VOC-viering (2)

logo alfred birney De VOC dankte haar welvaart voor een groot deel aan de Chinezen. Zij waren betrokken bij de opbouw van Batavia en de ontginning van de zogenoemde Ommelanden en beschikten over de beste handelscontacten. Het Hollandse gezag probeerde immigratie van Chinezen af te remmen door koelies rechteloos voor Chinese ondernemers te laten werken, zoals men hier thans illegalen door tuinders laat gebruiken. Toen rond 1720 de suikermarkt inzakte door concurrentie van Brazilië gingen vele Chinezen failliet en werden talloze koelies werkloos. In 1740 kondigde het Hollandse gezag de deportatie af van alle koelies uit de Ommelanden naar Hollandse vestigingen buiten Java. Geruchten deden de ronde dat de koelies onderweg in zee zouden worden gedumpt en zo kwam het dat de Chinezen in opstand kwamen. Grote bendes trokken moordend en plunderend door de Ommelanden en het kwam zelfs tot een stormloop op Batavia. De Hollanders vreesden dat de Chinezen uit Batavia zouden gaan samenwerken met die uit de Ommelanden. Een massale huiszoeking bij de Chinezen in de stad mondde uit in een ongehoorde slachting, waarbij het Hollandse gezag premies uitloofde voor elk afgehakt Chinees hoofd. In drie dagen tijd werden ‘met Gods hulp’ vijf- tot tienduizend Chinezen afgemaakt. Het Hollandse gezag vond het toen wel genoeg en herstelde de rust. Chinezen mochten voortaan alleen nog in speciale wijken wonen. In Batavia, het huidige Jakarta, werd dat Glodok, waar nog altijd veel Chinezen wonen. Er kleeft bloed aan de wijnglazen op het Binnenhof. Benieuwd hoe ze er vandaag de afwas gaan doen.

Haagsche Courant, woensdag 20 maart 2002

Nieuwe Indo’s in Depok, kikkers en leguanen

In verband met een ophanden zijnde excursie wordt de laatste conferentiedag geopend met een lezing over VOC-grafzerken in Jakarta. De Kepala Program Studi, het Indonesische studiehoofd die de lezing verzorgt, spreekt zoals ik dat vroeger aardige oudere Indo’s hoorde doen: zachtjes, met veel ja’s ertussen. Ik luister niet naar wat hij zegt, ik hoor alleen de muziek van zijn Nederlands.
     
Een heel ander geluid komt van een meneer die al 30 jaar in Londen woont. Een rijzige man, die zijn Nederlands op een Britse manier ten gehore brengt: met de handen uiteen op de katheder, de schouders naar achteren, spreekt hij monter de zaal toe. Geen lezing, nee, hij komt gewoon 20 minuten reclame maken voor de Britisch Library. Laat een ordner de zaal rondgaan met een overzicht van boeken, manuscripten en particuliere handschriften, die alle gaan over het Nederlands-Indonesisch conflict, dat dus nog altijd geen oorlog genoemd wordt.
     
De man, Jacob Harskamp, beweert dat zijn afdeling van de deftige bibliotheek nú al kan wedijveren met de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag en dat naar zijn verwachting de collectie van de Britisch Library die van de KB in de toekomst waarschijnlijk zelfs zal overtreffen! Komt u dus allen naar Londen wanneer u zich stort op die dramatische periode die leidde tot de onafhankelijkheid van Indonesië en het deficit van Nederland als wereldnatie.
     
Even testen in de koffiepauze: ‘Meneer Harskamp, mijn naam is Alfred Birney, en ik heb twee boeken geschreven die bij u op de plank thuishoren. Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis. Geeft u mij uw kaartje, dan laat ik ze u toesturen.’
     
‘Hoeft niet, die hebben we al. Maar eh… gesigneerde exemplaren voor in mijn privé-boekenkast zijn natuurlijk altijd welkom,’ zegt de Amsterdamse Londenaar breeduit grijnzend.

Tijd voor woede. Iemand genaamd Jugiarie Soegiarto, voor wie alle studenten een beetje bang schijnen te zijn, komt haar gal spuwen over het medium film, in het bijzonder de hantering van de camera vanuit Nederlands gezichtspunt. Hoe tal van vooroordelen en stereotyperingen in oude filmbeelden worden onderstreept, eenvoudig door de keuze van de cameramensen, de hand van de regisseur en door simpele censuur. Ze noemt een hele rits filmmakers, allen Nederlanders, en daartussen zit één Indo.
     
Wanneer ik Jugiarie in de lunchpauze vraag of de filmbeelden van die ene Indo misschien afweken van die van zijn totokcollega’s, krijg ik een ontwijkend antwoord. Misschien omdat ze mijn vraag niet positief kan bevestigen en zij tenslotte tegen een Indo-Belanda zit te praten.
     
‘Over Indo’s gesproken,’ zegt Jugiarie. ‘Weet je dat hier in Depok een hele wijk vol zit met mensen die zich Indo noemen? Terwijl er helemaal geen Indo tussen zit! Ze geven hun kinderen Hollandse voornamen zonder dat ze Nederlandse voorouders in de familie hebben. Dat doen ze alleen omdat ze in Depok wonen! Je weet: Depok was vroeger een Hollandse kolonie, waar veel Indo’s zaten. Nou, die lui die daar tegenwoordig wonen die noemen zich alleen daarom al Indo, terwijl ze net zo donker zijn als ik!’
     
‘Ik ben ook zo donker als jij.’
     
‘Ja, maar jij komt uit Nederland, jij hebt een Nederlandse moeder.’
     
‘Dus de kleur telt niet.’
     
‘Hier in Indonesië wel. Kijk maar naar de televisie. Acteurs, in films, in televisiereclames, presentatoren – het zijn allemaal Indo’s. Ze zijn allemaal licht van huidskleur.’
     
‘Is dat voldoende om Indo te zijn tegenwoordig?’
     
‘Wij noemen dat Indo. Het heeft feitelijk niets meer te maken met afkomst. Maar ze voelen zich wél meer dan de Indonesiër.’
     
‘Net als vroeger dus?’
     
‘Ja, net als vroeger. Ze gedragen zich net als Indo’s in de koloniale tijd. Je moet die meisjes uit die wijk horen in de bus. Zitten altijd bij elkaar en ze gooien expres Nederlandse woorden door hun Indonesisch, om te laten zien dat zij ánders zijn dan wij.’
     
‘Een soort omgekeerd petjôh dus?’
     
‘Zo zou je het kunnen noemen. Zoals jullie nu en dan wat Maleis door jullie Nederlands doen, zo doen zij nu en dan wat Nederlands door hun Bahasa.’
     
‘Maar aan wie spiegelen zij zich dan?’
     
‘Aan de Indo van vroeger. Ze hebben hier hun eigen kerk. Ze gaan bij elkaar op bezoek. Ze proberen iets in stand te houden dat er niet meer is.’
     
‘Een subcultuur in stand houden. Is dat erg?’
     
‘Het is aanstellerij.’

kampus depok indonesia

Het hoofd Culturele Zaken van de ambassade geeft die avond, wanneer de conferentie ten einde is, een cocktail buffet bij haar thuis in de wijk Kemang. Op de uitnodiging staat mijn achternaam in de oude spelling geschreven: Birnie. Misschien heeft het hoofd Culturele Zaken dat opzettelijk gedaan omdat ik haar naam op de dinnerparty ten huize van de ambassadeur even was vergeten. Of omdat ze onnadenkend vasthoudt aan de originele familienaam. Ik zelf schrijf namen niet zo snel fout, ben weer reuzegoed in het vergeten van namen, maar niet van gezichten, personen, wat zij zeggen, doen. En daarom schrijf ik, dames en heren.
     
Het eten dat de gastvrouw laat serveren is Europees. Dat is weer eens wat anders dan dat eentonige Indonesische eten in het hotel, al is het behoorlijk van kwaliteit. Onze gastvrouw heeft pasta laten maken, salades, en er ligt brood. De Indonesische bedienden zijn onzichtbaar, net als in de ambassadeurswoning en net als in het leeuwendeel van de koloniale letteren.
Ik raak in gesprek met Olf P., niet over zijn lezing maar over de Birnies in verband met zijn proefschrift over Busken Huet. Ik begin zijn droge humor te leren kennen.
     
Hij vraagt me of ik al op het Ijen Plateau ben geweest, dat door de oudste broer van mijn grootvader in cultuur is gebracht, en ik zeg nee. Hij legt me uit hoe je er het beste heen naar toe kunt gaan, waar je kunt slapen in een oud koloniaal hotel eer je omhooggaat enzovoort. Hij heeft de plek bezocht, met vrouw en kinderen.
     
Er komt iemand aanwaaien wiens houding lichtelijk anders is dan die van de overige gasten, die over het algemeen enige eruditie uitstralen. Ik raak met de jongeman in gesprek en hij blijkt een restaurateur te zijn. Hij is net aangekomen, heeft heerlijk geslapen in het vliegtuig omdat hij voor het eerst sinds een half jaar een nacht had zonder een baby aan zijn zijde. Hij is gekomen om onderzoek te plegen naar de toestand van allerlei cultureel erfgoed in diverse musea in Indonesië. Hij glundert wanneer hij zegt dat hij, en hij alleen, alles mag aanraken dat achter vitrines ligt: batik, wajangpoppen, beelden, noem maar op.
     
Ik loop met hem de tuin in om het zwembad van de gastvrouw te bewonderen. Het bad is omgeven met een schitterende flora, bijna surrealistisch zo midden in de helse stad Jakarta. Er zwemt een kikker in.
     
Op het gazon, ergens in een rustige hoek, zit de secretaris van de ambassadeur met enkele vrienden. Ik stel de restaurateur aan hem voor, want ik moet ertussenuit kunnen knijpen. Gerard T. is nog altijd ziek, hij zal goed moeten slapen omdat ons morgen een excursie wacht naar twee van de 1000 eilanden voor de kust van Jakarta. Onder het mom ‘samen uit, samen thuis’ blijf ik stand-by voor als hij een taxi laat komen.
     
De secretaris zegt dat hij nog geen kikker in zijn zwembad heeft gehad. Dat het waarschijnlijk geen kikker is geweest die ik zag, maar een pad. Hij vertelt dat hij ook nog nooit een tokèh heeft gehoord. Wel heeft zijn vrouw bij het weghalen van ongerechtigheden in haar gazon bijna eens per ongeluk de staart van een leguaan afgeknipt. Het beest joeg haar de stuipen op het lijf, maar inmiddels zijn ze nu wel gewend aan leguanen in de tuin.
     
‘We hebben allemaal een zwembad in de tuin,’ zegt de secretaris. ‘Anders is het hier niet uit te houden in Jakarta.’
     
Kan ik me voorstellen, al klinkt het oneerlijk. Hoe houden die miljoenen arme mensen het uit in hun minuscule krotten langs de autowegen? Kunnen die armelui houden van mensen die het hier in hun stadsvilla’s zo goed hebben? Er liggen evacuatieplannen klaar, voor als er weer ernstige rellen uitbreken en de volkswoede zich richt op blanken en Chinezen.
     
De secretaris maakt zich zorgen. Aanstonds zal een grote mate van zelfbestuur worden ingevoerd in Indonesië. Hij is bang dat allerlei patsers dictatortje zullen gaan spelen in hun ‘eigen gebiedjes’. Hij zegt het zonder dédain, hij meent het.
     
Elke discussie die je aangaat naar aanleiding van dit soort toestanden leidt tot het uitroepen van de democratie als ideale staatsvorm. De democratie is wellicht de intelligentste staatsvorm die er bestaat. Ook in een democratie heerst macht, een sterkere dan in welke dictatuur dan ook. Het is een geleide macht die zichzelf reproduceert zonder dat de machthebbers daar erg in hebben. Men vermoordt anderen zonder er weet van te hebben.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De coming out van een ouwe Haagse gabber op een dinnerparty

Ik heb een uurtje geslapen, ben daarna nog een half uur in het ligbad gaan soezen en heb me toen gekleed. Het wasgoed wordt je hier fraaier gestreken en zachter dan waar ook ter wereld terugbezorgd: een weldaad. Op de uitnodiging van de ambassadeur en zijn vrouw de barones wordt als kleding casual gesuggereerd. Dat scheelt een stuk in de tropen, maar toch trek ik een wit overhemd aan op mijn spijkerbroek en draag een antraciet dun colbert van casual Italiaanse snit. Geen stropdas. Die draag ik nooit, ik haat stropdassen, de stropdas is het belachelijkste kledingstuk dat een man maar kan dragen. Praktisch gezien dient het nergens toe, zoals een sjaal. De strop zou dateren uit de tijd dat de Vikingen Brittannië onveilig maakten: ze lieten de mannen met stroppen rond de nek lopen, zodat die, als ze even praatjes kregen, in een handomdraai aan een boom gehangen konden worden. Zijn stropdasdragende mannen masochisten?
     
De telefoon gaat. Een baliemeisje meldt in het Engels dat de secretaris inmiddels is gearriveerd en beneden op mij wacht in de lobby. En dat ik me niet hoef te haasten.
     
Sigaretten mee. Aansteker. Een pen. Visitekaartjes. Wat nog meer? O ja, een doos boeken, meegesjouwd all the way from patria.
     
De secretaris van de ambassadeur is een van de geestigste mensen die ik heb ontmoet op de conferentie. Hij zal zijn humor ook wel hard nodig hebben om zich staande te kunnen houden in de wereld der diplomaten.
     
Maar nu toont hij een ander gezicht. Op de achterbank van de Jeep begint hij me aan een hoogst serieus interview te onderwerpen. Over mijn schrijverschap. Over mijn afkomst. Over mijn verhouding met de pers.
     
De chauffeur rijdt ons door het donkere Jakarta naar de ambassadeurswoning. Achter het hek staan veiligheidsmensen, ik weet niet of ze gewapend zijn. Eén van hen loodst ons naar binnen. We worden dus niet binnengelaten maar binnengeloodst, alsof er elk moment een stel militanten vanuit de boomkruinen rond de woning hun molotovcocktails naar onze koppen kunnen gaan gooien.
     
Het huis is een oud-koloniaal gebouw, perfect opgeknapt en onderhouden: een doolhof van grotere en kleinere vertrekken, gangen, brede trappen. Er staat beeldhouwwerk, er hangen schilderijen, er liggen tapijten op de marmeren vloer, we komen in het verkeerde vertrek terecht, waarschijnlijk dat van de ambassadeur, en worden dan haastig door de Indonesische huisbediende naar de kamer van de barones gebracht.
     
De bediende draagt witte kleding, zoals in tempo doeloe. De bediende maakt zich onzichtbaar, zoals in tempo doeloe. Ik ben geen kind uit tempo doeloe en heb de neiging om Indonesische bedienden als broertjes te beschouwen. Een probleem.
     
De vrouw des huizes komt binnenstappen. Ze toont ons trots haar vleugel en haar boekenkast, ze is van het entamerende culturele soort. Wanneer even later de ambassadeur binnenkomt in gezelschap van de schrijver Jacob Vreedenbregt, vraag ik deze collega of het waar is dat hij op gegeven ogenblik zoveel personeel had dat hij iets moest gaan verzinnen en daarom een jongen maar de hele dag vlinders liet vangen.
     
‘O, je bedoelt wat ik toen zei in dat programma van Adriaan van Dis?’
     
‘Ja.’
     
‘Ja, dat is zo. Tenminste: dat wás zo.’
     
De ambassadeur komt nog even terug op zijn openingstoespraak op de conferentie en zegt een beetje tobbend dat helaas lang niet iedereen van zijn humor is gediend.
     
Tijd voor de gastvrouw om mij de tuin te laten zien. Brede marmeren veranda. Op het gazon staan verspreid ronde tafeltjes op hoge poten. Partylights. Geen zwembad hier, waarschijnlijk de enige villa zonder zwembad.
     
Zou wat zijn geweest toch, een zwembad in de tuin van de ambassadeurswoning. Alle gasten te water en ik loop dan rond het bad terwijl ik lees uit Fantasia: De fenomenale meerval.
     
De ambassadeursvrouw heeft me die ochtend op de conferentie naar mijn wensen geïnformeerd en ik heb om een katheder gevraagd. Die heeft ze me beloofd maar er niet voor kunnen zorgen. Het lijkt haar veel leuker om de boel wat meer ontspannen te houden, misschien kun je een beetje rondlopen terwijl je voorleest?
     
‘Hm,’ zeg ik, peinzend over het narrenschap dat de schrijver tegenwoordig overal wordt opgedrongen. Dat krijg je ervan als die vervelende Hollandse cabaretiers met hun boeken de ‘literaire’ toptien bezetten.
     
‘Waar wil je staan?’
     
‘Waar ik nu sta, hier op de veranda, dan schuifel ik wel wat heen en weer en heb ik goed zicht op de mensen.’
     
‘Goed,’ zegt de gastvrouw handenwrijvend. Ze is enthousiast, misschien is de verveling hier in de villa achter de hekken voor haar wel net zo groot als voor de vrouwen van de bestuurders in tempo doeloe, waar ik aldoor aan denken moet hier. Maar mensen zoals zij houden op zijn minst het culturele leven een beetje gaande.
     
We spreken het draaiboek nog wat door en dan komen de gasten binnendruppelen. Er worden er 70 verwacht, buiten de groep meisjes die die middag op het toneel van de aula hun zangtalent hebben laten horen.

indonesisch zangeresje

Zij zullen de avond openen met hun lieftallig gezang. Wanneer de gasten met hun voorgerecht klaar zijn, zal ik mijn act tonen, want zo noemt men dat tegenwoordig vanuit het ingebakken idee dat schrijvers artiesten zijn, clowns of zo, in elk geval geen schrijvers zoals dode schrijvers, want alleen dode schrijvers die nog worden gelezen zijn pas echte schrijvers: die hebben het tenminste altijd over anderen en niet over jou. Zo leef je als het ware schrijvenderwijs toe naar grafsteen, plaquette en een bladzijde of voetnoot in een overzichtswerk van de een of andere onbenul die zijn hele leven niet buiten zijn leeskamer is geweest en bij het aanvaarden van zijn professoraat nog ontmaagd moest worden.
     
Pikant toch: een stel bruine meisjes zingt op de veranda, begeleid door een bruine jongen op de gitaar. Bruine bedienden gaan rond met de schalen en een bruine nog geen dode schrijver zal een lichtvoetig verhaal gaan voorlezen op deze lichtvoetige avond in een tuin dat bevolkt wordt door een Europees publiek.
     
Mevrouw de dode schrijfster Madelon Szekely-Lulofs laat in haar beroemde en overgewaardeerde roman Rubber uit 1932 op een of ander partijtje een stel Indo-muzikanten opdraven als Indo-behang. Ik weet niet of men er na een slordige 70 jaar al achter is dat Indo’s ook al een jaar of honderd boeken schrijven, maar ik vermoed toch dat dat enkele figuren in het publiek zou verbazen. Waren ze volkomen van mijn achtergrond op de hoogte geweest, dan zouden enkele me beslist hebben gevraagd om ook eens die gitaar van die jongen tussen de zingende meisjes over te nemen.
     
Uiteraard krijgen ze mijn verhaal De jongen met de gouden vingers uit Fantasia te horen, speciaal voor deze avond geselecteerd. Gevoelige romanfragmenten bewaar ik voor intiemere avonden. Dit verhaal is eenvoudig voor te dragen: lekkere spanningsboog, een beetje muziek, een beetje liefde, een beetje geweld plus een beetje Indo-geschiedenis uit de jaren zestig. Wat zou dit publiek nog meer wensen? Toch geen verhaal over Indië mag ik hopen, of praat ik hier voor een neokoloniaal publiek?
     
Ik zweet me ongans bij het voorlezen van mijn verhaal, beweeg me zo’n beetje met de snoerloze microfoon over de veranda tussen de ranke zuilen, het publiek is schimmig bij de partylights in de tuin. Had ik de podiumervaring van Anneke Grönloh maar. Ik probeer de techniek van de artiest in praktijk te brengen, mijn ogen te laten zwerven zodat iedereen het gevoel heeft dat je ze aankijkt. Maar er zit ook publiek achter me.
     
In de tuin, recht in mijn gezichtsveld staat één man met een bierbuik en een glanzende halfkale schedel me aldoor zichtbaar genietend aan te kijken. Hij wordt mijn favoriet tussen het publiek, ik kom steeds weer bij hem terug en zie zijn hoofd steeds roder worden van de pret.
     
Zodra het verhaal uit is en het applaus wegsterft boven de miljoenen daken van Jakarta stormt de man met de halfkale glanzende schedel op me af en grijpt me bij mijn schouders.
     
‘Jongen,’ zegt hij, ‘je hebt me in je hart gesloten! Weet je dat ik die tijd waarover jij vertelde zélf heb meegemaakt? Ik kom uit Den Haag, ik was zélf zo’n gabber en het is écht zo wat je vertelde! Jemig, er waren altijd vechtpartijen tussen de Indo’s en ons. Ja, ik zeg maar ‘ons’, want stond wél aan de andere kant, begrijp je? En het is precíes wat jij zei: dat het ging om onze meisjes! Die liepen allemaal van ons weg om met de Indo’s te gaan dansen! Nou, en dan kreeg je inderdaad knokpartijen, ha ha, wat een tijd was dat! Maar het is nu voor het eerst dat ik het van de ándere kant heb gehoord!’
     
De man staat even later glunderend aan mijn tafel, waar ik mijn boeken signeer. Of ik erin wil schrijven: Voor Harry, die ouwe Haagse gabber.
     
Opeens komt er vanuit het niets een Indo aan mijn tafel staan. Hij is leraar in Jakarta en een liefhebber van Indorock en vraagt me of er nog een exemplaar van mijn verhalenbundel over is. Nee, helaas. Ander boek? Hij aarzelt.
     
‘Gaat het allemaal over Indorock, wat je schrijft?’
     
Ik kan het niet helpen, maar ik moet lachen. ‘Nee, zelfs niet altijd over Indo’s.’
     
‘Waarom niet?’
     
‘Dat vertel ik morgen op de conferentie wel. Ben je daar dan?’
     
‘Spijtig, maar ik moet lesgeven.’
     
Ik wil met hem spreken over zijn leven als Indo hier in Jakarta, maar het wordt druk rond de tafel en hij verdwijnt geruisloos terwijl ik mijn boeken signeer. Geruisloos dus.
     
Nog een Indo, een vrouw, aan mijn tafel. Ze zit in Jakarta omdat haar Hollandse man hier zijn werk heeft. Hoewel ze een generatiegenote van mij is, begint ze zich nu pas in haar Indoschap te verdiepen. Daarvoor moest ze eerst toevallig in Indonesië terechtkomen.
     
Ze verbaast me dat ze nog geen enkele schrijver van de Tweede Generatie heeft gelezen. Scholieren zouden moeten leren hun schrijvers te zoeken. Daar heb je dan wel leraren voor nodig die wat verder kijken dan naar wat hen voorgeschreven wordt.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Kopi Birnie Tubruk

Mijn voorouders hadden hun familiehuis aan de Brink nr zoveel in Deventer en koesterden een haat-liefdeverhouding met de makelaars in koffie aan de Amsterdamse grachten. Geen idee waar de familie Heyn uithing rond de eeuwwisseling. In elk geval heeft Albert Heyn thans in zijn Perla-serie een koffie met smaaktype 4 onder de naam Java Gunung Blau. De koffie smaakt bijzonder, om niet te zeggen uitstekend, maar er deugt iets niet aan de informatie op de verpakking, aan de prijs en niet in de laatste plaats aan de benaming.

Albert Heyn meldt op de verpakking dat deze koffie afkomstig is van het Idjen Plateau op de uiterste oostpunt van Java. Dat klopt. En dat hun inkopers de van oudsher Hollandse plantage Gunung Blau opnieuw hebben ontdekt. Nou, dat werd dan eens tijd, maar dan moet je niet gemakshalve spreken over een Hollandse plantage. Mijn oudoom David, die het destijds onherbergzame Idjen Plateau in cultuur bracht, was namelijk geen Hollander maar een Indo, dus de plantage was Indisch, nogal een verschil met wat je Hollands noemt.

De koffie smaakt dan ook Indisch, licht gepeperd, en zijn aroma kan moeilijk ‘rond’ genoemd worden, zoals op het pak staat. Ik zou een aroma met smaaktype 4 vierkant noemen, net als de Birnies, die waren ook vierkant, kijk maar naar Carel Birnie, de oprichter van het Nederlands Dans Theater. Die man overleefde 12 gemeentebesturen eer hij zijn theater in het Haagse mocht neerpoten en dat kon hij omdat hij vierkant was. De ronding in de architectuur van het theater moet dan ook worden gezien als een tegemoetkoming aan die gemeenteambtenaren die koffie met een rond aroma drinken. Maar vierkante mensen zelf drinken vierkante koffie, meneer Albert Heyn.

De eerste uit het vierkante ondernemersgeslacht Birnie was ooit begonnen met het vervaardigen van dweilen en zeildoek. Zijn zoon liet de fabriek uitgroeien tot de Koninklijke Deventer Tapijtfabriek. In 1848 kreeg de fabriek het moeilijk en de directeur verzoop zich met een steen aan zijn voet in een meer, waarop de orders weer begonnen binnen te stromen. Maar zijn zoon George, mijn overgrootvader, had er geen zin in om in de voetsporen van zijn vader te treden. Met het diploma van de bestuursacademie te Delft op zak zeilde hij op 12 oktober 1852 uit met de ‘Gertrude’ voor een carrière bij het Binnenlands Bestuur op Java. Hij baalde er vast van dat hij niet ergens in de Vorstenlanden was geplaatst.

Met het onherbergzame Djember onder zijn toezicht kreeg hij als controleur op zekere dag bezoek van de resident van Besoeki. De resident zag dat er grote schade was aangericht door arbeiders, die in grote getale in de schaduw van vernielde bomen zaten en hij, de resident, beklaagde zich over die ‘zwarte apen’ bij de controleur, die deze opmerking niet bijzonder gepast vond. Die avond schreef George Birnie in zijn als ambtenaar bij te houden dagboek dat er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.

Geinig, zo’n overgrootvader. Niet voor het bestuur, want die achtte het hoogstgewenst de controleur over te plaatsen naar een nog onherbergzamer district, met een verhoging van het traktement, dat wel. Maar nee, George Birnie zag er een verbanning in, nam ontslag en trok de planterslaarzen aan. Zeven jaar na zijn uitzeilen begon hij met het planten van tabak en tweemaal zeven jaar later was hij rijk, een gevierd man die meteen die vlieg van een Busken Huet op zijn huid kreeg. Deze om poen bedelende criticus zat namelijk chronisch omhoog zat met zijn noodlijdende krant. En hij, de rijke planter, spekte die conservatieve krant dan maar, al walgden Busken Huet en zijn vrouw van het idee dat deze George Birnie met een zogenoemde inlandse vrouw was gehuwd.

Inzet was het tegengaan van het opheffen van het Cultuurstelsel. Die strijd verloren ze, maar de eerstgeborene uit George en zijn Oost-Javaanse vrouw – David – zou wel raad weten met de nieuwe Agrarische Wet. Van vader George leerde David hoe een sigaartje te roken met lui bij wie landbouwvergunningen moesten worden versierd, hoe je ze met whisky dronken voerde en bewoog de ganzenveer in Oost-Indische inkt te dopen. Later liet David op zijn beurt zijn vader zien dat koffie een grotere toekomst had dan die zware tabak uit Djember, die het zou gaan verliezen van de lichtere tabak uit Deli. De stoere Indo schrok niet terug van de kou en de mist op het vulkanische Idjen Plateau, waarvan Albert Heyn een plaatje op de verpakking van zijn koffie Gunung Blau heeft afgedrukt.

Smaaktype 4 met een rond aroma, Albert Heyn weet niet helemaal wat hij in handen heeft. Nou ja, een beetje, want deze koffie kost per pak van 250 gram fl 4,95 en dat is gemiddeld anderhalve gulden meer dan, zeg, een pak koffie van Van Nelle. De Birnie-koffie – want zo moet die eigenlijk heten – wordt geleverd in een speciale luxe verpakking en wordt niet vacuüm verpakt. Is dat een voordeel? Ik weet het niet. Als je eens even een voertuig nodig hebt om in het holst van de nacht naar de andere kant van Den Haag te crossen voor een pakje tabak bij de benzinepomp, dan kun je met zo’n vacuüm getrokken straatklinker van Van Nelle tenminste nog een gabber van zijn bromscooter af keilen.

Albert Heyn wil met een glossy verpakking de suggestie wekken dat zijn Perla Gourmet Java Gunung Blau in snelfiltermaling niet anders dan zo duur kan zijn. Op de voorkant van de knisperende folie vinden we een zegel, zeggende koffiebranders sinds 1895. In het zegel een kop van een zo te zien Indisch-Chinese heer. Zou een apotheker kunnen zijn, ik zie er althans geen kop van een vierkante planter in.

Aangezien Albert Heyn niet direct laat zien onze Indische geschiedenis een beetje te kennen, het kennelijk heeft gelaten bij het doorbladeren van de Max Havelaar alleen, dan zou ik hem adviseren in het zegel de kop van mijn grootvader Willem te plakken, de man die nog geen koffieboon van een tabaksblad kon onderscheiden en voortdurend achter de vrouwen aan zat.

In het huidige Indonesië is de rupiah zo weinig waard dat zelfs bedelaars geen muntgeld van je aannemen en ik maak me sterk dat je daar momenteel niet voor een koopje je koffie haalt.

Mijn voorouders hadden hun familiehuis aan de Brink nr zoveel in Deventer en zijn ooit begonnen met het invoeren van vaste koffieprijzen. Als die daar nog gelden en Albert Heyn geen corruptie kent, dan nog hoeft een bijzondere koffie niet extra belast worden met een onduidelijke toeslag voor een onduidelijk doel. Een prijsverschil van anderhalve gulden met een redelijk goede koffie moet elders terug te vinden zijn.

Wat voor geschenken worden er geboden aan de noeste spaarder van de waardepunten aan de zijkant van het pak? Zal wel weer koffieservies zijn… Albert Heyn, luister! In de huidige tijd dient u uw overmatige winsten aan te wenden voor sponsoring van culturele projecten! Nu het Fonds voor de Letteren voor de kranten van de leerlingen van Busken Huet op de knieën dreigt te gaan en zich laat ringeloren door een staatssecretaris van cultuur, die geen onderscheid kent tussen een schrijver en een ondernemer, geef ik u in overweging om althans die enkele gesubsidieerde Indische schrijver uit de contemporaine Nederlandstalige literatuur in staat te stellen zijn verhaal over het Birnie-imperium te vertellen. Gebruik dus voor uw waardepunten de boekomslagen van Alfred Birney, zodat de liefhebber van uw vierkante koffie voor het complete oeuvre van deze schrijvende nazaat van uw geliefde planters kan gaan sparen.

Met de hartelijke groeten uit het familiehuis aan de Brink nummer zoveel, Deventer,

Alfred Birney © 2000

Voorgedragen door Maarten van Rossem alias Droogstoppel in Amsterdam, De Balie, in het kader van ‘Adieu 19e eeuw’, op dinsdag 14 november 2000, 20:00 tijdens een schrijversparade rond Multatuli’s ‘Pak van Sjaalman’, met Maria Barnas, Karel Glastra van Loon, Adriaan Jaeggi, Atte Jongstra, Mariët Meester, Wanda Reisel en Pauline Slot, terwijl die slome Cyberney verstek moest laten gaan vanwege griep dit en griep dat, jetlag dit en jetlag dat, allemaal opgelopen na een lood- en loodzwaar wereldtournee, tijdens welke hij, die dekselse Cyberney, zich in het bijzonder sterk maakte voor zijn schrijvende generatiegenoten, die weer op hun beurt verzuimden hem tijdig van aspirientjes en appelsientjes te voorzien opdat hij zich van zijn wederom loodzware taak kon gaan kwijten het podium van De Balie van enige kleur te voorzien, zodat het massaal opgekomen publiek niet direct met tomaten zou gaan gooien enz. enz., om kort te gaan: Cyberney heeft tinka’s, zoals al die blauwen, vraag maar aan Frans Lopulalan en zijn schildknaap Joro.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Ingewikkeld

The river flows. Ik heb diep geslapen. En kort. Ik neem een bad. Iowa House, een hotel op de campus, is zo groot dat je blij bent als je iemand in de gangen ziet lopen. Wordt hier een conferentie gehouden?
Ik neem als ontbijt broodpudding, ik zie zo gauw niks anders, sta met mijn suffe hoofd gewoon in de verkeerde rij van de cafetaria, waar enorme porties eten wordt geserveerd. Twee van de vijftig tafels zijn bezet. Nou, gezellig hier.
Na mijn ontbijt wandel ik naar de rivier. Ik kijk naar de rivier. Als ik water zie, hou ik op met denken. Ik heb een vrije dag om te acclimatiseren, het is donderdag, men heeft het programma ge-rescheduled, er is nog weinig te doen.
Bunga komt later op een bankje zitten en maakt een foto van mij en een oude hippie, die verderop al een uurlang probeert een band van zijn mountainbike te plakken. Duurt langer dan dat bandje van die Jumbo Classic. Bunga maakt een kiekje van mij en de cowboy, ik van Bunga met mijn laptoptas, als troost voor haar zwervende koffer.

In de middag maak ik met Wanda en Bunga een wandeling door de stad, met zijn rechttoe-rechtaan straten. Bunga heeft maar liefst 25 dollar schadevergoeding gekregen van North-West Airlines, de zus van KLM, om wat kleding van te kopen. Nou kost een hotdog met een cola al gauw tien dollar hier.
In de struiken langs de schone rechttoe-rechtaan-straten dartelen eekhoorns rond. We hebben Indian Summer. Op een veld speelt een horde studenten een onduidelijk spel met één frisbee.
Iemand heeft ons Nederlands horen praten in een kledingzaak. Een oud echtpaar stapt op mij af, terwijl Wanda en Bunga proberen om voor 25 dollar ondergoed uit te zoeken. Het echtpaar spreekt mij aan. Holland? Ja. Vakantie? Nee, conferentie. Ah!
De man gaf ooit les aan de universiteit hier, totdat ze de Germaanse faculteit sloten. Wanda heeft de man herkend, ze kreeg ooit les van hem. Maar dat weet hij niet meer. Wat hij nog wel weet is dat hij in de jaren veertig nog in Indië heeft gezeten. Indië? Jazeker. Hij was erheen gegaan als vrijwilliger, om er te knokken tegen de Indonesiërs. Nu, een halve eeuw later, vond-ie het nog altijd maar niks dat Indonesië een zelfstandige staat was geworden. Kijk maar naar het nieuws op CNN, zei de man, het is één rotzooitje. Nou, alsof het vóór de onafhankelijkheidsstrijd géén rotzooitje was, dacht ik maar ik hield mijn mond. Altijd respect voor ouderen hebben, leerden Indische kinderen vroeger. Zo’n oude man, ik liet hem maar klagen, ook over Nederland, waar het zo was veranderd, waar het ook al zo’n rotzooitje was. Dat wist hij, ja want hij was er tien jaar eerder nog geweest. Hondenpoep hè? Ja, hondenpoep. Veel junks hè? Ja, veel junks. Liederlijke vrouwen hè? Ja, liederlijke vrouwen. Zeg Bunga, heb jij nog een onderbroek kunnen vinden?

marion bloem in iowa

Die avond laat Wanda me zien dat je ook in Iowa sushi kunt eten. Terug in het hotel zap ik wat Amerikaanse nieuwszenders af, ga slapen en sta weer vroeg op.
Ik kijk naar de roeiers op de River Iowa. Het zijn studenten die trainen voor de roeiwedstrijd. Het water is glad, er is geen wind, de boten glijden in een rechte lijn door het water. Ik heb een interview voorbereid, maar het programma is in de war gelopen door een verkeerde verwijzing in de gids naar de studio waar het interview zou plaatsvinden. Er zal ge-rescheduled worden.
Ik weet nog niet precies wat er allemaal van me wordt verwacht en neem in mijn hotelkamer mijn essay hardop door. Neemt 30 minuten. Dat is 10 minuten te lang, maar ik kan er l’improviste wel iets van brouwen, als het moet. Bovendien is het geschreven als bijdrage aan een essaybundel van allerlei deelnemers, een boekwerk getiteld Writers on Writing: Short Story Writers and Their Art; Maurice A. Lee ed. (Westport, CT: Greenwood Publishing Group), dat ook al is ge-resceduled, naar het jaar 2001.
Ik woon een tamelijk melige paneldiscussie bij in de Ballroom, de grootste zaal in het gebouw naast het hotel, waar de grootste publiektrekkers worden verwacht. Op het podium zit de helft van wie was aangekondigd, de andere helft springt re-scheduled bij.
Het thema is race, gender, sexual orientation, and writing in today’s world maar ik hoor helemaal niks over race, gender, sexual orientation, and writing in today’s world. Op het podium zit een Amerikaanse incrowd, die wat lollig zit te doen. De enige zwarte schrijver van het vijftal, James Alan McPherson, verstopt zich.
Een schrijfster uit New York, blasé, kennelijk een arrivé, stelt voor om als schrijvers gezamenlijk voortaan met twee romanfiguren te werken: George en Maggie of zoiets. We krijgen dan boeken met George en George, George en Maggie, Maggie en Maggie, George en Maggie, George en George plus Maggie enzovoort. Nou, ha ha dan maar. Ik sta paf van de onzin die deze Amerikaanse schrijvers verder nog gezamenlijk de zaal in slingeren. Moeten ze in Nederland toch niet mee aankomen. Geen wonder dat de gespreksleider Bharati Mukherjee weggebleven is, had de bui al zien hangen zeker.
Op een zeker ogenblik komt er een vraag vanuit de zaal: hoe het zit met de neiging van de pers om schrijvers met een hoegenaamde achtergrond aldoor de richting in te willen duwen van die hoegenaamde achtergrond. Met andere woorden: zwarte schrijvers moeten hun zwarte cultuur vertegenwoordigen, homo’s hun homocultuur, mengbloeden hun mengcultuur en ga zo maar door.
Deze vraag wordt gesteld door Maurice A. Lee, de director van de conferentie, op wiens verzoek ik een essay schreef voor het Amerikaanse publiek, getiteld Apartheid in literary criticism, dat dezelfde vraagstelling heeft.
Het klinkt ongelooflijk, maar Maurice Lee krijgt gewoonweg geen antwoord. Iemand op het podium begint een vaag verhaal, dat in helemaal niets eindigt. Verhalenverteller? Zodra het panel elkaar weer vindt in meligheid, is men de vraag alweer vergeten.
Na afloop stap ik op Maurice Lee af en vraag hem wat hij vindt van de reactie op zijn antwoord.
‘Ze staan erboven, zo willen ze doen voorkomen,’ zegt hij.
‘Maar staan ze er echt boven?’
‘Nee, ze denken dat ze erboven staan.’

De conferentie heet voluit Sixth International Conference on the Short Story in English en wordt gehouden van 12 tot 15 oktober 2000 aan de Universiteit van Iowa, een tamelijk conservatieve en blanke universiteit. De eerste short story-conferenties werden gehouden in Parijs (2 keer), Cedar Falls, Iowa City en New Orleans, Louisiana.
Centraal staat het korte verhaal als genre, dat terrein verliest of allang verloren heeft met de opmars van de vuistdikke roman, dus niet alleen in Europa maar ook in de USA. Op de tweede plaats proberen de organisatoren het korte verhaal van allerlei minorities onder de aandacht te brengen. Wat zijn minorities tegenwoordig? Dat is iedereen die niet vanzelfsprekend in een bepaalde categorie valt. Een willekeurige greep uit een circulerende namenlijst geeft eenvoudige voorbeelden te zien:

Joy Kogawa – tweede generatie Japans

Katherine Vlassie – tweede generatie Grieks

William Valgardson – derde generatie IJslands

Paul Yee – derde generatie Chinees

Janice Kulik Keefer – tweede generatie Ukraïns

Elisabeth Harvor – tweede generatie Deens.

Iets ingewikkelder ligt het met Clark Blaise, die geboren is in de USA uit Franse en Engels/Canadese ouders. Nog ingewikkelder, of gevoeliger, ligt het met ene Thomas King, die een Cherokee vader en Grieks/Duitse moeder heeft.
Maar zo ingewikkeld als een Indische schrijver van de Tweede Generatie tref je het niet zo snel aan. Want wat schrijf je achter de namen Marion Bloem en Alfred Birney in het Engels? Second Generation Indonesian kan niet. Second Generation Indisch kan ook niet, want men weet hier niet wat Indisch is, als men dat in Nederland al weet. Second Generation Indo evenmin, want achter ‘Indo’ verwacht men een koppelteken plus toevoeging. Second Generation formal Dutch East Indies is ook onjuist, want wij zijn in Nederland geboren.
Het wordt dus gewoon Dutch postcolonial writers, of Postcolonial writers from the Netherlands. Wat is postcolonial? Dat zijn werken die komen van auteurs die voorheen tot de gekoloniseerden behoorden. Indo’s zijn voortgekomen uit kolonialen en gekoloniseerden en zaten daar dus tussenin. Nu de kolonie niet meer bestaat, vormt het werk van hun kinderen, wij dus, het coda op de Indische literatuur. Dus niet op de koloniale literatuur.
Maar wat is Indische literatuur? Er zit bijna niets anders op dan die gewoon te claimen voor literatuur van Indo’s. Evenwel, nu het Indië én het Indische van toen dan niet meer bestaan, dan zou je in ons geval weer moeten spreken van post-Indische literatuur. Enzovoort.
En dan representeer je met je brontaal een land dat behalve Nederland ook nog eens Holland heet en voor de gemiddelde Amerikaan ergens in Duitsland ligt met als hoofdstad Kopenhagen. Een land ook dat niet bepaald schittert in de export van haar literatuur, behalve dan naar Duitsland, waar ze in elk geval weten waar Scheveningen ligt. Een land dat ministers kent die op het internationale podium niet fatsoenlijk met de voertaal Engels uit te voeten kunnen en daarom hun hoofdstad niet eens op zijn Hollands durven uit te spreken.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

de Engelenverzen, de Derde Generatie en de CPIB

De Boekenweek 2001 heeft een hoop pennen in beroering gebracht. Ziezo, zullen de propagandisten van het Nederlandse Boek, de CPNB, denken, de eerste slag is binnen. Aan zoveel voortijdige aandacht is de CPNB toch niet gewend. Wie maakt zich nou druk om een boekenweekgeschenk? Maar ja, boekenproducenten vinden zichzelf in de huidige markthysterie belangrijker dan schrijvers, dus ze moeten mee met de tijd, die CPNB, niet? Je zou bijna gaan denken dat het om een uitgekiend scenario gaat: ze nemen een hot issue als thema, ze vragen een buitenlandse en in het Engels schrijvend auteur het boekenweekgeschenk te schrijven en vervolgens staan ze de pers te woord met de meest stompzinnige argumenten die ze maar kunnen bedenken. Ja, zo krijg je wel de pennen in beroering. En niet alleen dat, óók de uitgevers, je eigen achterban dus, trap je eens lekker op de tenen. Kunnen die eens voelen wie hier de macht heeft.

Nou, de uitgevers laten zich niet onbetuigd. En hoe. Hierover berichtte het Yournael al eerder in de afleveringen 2 & 13. U weet wel: die lui van Vassallucci bijvoorbeeld. Die laten er mooi geen gras over groeien. Ze hebben namelijk inmiddels hun oog laten vallen op ene Said El Haji, een tweedejaars student Nederlands, die momenteel hard aan zijn debuutroman werkt. De dagen zijn immers voorbij dat je eerst maar eens met iets goeds op de proppen moet komen voor men aanstalten maakt een boek van je uit te geven. In het kader van de multiculturalising is het al genoeg om Said te heten en aan een studie Nederlands bezig te zijn, want dan ben je toch mooi van de straat en van de straat, als u begrijpt wat ik bedoel.

Enfin, Said El Haji, die we met een beetje aandacht maar even vooruit zullen helpen, werkt momenteel onder de ‘harde leiding’ van Vassallucci aan zijn boek, een product dat in oktober dit jaar uit zal moeten komen. Ja, ruim vóór de boekenweek, zodat ze als het effe kan Salman Rushdie de wind uit de zeilen kunnen nemen. De roman heeft als werktitel De dagen van Sjaitan, maar het zal vast wel De engelenverzen gaan heten of iets dergelijks. Immers: Vassallucci heeft de debutant-in-spe een fatwa beloofd. Het zal wel niet in zijn contract staan, maar die ayatollahs hebben ook allemaal een GSM-metje en Vassalucci zal beslist pogingen ondernemen om hen draadloos ervan te verwittigen dat de hoofdpersoon uit de aangekondigde roman van Said El Haji toevallig wél Sjaitan heet: Duivel! Zo, die zit, als jullie dat maar weten.

De tweedejaars student Nederlands uit Leiden verzucht: ‘Schrijven wordt nu echt werken, en eigenlijk is het minder plezierig.’ Ja joh, schrijven is inderdaad werken: hard werken en weinig verdienen. Als je ze vragen waarom je dan wel schrijft, zegt dan nooit waarom, want dat snappen ze toch niet. Tenzij je levensmoe bent en werkelijk een fatwa over je heen wilt krijgen. Nou Said, het Yournael schreef het al in aflevering 5: werkelijk onderdak bieden, doen uitgevers niet aan hun auteurs. Als jij een fatwa over je heen krijgt, strijken zij de poen op. Jij je doodskist, zij hun aandelen in je grafzerk. Maar… het moet gezegd: Vassallucci is tenminste duidelijk. De uitgever windt er geen doekjes om: allochtoontjes zijn in en Vassallucci’s only in it for the money.

Nee, dan Uitgeverij Querido. Die komt daar even met een persbericht waar de schijnheiligheid vanaf druipt. Querido organiseert een schrijfwedstrijd dat aansluit bij het thema van de boekenweek. Querido bekent namelijk kleur. Tjonge, daar komt spuit elf van de Grachtengordel. De deelnemers moeten dan ook ‘niet-Nederlanders’ zijn, omdat de uitgeverij haar fonds wil uitbreiden met niet-Nederlandse schrijvers.

Wat niet-Nederlandse schrijvers zijn, dat weet ik even niet. Zijn het schrijvers zonder Nederlands paspoort en any colour of schrijvers met een verse Nederlandse nationaliteit en een kleurtje? Enfin, wat ze beloven is dat voor de beste schrijvers ‘een flink prijzenpakket staat te wachten’:

1. Een begeleiding in hun schrijfcarrière,
2. Een optreden op het Crossing Border Festival, Amsterdam,
3. Publicatie in de bundel ‘Querido bekent kleur’.

Een begeleiding in de schrijfcarrière. Huh huh, staat er zeker een lul-de-behanger van een redacteur over je schouder mee te lezen en te roepen dat er meer seks in moet, nóg meer duivels, meer hoofddoekjes en wat minder spruitjes. Of: zo’n onbenul geeft de schrijver-in-spe een voorbeeldige roman mee van Hugo Claus voor het leren hanteren van perspectieven, van Harry Mulisch voor het juiste gebruik van de puntkomma, en van Cees Nooteboom voor een cursusje studentikoos citatendropping. Van niet-westerse literaturen heeft de doorsnee redacteur toch geen kaas gegeten, zo er al kaas van kan worden gegeten, maar dit terzijde.

Het Yournael zegt het bericht van Querido voort!

De wedstrijdvoorwaarden zijn als volgt:

1. Het verhaal mag niet eerder zijn gepubliceerd.
2. De deelnemer mag niet jonger zijn dan 16 jaar en moet van niet-Nederlandse afkomst wezen.
3. Het verhaal moet zijn geschreven in het Nederlands, Engels of Duits en niet meer dan 5000 woorden tellen.
4. Het geheel moet op diskette worden ingeleverd bij: Uitgeverij Querido, onder vermelding van: Verhalenwedstrijd, Antwoordnummer 11589, 1000 RA Amsterdam.

Waarvan acte.

Wat een vuile discriminatoire zooi is het daarro langs de Grachtengordel, jemig zeg. Je mag niet eens meer gewoon lekker boerenhollands zijn, je mag geen 15 zijn, zoals een beetje tennisser, maar je mag ook weer niet in het Turks of in spijkerschrift schrijven. Waar moet een, zeg, derde generatie-Indo nou naar toe met zijn of haar tempoduurtmaarvoortproza, om maar even wat te noemen? Een Indo heeft natuurlijk weer de pech dat-ie Indo is, dus Nederlands, en zowel niet als wel van Nederlandse afkomst. Ja, beetje ingewikkeld blijft dat toch. Hebben ze geen wedstrijden voor bedacht nog. Zullen ook wel niet komen, die wedstrijden.

Nu ik het er toch over heb: waar blijven ze met hun proza, die derde generatie Indo’s? Hebben zij niet hun eigen thema soms? Er zijn er die zich uiten in wetenschappelijke publicaties, zoals Esther Captain, of in hun eentje de Pasarkrant vol schrijven, zoals Siem Boon. Maar ja, die Siem Boon dat is weer geen derde maar tweede, of twee-en-een-halfde generatie, daar wil ik even vanaf wezen. Bij mijn weten zijn de jongste Indische schrijvers van 1953: Frans Lopulalan, Glenn Pennock en Dinges. Met een beetje peper in de kloten kunnen die allang grootvader zijn. Nou: waar blijven hun kinderen? Is de derde generatie al uitgeluld voordat ze ook maar zijn begonnen met lullen? Let wel: ik heb het over het schrijven van proza, fictie. Verhalen. Novellen. Romans. Wetenschappelijke artikelen worden niet door het gewone volk, zeg maar het publiek van Vassallucci en consorten, gelezen. Het volk wil verhalen! Dus: géén wetenschappelijke opstellen over waarom Indo’s niet zo maar even met Indo’s zoenen. Maarrr… een roman die leidt naar het moment waarop de ene Indo de andere niet of juist wel zoent.

Ja, waarom?

Weet ik het. Moet je de derde generatie eens vragen. Want die begint zich te vermengen met Saids en Rachida’s. Straks is die El Haji de derde generatie nog voor. Met: De kus van Sinjo Roy in de tweeduidend-en-eerste nacht of zo. En moeten we weer een hele generatie lang lezen hoe anderen over Indo’s schrijven.

Weet je wat? Het Yournael van Cyberney & Co schrijft een verhalenwedstrijd uit. Alleen zij die tenminste één tweede generatie-Indo als ouder hebben, mogen meedoen. Aantal woorden: 999. Taal: Nederlands, krom-Hollands of petjôh. Thema moet aansluiten bij de boekenweek.

Prijzenpakket:

1. Publicatie in het Yournael van Cyberney & Co;
2. Eigen webpage in het Yournael van Cyberney;
3. Begeleiding door hoofdredacteur Papa Cyberney;
4. Optreden op de Pasar Malam Besar, Den Haag, inclusief consumptiebonnen voor Paviljoen De Soos;
5. Boekenbon waarmee El Haji’s debuut gekocht, en een van de vele alternatieve boekenweekgeschenken verkregen kan worden.

De CPIB, Cyberney’s Propaganda voor het Indische Boek, kan u helaas geen fatwa beloven. Misschien een goena goena-behandeling.

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!