegel van onze gemeenteambtenaartjes. Ze kwamen niet eten op de verjaardag van de warung. Ik zou ze stellig hebben herkend. Humorloos type, zuinige lolliemondjes en een historisch besef dat niet verder teruggaat dan de deuren van Jamin: een snoepwinkelketen die ooit hele legers tandartsen wist te mobiliseren. In mobiliseren is Nederland altijd goed geweest, met name in verband met slavernij en ronselarij. In de periode van 1890 – 1939 werden ruim 30.000 Javaanse contractarbeiders van Nederlands-Indië naar Suriname verscheept, waar de slavernij in 1863 was afgeschaft en de ‘vrije slaven’ en masse naar Paramaribo waren getrokken. Het ontstane tekort aan arbeidskrachten had men eerder geprobeerd te dekken met Portugezen uit Madeira en Chinezen uit Java en, onder handjeklap met de Engelse regering, met Hindoestanen uit Brits Guyana. De aanwas van Javanen stopte bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Een derde van hen keerde na de oorlog terug naar Java. De onafhankelijkheid van Suriname in 1975 dreef groepen Javanen met Hindoestanen, Creolen en Chinezen naar Nederland. De Javanen hebben nog het meest weg van Indo’s, je hoort ze het minst van allemaal. Beetje broertjes en zusjes, zo voelt dat voor mij. Daarom noem ik de eigenaresse van Warung Soemini ‘zus’. Ze werkt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Als ze eens vakantie heeft gaat ze naar Jakarta, waar ze nog familie heeft wonen. Misschien zit er nog een oudje bij die zich destijds niet door de Hollanders in de maling heeft laten nemen met een armzalig contractje voor ontberingen op zee en harde arbeid op de plantages, allemaal onder het toeziende oog van Hollandse gouverneurs van het slag dat nu mag bepalen aan welke eisen een deur van een Javaans-Surinaamse warung moet voldoen. Hogere functies vereisen geen bijzonder talent maar een mentaliteit, begrijpt u?

Haagsche Courant, vrijdag 21 mei 2004

Bevrijdingsfeest anno 2004

logo alfred birney Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei, de Duitse capitulatie in Nederland, en mijn Indische vader herdacht de 15e augustus, de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Wij, de kinderen, dienden te herdenken wat zij herdachten. En hoe. Ernstige smoelen trekken bij het luiden van afschuwelijke klokken. Maar de tijd is een zegen: de dingen krijgen een ander gezicht. Ik hoor ergens rap-muziek vandaan komen, ga naar buiten en kom op mijn gehoor bij het Koningsplein uit. Op een podium staan jongens van allerlei komaf over hun rauwe leven in Den Haag te rappen. Doen ze in het Nederlands, wow, dat is moeilijk. Ze schieten sigarettenpeuken de straat op, zuipen bier en claimen een redelijk leven in de Schilderswijk, waar ze zijn geboren. Ik hou van rap, het is de redding voor de poëzie. Verderop wordt door Hollanders vrolijk op Afrikaanse trommels geslagen terwijl aikidoka’s van een van de dojo’s uit de omtrek pauzeren met hun jassen over hun Japanse tenues, want het is fris. (Of een Japanse gevechtskunstdemonstratie op de 15e augustus bij het Indisch monument zou kunnen denk ik niet, al zijn de beste aikidoka-leraren uit Den Haag nota bene Indo’s: Peter Bacas en Francisca van Leeuwen.) Ik verlaat het Koningsplein en loop de Weimarstraat in. Op de kruising bij de Surinaamse toko en de Turkse tabaksboer is een breakdance battle op een verhoging aan de gang. Uit twee breakdance-groepen van elk ongeveer zes personen maken zich er steeds twee los om met elkaar een dansgevecht aan te gaan. Ze dansen om beurten op rapmuziek en proberen elkaar met adembenemende acrobatische toeren en mime de loef af te steken. Donkere jongens overheersen licht in aantal. Ik zie geen donkere meisjes, wel blanke. Een lange soepele blanke jongen met Slavische trekken valt mij op. Op zijn shirt staan de letters CCCP. Ik vraag hem of hij Russisch is en hij zegt: ‘Hoe weet je dat?’ Ze noemen hem Daan. Zijn stijl van dansen is zeer communicatief, de mime op zijn gelaat is superieur aan die van de anderen, ik zet mijn kaarten op hem. Een Aziaat demonstreert een groot acrobatisch vermogen, maar speelt soms vals door zijn opponent te storen in zijn dans. Wanneer na een ladies battle een van de Hollandse meisjes tegen een Mediterraanse jongen mag uitkomen, wordt het spannend. Het meisje opent uitdagend, maar fatsoenlijk. De jongen antwoordt met een obscene dansbeweging en wordt door de showmaster vermaand. RESPECT. Dat zegt hij. Dat woord zal als een mantra nog vaak worden uitgesproken door de breakdancers onderling. De breakdance battle eindigt in een strijd tussen Daan en alias ‘Latino’. De jury, die uit de serre op de eerste etage boven de Turkse tabaksboer hangt, laat het tweetal een extra ronde doen. Daan verliest van Latino. Misschien vond de jury die Russische danspasjes tussendoor wel te on-Amerikaans. Ze snappen het niet. Wij zijn toch ook door de Russen bevrijd?

Haagsche Courant, vrijdag 7 mei 2004

A & B

logo alfred birney A: Lekkere timing heeft die fractievoorzitter van het CDA. In de middag schiet de een of andere Turkse desperado een leraar voor zijn kop en in de avond roept die Verhagen tijdens een partijbijeenkomst dat het integratiebeleid is mislukt.
B: Wat klets je nou? Dat heeft toch helemaal niks met elkaar te maken, man!
A: Dacht je dat? Op de weblog van Turkse studenten zijn er zat die zich nu al gestigmatiseerd voelen. ‘Daar gaat onze goede naam’, roepen ze.
B: Hebben Turkse jongeren een goede naam dan?
A: Beter dan Marokkaanse jongeren. Die hebben een slechte naam vanwege hun gedrag op straat. Maar ze praten Nederlands zodra je bij ze komt staan, dat doen Turken niet.
B: Moeten ze dat dan?
A: Het is een klacht van Marokkaanse jongeren. Die vinden het onfatsoenlijk dat Turken in hun eigen taal blijven spreken als er een Hollander in de buurt komt. Cultuurverschillen liggen niet in de kloof tussen autochtonen en allochtonen, maar in eerste instantie tussen volkeren, dan tussen groepen, dan tussen steden, wijken, straten, buren en ga zo maar door.
B: Als jij zo nodig genuanceerd wilt blijven doen, dan komen we helemaal nergens. Maar goed, laten we dan zeggen dat Marokkanen slaan en Turken schieten, dan kunnen ze die nuance alvast meenemen in het volgende integratiebeleid.
A: Leuk ben jij. Zetten we er meteen bij dat alleen Hollanders politici overhoop schieten.
B: Het maakt niet uit wat Hollanders doen, hun gedrag kan niet afwijken van de norm.
A: Precies. In Nederland wordt Nederlands gesproken, dus men vindt dat immigranten onze taal goed moeten leren spreken. Maar daar komen ze mee nadat ze al jarenlang Turkse en Arabische zenders via de kabel op televisie laten komen.
B: Discriminatie van jewelste. Chinezen moeten betalen voor hun zender. Indonesiërs ook.
A: Italianen en Spanjaarden weer niet. Pure willekeur. Zie jij een Griekse zender?
B: Het gaat er dus niet om welke groepen zich het hardst laten horen.
A: Nee. De groep die zich het hardst laat horen is de blanke Europeaan. Heeft die zich aangepast in Amerika? Ze hebben de autochtonen in reservaten gestopt. Australië is als dumpplaats van Engeland gebruikt voor criminelen met wie men geen raad wist. Aboriginals worden daar niet officieel aanvaard als de oorspronkelijke bewoners; dat historische feit is gewoon bij wet weggemoffeld. De koloniale orde is zo verweven met het Westerse gedachtegoed dat er niet eens meer over wordt nagedacht.
B: Er gaat mij een licht op. Die schietincidenten op school zijn in Amerika al geen voorpaginanieuws meer. Wij sjokken tien tot twintig jaar achter de Amerikanen aan en krijgen terug wat wij Europeanen daar ooit hebben geïmporteerd.
A: Ja, en dan vergeten we het geloof nog.
B: Begint het daar niet mee?

Haagsche Courant, vrijdag 16 januari 2004

Pollmans evangelie voor de Indo

logo alfred birney Tessel Pollman schreef ooit recensies over boeken van Indo’s en Molukkers, voor wie ze een lans brak. Jammer dat ze verdween. Jammer dat ze weer verscheen, namelijk in een gastcolumn op de website van het NIOD. Dat instituut voor oorlogsdocumentatie is een onderzoeksprogramma gestart om de geschiedenis van Indië naar Indonesië in een breder kader te kunnen plaatsen. Kritiek van Indo’s doet TP zich thans opwerpen als de evangeliste van Het Redelijke, opdat haar voormalige doelgroep zich vermag te verzoenen met haar lot. Amen. Allereerst doopt TP Indo’s terug tot Indo-Europeanen, zoals men hen van overheidswege aan het einde van de negentiende eeuw is gaan noemen. TP zit intussen namelijk bij het Ministerie van OC & W en is daar een ander taaltje gaan spreken. Volgens TP zouden nogal wat Indo’s in wrok leven jegens de Indonesiër en de Nederlander, omdat ze zich verbannen voelen van hun geboortegrond. TP schopt een open deur in door te zeggen dat niet alleen Indo’s ellende hebben gehad tijdens de Japanse bezetting. Het centraal stellen van Indo’s in een geschiedschrijving over de dekolonisering vindt zij dus ‘onwerkelijk’. Nou zijn dergelijke boeken, van Nederlandse historici, zeer recent en op één hand te tellen, maar TP vindt het wel weer genoeg. Open deur numero 2: Indo’s vormden geen hechte samenhangende gemeenschap. Maar ze werden wél ooit tot groep gebombardeerd. En door wie ook weer? Is mevrouw TP wakker? Er is geen Indo die beweert dat zijn geschiedenis losstaat van Europa en Azië. TP wekt de indruk dat Indo’s dat wel doen en richt haar Nieuwe Brede Vizier op overige groepen in Indië, waarmee ze toont helemaal niets van perspectief in geschiedschrijving te begrijpen. Geschiedenis is een belichting, het is de complete waarheid niet. Nooit. Nergens. Als je zegt dat Indo’s geen hoofdrol maar een bijrol speelden in de geschiedenis, dan betekent dat niet dat zij geen geschiedenis hebben. Het betekent hooguit dat hun geschiedenis moeilijk valt te begrijpen. Heeft TP ooit geschiedenisboeken van de hand van Indonesiërs gelezen? Die hebben maling aan wat Nederlanders over hen schrijven. Wat Indo’s schrijven, vinden ze intussen wél interessant. Hoe zou dát nou komen? TP doceert dat de ‘inheemsen’ van toen niet meer dan decor waren in de boeken van de Hollanders. Klopt. Maar níet in boeken van Indo’s. Die werden alleen genegeerd in de pers. In de boekenlawine van Hollanders over de kloof tussen hen en ‘de Javaan’ is de laatste behalve decor ook nog een romantisch ideaal. Indo’s sloegen bruggen over die kloof, maar ja, de Hollanders gingen liever zwemmen. En verzuipen deden ze, slecht geïnstrueerd door ambtenaren die dachten Nederlands-Indië vanuit Den Haag te kunnen besturen. Dat is hun geschiedenis, die van de domme arrogantie. Probleem voor de Indo’s is daarmee te moeten leven.

Haagsche Courant, vrijdag 8 augustus 2003

Stigma’s waren ooit voor vee

logo alfred birney Twee, overigens serieuze, brieven uit het Westland naar aanleiding van mijn column getiteld Kutmarokkanen. De eerste brief is van een werkgever. Hij heeft drie Turken in zijn bedrijf en nooit gelazer met ze gehad. ‘Ondanks alle waarschuwingen toch maar Marokkaan geprobeerd.’ Nou, dat werd stelen en bedreiging met de dood bij ontslag. De afzender schrijft dat alle Marokkaanse sollicitanten die bij hem aanklopten een strafblad hadden. ‘Moeten niet zeuren over gebrek aan kansen. Hebben gewoon de verkeerde mentaliteit’.

Ik zal wel weer cynisch klinken, maar als een werkgever na één vervelende ervaring met een Marokkaan in zijn bedrijf al afhaakt, dan moet er bij voorbaat al weinig vertrouwen in hem hebben geleefd. Je probeert er een en daarna niet meer. Dat is denken in soorten: ik probeer dat soort even. Ga jij roepen dat ‘ze gewoon de verkeerde mentaliteit’ hebben, dan hebben zij het recht om te ‘zeuren over gebrek aan kansen.’ Wat kan een kansarme anders dan zeuren als hij of zij regelrecht kansloos dreigt te worden? Ja: stelen. Dan zijn we weer thuis.

De tweede brief is het relaas van iemand die Marokkanen probeerde ‘te helpen én te vriend te maken’. Feitelijk eenzelfde uitgangspunt als in de eerste brief. Ging denkelijk goed, totdat zijn Marokkaanse buren binnen een week driemaal een steen door zijn ruit wierpen. De bedreigde begreep later pas dat zijn Marokkaanse buren zijn zoon ‘een rare hardrocker én dus homo vonden’. De zoon werd geslagen, ‘met z’n vieren tegen één, dat wel. Vandaar die cursus “zelfverdediging” op die sportschool van u natuurlijk.’

Hier doelt de afzender op mijn lidmaatschap bij een sportschool, waar ik twee Marokkaanse jongens ken, van wie er eentje een hogere beroepsopleiding heeft gevolgd maar een hopeloze benzinepompbediende is geworden. Voor de goede orde: ik bezoek een sportschool die een grote reputatie geniet, al ruim 80 jaar bestaat en waar de kunst van het jiu-jitsu wordt onderwezen: een edele Japanse gevechtskunst. De leerlingen daar zijn doorgaans tamelijk deemoedig en in de regel nou juist géén vechtjassen. Er zijn relatief veel vrouwen bij en die zitten daar echt niet om uit eigener beweging een beetje te gaan rossen. Nog altijd vindt 80 procent van verkrachtingen plaats in huis en is de dader een bekende van het slachtoffer.

De briefschrijver heeft zich in vijf jaar laten wegpesten. Treurig. Resteert de kunst om niet in gestigmatiseer te vervallen. Niet met clichés komen van drie Marokkaanse WAO-ers die elke ochtend worden opgehaald door een busje. Als hun werkgever een Hollander is, zit die zeker niet fout? Even stellen: één Hollandse moordenaar maakt nog altijd niet van alle Hollanders een moordenaar. Nou ja, nog niet. In de Tweede Wereldoorlog leek het bijna zo. Hele treinen werden met ‘een zeker soort’ volgestouwd en er was geen hond die het zag.

Haagsche Courant, vrijdag 4 juli 2003

Kutmarokkanen

logo alfred birney Onze kutmarokkanen (jargon van de een of andere PVDA-lul) hebben het moeilijk. Als een van hen ergens een steen door een ruit gooit, dan hebben alle Marokkanen het hele Westland aan diggelen gesmeten. Mijn buurjongens hebben baantjes waar de eerste de beste Hollandse ex-gedetineerde zijn neus voor zou ophalen en noemen zichzelf lachend kutmarokkanen. Want wie zo de hoek in wordt gedrukt, die zoekt zijn redding in zelfspot. Marokkanen zijn openlijker tegen mij dan tegen een blanke Hollander, omdat ik Indisch ben en zij zich dan wat veiliger voelen. Op de sportschool waar ik de kunst der zelfverdediging beoefen, zitten twee Marokkaanse jongens van even in de twintig bij mij in de groep. Een van hen kreeg op school economieles van een vriend van me, studeert nu informatica en hoopt op een aardige baan later. De ander is afgestudeerd in bedrijfskunde maar werkt nog steeds bij een benzinepomp omdat, zo denkt hij, men hem niet moet als Marokkaan. Hij vraagt me of ik een goed woordje voor hem bij de krant kan doen, want hij denkt dat die dingen hier zo werken. Na de training gaan ze nooit mee naar het café aan de overkant. Ze zeggen dat ze vroeg op moeten, maar het kan ook zijn dat ze zich er niet echt welkom voelen. Marokkanen wordt op grote schaal de toegang tot cafés, discotheken en sauna’s geweigerd, ook wie eerder werd toegelaten, zo meldden de kranten onlangs. Vreemd voor een bevolkingsgroep die zijn best doet zich te mengen in het Nederlandse leven. Marokkanen vinden het bepaald onfatsoenlijk dat Turken gewoon in hun eigen taal verder praten wanneer een Hollander binnenkomt. Marokkanen gaan meteen in het Nederlands verder, zodat de Hollander weet waar ze het over hebben. Chinezen beginnen ook niet met elkaar in het Nederlands te praten wanneer er een Hollander binnenkomt. Laat die Hollander nou juist een stuk minder afgeven op Chinezen en Turken dan op Marokkanen. Ooit luidde het zinnetje over ‘buitenlanders’: ‘Ze leren niet eens fatsoenlijk Nederlands praten.’ Dat cliché ligt dus in de prullenbak. Je zou onderhand bijna gaan denken dat Hollanders buitenlanders liever helemaal níet verstaan. Terug naar Nederlands-Indië dan maar, met voor elke bevolkingsgroep een apart register? In Indonesië vind je daar nog sporen van terug. Indonesische Chinezen dienen speciale persoonsbewijzen te kopen en te overleggen, al zit hun familie al zeven generaties daar en spreken ze geen woord Chinees. Dat gedoe hadden ze al toen de Hollanders er de scepter zwaaien. Als je ook nog bedenkt dat de Hollanders met hun mensen = handel verantwoordelijk zijn voor enorme migratiestromen, dan moet je toch concluderen dat er al eeuwenlang iets fundamenteel mis is onder dat zogenaamde tolerante denken van ze. Maar goed, het woordje tolerantie is meen ik verleden jaar uit het woordenboek geschrapt. Tjonge, wat een zelfbewustheid toch opeens.

Haagsche Courant, vrijdag 20 juni 2003

Vanwege een oorlogserfenis

gale Het was nacht, de konijnen sliepen op het strand, ik zag een langoor waken, en toen was jij in het tropische bos en ik moest je zoeken. Ik had niets te vrezen, het was maar een spelletje. Ik doolde, zocht en vond je op een open weide. Het werd ernst. Je wilde vechten en ik werd weer bang voor je. Je lachte om mijn ongeoefendheid, je hoonde me en daar stond je, je was weer jong en knap, je bruine ogen glansden vreemd in indigo en rood en je mond vertrok zich weer zo spottend. Ik viel op de grond, de warme aarde, ik slaakte een schreeuw, hij vulde de slaapkamer, mijn vriendin zij werd niet wakker. Nu zit ik beneden in mijn kamerjas na te rillen aan mijn bureau en de konijnen van het strand staan onbewogen op een cd-hoes met de titel Multiplication. Maar de gitaar van Eric Gale zwijgt en jouw geest vult de ruimte. Je ruikt naar sigarenrook, pepermuntjes en Indische kruiden…Wanneer sterf je nou eens de moord man, je hebt me nu al lang genoeg gekweld, zoals jouw slachtoffers jou vanuit het hiernamaals zijn blijven kwellen. Eens zal je ze voor je stervende ogen zien opdoemen. Volgens de verhalen die je me voor het slapengaan vertelde, zijn het er velen, honderden, die jij met mes, bajonet, pistool, geweer, handgranaat, benzine, lont en lucifer de dood in hebt gejaagd… Of was het er in werkelijkheid maar één, was het ooit maar één persoon wiens dood jij op je geweten hebt: een oude schoolvriend misschien die in het vijandelijke kamp terecht was gekomen omdat hij niet wilde vechten voor de Hollanders, in wie jij de broeders zag van een vader die jou nooit heeft willen erkennen? Misschien herinner jij je in je eenzaamste ogenblikken voor de slaap je komt halen de dag nog en het kwade uur waarin jij je dolk in zijn lijf voelde glijden en je kotsend op hem lag omdat hij je niet wilde loslaten. Je hebt je losgerukt en bent van hem weggerend, maar niemand behalve je moeder heeft de onschuld uit je ogen zien verdwijnen. Een jaar later is je oude schoolvriend op die ene dag aan jouw voeteneinde verschenen, ongrijpbaar als een kakkerlak die zich zou gaan multipliceren… Het jaar daarop kwamen zijn twee gedaanten terug en deelden zich op in vieren. In het daaropvolgende jaar kwamen zij terug met vier en deelden zich op in achten. En zo, in ongeremde vermenigvuldiging bewoont inmiddels een heel leger het dodenrijk waarin jij als stichter wordt verwacht, zodat men in koor kan gaan zingen: Soerabaja Papa, welkom thuis, welkom in ons midden. Wij zijn intussen met zo velen en toch zijn wij nog altijd bang voor u. Vertel ons wat wij hebben misdaan, opdat u voor ons kunt bidden, zoals wij altijd voor u zijn blijven bidden toen u na de oorlog hopeloos uw weg zocht in de bakstenen jungle van dat verre Holland, waar gesloten deuren zich niet laten intrappen omdat een onbegrijpelijke macht dat steeds verhoedt, iets dat oneindig sterker is dan de toverkunsten van de knapste man uit onze jeugd in Indië, de doekoen die pas wilde sterven toen hij zeker wist dat de Hollanders eindelijk voorgoed waren vertrokken.

Haagsche Courant, vrijdag 21 februari 2003

Promotour (4) Jogja

logo alfred birney De chauffeur is zo dom om onderweg van Semarang naar Jogja een auto te willen inhalen vlak voor een heuveltop. Ik roep hem bruut terug, hij schrikt enorm. Mijn vertaalster leert me op de achterbank hoe ik hetzelfde commando de volgende keer in netjes bahasa Indonesia kan geven. Verderop toeteren automobilisten naar een gekantelde vrachtwagen, alsof dat ding daardoor overeind zal komen. Wat is nou netjes? Jogja is enorm uitgedijd, het centrum net zo’n chaos als in Jakarta. Maar mijn Indonesische uitgever zit rustig. Mijn adempauze is er van korte duur, de radiostudio wacht. Het interview wordt soms onderbroken door een verslaggever uit Jakarta, die de arrestatie van een moslimleider verslaat. In de avond dumpt men me in een hotel met koloniale trekken. Een ober vertelt me dat het gebouw maar 15 jaar oud is, al lijkt het 10 keer ouder. Vooral Hollanders komen hier veel terug. Ja, ik zie er de volgende dag vier voorbijhobbelen, de eerste blanken die ik in een hele week zie. Een belevenis! Hun touringcar stopt zo dicht bij het hotel dat ze geen meter de straat over hoeven, terwijl het op de televisie bloemen regent rond de onheilsplek op Bali. Indonesië mort, piekert en treurt. Men spreekt er niet over tijdens mijn optreden voor een zaal vol studenten. Wonen er Indo’s in Nederland? Nooit geweten! Hoe zijn ze daar terechtgekomen? Eh… tja, dat is een verhaal dat je kunt blijven vertellen, steeds vanuit een ander gezichtspunt, maar duidelijk schijnt het nooit te worden. Uitdagend voor verhalend proza, dat in elk geval.

Haagsche Courant, maandag 18 november 2002

Strandbeeld

logo alfred birney Lijn 11 heeft de eer het gekkengetal te dragen, u weet wel: het 11e huis dat wordt geregeerd door Uranus, die elke Waterman een tik van de molen geeft. Voor wie geen gevoel heeft voor astrologie, niet getreurd: ooit kreeg lijn 11 langs de ‘Woeste Hoogte’ regelmatig een tik van straatstenen die hangjongeren wierpen. Die Scheveningse wijk is nu met de grond gelijk gemaakt, de mensen zijn verdreven. Hier en daar weigeren mensen te vertrekken. Gelijk hebben ze, die asociale woningcorporatie had de boel heus wel kunnen opknappen. Maar ja, men wil zakenmannetje spelen sinds de overheid geen miljarden meer in die schimmige corporaties pompt. Enfin, het strand krijgen ze er niet weg, tenzij het B-kabinet besluit een snelweg langs de vloedlijn aan te leggen, platforms voor woningen boven zee, een vliegveld aan de kim en zo meer. Eer het zo ver is en de asteroïde 2002 NT7 kosmische stenen over de zeevilla’s strooit, stappen we nog lekker de gekkentram uit (wordt thans bestenigd langs de Schilderswijk door kids die daar rondhangen) en dansen we de zebra over naar een kleurrijk stuk strand. De tijden zijn voorbij dat alleen Hollanders zich in zee waagden. Nu poedelen ook Surinamers, Marokkanen, Turken, Antillianen, Latino’s, Chinezen en wat al niet meer in het lekkere koele water rond. Als dat zich gaat vermengen, wordt Nederland een klein Brazilië. Sex-appeal en topvoetbal. Jammer dat op Turkse vrouwen een embargo rust, om even een groep te noemen. Maar dat gaat wel over. Geen heilig boek die de liefde klein krijgt.

Haagsche Courant, woensdag 31 juli 2002

Beschaving

logo alfred birney De Tjechische schrijver Milan Kundera beweerde ooit dat de Italianen de overige Europeanen in intellectueel en cultureel opzicht overtreffen. Gamba en Marinello in de Spuistraat werden opeens opvallend populair bij de snobs. Berlusconi, als eigenaar van AC Milan, vond de Hollanders weer superieur met hun voetbal. Sportief gezien hadden die het toch maar mooi voor elkaar met hun voormalige koloniën en hij trok zijn beurs op de voetbalslavenmarkt. Eenmaal als premier van Italië verklaarde Berlusconi de hele westerse beschaving superieur aan die van de islamitische landen. Maar een schijnheilig koor van Europese politieke leiders zong niet met hem mee en lispelde tegenover de Arabische Liga dat Haroen al-Rasjîds Duizend-en-een-nacht hen net zo lief was als Boccacio’s Decamerone. Nou, volgens mij is de Chinese beschaving superieur aan alle overige beschavingen op deze aardkloot. Weten onze politieke leiders wel dat archeologen ijzeren gebruiksvoorwerpen van duizenden jaren oud uit de Chinese bodem vissen, waar geen plekje roest aan zit? Dat de Chinezen al op schaatsen stonden voor de Batavieren ook maar een eitje konden koken? Dat de Chinezen het tweetallig stelsel waarop de computertechnologie draait al eeuwen terug in hun yin en yang-lijnen hebben vastgelegd? Dat spaghetti mislukte bami is uit het kookboek van Marco Polo? Dat de Chinezen wereldkampioen metselen zijn en hun muur door marsmannetjes wordt gebruikt als richtpunt voor hun vliegende schotels? Berlusconi weet dat en wil eigenlijk net zo groot worden als Tj’in: de eerste keizer van China.

Haagsche Courant, vrijdag 11 januari 2002