Quiz Rivier de Brantas op Indisch 3.0

Indisch 3.0 komt met een preview van Rivier de Brantas en organiseert in samenwerking met uitgeverij In de Knipscheer een exclusieve lezersactie. Na het lezen van de voorpublicatie doe je de quiz en kun je een van de drie op naam (!) gesigneerde exemplaren van Rivier de Brantas winnen.

Op donderdag 3 maart om 21:00 uur worden de winnaars bekendgemaakt op Twitter, Facebook en de website van Indisch 3.0. Ikzelf ben overigens niet actief bij de quiz betrokken. Rivier de Brantas verschijnt op maandag 7 maart a.s. Hieronder een snapshot van drie leden van Indisch 3.0.

indisch 3.0

Wilt u een quiz?

Wie is het Indisch 3.0-lid dat de fotograaf de rug toedraait op de foto?

Prijs: een backlink van deze goed bezochte site :)

Meewarig neokoloniaal proza van de eerste generatie

leugens en lotgenoten Je hoeft geen Indo te zijn om een Indisch verleden te hebben. Toch bestaat een wezenlijk verschil tussen verhalend proza van Indo-schrijvers en totok-schrijvers, al wordt dat niet altijd gezien. Tjalie Robinson schrijft vanuit de Indo en Hella Haasse kijkt náár de Indo, om maar een pikant voorbeeld te noemen.

Jan Willem Smeets is van de generatie van Yvonne Keuls, F. Springer, Helga Ruebsamen en Paula Gomes. Zijn eerste twee romans verschenen 20 jaar geleden; beeldende kunst is zogezegd zijn hoofdvak. De flaptekst van zijn roman Leugens en lotgenoten (2010) vermeldt dat hij over een “groot stilistisch vermogen” beschikt, maar op de eerste bladzijde bewijst de schrijver al het tegendeel: Hotsebotsend reed ik verder en hield stil voor het huisje van ooit eens gebeitste… Hardleers als deze stilist is, kwakt hij gaandeweg het boek nog meer van dergelijk kinderproza op papier: Hilde dekte rats-boem-knal de tafel

Uitgeverij Ailantus lijkt te bezuinigen op goede redacteuren. Op bladzijde 29 is een niet te missen doublure gewoon blijven staan. Zes bladzijden verder breekt de schrijver impliciet een lans voor verhalend proza als tegenwicht tegen de enorme hoeveelheid non-fictie die over Nederlands-Indië is geschreven. Daar ben ik heel blij mee. Maar meer dan wat clichés over de Hollandse kou, de verdachtenhoek van mensen met een koloniale achtergrond en een strenge opvoeding komt er niet tevoorschijn.

Smeets’ wat meewarige, nonchalante stijl doet soms aan het proza van John Fante denken, maar werkt niet in zijn roman, dat drie hoofdstukken telt, waarin hij aandacht vraagt voor de lotgevallen van totoks. Zijn helden leiden een weinig interessant leven, of ze nou wel of niet in het “jappenkamp” hebben gezeten. Nou hoeven je romanhelden niet direct een spannend leven te leiden, mits je goed schrijft. F. van den Bosch heeft dat stijlvol in zijn kleine oeuvre laten zien.

Het tweede hoofdstuk maakt wel wat goed. Er ontspint zich namelijk gaandeweg een schandaleus verhaal rond een moederfiguur. Jammer genoeg mist de schrijver het vakmanschap van F. Springer om het verhaal werkelijk boeiend te maken. Waar hij wel goed in is, dat zijn de eigen valkuilen die hij in zijn babbelproza graaft. Een voorbeeld:

…maar toen ik merkte dat ik er in hun ogen alleen maar nog vreemder door werd, was ik uiteindelijk maar gaan verwijzen naar Couperus, Dermoût, Du Perron, Székely-Lulofs enzovoort die, zei ik dan, het allemaal heel wat beter hadden beschreven dan ik zou kunnen.

Wat bedoelt de schrijver met “zei ik dan”? Dat hij inmiddels wél zo ver is dat hij zich kan meten met de namen die hij noemt? Stel dat het in verhaaltechnisch en stilistisch opzicht zo zou zijn geweest, dan nog had ik mijn twijfels gehad over de mentaliteit van de verteller van het verhaal. Zijn houding ten opzichte van Indonesiërs is niet bijster sympathiek: “roomservice” blijft “roomservice”, want Smeets is eenvoudigweg te beroerd om van bedienend personeel mensen van vlees en bloed te maken. Op dat punt kan hij zich intussen wel meten met iemand als Székely-Lulofs, die daar ook een handje van had. Kortom, Smeets is wat dat betreft nooit verder gekomen dan zijn kinderjaren, toen Székely-Lulofs op het toppunt van haar roem was. Onbegrijpelijk dat dit soort neokoloniale romans nog wordt uitgegeven.

© 2010 Alfred Birney. Verscheen eerder in Archipel Magazine, jaargang 12, winternummer 2010

Het Indische meisje in de Nederlandstalige populaire muziek

In de jaren vijftig en zestig was het Engels nog niet zo dominant als nu in de populaire muziek. Het was heel gewoon dat artiesten hun liedjes in verschillende talen zongen. Ook werden er veel liedjes vertaald. Muziekuitgevers floreerden met het uitgeven van bundels voor orkestjes die in de weekends in allerlei gelegenheden speelden. Kopieerapparaten waren onbekend, muziek werd levend gebracht en de jukebox was voor ranzige cafés, waar het nette publiek niet kwam.

Jaren geleden gaf een muziekleraar de brui aan zijn beroep en liet me zijn enorme verzameling bladmuziek na. Het was zo’n ouderwetse muziekleraar, die les gaf in verschillende instrumenten: gitaar, piano, accordeon, viool, saxofoon etc.

De stapels bladmuziek waren vergeeld, het doorspelen van de partituren zou me jaren kosten en me al net zo lang de ene na de andere aha-ervaring geven. Want als kind zat ik veel bij de radio – ik schreef er Het verloren lied over – nauwelijks in staat al die teksten te verstaan, terwijl de melodieën zich diep in mijn herinnering nestelden.

Het liedje van de Zangeres Zonder Naam in de vorige post – Hij was maar een neger – was een origineel Hollands product dat ik, tot voor kort, nog nooit had gehoord. Ik herinnerde me vaag een dergelijk nummer over een Indisch meisje en vond het terug in de stapel antieke bladmuziek van de oude muziekleraar. Het nummer heet Klein Indisch meisje en staat in een bundel met het volgende opschrift:

MOLEN MUZIEK HOLLAND
PRESENTEERT:

De Grote Successen

1 Kus-kus-polka
2 Als vreemde klokken luiden
3 Waar ga je heen, clochard?
4 Klein Indisch meisje
5 Tabé ouwe reus
6 Moeders mooiste (ben je niet)
7 Ze hebben van de week (m’n hoed gegapt)
8 Paramaribo-wals
9 Geef mij een liedje en een lach
10 Evelien-Josefien-Carolien
11 Geef mij een knipoog (vertaling)
12 Een liedje uit Cuba (vertaling)
13 Laat het geld maar rollen

Nou, kostelijke titels uit een wat minder haastige tijd, waaruit toch vooral een openheid spreekt voor andere culturen en verschoppelingen of pechvogels. Muziek uit Amerika was wel sterk in opkomst, maar de molenmuziek hield nog stand.

Indertijd woonden er nog altijd Indische Nederlanders in het onafhankelijk geworden Indonesië. Maar op 5 december 1957, ook wel bekend als Zwarte Sinterklaas, verklaarde de Indonesische regering alle Nederlanders staatsgevaarlijk. Er zat al een grote groep Indische Nederlanders in Holland en de overheid was er niet onverdeeld blij mee. Uiteraard waren er mensen die zich het lot van die groep aantrokken. Dat moest natuurlijk worden bezongen.

oude bladmuziek klein indisch meisje

Click op het plaatje voor een vergroting en je ziet aan het begin van de partituur staan: Krontjong tango. Nou weet ik wel het een en ander van muziek, maar van een krontjong tango heb ik nog nooit gehoord. Ik moet er dan ook wel erg om lachen. Het lied is een origineel Hollands product – hoe kan het ook anders wanneer het om een Indisch meisje gaat – en is geschreven door het inmiddels vergeten duo Aat Daale (tekst) en Pierre Biersma (muziek).

Als we de muziek even laten voor wat het was en de tekst doorlezen, dan zien we behoorlijke verschillen met de tekst van Hij was maar een neger.

Klein Indisch meisje

Er kwam weer een schip uit de tropen vandaan,
Een meisje dat staart voor zich heen.
Ik zie in haar donkere ogen een traan,
Zij voelt zich hier vreemd en alleen.

Klein Indisch meisje, ik zie je daar staan,
Hunk’rend naar liefde en troost.
’t Is je zo vreemd dat je weg bent gegaan,
Ginds uit dat land in de oost.
Daar was het warm en scheen altijd de zon,
Daar stond je ouderlijk huis.
Klein Indisch meisje, toe wees niet bedroefd,
Ook hier is voor jou weer een thuis!

Het lot bracht je hier in dit drassige land,
Met sneeuw en met regen en kou.
Maar hier is het veilig en vind je de band
Die ’t vaderland ook heeft met jou!

Klein Indisch meisje… (etc)

© World-Copyright 1958 by “MOLEN-MUZIEK-HOLLAND” Amsterdam
Voor België, Koloniën en Luxemburg “METROPOLIS” Antwerpen

*Let even op de “Koloniën” in de copyrights notice. Dit is, om zo te zeggen, ‘historisch materiaal’.

Het liedje verscheen zeven jaar voor Hij was maar een neger. Je zou makkelijk kunnen denken dat in die zeven jaar Holland racistischer is geworden. Dat lijkt me niet, al is het wel zo dat binnen het kader van racisme en seksisme voortdurend accentverschuivingen plaatsvinden. Het maakte nogal verschil of je een ‘Indisch meisje’ was of een ‘neger’. Over beiden werden wilde verhalen rond gefluisterd. Indische meisjes zouden gewilliger en lekkerder zijn dan Hollandse meisjes. En negers zouden topsporters zijn bij het liefdesspel. Het is niet moeilijk te raden wie de aantrekkelijkste was en voor wie werd gevreesd.

Het postkoloniale Indische debat

logo alfred birney weblog Het probleem met het postkoloniale debat in Nederland is dat er geen postkoloniaal debat is. Nou klinkt dit wat flauw, dus ik zal het wat genuanceerder zeggen: het postkoloniale debat in Nederland is afhankelijk van incidentele oprispingen bij de aandacht voor de Indische, Surinaamse en Caribische literatuur en, breder getrokken, voor boeken afkomstig van immigranten en hun nazaten. Wie wil weten wat koloniale en postkoloniale literatuur behelst, moet lezen Europa Buitengaats; koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen onder redactie van Theo D’Haen.

Onlangs trok een nieuw Indisch boek de aandacht van recensenten, onder wie er velen zaten die dachten dat het wiel was uitgevonden. Het boek is van Eveline Stoel, getiteld Asta’s ogen. Het is een documentair geschreven boek dat toevallig zijn weg vindt naar het grote publiek. Ik zeg toevallig, omdat er jaarlijks tientallen van dergelijke boeken verschijnen, al decennia lang. De meeste van die boeken belanden in de prullenbakken van de redactielokalen, een enkele titel vindt zijn weg.

Boeken als Asta’s ogen hebben als voordeel dat de Indische geschiedenis weer even levend wordt. Ik zeg: even. Want die geschiedenis wordt niet werkelijk levend gehouden, althans niet in de officiële canon. Onze beroepslezers hebben beroerd geschiedenisonderwijs genoten en in het kielzog daarvan dus net zulk beroerd literatuurgeschiedenis. Ze hebben geen helder zicht op de verschillen in perspectief tussen blanke en niet-blanke schrijvers uit Nederlands-Indië en de Cariben. Vanzelfsprekend geven zij hun beperkte kennis van de (post)koloniale literatuur door aan hun studenten, die op hun beurt doodleuk boeken als Orpheus in de desa en Oeroeg hoogtepunten noemen in de Indische literatuurgeschiedenis.

Let wel: het gaat hier niet over smaak, maar over perspectief. Een voorbeeld hiervan is de kritiek van Tjalie Robinson op Oeroeg, een stuk geschreven in 1948. Dit stuk, vol met sterke argumenten, heeft nooit enige invloed gekregen op de smaakmakers van de Nederlandse literatuur. Hoe komt dat?

Dit soort vraagstukken behoren bekend te zijn bij deelnemers aan een postkoloniaal debat. Anders weet je niet waarover het gaat. Afgelopen zaterdag werd er een dergelijk debat gevoerd in Nijmegen, er werd althans een poging ondernomen.

Op het podium nemen plaats Wim Willems, Eveline Stoel, Lizzy van Leeuwen en ik. Gespreksleider is Wim Brandts.

Wim Willems zit al 30 jaar met zijn neus in de materie, is biograaf van Tjalie Robinson en ziet soms door de vele bomen het bos niet meer. Eveline Stoel is een nieuwkomer die het zich kan permitteren onbevangen en ongehinderd door een veelheid aan kennis haar zegje te doen. Lizzy van Leeuwen doolt rond in het niemandsland tussen wetenschap en essayistiek en heeft de neiging het gesprek al te technisch voor de toehoorders te maken. Ikzelf doe vooral aan het begin van zo’n debat niets anders dan iedereen maar meteen in de rede vallen omdat ik denk dat ik het allemaal beter weet. Mij word herhaaldelijk door Wim Brandts ingefluisterd dat ik even mijn mond moet houden en dan gedraag ik me wel. Diezelfde Wim Brandts is een journalist (en dichter) met veel ervaring op het gebied van postkoloniale en etnische literatuur. Hij leidt het debat in strakke banen, omdat het anders een gekijf van jewelste wordt.

Dat een dergelijk debat nooit een bevredigend einde krijgt, dat weet je van te voren, al is het maar omdat meer dan de helft van de gesprekstijd opgaat aan het uitleggen van waar het nou eigenlijk allemaal om gaat. Toch zijn dit soort gesprekken zinvol. Want er zijn altijd mensen in de zaal die ermee aan de gang gaan, erover gaan nadenken, ook al hebben ze de helft maar begrepen.

Mijn punt is dat het postkoloniale debat een vanzelfsprekend onderdeel zou moeten zijn van het algehele literaire debat. Dat de postkoloniale geschiedenis als een wezenlijk en onlosmakelijk onderdeel zou moeten worden gepresenteerd van de algemene Nederlandse geschiedschrijving.

Maar ja… ís er überhaupt wel een literair debat? En wordt de canon van de Nederlandse geschiedenis wel écht vernieuwd met dat beetje VOC-gelul dat eraan is toegevoegd? Wanneer zijn we zover dat we vanuit verschillende perspectieven naar onze eigen (literatuur)geschiedenis kunnen kijken?

Wim Willems brak aan het einde van het debat, voor een volle zaal, een lans voor de Turkse schrijver Sadik Yemni, die klaagde dat hij als Turk alleen maar om zo te zeggen over kamelen mag schrijven. Dat vond Wim Brandts wel aardig om de avond mee af te sluiten. Nieuw is de klacht van Yemni natuurlijk niet. Ik schreef het al tien jaar geleden in mijn Yournael van Cyberney, een e-zine dat ik later herschreef en in boekvorm liet uitgeven. Dit zeg ik niet uit gelijkhebberigheid. Maar om te illustreren dat conclusies die ooit door schrijvende immigrantenkinderen worden getrokken niet direct door blanke Nederlanders worden overgenomen. Nee, die nemen ook nog eens tien jaar de tijd om tot dezelfde conclusie te komen. En als het even kan brengen ze het alsof het zelf hebben bedacht. Het komt er uiteindelijk toch steeds weer op neer dat je pas wordt geloofd zodra je een heel blank peloton achter je hebt. Een van de weinigen die dat tot dusver voor elkaar kreeg was Salman Rushdie. Maar daarvoor moest ie wel eerst een fatwa over zich heen krijgen. En zo ben ik weer terug bij af bij mijn eerste aflevering van Yournael van Cyberney, tien jaar geleden.

Rivier de Brantas begint te stromen

logo alfred birney weblog Op mijn bureau ligt naast mijn toetsenbord mijn manuscript, feestelijk bekrabbeld met de correcties van een uitgeversredacteur. Hij heeft een voorliefde voor accenttekens en puntkomma’s. Laat ik daar nou toevallig een bloedhekel aan hebben. Die stomme Hollanders doen eerst alle moeite om zich van trema’s en overige ‘hinderlijke’ leestekens te ontdoen (zoëven werd zo-even) en dan komen ze met á’s en ó’s aangehobbeld, na een eeuw Couperus’ eigen spelling te hebben verkracht. Mijn redacteur stelt zoiets voor:

Ik wist niet of ik bang was voor háár, voor haar verschíjning of voor de onduidelijke bóódschap die ze mij probeerde over te brengen.

Een vriendin van me schrijft zo, alsof ze praat. Erg mooi, maar ik zet alleen een accentteken als het echt moet. Dus niet als het écht móét.

Uiteraard is mijn redacteur goed in spellen. Hij weet precies wanneer je ergens vanuit gaat of ergens van uitgaat, ervanuitgaande dat Van Dale het allemaal wel weet. Maar Van Dale schrijft niets voor, Van Dale beschrijft. Er zijn bij mijn weten een slordige vijf spellingboekjes in Nederland te vinden: het groene boekje, het rode boekje, het blauwe boekje, het witte boekje en het groen-geile boekie. Ik schrijf ze zonder hoofdletters neer, want anders moet ik steeds de shifttoets indrukken en dáár heb ík nú géén zín in. Schrijvers moeten kunnen spellen, maar een dicteewedstrijd winnen zou werkelijk een afgang voor een schrijver zijn. Spellen is namelijk voor apen, het is nadoen. Spellen is voor de brave burger, het is doen zoals het moet. Spellen is niet creatief. Aan de kijkcijfers van het Nationale Dictee kun je wel ongeveer aflezen hoeveel oncreatieve mensen Nederland rijk is. Nog méér dan het aantal mensen dat een boek probeert te schrijven.

Toch ben ik blij met mijn redacteur. Wanneer je een manuscript vijf keer hebt herschreven, ga je blinde vlekken ontwikkelen. Door het verplaatsen van tekst ontstaan bijvoorbeeld gemakkelijk doublures. Het lastigs is te bepalen welke Maleise of Indische of Indonesische uitdrukkingen wel of niet in een woordenlijstje achterin moet worden opgenomen. Iedereen heeft weleens (moet dit woordje los geschreven of aan elkaar?) van ‘tempo doeloe’ gehoord, maar niet iedereen weet wat dat precies betekent. Volgens Van Dale zou een ‘toean besar’ een titel zijn die ‘de inheemse bevolking van het voormalige Nederlands-Indië aan de gouverneur-generaal gaf, ook wel informeel door de Europeanen gebruikt.’

Dat is natuurlijk niet helemaal waar. Reden waarom ik ‘toean besar’ in mijn woordenlijst heb opgenomen, waar het volgens mijn redacteur niet hoeft te staan omdat het in de Van Dale staat. En omdat het zus en zo in de Van Dale staat denkt mijn redacteur opeens dat een van mijn romanhelden gouverneur-generaal was.

Natuurlijk is er ook gedoe rond het begrip ‘Indo’. Volgens de meeste spellingboekjes moet Indo met kleine letter worden geschreven: indo. Indo’s vormen namelijk geen volk maar een groep. Zoals eskimo’s en zigeuners. Sinds zigeuners de volkenrechtelijke status van Roma en Sinti hebben gekregen, moeten die groepen met een hoofdletter worden geschreven.

Harry Mulisch had maling aan hoofdletters in zijn roman De aanslag. Duitsers en overige volken krijgen een kleine letter. Dat was zijn keus. En Indo met een hoofdletter is mijn keus. Simpel. Overigens staat het proza van Mulisch vol met puntkomma’s, hij was gek op die broekrok uit onze leestekengarderobe.

Terug naar de toean besar of de toewan besar of de toewaan besar of de tuan besar. Een meneer in goeden doen. Naast gouverneurs-generaal waren er veel toewans besar. Dat Van Dale dat niet weet, kan ik ook niet helpen. Dit krijg je ervan als je scholieren de verkeerde boeken laat lezen. Die gaan later namelijk uitmaken hoe de volgende nieuwe spelling eruit moet gaan zien. Het bekrompen idee dat de Nederlandse geschiedenis zich alleen maar achter onze duinen heeft afgespeeld, dringt zich dan eens te meer op. De hongerwinter and all that. Zal het ooit nog wat worden met de fusie tussen onze traditionele en (post)koloniale geschiedschrijving? Ik betwijfel het, maar een serieuze schrijver heeft nog altijd een taak, ook in de huidige tijd van hypes, oppervlakkigheid en vluchtigheid. Reden waarom ik een trilogie schrijf van Rivier de Lossie – Rivier de IJssel – Rivier de Brantas. Want ja, er zijn dingen die moeten worden gezegd. Móéten, zou mijn redacteur schrijven. Ja, het moet gezegd. Het moest gezegd. Eh… het is al gezegd, maar men heeft (nog) niet geluisterd.

Rivier de Brantas moet volgende week worden ingeleverd. Er komt dan nog een rondje voor de zetproeven. In februari moet het verschijnen. Soms word ik dol van de correcties en ga ik met mijn websites spelen. Ik bewerk ze, verkracht ze, verplaats ze, jaag mijn bezoekers weg, en dan zet ik alles weer in de oorspronkelijke staat terug. Het is nu 4 minuten voor 4 in de ochtend. Ik ga de afwas maar eens doen.

In Nijmegen Door Omstandigheden

poster eveline stoel, alfred birney, wim willems, lizzy van leeuwen

Het Bandoeng Project maakt onderdeel uit van het Wintertuinfestival in Nijmegen. Er zijn enkele speciale posters van het Bandoeng project gemaakt, die op bepaalde lokaties, de Centrale Bibliotheek en Indische organisaties als Pelita, worden opgehangen. Je zou kunnen zeggen dat de Indische of postkoloniale discussie traditioneel een apart podium krijgt. Uiteraard moet de oorzaak daarvan worden gezocht in het geschiedenisonderwijs op de middelbare scholen, waar te veel wordt ingezoomd op WO-II achter de duinen en niet in Nederlands-Indië, waar de oorlog veel langer duurde en veel complexer was. Deze geschiedenis is nooit vanzelfsprekend ingebed in de zogenaamde Nederlandse geschiedenis en daarom spreken sommige Indo’s met oog op het komende festival alweer gekscherend van In Nijmegen Door Omstandigheden.

Alfred Birney Wintertuinfestival Nijmegen

wintertuin festival 2010 Op zaterdag 27 november organiseert Literair Productiehuis Wintertuin in samenwerking met Stichting Muhabbat een speciaal avondprogramma binnen het Wintertuinfestival: Bandoeng aan de Waal.

Auteur Alfred Birney, journaliste en schrijfster Eveline Stoel en hoogleraar Wim Willems zullen onder leiding van Wim Brands de rol van het Indisch literair erfgoed binnen de Nederlandse letteren onderzoeken. De avond wordt ingeleid door cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen.

Centraal staat een debat over de Indische traditie binnen de Nederlandse letteren: de problemen bij de representatie ervan op terreinen als de postkoloniale identiteitsvorming, de cultuuroverdracht en het levend houden van de herinnering (tempo doeloe). De vorm van het debat is vergelijkbaar met het wekelijks tv actualiteitenprogramma Buitenhof, want podia moeten commercieel zijn en menen zich daarom dan ook aan dat afgrijselijke medium te moeten spiegelen. Gelukkig kijk ik geen teevee dus ik heb geen idee hoe ik me op het podium televisieachtig zou moeten gedragen.

Gespreksleider is Wim Brands. Projecttleider is drs. Peter van den Vrijhoef

TEL: 024-3230975 (Muhabbat)06-53553757 (privé)
Datum / tijd: 27 november 2010 (21.30 uur)
Plaats / locatie: De Lindenberg in Nijmegen

Schrijven aan een boek

Schrijven aan een boek kan merkwaardig associatief gedrag veroorzaken. Zo luister ik deze dagen aldoor naar de onderstaande aria van Händel, het Ombra mai fù uit de opera Serse (Xerxes) (1738), vertolkt door de Japanse countertenor Yoshikazu Mera. Tegelijk leg ik de laatste hand aan het derde en laatste deel van mijn novellenreeks. Het eerste, Rivier de Lossie (2009), speelt in Schotland. Het tweede, Rivier de IJssel (2010), speelt in Nederland en het deel-in-wording (2011, lente) speelt op Java.




Dit derde deel is een quasi roadshow, met terugblikken op onder andere de oorlog die Nederland in Indonesië voerde nadat het land zelf was bevrijd van de Duitsers. Een oorlog die eufemistisch de Politionele Acties worden genoemd, door Ad van Liempt gebombardeerd tot Een mooi woord voor oorlog. Ik ga daar niet diep op in, ook niet op de Japanse bezetting die enkele jaren eerder plaatsvond. Wél op de liefde die een familielid van me opvatte voor een Japanse officier. Zeg maar een verhaal zoals Il portiere di notte (1973) van Liliana Cavani (The Nightporter), maar dan zonder een weerzien. Ik beschreef het al eens in het verhaal Zonder gezicht, gepubliceerd in de verzamelbundel Vertrouwd en Vreemd (2000), maar bewerk het nu in een andere context.

Er is veel geschreven over zogeheten “troostmeisjes” maar weinig tot niets over meisjes die eenvoudig een liefdesaffaire hadden met Japanse officieren. Mijn vader haatte Japanners en alles wat met Japans te maken had. Veel Indische mensen en Indo’s haatten Japanners. Ik ben opgegroeid in een milieu waarin de haat jegens Japanners nog sterker was dan de huidige weerzin van Hollanders jegens Marokkanen op alle denkbare niveaus, tot aan de landelijke politiek toe.

De haat die mijn vader koesterde tegen de Japanners heb ik niet overgenomen. Mijn broer evenmin. Hij nam ooit luitlessen bij een Japanse leraar, in een tijd waarin de vader van een vriend van me met een hakbijl een piano van Japans fabrikaat te lijf ging, die zijn dochter in alle onschuld had aangeschaft.

Japanners kunnen gek zijn op Europese kunst en cultuur. En andersom, Europeanen kunnen dol zijn op Japanse kunst en cultuur. Literatuur, gevechtskunst, muziek, schilderkunst, beeldende kunst, architectuur… Kunstenaars staan veelal boven het ordinaire geweld van alledag of proberen gedachtes aan oorlog te bezweren door zich in de kunstuitingen van de (voormalige) tegenpartij in te leven. Yoshikazu Mera is zo iemand. Zijn stem klinkt hemels. Cross-over artiesten geven me altijd hoop op een fatsoenlijker wereld. Altijd.

Archipel Magazine Bali Special

archipel magazine lente 2010 Archipel Magazine’s zomernummer is een Bali Special. Voor deze gelegenheid heb ik een rol als interviewer. Ik neem zelden interviews af. Als ik het doe, dan is het nooit een opdracht maar een voorstel van mezelf. In een grijs verleden interviewde ik eens twee gitaristen: Ted Oberg van Livin’ Blues en Ton van Bergeyk, indertijd uitgeroepen tot ’s werelds beste fingerpicker. Ik interviewde ook eens een ouderwetse zetter, die handmatig partituren stempelde in een tijd waarin computers nog als UFO’s werden gezien. In deze eeuw interviewde ik Bjørn Aris, een martial artist die zich aan de kunst van het Japanse zwaardvechten wijdt. En dan nu de vijfde in een rij met enorme intervallen: Aafke de Jong, een kameleontische danser die zich beweegt tussen de werelden van Balinese en moderne westerse dans. Ze staat er mooi in. Een 5 uur durende bandopname heb ik teruggebracht tot twee pagina’s tekst. Het was leuk en leerzaam om te doen.

In het nummer staan verder artikelen over Balinese plekken waar alles nog ongerept is, voor zover dat al mogelijk is. Mooi is het stuk over een Nederlandse vrouw die een weeshuis heeft opgericht. Een ander stuk gaat over een Nederlandse vrouw die trouwt met een Balinees en zo vanzelf Balinees wordt. Er wordt dan ook van haar verwacht dat ze meedoet aan offers maken met onder meer klapperbladeren. Ze weet al bijna 14 jaar lang uitvluchten te verzinnen om zich niet met dat ingewikkelde gepruts bezig te hoeven houden. Hoezo aanpassen?

Emma Kwee, de beste columnist sinds het vertrek van de Indische columnisten, komt wat minder lichtvoetig uit de hoek dan ik van haar gewend ben. Ze beschrijft de verschrikkelijke armoede van mensen die ’s nachts onder fly-overs slapen en overdag op kruispunten hun hand ophouden. Er schijnen zelfs mensen te zijn die ledematen laten amputeren om er nog meer als een hulpbehoevende uit te zien. Haar relaas komt overigens uit Bandung.

Nico Vrielink is een Nederlandse kunstenaar die met zijn vrouw op Bali woont en mooie werken maakt. Zijn verhaal sluit goed aan op mijn vertaling van het Engelstalig essay van de Jakartaanse kunstpaus Richard Oh, die de Indonesische overheid aanvalt op een gebrek aan aandacht voor de eigen cultuur.

Een andere kunstenaar is FX Harsono, een Indonesische Chinees die in 1948 in Blitar is geboren. Op twee van zijn doeken staan familieleden van hem afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven. Ik kom hier spoedig in een volgende posting op terug.

Het ligt in de bedoeling van de hoofdredactie dat Archipel Magazine het Indische element laat varen en dat het tijdschrift zich volledig gaat richten op de Indonesische archipel en omstreken. Die overgang moet geleidelijk gaan, want er staan nog altijd flinke stukken in met een directe link naar Nederlands-Indië. Rudy Kousbroek wordt, terecht, herdacht door Kees Schepel. Het stuk van Kester Freriks over zijn vader als telegrafist bij de luchtvaart, waarin een lus wordt gemaakt naar de boeken van Madelon Lulofs, valt ook niet direct binnen de nieuwe opzet van het blad. En het verslag over Indisch 3.0 op de Tong Tong Fair al helemaal niet. Het gedoe tussen de Pasar Malam Indonesia en de Tong Tong Fair, voorheen de Pasar Malam Besar, waar veel mensen helemaal niets van snappen, past weer wél in de nieuwe opzet maar laat meteen zien dat de scheiding tussen Indonesië en Nederlands-Indië in het Nederlandse taalgebied gewoonweg moeilijk te maken is. Dat zie je ook aan een blad als Moesson, waarin allengs meer aandacht komt voor Indonesië, al ligt het accent daar duidelijk op “tempo doeloe”.

Het grootste verschil tussen de oude en de nieuwe opzet ligt tot dusver in de keuze van de columnisten. Alleen Emma Kwee en Hans Vervoort zijn overgebleven. De eerste richt zich zonder meer op Indonesië. De tweede neemt een kijkje in New York en Amsterdam voor een vergelijkend onderzoek naar corruptie in westerse en oosterse landen. De nieuwe opzet is dus nog niet duidelijk zichtbaar. Archipel Magazine is nog altijd Archipel Magazine. Zeer leesbaar, uitstekende artikelen, maar nog niet los van het Indische verleden.

Naast het genoemde staat er natuurlijk veel meer in het blad; de culinaire rubriek, allerlei nieuws, gesignaleerde boeken etc. Veel plezier met het lezen van Archipel Magazine. Het blad is verkrijgbaar bij de stationskiosken.