De bezoekersafname van 25.0000 mensen op de Tong Tong Fair voorheen Pasar Malam Besar kan niet alleen geweten worden aan het mooie en/of het slechte weer. De naamsverandering krijgt eenvoudig geen steun van het publiek. Maar het verdwijnen van Indische mensen van het eerste uur weegt volgens mij écht door. Veel haastige mensen die elkaar op zijn Hollands bijkans van de sokken lopen. Nooit eerder gezien daar. Men behoort te slenteren.
Tagarchief: hollands
Pasen
Pasen is koud in Den Haag. Het algemene weerbericht is zelden van toepassing op de plaatsen direct aan de kust. Een vriend sms’t me dat het in Utrecht stralend weer is. Tweede Paasdag is al net zo saai als de Tweede Kerstdag. Gelukkig woon ik in een multiculturele buurt. Multiculturele samenlevingen zijn een zegen. Kijk maar over duizend jaar, dan is de hele wereld multicultureel. Turkse moslims hebben vandaag hun winkels open. Ze lijken op de Hollandse kruideniers uit de zestig. In een zelfbedieningszaak spreken klanten Engels, Duits, Pools, Hongaars, Turks, Nederlands en nog wat, Servokroatisch of zo. Oost-Europese vrouwen dragen petjes en lange getailleerde jassen, ze zijn vaak wat fragieler dan Hollandse vrouwen. Ze durven nog steeds niet naar andere mannen te kijken, zijn verlegen. Een Indonesisch meisje vroeg me in het Engels of ik haar wilde helpen met het uitkiezen van bloem. Ze zocht gewone bloem. Voor cake, roti kukus iets. Haar vriend was blank, lang, misschien Zweeds.
Doch er is een drawback – 2
Als verhalen voor kinderen bij sprookjes beginnen, waarom dan niet verhalen voor volwassenen bij driestuiverromans. Dé-lilah schreef pulpfictie van hoge kwaliteit, boeken die helaas vrijwel niet meer te vinden zijn. In haar plantersroman Hans Tongka’s carrière (1898), een Indische soap superieur, is álles maar dan ook álles te vinden over vrouwenlevens in de kolonie, door alle rangen en standen heen, met diverse Europese en Aziatische nationaliteiten. Je bent als lezer onder meer getuige van de gevechten die Aziatische vrouwen moeten leveren om een blanke man te kunnen huwen. En je krijgt te zien dat het de ene vrouw wél en de andere niet lukt.
In Dé-lilah’s tweedelige roman worden twee zogeheten njais opgevoerd, vrouwen die dansen op het koord tussen huishoudster en minnares van een blanke man. De ene heet Kim, de andere Yum. Kim is mooi, opstandig, geraffineerd en boosaardig. Yum is onooglijk, dociel, naïef en goedmoedig.
Kim gaat door voor een Chinese, maar heeft een Javaanse moeder. Dat wordt uitdrukkelijk gesteld, want dat krengerige in Kim moet toch érgens vandaan komen. Dé-lilah is met haar Indo-Europese achtergrond in haar etnische typeringen veel preciezer dan veel van haar zogeheten ‘volbloed’ Nederlandse collega-schrijvers, wat een gevolg is van een groter etnisch bewustzijn bij Indo-Europese schrijvers. Iemand met een gemengde achtergrond is eerder, en niet zelden sociaal gedwongen, met zijn of haar afkomst bezig. Dat is het raciale oog, wat heel iets anders is dan de racistische blik.
Yum is een volle Chinese, maar het wordt nergens duidelijk of zij in Nederlands-Indië geboren is, of als immigrante direct afkomstig is uit China. Kim en Yum moeten een jaar of twintig zijn wanneer Dé-lilah een rond 1885 gesitueerde historische scène beschrijft, waarin twee Chinese losarbeiders (koelies) zonder enige vorm van proces worden opgehangen (dat was mogelijk in het toenmalige Deli). Mijn overgrootmoeder Rabina is dan tweemaal zo oud en heeft dan al de status bereikt waar Kim en Yum zo naar smachten: een huwelijk met een blanke man.
De dekselse Dé-lilah, met haar enorme, sardonische talent voor soap, gekoppeld aan een cynische, parodiërende blik op het Nederlands-Indische leven, wil wel zo goed zijn om aan het einde van haar boek de onooglijke Yum met een Hollander te laten trouwen. Maar dan wél in Deli, ver van het beschaafde Europa vandaan. Met de mooie, vol streken zittende Kim loopt het slechter af: ze sterft.
Een huwelijk met een blanke man, inclusief een villa ergens in de Nederlandse provincie, is in Dé-lilah’s roman slechts weggelegd voor blanke Hollandse vrouwen. Dat op zich is niets bijzonders in de Indische bellettrie. En daarom is het verhaal van mijn overgrootmoeder Rabina zo bijzonder. Zij was immers een Javaanse. Toch trouwde ze met een blanke man en ging zelfs met hem mee naar Nederland. Er is nog nooit een kenner van de Indische literatuur geweest die mij een boek kon wijzen waarin zo’n verhaal verteld wordt. Verbintenissen tussen Javaanse vrouwen en blanke mannen spelen zich in de Indische bellettrie altijd af op het scandaleuze Java. Indo-Europese vrouwen kwamen wél met hun blanke mannen naar Nederland, maar dat is een ander verhaal, vaak genoeg verteld ook.
(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007
Archipel winternummer 2008/2009
Mijn nieuwste verhaal in Archipel Magazine heet De kali van Dudok. Het speelt in Den Haag, jaren vijftig, het begint als een essay over de architect Dudok en het eindigt als een vertelling. Ik speel graag met metamorfoses, liefst zo ongemerkt mogelijk.
Het is verrassend om weer een bijdrage van Rudy Kousbroek aan te treffen. Zoals gewoonlijk paart hij scherpzinnigheid aan onnozelheid en natuurlijk moet hij weer eens iemand te grazen te nemen. Als er iemand is die alleen kan schrijven als reactie op wat een ander doet, dan is het Rudy Kousbroek wel. Ditmaal is Wim Willems aan de beurt, die onlangs met een biografie van Tjalie Robinson kwam. Lizzy van Leeuwen krijgt ook een veeg uit de pan, maar dat mag geen naam hebben. Rudy Kousbroek claimt méér dan wie ook aan de erkenning van Tjalie Robinsons te hebben bijgedragen. Ik zou dat graag hebben geloofd, als Tjalie inderdaad die erkenning had gekregen. Grappig toch, hoe Rudy Kousbroek het steeds weer klaarspeelt om in één stuk de spijker op de kop en tegelijk de hamer op zijn eigen duim te slaan.
Ik ervaar het als uiterst hinderlijk wanneer mensen een claim leggen op een overleden schrijver. Helga Ruebsamen merkte tijdens een optreden op Crossing Border op dat Tjalie Robinson bij leven werkelijk geen poot aan de grond kreeg met zijn verhalen en novellen. Wim Willems, zijn biograaf, probeerde aan mij de uitspraak te ontlokken dat de Indische gemeenschap niet had kunnen bestaan zonder de figuur Tjalie Robinson. Dat is natuurlijk kolder, dat moet je omdraaien: eerst is er zoiets als een gemeenschap en die brengt grote figuren voort.
Het is aardig, of desnoods van grote importantie, dat vergeten schrijvers door biografen en essayisten voor het voetlicht worden gehaald. Het getuigt van groter inzicht, smaak en kracht wanneer je je inzet voor schrijvers die nog leven en het voetlicht nauwelijks halen. Helga Ruebsamen heeft in haar tijd als journaliste bij Het Vaderland althans nooit iemand gezien die zich sterk maakte voor de figuur Tjalie Robinson. Het was maar heel even dat hij lovende kritieken oogstte, daarna werd hij een marginale figuur. Vergelijkbaar is Edgar Caïro uit de Surinaamse letterkunde.
Dat hedendaagse schrijvers uit immigrantengroepen wél blijvende aandacht krijgen, ligt voornamelijk in de voortdurende negatieve aandacht van immigranten in de pers en het politieke debat. Die moet in balans worden gehouden. Bovendien is hun geschiedenis lang zo complex niet als die van mensen uit Indonesië en Suriname. Dáár liggen eeuwen van Nederlands kolonialisme en daar loopt men hier liever in een wijde boog omheen.
De vergoogling van Albert Heyn
Albert Heyn, hierna te noemen AH, heeft de expansieve drift in de onderbuik niet in bedwang en neemt de ene na de andere supermarkt te grazen. BNR-nieuwsradio stuurde een verslaggever op pad en kwam met verschillende reacties van men and women in the street. Opvallend was de berustende toon van de diverse geïnterviewden. Slechts een enkeling liet weten liever een Aldi of Jumbo om de hoek te hebben, al was het maar vanwege de centen. AH lijkt goedkoop, maar is het niet. Bovendien word je gedwongen een klantenkaart bij je te hebben. Zoiets doet Jumbo niet. Die vindt gewoon dat iedereen goedkoop uit moet zijn en niet alleen kaarthouders. Hoeveel kaarten heeft een mens trouwens tegenwoordig niet, de portemonnees zijn onderhand niet meer aan te passen met al die extra vakjes. Enfin, in mijn directe omgeving is het kiezen tussen AH en C1000. AH is lang niet in alle opzichten beter. Ik noem maar even wat: toiletpapier, groentenschijven, jam, sjalotten en olijfolie kun je beter bij C1000 halen. Bovendien heeft C1000 een leuker frisdrankaanbod. IJsthee met koolzuur wordt in blikjes aangeboden, dat is veel lekkerder dan in die vieze plastic flesjes van AH. Verder biedt AH zonder blikken of blozen twee rode pepers aan voor 1,98. Bij de Chinese toko of de Turkse supermarkt krijg je een hele zak rode pepers voor twee euro. AH exporteert een bekrompen Hollands beeld van wat speciaal is en wat niet. Net als Google’s cookies zijn AH’s klantenkaarten een soort spyware, als je zo suf bent om je gegevens bij AH achter te laten. Monopolisering leidt tot verzet, maar beter is om het niet zo ver te laten komen. Ikzelf ben zo idioot om Google-ads in de footer van mijn website te tonen. En bij AH kom ik ook weleens. Ik ga me bezinnen.
Uit de oude doos
Willem Nijholt maakt voor AVRO’s Hollands Decor een wandeling door Voorschoten naar aanleiding van Alfred Birney’s roman Bewegingen van heimwee. De uitzending dateert van 1991. De grootste belangstelling gaat uit naar (foutief geciteerde) seksscènes in het boek. Gebruik van een headset is aanbevolen, het geluid is slecht.
Een wereldkampioen vloog voorbij
Het werd weer eens tijd om op de fiets te stappen na een buikgriep die kennelijk veel mensen te grazen heeft genomen en misschien een gevolg is van de angstwekkende klimatologische veranderingen, die onze kinderen later grote problemen zullen bezorgen. De lente is te vroeg, er was geen winter die slapende insecten doodvroor en voor de zomer wordt een wespeninvasie verwacht. De dag was zuurstofrijk, ik begon sloom, dook even in het wiel van een flinke Hollandse meid met een parfum dat heerlijk rook. Ze hield me goed uit de wind maar werd wat nerveus van zo’n meneer achter zich. Ze deed alsof ze iets in haar jaszak zocht zodat ze vaart kon minderen en toen ben ik maar afgeslagen. Onderweg naar de Watertoren moest ik in slalom tussen dranghekken door. Het begon me te dagen dat de City-Pier-City Loop werd gehouden. Ik had geen idee waar de atleten en trimmers zich bevonden, totdat ik bij de haven kwam en wegwijzers mopperende automobilisten buiten het parcours zag houden. Eén zei tegen me dat de eerste lopers binnen enkele minuten werden verwacht. Ik ging bij een groepje jolige Scheveningers staan kijken en zag de eerste atleet op ons af komen. Hij liep niet, rende niet, nee: hij vloog. Het duurde meer dan een minuut voordat een paar van zijn Keniase makkers voorbijkwamen. Zij zweefden, wat lager boven het asfalt dus. Later kwamen de duizenden trimmers, van wie de langzaamste nog altijd te snel voor mij zou zijn. In de avond las ik dat de atleet die vloog Samuel Wanjiru heet, 20 jaar is en zijn eigen wereldrecord heeft gebroken. Ik word oud. Als ik al iets heb te breken, dan zijn het mijn botten.
De witte krokodil (1)
Toen ik het graf van mijn grootmoeder Sie Swan Nio voor de derde keer had bezocht in Ungaran op Java, bedacht ik dat een bezoek aan haar geboorteplaats mij misschien een frisser idee van haar leven zou geven. Rond een graf is het eeuwig herfst, in een graf eeuwig winter. Ik verlangde naar de lente.
Kediri, Oost-Java, ligt op een dagreis per auto van Semarang. Toen we het stadje binnenreden keek ik hongerig om me heen, met ogen die 100 jaar terug in de tijd wilden kijken. Bij het oversteken van de rivier liet ik de chauffeur mij midden op de brug afzetten. Ik wilde gaan staren over rivier de Brantas. Mijn begeleiders, een bevriende muzikant en een ingehuurde Chinese chauffeur, een hypernerveuze wegpiraat, moesten om mij lachen. Ze begrepen mij niet.
In de avond at ik met mijn begeleiders van een enorme goerami, gevangen uit Rivier de Brantas. De vis was zo groot, dat we hem niet opkregen. Daarna wandelde ik alleen in het maanlicht langs de oever van de rivier, waar het bijna Hollands waaide. Ik kreeg het gevoel voor altijd daar te willen blijven wonen.
Rond middernacht zat ik voor de kleine bungalow in een nieuw hotelcomplex en hoorde een tokeh zevenmaal roepen. Zeven keer! Wat een geluk! Een klein Chinees meisje liep voorbij en ik keek haar na.
Anno 1900 zal mijn grootmoeder Swan Nio ongeveer tien jaar oud zijn geweest. Een klein Chinees meisje. Toch moet zij toen al beter hebben kunnen lopen dan haar moeder, een Chinese vrouw met traditioneel ingebonden lotusvoeten. Swan Nio was geboren in Kediri, Oost Java, anders dan haar ouders, die uit Canton, China afkomstig waren.
Kediri was een slaperig stadje dat soms werd opgeschrikt door het wassende water van rivier de Brantas. De plaatselijke bevolking van Kediri zei dat de rivier bewaakt werd door een witte krokodil. Hij leefde onder de grote brug en scheen van een andere aard dan de krokodil die werd bezongen in het volksliedje Terang Bulan:
Terang bulan, terang bulan di kali
(maneschijn, maneschijn op de rivier)
Buaya timbul, disangka mati
(een krokodil komt boven drijven, hij lijkt wel dood)
Jangan percaya mulut lelaki
(geloof nooit de mond van een man)
Berani sumpah, tapi takut mati
(hij durft te zweren, maar vreest te sterven)
De rivier lijkt altijd mooi bij maanlicht, maar pas op voor de krokodil, want die doet zich voor als een drijvende boomstam! Deze eerste regels kon de tienjarige wel begrijpen. Maar van de laatste regels begreep ze weinig. Dat was iets voor oudere mensen. Toen ze de liefde leerde kennen kwamen andere liedjes. Die waarschuwden niet, die beloofden. Vergeet de rivier, de krokodil, kijk omhoog naar de maan. En schrik niet als je mijn hand voelt op je ranke schouder.
Haagsche Courant, vrijdag 21 januari 2005
Euraziologie
De 45e editie van het grootste Euraziatische festival is van start gegaan. Ik weet niet sinds wanneer de Pasar Malam Besar op het Malieveld zich als ‘Euraziatisch’ profileert, het klinkt mij al zo vertrouwd in de oren. De Markt Avond Grote wordt geleid door Indische vrouwen, naar de matriarchale traditie van het oude Nederlands-Indië. De Pasar Malam Besar heeft zich lang als ‘Indisch’ geprofileerd en doet dat nog, maar minder nadrukkelijk. In de Pasarkrant is ‘Indisch’ nu een subkop onder de grote kop ‘Euraziatisch’. Het wordt ook wel steeds lastiger om uit te leggen wat nou eigenlijk ‘Indisch’ is. Laatst werd mij voor de duizendste maal gevraagd of ik ‘Indonesisch’ ben. In het buitenland zou ik ja hebben gezegd, om niet de koloniale geschiedenis van Nederland te hoeven vertellen. Nu zei ik: ‘Nee, ik ben Indisch.’ O,’ klonk het, ‘ik heb veel half-Indische vrienden.’ Waarop ik zei dat ‘half-Indisch’ niet bestaat, dat ‘Indisch’ een bepaalde mengeling is van afkomst en cultuur. Niks half, ‘Indisch’ is heel. Werd begrepen, maar is mogelijk vandaag alweer vergeten. Louis Couperus beschrijft subtiel allerlei vormen van Indisch-zijn in zijn roman De stille kracht (1900). Een Hollandse resident heeft kinderen uit een eerste huwelijk met een ‘nonna’ (gemengdbloedige vrouw). De zoon is blank en blond maar voelt zich verwant met zijn moeder, al is het maar omdat zijn vader een Indo-hater is. De dochter is bruin en hunkert naar een schoonheid van een jongen uit een oud-Indisch geslacht met een Solose prinses als stammoeder en een Franse stamvader uit Mauritius. De jongste zoontjes zijn ‘echte sinjo’s’ (bruin), die men later ‘indo’s’ is gaan noemen. De tweede vrouw van de resident is als Europese geboren in Nederlands-Indië. Ze gebaart en loopt ‘Indisch’ en noemt zichzelf een ‘blanke nonna’: een ‘verindischte’ vrouw. Een bijfiguur wordt beschreven als een ‘typetje van blanke nonna’: een blank uitgevallen Indische vrouw, die probeert netjes Hollands te spreken en voorgeeft slecht Maleis te verstaan. Er is geen sprake van één Indische identiteit maar van vele, tot en met de jongste generaties van nu. Indisch-zijn is een dynamisch begrip met een link naar afkomst, is het niet via de genen dan wel via draden in de familiegeschiedenis. In Amerika zoeken mengelingen van Amerikaans-Aziatische origine elkaar op het internet via platforms van ‘Eurasians’. Vol bewondering bekijkt de ‘World Wide Mixed Nation’ de Indische gemeenschap in Nederland en sommigen komen tien dagen lang op de Pasar Malam Besar het ‘grote familiegevoel’ ervaren. Dat de helft ‘Hollands’ is wat er rondstapt is weinig anders dan toen in Nederlands-Indië. Vaak gaat er achter blanke gezichten een Indische achtergrond schuil. Het recept van de etnische cocktail is uiteraard ook dynamisch. Uiteindelijk worden we toch allemaal café-au-lait. En de hele wereld een Pasar Malam Besar. Maar dan elk weekend.
Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 13 juni 2003
Consumentenstaking
Even zien. Nog drie dagen. Dat is vrijdag, zaterdag en zondag. Daarna is het zo ver. Als ik vandaag de vriesruimte volstouw met kip, eend, garnalen, ganzentongetjes (te verkrijgen in Chinatown – recept gevraagd…), makreel, rode poon, haai (te verkrijgen op de markt – recept gevraagd!), boontjes, loempiavellen en niet te vergeten brood, en de open gaten opvul met Spaanse pepers, dan kan ik wel effe vooruit. Op zaterdag vul ik dan de koelruimte met groenten, broodbeleg, kaas, frisdrank, bier, jenever, whisky, boter, kaas en eieren. Verder nog extra sigaretten inslaan. Heb ik genoeg batterijen? Paperclips? Enveloppen? Pennen? Elastiekjes? Boterhamzakjes? Snaren? Gitaarsnaren, ja ja! Kostten eerst 17 gulden 95, nu 17 euro 95! Hallo daar! Ja, we hebben het echt niet alleen over levensmiddelen! Als ik door het Scheveningse Bos loop, zie ik overal saxofonisten met padvindersmessen tussen de stadsvossen en de vale gieren hun eigen rieten voor hun mondstukken snijden! Om maar wat te noemen, hè? Die bedragen die zo lekker Hollands aandoen met een 9 op het eind maken ons arm! 1599 euro voor een pc staat gelijk aan 3523 gulden en nog wat centen. Dat lijkt voor geen meter op de vertrouwde prijs van, zeg, 2999 piek. Rare bedragen als 1360 euro zagen we heel even in het begin, nu gaan ze weer lopen klooien met de 9 op het eind. Dus ik koop op zondag alleen een peeceetje, een teeveetje of een autootje zónder een 9 in de prijs! Nou jongens, ken ie zo? Mooi, dan ben ik klaar voor de consumentenstaking op maandag 1 juli.
Haagsche Courant, vrijdag 28 juni 2002