Beerput – verhaal in Archipel Magazine

Het zuiden van Nederland was nog niet bevrijd door de geallieerden of de slogan Indië verloren, rampspoed geboren galmde als een mantra in de Haagse regeringsgebouwen. De eerste scheepsladingen met mariniers, gerekruteerd in Brabant en Limburg, bleken niet voldoende en na een grondwetswijziging waren dienstplichtigen de klos. Onder die jongens bevond zich mijn oom Jan. ‘Ons Jan’, zo genoemd in het Helmondse, kwam tegen zijn zin als soldaat in de zelfgeproclameerde republiek Indonesië terecht, wendde direct na aankomst buikkrampen voor, misselijkheid, hoofdpijnen en een volslagen afkeer van de tropische hitte.

Mijn vader was een jaar of twintig toen hij in zijn geboorteplaats Soerabaja de pantserwagens van de geallieerden binnen zag rijden en zich als tolk aanbood. Nu, na de Japanse capitulatie, de Nederlanders het stokje van de geallieerden kwamen overnemen, trok hij op met de mariniers en voerde een oorlog die in onze geschiedenisboeken de Politionele Acties genoemd wordt. Koloniale inkt, kroontjespennen, simpel.

Nederlandse jongens speelden domme bijrollen in mijn vaders heldenverhalen, anders dan de Britse en Amerikaanse die hij had meegemaakt. Belanda’s staken een sigaret op in het pikkedonker met de vijand op een steenworp van ze vandaan. Dat soort dingen. Dorpjes platbranden viel niet onder de noemer heldenverhalen, dat was gewoon marinierswerk, er school geen romantiek in. Romantiek kwam pas tot leven wanneer werd besloten om een dorpje níet plat te branden.

Vrouwen, dat.

‘Niet doen, er zit een liefje van mij daar in die kampong.’

‘Hey, daar zit een meid die beweert een kind te hebben van een oom van me, ha ha! Die Belanda’s naaien ook maar raak hier. Mogen wij Indo’s dat dáár ook in Holland? Vreemd is het wel dat die Belanda’s hun vrouwen niet slaan. Hoor je dat? Die Belanda’s slaan hun vrouwen niet, in Holland slaan de vrouwen hun mannen, duh! Die meiden daar hebben haren op hun tanden, loh!’

Oost-Java, vage geschiedenissen alom, op elk niveau. Lijken dreven nooit lang in de kali, de krokodil zwom er nog. Tegen de tijd dat Politionele Actie numero 1 werd ondernomen, had onze lepe Jan de terugreis per schip al aanvaard, hij veegde zich de krokodillentranen van zijn snoet en floot schijnheilig deuntjes van heimwee door de patrijspoort van zijn scheepshut. Gezeten op een truck die hem naar de haven bracht had hij hilarisch zijn correspondentieboekje in de richting van een stel tolken geworpen. Mijn vader had het opgevangen en koesterde het als een juweel. Limbo’s en Brabo’s zwaaiden vaker vlijtig met hun correspondentieboekjes. Er stonden portretten in van bekoorlijke Nederlandse meisjes: godinnen in de ogen van elke Indo.

Mijn vader had de pech Adolf te heten, maar ook het geluk in een land te wonen waar bijnamen belangrijker zijn dan geboortenamen. Hij werd Do genoemd, soms Dodo. Mooie Do kreeg drie correspondentievriendinnetjes: een hoogopgeleide Amsterdamse dame die zich liet fotograferen op een hemelreikende trap in een chique studio, een dame uit de Haagse middenstand poserend met parasol voor het Kurhaus en dan nog een vrolijk lachend kamerolifantje uit het Brabantse Helmond, zeg maar het Kediri van Nederland.

De Amsterdamse schreef haar vlekkeloze brieven in schoonschrift met groene inkt en bestrikte haar enveloppen met paarse lintjes. De Haagse gebruikte een schrijfmachine waarvan de e en de o versleten waren. Daar stond tegenover dat ze naar eigen zeggen zeer hoge snelheden tot wel 200 aanslagen per minuut haalde. Do was daar eigenlijk wel jaloers op. Alsof het niet genoeg was wat zijn elegante vingers op de papierrol hamerden van wat Indonesische verzetsstrijders uitschreeuwden onder de martelingen van de Nederlanders.

Do maakte deel uit van een drietal tolken. Hij sprak en schreef Nederlands, Engels, Frans, Duits, Hoog-Javaans, Midden-Javaans, Laag-Javaans, Madoerees, Soendanees, Pidgin-Chinees, Kantonees, Japans, een beetje Arabisch en natuurlijk Maleis, de voertaal in de kustgebieden van de archipel. Het Helmondse kamerolifantje was erg onder de indruk van Do’s Nederlands. Andersom verbaasde hij zich over haar kinderlijke schrift, idiote interpunctie en onnozele mededelingen. Maar ze had een paar zusters, van wie de leukste serieus uit was op een knappe tropenjongen. Ze dicteerde haar oudste zus, het kamerolifantje, dat ze ‘als boter zo geyl is van je augen’.

‘Dat is geen Nederlands,’ grijnsde een marinier naast hem op een pantserwagen. Een ogenblik later reed mooie Do tijdens Politionele Actie numero 1 op een landmijn en tuimelde tachtig meter een ravijn in. Tot zijn leedwezen kon hij vanwege verwondingen aan zijn rug niet aan Politionele Actie numero 2 meedoen. Hij verbleef een poos in de Willemsoordkazerne. Hij ging wel eens op stap, totdat hij vaker en vaker zijn naam op de wind voorbij hoorde komen, die was opgestoken in de achtertuin van Soekarno. Zijn naam stond op de zwarte lijst. De strijd was beslecht, voor Do verloren, de dekolonisatie kon beginnen. Het ene na het andere schip vol militairen of burgers vertrok richting Holland. Mooie Do kreeg het bevel permanent binnen de muren van de kazerne te blijven. Hij zou hulp krijgen van een schimmige Nederlandse kapitein, zonder wiens netwerk hij nooit zijn land had kunnen ontvluchten, waar zijn toekomst in de maag van een krokodil lag.

Daags voor zijn vertrek nam hij tijdens de stille en minder onveilige middaguren afscheid van zijn moeder, de kokkin en de huisbediende. Alle anderen waren afwezig. In de avond sloop hij de kazerne uit met Ben, een Ambonese vriend, die een goede Chinees wist aan de Embong Malang. Volgens Ben was het varkensvlees bij die Chinees het beste van de stad en wellicht van heel Oost-Java, zo niet van het hele eiland. Hij kende ook het geheim van de Chinees, maar wilde dat niet zeggen. Hij liet alleen maar een hilarisch gegrinnik horen.

‘Ik kom er toch wel achter,’ zei Do, ‘ik kom overal achter, dat wéét je.’

Do doelde op de ondervragingstactieken die hij kende om Indonesische gevangenen aan het praten te krijgen. Een lange bootreis wachtte beiden. Hij had dan alle tijd Ben aan het praten te krijgen.

* * *

U bent op ongeveer eenderde van Alfred Birney’s verhaal Beerput. Verder lezen? Click hier voor het nemen van een abonnement of het aanvragen van een proefnummer van Archipel Magazine. Of hol naar een goede boekwinkel of kiosk. Geen idee waar in uw woonplaats? Vraag het Archipel Magazine per e-mail.

Amerika blijft maar ontdekt worden

logo alfred birney Blijft een thema hoor, de ontdekking van Amerika. Historici en overige babbelkousen raken er maar niet over uitgepraat. De beroemdste ontdekker van Amerika is natuurlijk Columbus, maar er wordt ook gefluisterd over koning Abukari II van Mali, de Vikingen en de Chinese eunuch en admiraal Zheng He. De vraag: wie ontdekte Amerika? Antwoord: de oorspronkelijke bewoners. Maar die tellen niet mee. Schande, niet? Columbus noemde hen Indianen omdat hij dacht in Indië te zijn aangekomen. Amerigo Vespucci ontdekte de vergissing en kaartenmakers besloten het werelddeel tussen Europa en Azië dan maar Amerigo te noemen.

Even het rijtje af. Duizend jaar geleden waaierden de Vikingen uit op hun snelle schepen. Varen konden ze goed, navigeren wat minder en zo zou Leif Eriksson per ongeluk in Noord-Amerika terecht zijn gekomen. Hij noemde het land Vinland en er zouden veel druiven groeien. Maar toen in 1960 archeologen op New Foundland resten van Vikingdorpen vonden, zagen ze geen druiven hangen. Vaag verhaal dus.

Dan koning Abukari II van Mali: een machtig rijk in de middeleeuwen, maar te saai voor Abukari. In 1311 deed hij vrijwillig afstand van de troon en ging met 2000 schepen op ontdekkingstocht. Wetenschappers uit Mali gebruiken Egyptische teksten voor de bewijsvoering die hem tot ontdekker van Amerika moet maken. Wat deze wetenschappers mee hebben is dat Columbus in 1492 zwartgetinte handelaren aantrof in Amerika. Columbus’ kracht indertijd was dat hij Indianen als levend bewijs meenam terug naar huis. Chemisch onderzoek van veel later op speerpunten van Indianen wijzen in de richting van goud uit West-Afrika.

Revolutionair is de stelling van amateur-historicus en ex-onderzeebootkapitein Gavin Menzies. Deze Brit verdedigde in de Royal Geographic Society te Londen met verve zijn stelling dat de Chinese moslim Zheng He tussen 1405 en 1433 zeven wereldreizen ondernam en met een vloot van honderd enorme schepen de zeeëngte van Baja Californië bereikte. Maar ging hij er aan land? China zou nog voor de dood van Zheng He zijn maritieme roeping afzweren en alle kaarten van hem hebben verbrand. Een paar kaarten zouden echter door de ontdekkingsreiziger Nicolo da Conti worden gered en in Venetië en Portugal terechtkomen.

Zes eeuwen na Zheng He wordt Amerika voor de zoveelste maal ontdekt. En hoe. Dit keer door de islamitische terreurgroep Jamaat al-Tawhid al-Islamiya. Die is erachter gekomen dat Amerika onder meer in Nederland ligt, en dreigt daarom met aanslagen tegen Nederland als het zijn troepen niet terugtrekt uit Irak.

Tja, Amerika ligt inmiddels overal. Dat voorzagen de Chinezen al in de tijd van Zheng He. Wijze lui, met buitenaardse wezens als hun adviseurs. Helaas nogal dol op boekverbrandingen. Bang om te worden ontdekt zeker.

Haagsche Courant, vrijdag 20 augustus 2004

Is de bal wel goed van dessin?

logo alfred birney Ik heb nog nooit zo’n fascinatie voor een bal gevoeld als tijdens dit EK in Portugal. Bij eerdere edities waren het de spelers, de combinaties, techniek en tactiek en wat al niet meer die mijn aandacht trokken. Nu is dat helemaal anders, al is het maar omdat het vertoonde spel van geen der landen mij ook maar vijf minuten kon boeien. Zelfs tijdens editie numero zoveel van Nederland tegen Duitsland interesseerde het me hoegenaamd niets of Oranje nog zou tegenscoren. Mijn fascinatie voor de bal was al wel gewekt, vooral toen onze spits in de eerste minuten net niet de punt van zijn schoen tegen de bal kon zetten ben ik dat ding met nog grotere ogen gaan volgen. Want deze bal, dames en heren, heeft iets hinderlijks, met een eigen wil, om niet te zeggen een onwil. Hij beschikt over de zeldzame gave de ene na de andere speler net even te snel af te zijn. Dat onze voetbalcommentatoren daar geen oog voor hebben, zegt veel over hun volslagen ondeskundigheid. Ze zaniken aldoor over 4-3-3 of 4-5-1 maar ik hoor geen enkele verwondering over die rare bal waarmee men thans in Portugal speelt.

Wat is er dan met die bal aan de hand, of aan de voet? Nou, ten eerste heeft ie de kleur van een racefiets of mountainbike. Hij is zilverkleurig, je zou bijna denken dat dat speeltuig van aluminium is. Ten tweede zit er een rare zwarte strik omheen, zonder lussen, het is een cadeautje dat je liever niet krijgt, een soort kanonskogel direct uit de konstabelkamer van een VOC-schip, waarop Hollanders en Zeeuwen zich gereed maken om de zich in luiheid wentelende Portugezen van hun lekkere stekkies langs de kusten van het vroege zeventiende eeuwse Indië te gaan verjagen. Maar wat zou zo’n Bush nou van die bal denken? Dat Al-Quida er een bom in heeft verstopt of zo? Portugal ligt niet ver van Spanje, hoor.

Wat ik jammer vind van de spelers van nu is dat ze niet zeuren over de bal. Toen Nederland onder veel protest van dominee Freek de Jonge naar Argentinië was afgereisd voor het WK van 1978 begon al direct het geklaag over de zogenoemde Tango-bal. Die was veel te licht voor onze jongens, had een enorme afwijking bij passes over de volle breedte van het veld, en die smiechten van Argentino’s hadden er al lekker mee geoefend en konden er beter mee overweg met hun korte combinatie-spel. Dit is slechts één voorbeeld in de bonte geschiedenis van de bal.

En dan zijn uiterlijk. Voor het televisietijdperk was de bal gewoon bruin. Toen kreeg je de televisiebal, zwart en wit geblokt, de eerste bal met allure. Onder druk van kleurentelevisiekijkers werd een oranje bal gebruikt voor partijtjes op besneeuwde velden in Alkmaar of achter het IJzeren Gordijn. De televisiebal en de oranje bal hadden dus een functie. Maar wat is nou de functie van deze merkwaardige zwartgestrikte bal? Waarom konden tot aan dit schrijven alleen de Zweden er goed mee overweg? Is het een IKEA-bal misschien? Dat zou wel passen bij die dertien in een dozijn-partijtjes die we voorgeschoteld krijgen.

Haagsche Courant, vrijdag 18 juni 2004

Broese (3)

logo alfred birney Broese was een oude wees. Hij had niemand buiten zijn oude schoolkameraad. Soerabaja Papa was niet zuinig op zijn oude vriend en oefende veel kritiek op hem uit.
‘Jij hebt de HBS doorlopen, maar je doet het werk van een koelie!’
‘Ik heb het naar mijn zin hoor! ’s Nachts is het rustig. Dan kan ik goed nadenken.’
‘Nádenken? Wáárover?’
‘Ach, ik laat zo’n beetje mijn gedachten gaan, dat snap jij toch wel?’
‘Zo, dus jij laat je gedachten gaan… Jij moet je hérsens gebruiken, man! Ik werk bij Rijkswaterstaat. Maar jij? Wah, jij schopt het niet verder dan nachtwaker met je HBS!’
Broese waakte toch ook overdag. In een wat modeloos gehurkte houding houdt hij een oogje in het zeil terwijl wij kinderen spelen aan de waterkant. Lozerlaan rond 1960, waar de stad verzandt in hobbelig terrein met geraamtes van nieuwbouw. Ik sta dicht tegen Broese aan, zelfs ik als knaapje zie er nostalgisch uit op de foto, alsof ik Broeses herinnering deel aan de kali uit zijn jeugd ergens in Soerabaja. Als ik na zo’n dag niet slapen kan, zie ik hem zijn nachtelijke rondes maken langs de spookachtige bouwplaatsen. Hij draagt een zaklamp en om de tijd te doden zoekt hij naar ratten en praat tegen ze. Soms komt hij met een verhaal dat ik maar half begrijp, iets over een vrijend stel dat hij heeft betrapt. Heeft hij het ooit betreurd als knaapje oud te moeten worden omdat de Japanners hem hadden gecastreerd?
Op een zondag nam Soerabaja Papa mij mee achter op zijn bromfiets. De oude jongen met het dunne haar op zijn bevlekte ronde hoofd woonde ergens aan de Loosduinseweg op een parterre. De bel werkte niet. Soerabaja Papa probeerde door de ramen naar binnen te kijken, maar die waren te vuil. Hij klopte aan. Het duurde lang voor Broese opendeed. Misschien hadden we de nachtwaker uit zijn slaap gehaald. Hij liet ons wat onhandig binnen, onwennig met dat plotselinge bezoek. Zijn huis was bijna leeg. De hutkoffer van zijn overtocht uit Indië deed dienst als salontafel. Er stond één stoel. Die werd mij gewezen.
Soerabaja Papa zei: ‘Zo, woon je hier dus…’
Hij stapte onrustig door de lege kamers, de handen losjes in de zakken van zijn terlenka pantalon, mopperend, schertsend, schimpend.
Broese gaf me limonade te drinken uit een vlekkerig glas waaraan haartjes kleefden. Hij verontschuldigde zich voortdurend tegenover Soerabaja Papa, dat hij ons niets beters te bieden had. Maar het huis zou beslist worden opgeknapt, hij zou meubels kopen, fatsoenlijk servies en ja… gordijnen.
Als je iemand bent die zich voortdurend voor zijn leven moet verontschuldigen, komt de dood je dan nog wel met genoegen halen?

Haagsche Courant, vrijdag 3 oktober 2003

Broese (1)

logo alfred birney Broese. De naam… Mama Helmond kon met een hardvochtige stembuiging de oe-klank in de naam benadrukken, alsof ze een vies woord uitsprak. ‘O God, daar komt die Broe-se weer aangereden. Broe. Se. En er komt juist vanavond een mooie musical op televisie! Moet ík weer die vervelende verhalen aanhoren. Want die vader van je, die zit toch alleen maar op zijn kamer te tikken achter die schrijfmachine van hem, ik wou dat-ie eens wat meer geld op tafel legde, dan hadden we meer brood en spek op de plank. Maar dat denkt alleen maar aan die vervloekte oorlog van hem daar in dat stinkindië, en dan die Broe-se met zijn Indië, dat heeft het ook alleen maar over Indië, Indië en nog eens Indië. Was ik maar nooit gaan corresponderen met die vader van je, wist ik veel dat die vent een tik van die oorlog heeft meegekregen. Zal ik jou eens wat zeggen: al die Indische mensen hebben een tik van de molen gekregen, weet je dat? Ze waren het gewend met bediendes te leven, die krópen voor ze, die deden álles voor ze, nou en nu zitten ze hier zonder hun bediendes én maar klagen, én maar klagen, ze zijn nog te beroerd om de afwas fatsoenlijk te doen, die laten ze gewoon een dag staan tussen al dat stinketen van ze, en die kruidenlucht dat blijft allemaal tussen de kieren zitten, gut dat denkt dat ze nog daar in Indië zitten, nou waren ze er maar gebleven, zie jij dan soms het verschil dan tussen je vader en die kop van Soekarno op die stinkpostzegels op die stinkbrieven van die stinkfamilie van je vader uit dat stinkindonesië? Nee? Nou dan! Ze hebben gewoon tegen hun eigen buurjongens gevochten, tegen hun eigen vlees en bloed, nou snap jíj dat? Het zijn gewoon verraders die Indischen, met je vader erbij, jaa-haa, jouw vader was een verrader, dan weet je dat! Nou, doe jij maar open voor die Broese en laat die vent dat stinkmotorpak van hem aan de kapstok hangen voor-ie binnenkomt, anders stinkt straks de hele huiskamer naar dat vieze leer en die stinkmotorolie, o daar gaat mijn rust…’

Broese. Bijna een pioniersmerk voor een motorfiets. Maar de man reed op een oude Jawa met een opvallend ei als benzinetank, zeg een Jawa type Broese. Wonderlijke man, met het mysterie van een versleten clown. Had Broese die Jawa motorfiets omdat Jawa een andere spelling was van Java? Wilde Broese zijn heimwee naar Java tonen via de naam van zijn motorfiets? Java was zijn geboortegrond, maar ik denk niet dat Broese Oosters bloed had. Zijn ouders zouden onderwijzers kunnen zijn geweest, die rond 1900 de oversteek naar Nederlands-Indië maakten, om er 40 jaar later te sterven in een Japans gevangenkamp.

Broese had een extreem hoge stem voor een man. Soerabaja Papa verklaarde: ‘De Jappen hebben zijn ballen afgesneden. Hoe? Ja, met hun samoeraizwaarden natuurlijk!’

Of dat nou echt was of verzonnen, weet ik nu, na 40 jaar, nog niet.

Haagsche Courant, vrijdag 19 september 2003

Pollmans evangelie voor de Indo

logo alfred birney Tessel Pollman schreef ooit recensies over boeken van Indo’s en Molukkers, voor wie ze een lans brak. Jammer dat ze verdween. Jammer dat ze weer verscheen, namelijk in een gastcolumn op de website van het NIOD. Dat instituut voor oorlogsdocumentatie is een onderzoeksprogramma gestart om de geschiedenis van Indië naar Indonesië in een breder kader te kunnen plaatsen. Kritiek van Indo’s doet TP zich thans opwerpen als de evangeliste van Het Redelijke, opdat haar voormalige doelgroep zich vermag te verzoenen met haar lot. Amen. Allereerst doopt TP Indo’s terug tot Indo-Europeanen, zoals men hen van overheidswege aan het einde van de negentiende eeuw is gaan noemen. TP zit intussen namelijk bij het Ministerie van OC & W en is daar een ander taaltje gaan spreken. Volgens TP zouden nogal wat Indo’s in wrok leven jegens de Indonesiër en de Nederlander, omdat ze zich verbannen voelen van hun geboortegrond. TP schopt een open deur in door te zeggen dat niet alleen Indo’s ellende hebben gehad tijdens de Japanse bezetting. Het centraal stellen van Indo’s in een geschiedschrijving over de dekolonisering vindt zij dus ‘onwerkelijk’. Nou zijn dergelijke boeken, van Nederlandse historici, zeer recent en op één hand te tellen, maar TP vindt het wel weer genoeg. Open deur numero 2: Indo’s vormden geen hechte samenhangende gemeenschap. Maar ze werden wél ooit tot groep gebombardeerd. En door wie ook weer? Is mevrouw TP wakker? Er is geen Indo die beweert dat zijn geschiedenis losstaat van Europa en Azië. TP wekt de indruk dat Indo’s dat wel doen en richt haar Nieuwe Brede Vizier op overige groepen in Indië, waarmee ze toont helemaal niets van perspectief in geschiedschrijving te begrijpen. Geschiedenis is een belichting, het is de complete waarheid niet. Nooit. Nergens. Als je zegt dat Indo’s geen hoofdrol maar een bijrol speelden in de geschiedenis, dan betekent dat niet dat zij geen geschiedenis hebben. Het betekent hooguit dat hun geschiedenis moeilijk valt te begrijpen. Heeft TP ooit geschiedenisboeken van de hand van Indonesiërs gelezen? Die hebben maling aan wat Nederlanders over hen schrijven. Wat Indo’s schrijven, vinden ze intussen wél interessant. Hoe zou dát nou komen? TP doceert dat de ‘inheemsen’ van toen niet meer dan decor waren in de boeken van de Hollanders. Klopt. Maar níet in boeken van Indo’s. Die werden alleen genegeerd in de pers. In de boekenlawine van Hollanders over de kloof tussen hen en ‘de Javaan’ is de laatste behalve decor ook nog een romantisch ideaal. Indo’s sloegen bruggen over die kloof, maar ja, de Hollanders gingen liever zwemmen. En verzuipen deden ze, slecht geïnstrueerd door ambtenaren die dachten Nederlands-Indië vanuit Den Haag te kunnen besturen. Dat is hun geschiedenis, die van de domme arrogantie. Probleem voor de Indo’s is daarmee te moeten leven.

Haagsche Courant, vrijdag 8 augustus 2003

Bloemlezen

logo alfred birney Als er één boek is waar ik liever niet mijn naam op had zien staan, dan is het wel de bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Ik heb dat geval vijf jaar geleden gefabriceerd in een periode dat ik geld nodig had om mijn huur en zo te kunnen betalen. Mijn uitgever wilde me financieel helpen, mits ik die onzalige bloemleesklus aannam. Ik begon enthousiast, kon mijn koelkast weer vullen en hoefde niet steeds de stad door om ergens bij vrienden te gaan eten. Dat bloemlezen begon met drie maanden gevangenisstraf binnen de bunkermuren van de Koninklijke Bibliotheek en werd verlengd met een strijd met een wankelmoedige redacteur op de uitgeverij, wie de zoveelste bloemleeskloon voor ogen stond: Multatuli’s klaagzang getiteld Saïdjah en Adinda, wat Oeroeg-stuff van Hella Haasse, een beetje petjoh van Tjalie Robinson en nog zo wat voordehandliggends. Ik wilde eens iets anders, een verkapt kettingverhaal van prozafragmenten rond het wel en wee van de Indo en maakte mijn prozakeuze daaraan ondergeschikt. Mijn voorwoord zou de lezer het een en ander verduidelijken. Mijn redacteur werd hysterisch toen ik zei dat ik die egotripper van Multatuli niet kon gebruiken en ging toen op vakantie na mij te hebben opgezadeld met een eindredacteur die inderhaast van de Libelle was ingehuurd om mijn bloemlezing persklaar te maken. Uiteindelijk telde ik nauwkeurig het aantal woorden en stuurde de koerier met mijn stapel kopieën naar Amsterdam. De interim eindredacteur kon niet tellen en meldde me dat de kopij te veel was. Nadat ik teksten had weggesmeten kreeg ik te horen dat het achteraf gezien toch wel in orde was. Maar er was geen tijd meer om wederom met een fietstas vol kwartjes naar de kopieerinrichting terug te gaan: de boel moest naar de drukker, het boek zou en moest in oktober op de markt komen. Sinterklaas, weet u wel. Na uitgave zette de uitgever de turbo op de p.r. en mocht ik aan suffe journalisten gaan uitleggen hoe Nederland zijn koloniale literatuur veronachtzaamde. De pers, met een referentiekader van een gordel van smaragd met wat palmen onder een blauwe hemel, geloofde het allemaal wel. Vervolgens kwam het peloton van zogenoemde Indische literatuurkenners aan fietsen. ‘Waarom staat die schrijver er in en waarom die niet?’ Antwoord: ‘lees het voorwoord.’ ‘Ja, maar een voorwoord lees je toch niet?’ Dat dus. Inmiddels werd ik belaagd door schrijvers die er niet in stonden, terwijl een volslagen onbekende Indische schrijfster die er wél in stond mij met een proces dreigde omdat de uitgever te laat was met haar contract. Enfin, aan bloemlezen valt weinig eer te behalen. Ik krijg nu nog vragen van lezers die hun favorieten missen. Die lezer houdt niet van het avontuur, maar wil bevestiging van de eigen smaak. Zou-ie willen bloemlezen?

Haagsche Courant, vrijdag 6 juni 2003

Aquarium (1)

logo alfred birney Zwartwitfoto uit de late jaren vijftig. Kartelrandje, vergeeld, maar zonder nostalgische waas. Een klein aquarium op een gammel tafeltje met geruit kleedje. De cylindrische lichtkap ligt als een Duitse torpedo op de afdekruit in dit stilleven.

Mama Helmond scheldt op het aquarium. Dat vieze ding stinkt met die vieze vissen, die vieze planten, die vieze slakken, die vieze algen en die vieze wormen die de bodem inkruipen. Zo zal het in Indië dan zeker ook wel altijd hebben gestonken.

Soerabaja Papa heeft het aquaristisch niveau van iemand die een goudvis in een kom in de vensterbank houdt. Op een dag worden de vissen door een onhandige manoeuvre van hem geëlektrocuteerd. Hij dankt de kleine bak af en laat op zijn vrije zaterdagmiddag twee Hollandse collega’s een grotere ons huis binnensjouwen. Mama Helmond gaat in de keuken een half pakje Laurens zitten leegpaffen, maar mijn broertjes, zusjes en ik zijn geïmponeerd. Het gevaarte staat op een stalen rek en er kan wel 250 liter water in. De volgende dag gaan we met de fiets naar Kijkduin en brengen een dagje aan het strand door met zoete koude thee in plastic thermosflessen en witbrood met jam. We zijn een arm gezin met een bruine vader, een blanke moeder en vijf kinderen aflopend van donkerbruin naar lichtbruin. We zitten op een gebloemd kleed in verstelde onderbroeken, afdankertjes van Soerabaja Papa, die ze ‘pendeks’ noemt. De badgasten bekijken ons alsof we van een andere planeet zijn gekomen.

Aan het einde van de dag keren we terug met fietstassen vol duinzand. Soerabaja Papa denkt dat het zeezout er wel uit weg zal spoelen. Hij neemt de grote metalen wasteil, waarin Mama Helmond de lakens wast en de kleinsten zich moeten baden, en kiepert de fietstassen erin leeg. Een tuinslang wordt in het zand geduwd en het water stroomt lustig, zoals vroeger in Indië, daar had je watervallen, hier heb je niks van dat, het leven is eentonig in Holland.

Soerabaja Papa heeft de achterruit beschilderd in de kleuren van een guerrilla-uniform. Hij heeft de lekkende hoekjes gedicht met stopverf en een laagje potaarde aangebracht en er het duinzand overheen gekwakt. Zeulend met emmers water vullen we het aquarium tot de rand. Uit de sloot langs het sportveld aan de overkant van onze naoorlogse Haagsche portiekwoning halen we waterpest, dat volgens Soerabaja Papa bijna zo snel groeit als bamboe.

Soerabaja Papa is ongeduldig en geeft het prille paradijs geen kans om aan te slaan. Er zal en moet vis in zwemmen. We worden met schepnetten naar de overkant gestuurd en keren terug met een paar stekelbaarsjes. Die liggen de volgende dag op hun rug in het brakke water. Soerabaja Papa haalt zijn schouders op. Maar wij begraven ze plechtig in de openbare achtertuin, terwijl Mama Helmond aan haar kapsel frunnikt achter haar pas gezeemde ramen.

Haagsche Courant, vrijdag 23 mei 2003

Michiel ontdekte Suriname

logo alfred birney Boekenliefhebbers mogen vandaag de vlag uithangen, want Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur wordt gevierd. Twee delen, 1500 pagina’s, geïllustreerd, alstublieft. Band 1 behandelt de orale en geschreven literatuur tot 1923, band 2 de geschreven literatuur van 1923 tot 2000. Auteur: Michiel van Kempen. Of onze doorgaans suffe leraren aan onze middelbare scholen meer dan drie namen uit die geschiedenis kennen zou ik niet weten. Ik vrees van niet. De hedendaagse boekenlijsten staan nog altijd bol van de Oeroegs, Karakters en Dwaallichten. Voor het multiculturele toefje een Marokkaantje erbij, of een Irakees, naar gelang de actualiteit, maar daar blijft het dan wel bij. Toegegeven, die leraren moeten het ook weer doen met examencommissies, die gewoonlijk bij hun geboorte de tijd stilzetten. Dus, beste VWO-er: waar draaien de boeken van W.F. Hermans om? Antwoord: het is een zootje op de wereld, meneer. Score: 10. Dus niet: was het proza van Edgar Cairo Sranantongo of een eigen literaire taal? Die vraag wordt niet gesteld, want de multiculturele samenleving is een leugen, meer nog in de literatuur dan op straat. Apartheid regeert en daarom moet een Michiel van Kempen negen jaar lang in zijn eentje werken aan een op zichzelf staande literatuurgeschiedenis, terwijl elders hele commissies zich vetbetaald buigen over de zoveelste kloon van de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Zoals gewoonlijk doet het individu het echte werk. Michiel van Kempen timmert al langer aan de weg, maar om hem te ontdekken moet je niet voor die idiote boekentorens blijven staan waar je bij de moderne boekhandel je schenen steeds weer aan bezeert. Want wat daar allemaal ligt uitgestald is grotendeels sterreclameproza voor op de salontafel bij mensen die niet eens weten dat je een boek van voren naar achteren moet lezen. Michiel van Kempen heeft een slordige 18 bloemlezingen op zijn naam staan, vier vertalingen, 14 essaybundels, vijf prozawerken onder eigen naam, drie prozawerken onder twee pseudoniemen plus drie filmscenario’s. Maar ja, hij zit in de ‘multiculturele’ hoek hè? Dat is toch geen boerenkool met stamppot. Maar gelukkig zijn er nog altijd lezers die avontuurlijk de boekenschappen afstruinen voorbij de namen van Mulisch tot en met A.F.Th. Mensen die eerst de Oost-Indische Spiegel van Rob Nieuwenhuys raadplegen om te zien wat er allemaal voor moois uit ‘ons’ Indië kwam. Thans hebben we er een standaardwerk bij en dat wordt vanavond in Theater aan het Spui ten doop gehouden. En nu maar hopen dat onze neerlandici het in de gaten krijgen. En ook die lui van het CPNB, onze boekenweeksinterklazen met aan het hoofd een man genaamd Henk Kraima, die twee jaar geleden beweerde dat een vertaald boek van Salman Rushdie een Nederlands boek is. Nou, dan zal de Surinaamse literatuur voor hem wel Goudse glorie zijn. Dus wat let hem nog?

Alfred Birney / Haagsche Courant, vrijdag 9 mei 2003

Brown eyed girl

logo alfred birney Nani is een dochter van een Hollandse matroos die in Semarang is blijven hangen en er met een welgestelde weduwe uit Nias is gehuwd. De koffieonderneming op de berg Kawi is een paradijs om in op te groeien, samen met Rudi, een verweesde Indo wiens vader er ooit opzichter was. Nani en Rudi groeien op als broer en zus. Ze bezoeken een particulier schooltje dat door een weduwe wordt gerund voor kinderen van Europeanen en rijke Chinezen. Rudi is Nani’s held, samen beleven ze klassieke Indische avonturen. Hij redt haar uit de klauwen van een aap en zelfs van een wisse dood door met een speer een dolgeworden banteng te verslaan. Maar op een dag verschijnt een Franse gouvernante op de koffieonderneming. Die weet Nani’s ouders te overreden de twee van elkaar te scheiden. De jongen zou immers weldra met andere ogen tegen zijn ‘zusje’ aan gaan kijken. Wah! Rudi wordt verbannen naar de bijgebouwen, terwijl Nani in het hoofdgebouw onderworpen wordt aan een deftige Europese opvoeding en gekoppeld aan een arts van niks uit Zoeterwoude. In jagen heeft Rudi geen lol meer, voor hem rest slechts een portretje van Nani, én goena-goena: tovenarij… Ziehier het motief van een vergeten roman uit 1905 van Victor Ido: In vreemde sferen.

Zestig jaar later is het een hele andere tijd. Europeanen kunnen niet zomaar meer naar de Oost om er hun geluk te beproeven. Nederlands-Indië bestaat niet meer, het land heet Indonesië en Nederland stelt weinig meer voor. In Belfast, Noord-Ierland, staat een zanger op met een grote bek en een hang naar blues. Hij heet Van Morrison, richt de groep Them op en scoort een hit met Gloria. Dan steekt hij over naar Amerika en scoort ook daar een hit: Brown Eyed Girl. In het tweede couplet haalt hij herinneringen op aan een meisje: Hey whatever happened, tuesday went so slow / Goin down the old mine with a transistor radio / Standin’ in the sunlight laughin’, hide behind the rainbow’s wall / Slippin’ and a-slidin’, all along the waterfall with you / My brown eyed girl, you my brown eyed girl.

Waarom of waardoor hij haar verliest, wordt door Van Morrison niet bezongen. Het gebeurt gewoon. Dat kan ook in een boek. Maar romans waarin raadselen veeleer worden vergroot, zijn helaas niet zo talrijk als die waarin alles vanuit het menselijk handelen tot op het bot wordt verklaard. De gefileerde motieven in Victor Ido’s boek vernachelen de dramatiek. Dit aan Indië tijdgebonden werk vindt alleen zijn weg nog naar de freak. Was het verhaal dichter bij Rudi en Nani gebleven en minder uitgewaaierd naar te veel doortrapte bijfiguren, dan zou het boek misschien de tijd beter hebben doorstaan. Het verliezen van een geliefde hoort bij het leven, eigenlijk bij elk leven, onverschillig tijd, plaats, omstandigheden. Wie dat niet zo ervaart en het ondanks die vorm van maagdelijkheid in een raciale zedenschets verpakt, die neuriet het deuntje van de toevallige passant. Kan ook mooi zijn, daar niet van. Even.

Haagsche Courant, vrijdag 3 januari 2003
Copyright © 2003 Alfred Birney