De Dubieuzen

alfred birney alfred birney de dubieuzenAlfred Birney
De dubieuzen
Essay
Haarlem, Knipscheer Publishers, 2012
Ingenaaid, met flappen, 224 blz
Cover Aafke de Jong
ISBN 978-90-6265-695-0
Prijs: €18,50
Bestellen

Nadat Alfred Birney in 1998 zijn veelbesproken bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren had gepubliceerd, dook de schrijver nog dieper in de boeken. Dat resulteerde in Yournael van Cyberney (2001), waarin hij onder meer de maakbaarheid van de literaire canon onder de loep neemt. Nu brengt hij in De dubieuzen (2012) enkele opzienbarende boeken van vergeten schrijvers onder de aandacht. Het multiculturele leven in het voormalige Nederlands-Indië wordt daarin heel anders beschreven dan in boeken van beroemde schrijvers als Couperus en Multatuli. In dit diepgravend maar levendig geschreven essay over onze koloniale literatuur worden opvallende en verrassende parallellen met ons huidige anti-multiculturele klimaat getrokken, waarin racisme, vreemdelingenhaat en religieuze uitingen tegenstellingen uitlokken en leiden tot fel debat.

De pers:

Het is heerlijk weer eens een essay te lezen waarbij de schrijver geen blad voor de mond neemt maar keihard zegt en schrijft wat hij vindt. Vooral omdat hij niet alleen de vergeten Indische literatuur maar ook de nog amper gelezen Nederlandse klassiekers tevoorschijn haalt, er het stof vanaf blaast en er nieuw leven aan geeft.. Literatuurplein

Birney’s felle polemiek laat zien dat de canon van de Nederlandse literatuur getuigt van ‘blanke arrogantie’ jegens de Indo. – NRC

Alfred Birney is milder geworden. Maar juist daarom is hij gezaghebbender dan hij ooit geweest is. Indisch Anders

Eerder…

alfred birney de dubieuzen aafke de jong glenn pennock

Op vrijdag 20 april wordt in Mondiaal Centrum Haarlem het nieuwe boek De dubieuzen van Alfred Birney gezellig ten doop gehouden.

Presentatie & Receptie

van 20.30 – 22.00 uur
(zaal open 20:00 uur)

Programma

Glenn Pennock speelt gitaar, Alfred Birney wordt geïnterviewd door Peter de Rijk en Aafke de Jong treedt op met een Balinese solodans. Tot slot signeert de schrijver zijn boek. Speciale gast is Marjolein van Asdonck, hoofdredacteur van maandblad Moesson. De toegang is gratis.

Locatie
MCH [Mondiaal Centrum Haarlem]

Lange Herenvest 122
2011 BX Haarlem
023 – 542 3540

U bent allen van harte uitgenodigd hierbij aanwezig te zijn.
Reserveren vooraf is wenselijk, maar niet noodzakelijk voor late beslissers: indeknipscheer@planet.nl

Exclusief en alleen op 20 April, ter gelegenheid van de lancering van Alfred Birney’s boek: De Dubieuzen. Een CD met 3 dubieuze nummers van het multitalent Glenn Pennock:

glenn pennock

XTRA!

3 dubieuze gitaarnummers van Glenn Pennock voor Alfred Birney’s boek De dubieuzen… Scroll omlaag voor downloadlink.

glenn pennock dubieuzen muziek

HIER DOWNLOADEN

Shot Aafke de Jong tijdens presentatie

aafke de jong tijdens presentatie de dubieuzen alfred birney 2012

Dreiging sluiting Museum Nusantara

east magazine Museum Nusantara is nog maar net bekomen van een ingrijpende en geslaagde verbouwing, of de monsters van het kabinet hebben het al in het sloopzuchtige vizier. Het kent maar één mantra: “Het zijn zoals bekend economisch zware tijden en hierin is geen plaats voor de culturele sector. Alles wat niet direct zichtbaar zakken met geld oplevert, moet sneuvelen. Gemeenten moeten drastisch op hun budgetten worden gekort, want zij geven alleen maar geld uit en bieden ons daar niets voor terug.”

Dit is het beleid van de Generatie Nix, die met Nix is opgegroeid, die Nix had om naar uit te zien, die Nix uit de handen liet komen en thans aan de macht is en denkt dat de wereld beter af is met Nix. De geschiedenis begint volgens deze imbecielen in het jaar 2000, en alles wat eerder plaatsvond heeft geen enkele betekenis, een enkele oorlog daargelaten. Dit heeft in Delft tot direct gevolg dat Erfgoed Delft, het overkoepelende orgaan waar museum Nusantara onder valt, ook moet bezuinigen. En hoe!

De directie van Erfgoed Delft dreigt met ingang van 1 januari 2013 Museum Nusantara haar deuren te laten sluiten. De reden is dat het aantal bezoekers te laag is waardoor het museum niet rendabel zou zijn. Hiermee wordt volslagen gedachteloos een zoveelste poging ondernomen om het belangrijkste hoofdstuk van de Nederlandse geschiedenis, die van de VOC, het kolonialisme, de dekolonisatie en de eeuwenoude banden met Indonesië onder de zoden te stoppen.

En nu komt het… Het gebouw zal een jaar later weer voor het publiek open gaan met een presentatie rond Delfts Blauw Aardewerk.

Welnu, wat is Delfts Blauw en hoe en waardoor is het ontstaan?

Aan het einde van de 16e eeuw introduceerden de Portugezen Chinees porselein, met zijn kenmerkende blauwe beschildering, in Nederland. Dat is kort voor voordat de Hollanders op de gestolen zeevaartkaarten van Jan Huygen van Linschoten de zeilen hesen en richting Indië voeren, waardoor al gauw de VOC werd opgericht – Dit geïmporteerde Chinees porselein was fijn en sierlijk en onmiddellijk zeer gewild. Later kwam het via de Hollanders en Zeeuwen met de VOC-schepen naar Amsterdam.

Alleen de zeer rijken konden zich Chinees porselein permitteren. De Delftse majolicabakkers, die nog geen echt porselein konden maken, begonnen toen met veel succes imitaties te maken. Delfts Blauw is dus in het geheel niet los te zien van de geschiedenis van de VOC, en uiteraard is de geschiedenis van de VOC niet los te zien van Neerlands koloniale geschiedenis en ook niet van de oorlog die Nederland voerde in Indonesië, nadat het zelf was bevrijd van de Duitsers.

Een Delfts Blauw Museum betekent dus: een museum rond namaak Chinees porselein. Ik spreek niet tegen dat Delfts Blauw in een latere periode zelfs roem in China zou oogsten. Dat is het punt niet. Ik zeg: een Delfts Blauw Museum in de plaats van Museum Nusantara is een museum dat liegt, een museum dat de oorspronkelijke geschiedenis verknipt.

Concreet betekenen de plannen van de rücksichtslose overheid het einde van Nusantara als internationaal uniek museum voor Indonesisch cultureel erfgoed. De collectie blijft weliswaar in Delft – die wordt nog net niet in zee gedumpt – maar zal een slapend bestaan gaan leiden.

Zijn musea gedoemd om hun voortbestaan op lekkende zolderetages voort te zetten of zoiets?

Uiteraard strijd de conservator voor het behoud van Museum Nusantara. Maar zo’n strijd kan je niet alleen voeren. Neem deze weblogpost dan ook over, als je Museum Nusantara een warm hart toedraagt. Zet er je eigen reactie bij, of bewerk de tekst naar eigen inzicht en stuur het verder de wereld in (weblog, Facebook, Hyves, link hierna toe op Twitter etc.)

Alleen dán kan de conservator, Amy Wassing, gesterkt door alle reacties, opnieuw een dialoog aangaan met de directie in de hoop een zekere toekomst voor Nusantara te bewerkstelligen.

* * *

Bij de heropening van Museum Nusantara op 11 maart jongstleden:

This Balinese court dance was performed by DwiBhumi – Centre for Balinese Dance and Culture in The Netherlands, during the opening ceremony of Museum Nusantara, March 11th, 2011. Title of the dance: Legong Keraton Lasem. Dancers: Febrina Tanoewidjaja, Mirah Ayu Supriyono and Aafke de Jong. See also: Balinese Dans

Die eeuwige oorlog

logo alfred birney weblog Nu de meerderheid van de eerste generatie Indische mensen van de aardbodem is verdwenen, beginnen hun nazaten zich roeren in (veelal zelfuitgegeven) memoires en geschriften. Er zitten flink wat mensen bij die een (blanke) vader hadden, die al de oorlog in werden ingestuurd (de zogenoemde Politionele Acties in Indonesië: “Een mooi woord voor oorlog” volgens Ad van Liempt) voordat Nederland helemaal bevrijd was geworden door de geallieerden.

Soms neemt iemand contact met me op, met de vraag of ik kan helpen bij het uitrafelen van allerlei oorlogstoestanden in Indië/ Indonesië. De laatste tijd reageer ik veelal narrig dat ik niets meer met die vervloekte oorlog te maken wil hebben. Ikzelf ben, of liever gezegd was, meer geïnteresseerd in de ervaringen van kinderen van ouders met een oorlogstrauma: de gekte die kinderen overgedragen kregen. Het beste voorbeeld daarvan is mijn roman De onschuld van een vis (1995), herdrukt in Indische gezichten.

Fictie is voor mij een bevredigender manier om de nasleep van een oorlog te tonen dan non-fictie. Ik geloof niet zo in non-fictie. Ik geloof dat zodra je de pen oppakt je de geschiedenis al begint te kleuren. Er zijn acht familieleden van mij door de Japanse bezetters de dood ingejaagd. Als fictieschrijver zoek ik naar de kern van oorlog en volg dan liever één persoon die de dood in wordt gejaagd dan acht personen. Mijn vader schreef zijn oorlogservaringen neer gedurende de dertien jaar waarin ik met hem leefde. Ik hoorde elke avond die ratelende schrijfmachine. Eenmaal uit huis weggehaald door de kinderbescherming en geplaatst in een internaat hoorde ik die dominante schrijfmachine niet meer. De oorlog in Indië raakte op de achtergrond.

Later, toen ik een grote jongen was en ik mijn vader regelmatig bezocht, vroeg ik om verhalen over zijn jeugd van vóór de oorlog. Kortom: de Tjalie Robinson stuff. Dan begonnen de verhalen over de jacht, goena-goena en mooie Chinese meisjes, maar die mooie vertellingen gingen naadloos en in no time over in die afschuwelijke verhalen over de oorlog. En weer later kreeg ik te maken met Indische instanties die zich via allerlei invalshoeken met de oorlog bezighielden. Toen mijn vader stierf in 2005 kreeg ik een klap. Er viel iets weg. Ik donderde in een gat. Ik moest me opeens met iets anders gaan bezighouden dan met die vervloekte oorlog. Ik begon de oorlog te haten, als ik dat al niet deed, en probeerde de oorlog af te zweren. Evenwel, oorlog komt altijd wel terug in mijn boeken (mijn postkoloniale werk, niet in de rest van mijn proza), eenvoudig omdat oorlog bij de wereldgeschiedenis hoort en omdat mensen nu eenmaal jaloers, egoïstisch en oorlogszuchtig zijn.

In mijn novelle Rivier de Lossie (2009) speelt de herinnering aan een hele verre oorlog, tussen de Scoten en de Picten. Dat is in de negende eeuw na Christus. Er komt ook een flits van de oorlog in Nederlands-Indië voorbij. Maar het eigenlijk verhaal gaat heel ergens anders over. Zo ook in Rivier de IJssel (2010). Oorlog speelt wel op de achtergrond, maar de koloniale geschiedenis, de handelsgeest van de Hollanders en racisme staan veel meer op de voorgrond. Maar dan… Ergens schrijf ik het volgende in Rivier de IJssel:

Alexander bleef niet lang in Batavia en trad in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan in Blitar, een plaatsje in de buurt van Kediri op Oost-Java.
     Blitar… Die naam deed me denken aan een wonderlijk verhaal van mijn vader. In dat kleine plaatsje had hij zijn eerste levensjaren bij familie van zijn moeder doorgebracht. Ze had hem erheen gestuurd vanwege een zweer achter het oor. Als die niet zou genezen, was hij ten dode opgeschreven. Een oom heeft hem met kruiden uit de jungle behandeld. Zo stond het in zijn memoires geschreven.
     Maar laat Blitar nou juist dát ene plaatsje zijn waar hij twintig jaar later als jongeman tijdens de oorlog met een troep Nederlandse mariniers met vlammenwerpers mensen uit hun huizen heeft gebrand!
     Wie snapt zoiets?

Verwarring, vragen waar geen antwoord op komt, rusteloos zoeken naar zoiets als waarheden, hopeloos constateren dat racisme mijn overgrootmoeder al overkwam in 1870 in Deventer. Maar ook: de liefde, de muziek, onvergetelijke ontmoetingen, rivieren die blijven stromen terwijl mensen komen en gaan. Ik verwerk allerlei motieven in een novelle en hoop dat er een juweel tevoorschijn komt. De herinnering aan mijn vaders oorlog laat ik allengs achter me. Het was zijn oorlog. Het is verdomme mijn oorlog helemaal niet.

Maar dan… Archipel Magazine komt uit. Zomaar een zomernummer rond Bali. Toerisme, toch? Stuit ik zowaar op een artikel met de titel: De getuigenissen van FX Harsono (zie de vorige post op dit weblog). Midden op de tweede bladzijde prijkt een vetgedrukte quote:

‘Op beide doeken staan familieleden afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven.’

Wacht eens even. Mijn vader is daar als een beest tekeer gegaan, heeft er kampongs platgebrand en locals overhoop geschoten, als ik zijn memoires moet geloven. Stel dat dat echt zo was? Zijn moeder was een Chinese. Zijn oom was een Chinees. Het wemelde kennelijk van de Chinezen in Blitar. Volgens het artikel zijn er 191 Chinezen tijdens de vrijheidsstrijd in 1947 en 1948 vermoord door Indonesische vrijheidsstrijders, die de Chinezen als medestanders van de Nederlanders zagen.

Begin ik nu stilaan iets te begrijpen wat een mens helemaal niet zou moeten begrijpen? Dat mijn vaders afgrijselijke wandaden met een stel Nederlandse mariniers een persoonlijke wraakoefening was? Kijk, je kunt de oorlog wel achter je willen laten, of die van je vader, maar je blijft er toch je hele leven aan herinnerd worden. Dit soort geschiedenissen krijgen geen plek in de Nederlandse geschiedenisboeken. Ze krijgen een plek in de beeldende kunst van een kunstenaar die ik niet ken, en in de boeken van een schrijver die hij niet kent.

De (na)smaak van Indië

Op zondagmiddag a.s., 14 februari, 15:00 u, voer ik in Boekhandel van Pampus te Amsterdam met Lizzy van Leeuwen een tweegesprek over postkoloniaal Nederland, vanuit verschillende perspectieven. Leidraad vormen mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998), mijn postkoloniale polemische bundel Yournael van Cyberney (2001) en Lizzy van Leeuwens geschiedenis van zestig jaar Indisch Nederland: Ons Indisch erfgoed (2008).

Vanwege drukke werkzaamheden aan een nieuw boek heb ik wat laat mijn toezegging gedaan en mijn enige probleem van die dag zal waarschijnlijk dan ook zijn of ik wel op tijd mijn nest uit kan komen. Ik schrijf namelijk ’s nachts tot vroeg in de ochtend en slaap dan een gat in de dag, want de wintermaanden zijn voor mij toch het aanzien niet waard.



Grotere kaart weergeven

Ik sta dus (nog) niet aangekondigd op de site van Boekhandel van Pampus, waar als thema van de middag is gekozen de “Nasmaak van Indië”, naar aanleiding van de uitgave van de moderne vertaling van Multatuli’s Max Havelaar (maart 2010), overigens niet bepaald een van mijn favoriete literaire werken.

Lizzy van Leeuwen en ik zullen beginnen bij de koloniale literatuur en via Hella Haasses novelle Oeroeg (1948) en Tjalie Robinsons ongezouten kritiek op dat boek een link leggen naar de postkoloniale ontwikkelingen in Nederland. Uiteraard is er gelegenheid tot het stellen van vragen.

Aan Indisch 3.0 is gevraagd een korte bloemlezing te geven over wat de jongere generatie Indische Nederlanders bezighoudt. Ook zal Ed Caffin namens Indisch 3.0 een lezing geven.

Het programma is gevarieerd, met film, muziek, hapjes en signeersessies.

Programma

15.00 u Tweegesprek Lizzy van Leeuwen met Alfred Birney
16.30 u Film: Contractpensions – Djangan Loepah! Aansluitend een gesprek met regisseur Hetty Naaijkens-Retel Helmrich.
18.00 u Kalangkang, Sundanese muziek
18:30 u Bijdrage door Ed Caffin, van weblog Indisch 3.0
19.00u Einde

Nasmaak van Indië, 14 februari 2010, 15.00 – 19.00 uur.
Toegang, inclusief snacks: € 5.
Locatie: Boekhandel van Pampus, KNSM Laan 303, Amsterdam

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

Indische schrijversavond met Alfred Birney, Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz

v.l.n.r. Alfred Birney, Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz

podium birney podium van dongen

podium pennock podium jansz

Het MCH houdt woendagavond 23 september 20.00 uur haar eerste schrijversavond met als thema «De Indische letteren Oeroeg voorbij». Met dit thema neemt Mondiaal Literair alvast een voorschot op de extra belangstelling voor «Indië» wanneer van 23 oktober tot 20 november de landelijke openbare bibliotheken hun jaarlijkse Nederland Leest-actie houden met als gratis boek voor alle bibliotheekbezoekers Oeroeg van Hella Haase, waarvan de oplage bijna 1 miljoen exemplaren zal bedragen.

Alfred Birney

Peter de Rijk interviewt Alfred Birney over zijn onlangs verschenen novelle Rivier de Lossie, waarin de onbekende ballade The Ferryman’s Daughter van Donovan leitmotief blijkt. Alfred Birney (Den Haag, 1951) is een van de belangrijkste representanten van de zogenaamde tweede generatie Indo-schrijvers, waarvan ook schrijvers als Marion Bloem en Theodor Holman deel uit maken. Birney is onder meer de samensteller van de gezaghebbende bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) over 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Hij werd al in 1996 door Standaard der Letteren (de NRC van België) «het best bewaarde geheim van en de stille kracht in de Nederlandse literatuur» genoemd.

Ernst Jansz en Peter van Dongen

Aan de interviewtafel schuiven verder aan Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz. Peter van Dongen (o.a. onderscheiden met de stripschappenning) is schrijver en tekenaar van de stripboeken Rampokan Java en Rampokan Celebes over de nadagen van de Nederlandse aanwezigheid in voormalig Nederlands-Indië. Hij verzorgt ook het artwork voor de romans en cd’s van Ernst Jansz: Molenbeekstraat en De Overkant. Van Dongen laat zijn werk op groot scherm zien.

Van Ernst Jansz wordt de kersverse uitgave van ’de complete’ De Overkant gepresenteerd: roman met fotokaternen + cd + dvd.

Muzikaal intermezzo en televisiebeelden

Glenn Pennock is de schrijver van De weg van de kat en Het vuur van de draak waarin de filosofie van de pencak silat een belangrijke rol speelt. Eind jaren tachtig had hij in Heemstede een sportschool waarin hij lesgaf in deze Indonesische vechtsport. Na omzwervingen in Amerika is hij sinds een paar jaar terug in het Haarlemse en werkt hij aan een nieuwe roman. Evenals Alfred Birney en Ernst Jansz is Glenn Pennock van huis uit professioneel muzikant. Hij neemt zijn gitaar mee en verzorgt een muzikaal intermezzo. Tevens worden fragmenten getoond uit een in 1986 gefilmde ontmoeting tussen Frans Lopulalan en Ernst Jansz over de rol van hun vaders in het Indische gezin, naar aanleiding van hun boeken Onder de sneeuw een Indisch graf en De Overkant.

Mondiaal Literair

Mondiaal Literair is een samenwerking tussen het Mondiaal Centrum Haarlem en Uitgeverij In de Knipscheer. De maandelijkse schrijversavonden van Mondiaal Literair worden thematisch samengesteld, zoveel mogelijk naar aanleiding van recent bij Nederlandse uitgeverijen verschenen of te verschijnen boeken, die inhoudelijk de vaderlandse grens overschrijden. Centraal staat het interview met de auteurs, soms in een gezamenlijk gesprek, soms na elkaar. Uiteraard lezen een of meer schrijvers kort uit eigen werk en signeren zij hun werk na afloop aan de boekentafel. Uitgever Franc Knipscheer is de host van de avond. De interviews worden gehouden door Peter de Rijk.

Woensdag 23 september 20.00 uur
Locatie: MCH, Lange Herenvest 122, 2011 BX Haarlem
De toegang bedraagt 5 euro, koffie en thee inbegrepen

Op vertoon van bibliotheekpasje kunt u gratis één introducé meenemen
Reserveren vooraf is wenselijk: 023 – 542 3540
www.mondiaalcentrumhaarlem.nl

*** Van Alfred Birney worden gratis exemplaren van zijn postkoloniale bundel Yournael van Cyberney uitgedeeld! ***

Ik zie ik zie wat jij niet ziet (definitieve programmering)

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.
Indische Letteren door Indische ogen

Vrijdag 11 september 2009
Plaats: Universiteit Leiden, gebouw Lipsius, zaal 003
Cleveringaplaats 1 Leiden
Toegang: gratis.
Tijd: 14.00 uur – 17.00 uur

In Een Indische jeugd of een jeugd in Indië (Indische Letteren maart 2009) gaat Ingrid Dümpel in op het ontbreken van jeugdboeken waarin zij zich als Indisch kind kon herkennen. Ook stelt zij dat er Indische literatuur is die alleen door Indo’s geschreven, verteld en begrepen kan worden. Ingrid Dümpel vroeg de redactie van Indische Letteren om een Indische blik en Indische thema’s. Na een korte inleiding van Ingrid Dümpel gaan de sprekers op onderzoek in de vorm van gesproken columns van maximaal 10 minuten. Zij gaan hierover met elkaar en publiek in discussie onder leiding van Sylvia Dornseiffer. Omstreeks 15.00 uur presenteert Marion Bloem haar nieuwe roman Vervlochten grenzen. In de pauze is er gelegenheid het boek te kopen en te laten signeren.

PROGRAMMA
14.00 uur

Ingrid Dümpel: Hoe het begon, een inleiding

Ricci Scheldwacht: Maar wij zijn Indisch! Op zoek naar blikken van herkenning in recente Indische literatuur en eigen ervaringen

Pamela Pattynama: Jouw verhalen zijn de mijne niet, of: lezen als een Indo

Edy Seriese: Het Pak van Sjaalman als attitude voor de benadering van het Indische

Marion Bloem: Vervlochten grenzen……………………………….

PAUZE
15.45 uur

Kirsten Vos: Mijn Indische vader. In hoeverre is het agressieve karakter van vaders die figureren in de boeken van Van Dis, Holman en Birney eigenlijk Indisch?

Gustaaf Peek: Faster than a speeding bullit. Een mens heeft zijn helden nodig. Maar de populaire verbeelding van helden is conservatief en eenzijdig. Westers. Peek leest en zoekt. Zal het hem lukken een Indische held te vinden.

Marjolein van Asdonck: Truth is stranger than fiction, over literatuur in Indische mensen en Indische mensen in literatuur

Alfred Birney: De Indische kampong uit!

17.00 uur Afsluiting

Over de sprekers:

Marjolein van Asdonck (1972) hoofdredacteur van Moesson en bezorgde onlangs het journalistieke werk van Lilian Ducelle in Doe maar gewoon, dan doe je Indisch genoeg.

Alfred Birney (1951) auteur van romans, korte verhalen, artikelen en columns. Zijn laatste boek Rivier de Lossie verscheen in mei 2009.

Inge Dümpel is journaliste en verwerkt haar Indische achtergrond in kinderboeken, theater en programma’s. Zij is nauw betrokken bij de culturele programma’s van de TongTongFair.

Pamela Pattynama is bijzonder hoogleraar koloniale literatuur-en cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Gustaaf Peek (1975) fotograaf , dichter en schrijver van de romans Armin (2006) en Dover (2008).

Ricci Scheldwacht (1965) neerlandicus en journalist. Werkzaam geweest als redacteur en filmmedewerker bij HP/De Tijd. Speelt Theodor Holman in Familiefeest, gebaseerd op Holmans gelijknamige roman en acteert in Marion Bloems film Ver van familie.

Edy Seriese is literatuursocioloog en directeur van het Indische Wetenschappelijk Instituut.

Kirsten Vos (1977) studeerde Media en Journalistiek, is communicatie-adviseur en blogger op Indisch 03.

tekst: Sylvia Dornseiffer (organisator)

Heruitgave Oost-Indische inkt

alfred birney oost-indische inkt Alfred Birney
Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren

bloemlezing
Uitgeverij Contact
Amsterdam 2009
paperback 560 blz.
ISBN 9789025432492
Herdruk Prijs € 17,95
Bestel: Beslist

Deze controversiële bloemlezing is onderhand een standaardwerk geworden en geeft een nieuw beeld van Indië in de Nederlandse letteren aan de hand van meer dan vijftig schrijvers. Met een uitgelezen selectie van literaire teksten geeft Alfred Birney de geschiedenis weer van de mensen die zijn geboren uit het samengaan van Oost en West: de Indische mensen die Nederlands koloniale verleden, en met name de Indische cultuur, mede gestalte hebben gegeven. Wat deze bloemlezing anders in dit genre maakt, is dat de lezer bij voorkeur de geboden volgorde moet aanhouden, want de fragmenten sluiten als een kettingverhaal op elkaar aan. Wie de bloemlezing zo leest, krijgt een beeld van de geschiedenis van Nederlands-Indië en haar nasleep tot op heden. En volgt die aan de hand van het verhaal van de Mesties, de Indo-Europeaan, de Indische Nederlander, Indische jongens en meisjes, kortom: de Indo. Het verhaal leidt voorlopig naar de schrijvers van de zogenaamde tweede generatie in Nederland, waarmee deze bloemlezing ook de langverwachte aanvulling vormt op wat eerder van Rob Nieuwenhuys verscheen.

Bijdragen van: Jan Huygen van Linschoten (1562?), Willem Ysbrantsz Bontekoe (1587), Francois Valentijn (1666), Willem van Hogendorp (1735), Jacob Gotfried Haafner (1755), Walter Robert van Hoëvell (1812), Multatuli (Eduard Douwes Dekker) (1820), H. de Veer (1829), Jan ten Brink (1834), P.A. Daum (1850), Dé-lilah (1850?), G. Valette (1853), Adinda (Thérèse Hoven)(1860), Louis Couperus (1863), Victor Ido (Hans van de Wall) 1869), Marie van Zeggelen 1870), Carry van Bruggen (1881), Willem Walraven (1887), Maria Dermoût (1888), Arnold Clerx (1897), M.H. Székely-Lulofs (1899), E. du Perron (1899), Jo Manders (1900), C. Binnerts (1901), Beb Vuyk (1905), Rob Nieuwenhuys (1908), J.J.Th. Boon (Vincent Mahieu & Tjalie Robinson)(1911), A. Alberts (1911), Hella S. Haasse (1918), Aya Zikken (1919), Margaretha Ferguson (1920), Elviere Spier (1920), Lin Scholte (1921), F. van den Bosch (1922), Wim Walraven jr. (1922), Rudy Kousbroek (1929), R.A. Cornets de Groot (1929), Wies van Groningen (1929), Loes Nobel (1931), Paula Gomes (1932), F. Springer (1932), Helga Ruebsamen (1935), Bouke B. Jagt (1944), Adriaan van Dis (1946), Nicolette Smabers (1948), Ernst Jansz (1948), Alfred Birney (1951), Marion Bloem (1952), Frans Lopulalan (1953), Theodor Holman (1953), Glenn Pennock (1953).

Een groot literair indocompendium. “Oost-Indische inkt” geeft geen representatief beeld van vierhonderd jaar Indië in de Nederlandse letteren. Maar zo’n boek wil het ook niet zijn. – Vrij Nederland

Een interessant boekwerk, waarin misschien niet de bloem van de Indische letteren is verzameld, maar waaruit wel in grote lijnen een niet altijd vrolijke geschiedenis van de Indische Nederlander valt af te lezen’ – NRC

Verhalen bijeen te garen over het zichtbare en duidelijke kolonialisme is in de Indische belletrie niet zo moeilijk, maar om verhalen te vinden waarin wordt aangetoond dat ook voor de Indo gold dat “dienstbaarheid zijn bestemming en machteloosheid zijn aard” zou zijn is veel moeilijker. Alfred Birney is daarin geslaagd, en met lof zou ik willen toevoegen. – Trouw

Een greep uit het boek op Literatuurplein.

Het verloren lied 1

radio-antenne Ik hoorde ooit een lied en ben het altijd blijven zoeken. Misschien hoorde ik het op een van die avonden nadat mijn grootvader was vertrokken, ik weet het niet. De laatste keer dat hij scheep ging was aan de vooravond van 1960, in een vreemd huis ergens in de buurt van de haven. We logeerden er rond de jaarwisseling, maar mijn ouders waren uitgegaan. Mijn grootouders hielden de gastheer en gastvrouw beneden gezelschap en ik lag onder een wollen deken op een divan in een halfduistere kamer met om me heen de spookachtige silhouetten van voorwerpen die bij oude mensen hoorden.
     
Een buizenradio verspreidde zijn zachte gele licht. Zijn geruis herinnerde aan een Nederlandse zender die met een sluitingsmelodie van verontrustend eentonige carillonklanken de ether had verlaten. De glazen zenderplaat met zijn toverachtige muizentrappen vol namen van grote radiostations lokte me, maar ik durfde de divan niet af in de vreemde kamer. Ten slotte kwam mijn grootvader boven kijken en zag dat ik nog wakker lag.
     
De man reikte me zijn oude, gebruinde hand en leidde me naar een rookstoel bij het raam. Hij ontstak het schemerlampje op de radio en liet me bij zich op de brede stoelleuning zitten. Achterover geleund fluisterde hij dat ik de laatste uren voor middernacht beslist wakend moest meemaken.
     
Het licht van de radio legde de groeven in zijn gezicht bloot. Men zei dat je kon zien dat hij vaak in de tropen was geweest. De pianist was aan wal geweest, had thuis in Den Haag verlof gevierd, maar hij miste de deining alweer van de zee, de geur van de danszalen op de schepen, het applaus van de passagiers en misschien miste hij nog meer, heel ver overzee.
     
Hij neuriede wat en begon met de knoppen en de toetsen in de grote houten lijst van het radiotoestel te spelen. Ik volgde de kalme bewegingen van zijn tanige vingers. Zijn vingertoppen streelden de ivoren toetsen van de golfbanden met hun confetti van namen en getallen, en hij begon zachtjes te praten. De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het `s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek. De Nederlandse zenders moest ik overslaan, de buitenlandse waren beter. Als mijn vader eens een wereldontvanger op de kop tikte, wie weet vond ik dan ooit een zender uit een land waar hij, grootvader, toevallig verbleef.
     
Hij zou teruggaan naar Indonesië, voor de laatste keer, al was het land niet meer als toen. Sinds de oorlog was het Indië niet meer, zei hij, de mensen waren niet meer zo gastvrij. Maar hij zou nog één keer gaan, op uitnodiging, en dan nooit meer. Als hij terugkwam zou hij zijn oude koffer vol bladmuziek met tango’s openmaken en er Scheveningen mee gaan veroveren.
     
Hij, grootvader Langenacht, hield van Indië maar droomde van Argentinië. Mocht ik eens een tango op de radio horen, dan moest ik maar aan hem denken.
     
Ik knikte.
     
En wilde ik hem beloven later piano te gaan spelen?
     
Ik knikte weer maar voelde me vreemd ongerust.
     
‘Maak je geen zorgen,’ zei hij, ‘als muzikant ben je nooit alleen, zul jij nooit alleen zijn later. Maar bij de radio kan een mens beter wel alleen zijn.’
     
Hij kwam uit de rookstoel en deed iets wat hij nooit gedaan had: hij kuste me op mijn voorhoofd. Toen ging hij weer naar beneden.
     
Ik voelde me een ingewijde en begon omzichtig met de toetsen te spelen, liet bijna vroom de zenderstaaf dwalen langs de zenderschaal. Soms, tussen twee grote zenders weggedrukt, klonk een lied vol heimwee. Dan bewoog ik de afstemwijzer zachtjes heen en weer om te voorkomen dat de muziek wegstierf en vroeg me af hoe dat lied van toen ook weer had geklonken.
     
Ik was het liefst de hele nacht in de rookstoel blijven zitten, met de geur van grootvader om me heen, maar ik werd weggeroepen van de radio door mijn teruggekeerde ouders van beneden aan de trap.
     
Het grote licht in de huiskamer deed me pijn aan de ogen. Mijn ouders, grootmoeder en de heer en mevrouw des huizes vormden een kring rond de salontafel om te proosten op het nieuwe decennium, de jaren zestig, een getal dat een geheimzinnig aanlokkende klank voor me had.
     
De klok sloeg twaalf en de lucht werd versierd boven de daken van IJmuiden. Een lichtkogel trok een streep tussen de kleurige anemonen en hoepelrokken hoog boven de haven.
     
Ze vroegen me of ik het mooi vond, het geknal en gekanonneer in de verte. Ik knikte maar vroeg me aldoor af of grootvader werkelijk naar bed was gegaan, zoals ze hadden gezegd. Misschien zat hij met zijn oor bij de radio en zou hij dat de hele nacht blijven doen.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Hoe gewaagd is Inez Hollanders aanstaande boek?

De Nederlands-Amerikaanse schrijfster Inez Hollander mailde me dat haar boek Silenced Voices, Uncovering a Family’s Colonial History net in Amerika is verschenen. In het voorjaar verschijnt het in het Nederlands bij uitgeverij Atlas, onder de titel Verstilde stemmen, verzwegen levens.

Inez Hollanders voorzaten waren indertijd de Franckens, die de plantage Kali Djompo beheerden, vlakbij de plantages van de Birnies, mijn voorzaten. Tijdens Hollanders onderzoek een jaar of wat terug mailde ze me over de “martelgang” van haar boek. Ze schreef het eerst in het Nederlands, het boek werd aanvankelijk geaccepteerd door Veen, maar die uitgever trok zich op het laatste moment om onduidelijke redenen terug. Op de zestigjarige herdenking van de Japanse capitulatie schreef Hollander een indringend stuk over de revolutie in Soerabaja. De NRC wilde het hebben, het stuk werd geredigeerd maar een week voor publicatie in de prullenbak geworpen. Een vriendin van Hollander wist te vertellen dat de NRC het stuk “te riskant” vond. Hollander heeft toen haar boekmanuscript ook maar helemaal weggelegd. Ze raakte verbitterd en begon te twijfelen aan de vrijheid van meningsuiting in Nederland.

Een Amerikaanse historicus, die Nederlands kon lezen, vroeg haar herhaaldelijk naar het manuscript en wist het op de tafel van Geert Mak te krijgen er een uitgever voor te vinden. Inez Hollander kreeg contact met Geert Mak toen hij ergens een essay van haar las. Via hem kwam het Met die man hebben Indo’s nog een appeltje te schillen (hij noemde Indo’s Indiërs in zijn bestseller De eeuw van mijn vader), wie weet deed hij daarom zijn best om het manuscript bij uitgeverij Atlas uitgegeven te krijgen terecht. Hollander moest de boel wel zelf terugvertalen naar het Nederlands. Hierdoor is het boek volgens de schrijfster zelf genuanceerder geworden.

Hollander denkt dat de vooroordelen van Amsterdam en hoe men binnen de grachtengordel tegen de Nederlandse koloniale geschiedenis aan kijkt, nog altijd een grote rol spelen. Een redacteur, die waarschijnlijk van toeten noch blazen wist, schreef “foute toon” in de kantlijn bij de volgende zin in Hollanders inleiding:

‘Strikt genomen vertel ik in dit boek het verhaal van onze rubber- en koffieplantage Kali Djompo (1899-1957), en mijn familieleden die daar woonden en werkten. Mijn Indische familieleden waren kolonisten die uiteindelijk zelf gekoloniseerd werden (door de Japanners) en verdreven werden (door de Indonesiërs). Als berooide bannelingen arriveerden ze in Nederland, een land dat nog steeds niet voldoende hun bijdrage, hun pijn en hun verlies onderkend heeft.’

Hollander herinnerde me aan een e-mail van me, waarin ik schreef:

‘Wie ook maar de joodse en Indische episodes in de Tweede Wereldoorlog naast elkaar durft te zetten op wat voor manier dan ook, wordt niet gehoord in Nederland.’

Ze vroeg me of ze dat citaat in haar boek mocht opnemen. Dat vond ik goed, maar ik waarschuwde haar nog maar eens op de gevoeligheid die in Nederland hangt ten gevolge van een diepgeworteld schuldgevoel ten opzichte van joden, die hier tijdens WO-II zonder noemenswaardige problemen werden gedeporteerd naar vernietigingskampen. Een vergelijking tussen joden en Indische mensen loopt altijd verkeerd af en wel in het nadeel van Indische mensen.

Ik zag eens een televisiedocumentaire waarin een verslaggeefster van joodse komaf net zo lang met een cameraman op een pasar malam in de provincie Indische mensen afzocht totdat ze er eentje vond – Emmy Verhoeff – die wel wilde verklaren dat het leed van Indische mensen wel degelijk vergelijkbaar was dat van joodse mensen. Nou, dat hebben we geweten. Die uitspraak is uit zijn verband gelicht en zwaar aangezet op de Nederlandse televisie uitgezonden. Het is wel vaker voorgekomen dat beide groepen tegenover elkaar werden geplaatst en uitgespeeld in het kader van Neerlands kampioenschap slachtofferschap. Ditmaal was het een reactie op het in het leven roepen van de Stichting Het Gebaar. (N.B. De onlangs door mij besproken biografie van Tjalie Robinson van de hand van Wim Willems is onder meer door de Stichting Het Gebaar gefinancierd – het staat niet voorin het boek vermeld, wat niet erg netjes is, maar dat doet aan het feit niets af dat met de middelen van Het Gebaar in elk geval werk gedaan wordt dat anders was blijven liggen.)

Zoals een goed schrijver of publicist betaamt, kent ook Inez Hollander haar eigenwijze kanten. Ze bedankt me voor mijn waarschuwingen, ze weet precies waar ik het over heb, ze zal ongetwijfeld “over een mijnenveld lopen, maar als genoeg mensen dit gaan zeggen en hebben gezegd dan moet het toch een keer aankomen bij die botte Batavieren. Misschien ben ik een idealist, of een naïeveling, maar de stilte, de taboesfeer zoals die in mijn familie rondom het onderwerp Indië geheerst heeft, moet op een gegeven moment doorbroken worden, hoe dan ook. Soms moet men provoceren om gehoord te worden en misschien betekent dit dat ook dit boek doodgezwegen gaat worden in Nederland, maar dan staat daar nog altijd de Amerikaanse markt tegenover en hoe men hier op dit boek gaat reageren. In zekere zin is dat interessanter dan de voorspellingen die we (nu al ) kunnen doen over de receptie van het boek in Nederland.”

Dus zinnen als “in Nederland is het nog steeds taboe om het lijden van de joden te vergelijken met de ellende van de Europeanen, Indo-Europeanen en romusha’s die het slachtoffer werden van de Japanners” blijven gewoon in haar boek staan. Inez Hollander is een verbeten schrijfster, geboren in 1965, de woede straalt soms van haar e-mails: “Je wil niet weten hoeveel Indo’s hier in Californië zitten, weggekeken uit Nederlands destijds, en niettemin hebben ze een misplaatste nostalgie inzake Nederland, koningshuis etc., daarbij voorbijgaand aan het feit dat het een Indische diaspora is geweest waarbij de Indo’s die nu in Californië wonen, twee keer hun vaderland verloren hebben, maar niks geen bittere gevoelens koesteren.”

De ontvangst van het boek is in Amerika tot dusver positief. De aandacht waait al over naar Australië, waar een kleine groep Indo’s actief bezig is met de koloniale geschiedenis. We zullen zien hoe het het boek hier in Nederland zal vergaan, straks in de lente.