Teksten voor foto-installatie Fabio-Romano del Castelletto

raamvertelling Op vrijdagavond, 4 november a.s. om 19:00 uur vindt de opening plaats van de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto in de Maldoror Galerie, Den Haag. Er hangen vier hedendaagse fotowerken, in de traditie van de oude Chinese schilderkunst op papieren rollen (scrolls). Deze zijn vermengd met teksten van de de Turkse schrijver Murat Tuncel, de Chinese kalligrafist Wu Park en de Indische schrijver Alfred Birney.

De laatste, Alfred Birney, zal zijn teksten tijdens de opening live op twee van de ‘scrolls’ aanbrengen. Dit is livestream te volgen.

De tentoonstelling is na de opening te bezoeken op alle zaterdagen in november van half twee tot half zes ’s middags. Verder op afspraak en tijdens Hoogtij #27! (Persbericht)

Opzet van de installatie:

De Wagenstraat in Den Haag functioneert als het ware als een sluis, via welke verschillende culturen komen en gaan. Hollanders die uit andere buurten naar het centrum komen om te shoppen, Turken die op weg gaan naar de Grote Moskee, kunstenaars die er wonen en het unieke gedeelte van het oude centrum delen met de Chinezen van China Town. En… elkaar nu ontmoeten in de intieme galerie van Stichting Maldoror.

De bedoeling van Fabio-Romano del Castelletto is om de reacties van de bezoekers van de expositie vast te leggen, terwijl die kijken naar het werk van de schrijvers uit verschillende culturen en de fotografische observaties ondergaan van wat door de zee aan onze kust aanspoelt.

Murat Tuncel, die op een minimalistische manier, als op een schoolbord, een ritmische klank proza in zijn moederstaal (Turks) toevoegt aan het bijna kalligrafisch aangespoelde zeewier.

Wu Park, die zijn met indische inkt vloeiende, vluchtige poetische indrukken op foto’s van zware en concrete objecten achterlaat. Zijn observaties zijn, zoals de Chinese dichters en schilders die in het China van de 17de eeuw ze op papieren rollen uitwisselden: poëtisch en filosofisch tegelijk.

Alfred Birney reageert op dood materiaal en natuur, die symbolisch zijn voor het Indische verleden van zowel hem als Fabio-Romano del Castelletto.

Het geheel is een interactie van vier personen met verschillende cultuurhistorische achtergronden, tegen het licht van de natuur die op foto’s zijn vastgelegd.

Het Woord in Ruigoord: Gordel van Smaragd in Kikkerland

Het Woord in Ruigoord is een maandelijks programma van Hans Plomp (presentatie) en Gerben Hellinga en wordt gehouden in de kerk van de roemruchte kunstenaarsenclave Ruigoord. Op zondag 8 mei is het woord aan Indo/Indische schrijvers, met onder meer Alfred Birney, die voorleest uit zijn boek Rivier de Brantas, en Glenn Pennock die gitaar speelt en iets vertelt over zijn aanstaande roman, die in het najaar wordt verwacht.

alfred birney glenn pennock

Gordel van Smaragd in Kikkerland

PROGRAMMA:

Met medewerking van:
Merapi Obermayer
Peter Andriesse
Alfred Birney n.a.v. zijn zojuist verschenen Rivier de Brantas
Glenn Pennock (gitaar) over zijn in het najaar te verschijnen Als gitaren schreeuwen
Ruth Bouman (gamelan)
MC ALFREDEX (van de roemruchte REBEllenklup)

Locatie Kerk Ruigoord
Datum: zondag 8 mei 2011
Tijd +/- 16.00 – 18:00
Daarna: eten € 8,00 – waarschijnlijk gado-gado, en anders iets met suikerbieten of zo :-)
Tot slot: rondhangen, signeren, chill out etc.
Toegang: GRATIS
Locatie: hier

Interview Alfred Birney in Moesson


alfred birney moesson


Deze maand in Moesson:
UP CLOSE & PERSONAL
Sinds zijn debuut in 1987 is Alfred Birney niet meer weg te denken binnen de Indische literatuur. In Moesson legt Birney zijn ziel bloot.
Surf naar Moesson voor een abonnement in een speciale aanbieding, of kijk er onder contact naar de verkooppunten van het maandblad.

Alfred Birney Wintertuinfestival Nijmegen

wintertuin festival 2010 Op zaterdag 27 november organiseert Literair Productiehuis Wintertuin in samenwerking met Stichting Muhabbat een speciaal avondprogramma binnen het Wintertuinfestival: Bandoeng aan de Waal.

Auteur Alfred Birney, journaliste en schrijfster Eveline Stoel en hoogleraar Wim Willems zullen onder leiding van Wim Brands de rol van het Indisch literair erfgoed binnen de Nederlandse letteren onderzoeken. De avond wordt ingeleid door cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen.

Centraal staat een debat over de Indische traditie binnen de Nederlandse letteren: de problemen bij de representatie ervan op terreinen als de postkoloniale identiteitsvorming, de cultuuroverdracht en het levend houden van de herinnering (tempo doeloe). De vorm van het debat is vergelijkbaar met het wekelijks tv actualiteitenprogramma Buitenhof, want podia moeten commercieel zijn en menen zich daarom dan ook aan dat afgrijselijke medium te moeten spiegelen. Gelukkig kijk ik geen teevee dus ik heb geen idee hoe ik me op het podium televisieachtig zou moeten gedragen.

Gespreksleider is Wim Brands. Projecttleider is drs. Peter van den Vrijhoef

TEL: 024-3230975 (Muhabbat)06-53553757 (privé)
Datum / tijd: 27 november 2010 (21.30 uur)
Plaats / locatie: De Lindenberg in Nijmegen

Interview over Rivier de Lossie

river de ijssel alfred birney Vers online een artikel / interview van Kirsten Vos naar aanleiding van mijn novelle Rivier de Lossie:

Rivier de Lossie is de rentree van Alfred Birney op het schrijverstoneel. De in dertig hoofdstukken opgebouwde novelle is een vertelling van een Indische man over zijn rootsreis naar Schotland. Tijdens een wandeling langs de Lossie kruist het pad van de hoofdpersoon dat van een onbekende vrouw. Ondersteund door het lied The Ferryman’s Daughter van de Schotse folkzanger Donovan Leitch, bewegen hoofdpersoon, vrouw en rivier steeds dichter naar elkaar toe. Een volkslegende blijkt daar iets mee te maken hebben. Hiermee heeft Birney een eigentijdse variant op de Indische mythes en sages geïntroduceerd, zonder te vervallen in voor de hand liggende parallellen met Indonesië. In gesprek met de auteur verken ik de vele dimensies van deze pageturner. Lees verder hier…

Die eeuwige oorlog

logo alfred birney weblog Nu de meerderheid van de eerste generatie Indische mensen van de aardbodem is verdwenen, beginnen hun nazaten zich roeren in (veelal zelfuitgegeven) memoires en geschriften. Er zitten flink wat mensen bij die een (blanke) vader hadden, die al de oorlog in werden ingestuurd (de zogenoemde Politionele Acties in Indonesië: “Een mooi woord voor oorlog” volgens Ad van Liempt) voordat Nederland helemaal bevrijd was geworden door de geallieerden.

Soms neemt iemand contact met me op, met de vraag of ik kan helpen bij het uitrafelen van allerlei oorlogstoestanden in Indië/ Indonesië. De laatste tijd reageer ik veelal narrig dat ik niets meer met die vervloekte oorlog te maken wil hebben. Ikzelf ben, of liever gezegd was, meer geïnteresseerd in de ervaringen van kinderen van ouders met een oorlogstrauma: de gekte die kinderen overgedragen kregen. Het beste voorbeeld daarvan is mijn roman De onschuld van een vis (1995), herdrukt in Indische gezichten.

Fictie is voor mij een bevredigender manier om de nasleep van een oorlog te tonen dan non-fictie. Ik geloof niet zo in non-fictie. Ik geloof dat zodra je de pen oppakt je de geschiedenis al begint te kleuren. Er zijn acht familieleden van mij door de Japanse bezetters de dood ingejaagd. Als fictieschrijver zoek ik naar de kern van oorlog en volg dan liever één persoon die de dood in wordt gejaagd dan acht personen. Mijn vader schreef zijn oorlogservaringen neer gedurende de dertien jaar waarin ik met hem leefde. Ik hoorde elke avond die ratelende schrijfmachine. Eenmaal uit huis weggehaald door de kinderbescherming en geplaatst in een internaat hoorde ik die dominante schrijfmachine niet meer. De oorlog in Indië raakte op de achtergrond.

Later, toen ik een grote jongen was en ik mijn vader regelmatig bezocht, vroeg ik om verhalen over zijn jeugd van vóór de oorlog. Kortom: de Tjalie Robinson stuff. Dan begonnen de verhalen over de jacht, goena-goena en mooie Chinese meisjes, maar die mooie vertellingen gingen naadloos en in no time over in die afschuwelijke verhalen over de oorlog. En weer later kreeg ik te maken met Indische instanties die zich via allerlei invalshoeken met de oorlog bezighielden. Toen mijn vader stierf in 2005 kreeg ik een klap. Er viel iets weg. Ik donderde in een gat. Ik moest me opeens met iets anders gaan bezighouden dan met die vervloekte oorlog. Ik begon de oorlog te haten, als ik dat al niet deed, en probeerde de oorlog af te zweren. Evenwel, oorlog komt altijd wel terug in mijn boeken (mijn postkoloniale werk, niet in de rest van mijn proza), eenvoudig omdat oorlog bij de wereldgeschiedenis hoort en omdat mensen nu eenmaal jaloers, egoïstisch en oorlogszuchtig zijn.

In mijn novelle Rivier de Lossie (2009) speelt de herinnering aan een hele verre oorlog, tussen de Scoten en de Picten. Dat is in de negende eeuw na Christus. Er komt ook een flits van de oorlog in Nederlands-Indië voorbij. Maar het eigenlijk verhaal gaat heel ergens anders over. Zo ook in Rivier de IJssel (2010). Oorlog speelt wel op de achtergrond, maar de koloniale geschiedenis, de handelsgeest van de Hollanders en racisme staan veel meer op de voorgrond. Maar dan… Ergens schrijf ik het volgende in Rivier de IJssel:

Alexander bleef niet lang in Batavia en trad in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan in Blitar, een plaatsje in de buurt van Kediri op Oost-Java.
     Blitar… Die naam deed me denken aan een wonderlijk verhaal van mijn vader. In dat kleine plaatsje had hij zijn eerste levensjaren bij familie van zijn moeder doorgebracht. Ze had hem erheen gestuurd vanwege een zweer achter het oor. Als die niet zou genezen, was hij ten dode opgeschreven. Een oom heeft hem met kruiden uit de jungle behandeld. Zo stond het in zijn memoires geschreven.
     Maar laat Blitar nou juist dát ene plaatsje zijn waar hij twintig jaar later als jongeman tijdens de oorlog met een troep Nederlandse mariniers met vlammenwerpers mensen uit hun huizen heeft gebrand!
     Wie snapt zoiets?

Verwarring, vragen waar geen antwoord op komt, rusteloos zoeken naar zoiets als waarheden, hopeloos constateren dat racisme mijn overgrootmoeder al overkwam in 1870 in Deventer. Maar ook: de liefde, de muziek, onvergetelijke ontmoetingen, rivieren die blijven stromen terwijl mensen komen en gaan. Ik verwerk allerlei motieven in een novelle en hoop dat er een juweel tevoorschijn komt. De herinnering aan mijn vaders oorlog laat ik allengs achter me. Het was zijn oorlog. Het is verdomme mijn oorlog helemaal niet.

Maar dan… Archipel Magazine komt uit. Zomaar een zomernummer rond Bali. Toerisme, toch? Stuit ik zowaar op een artikel met de titel: De getuigenissen van FX Harsono (zie de vorige post op dit weblog). Midden op de tweede bladzijde prijkt een vetgedrukte quote:

‘Op beide doeken staan familieleden afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven.’

Wacht eens even. Mijn vader is daar als een beest tekeer gegaan, heeft er kampongs platgebrand en locals overhoop geschoten, als ik zijn memoires moet geloven. Stel dat dat echt zo was? Zijn moeder was een Chinese. Zijn oom was een Chinees. Het wemelde kennelijk van de Chinezen in Blitar. Volgens het artikel zijn er 191 Chinezen tijdens de vrijheidsstrijd in 1947 en 1948 vermoord door Indonesische vrijheidsstrijders, die de Chinezen als medestanders van de Nederlanders zagen.

Begin ik nu stilaan iets te begrijpen wat een mens helemaal niet zou moeten begrijpen? Dat mijn vaders afgrijselijke wandaden met een stel Nederlandse mariniers een persoonlijke wraakoefening was? Kijk, je kunt de oorlog wel achter je willen laten, of die van je vader, maar je blijft er toch je hele leven aan herinnerd worden. Dit soort geschiedenissen krijgen geen plek in de Nederlandse geschiedenisboeken. Ze krijgen een plek in de beeldende kunst van een kunstenaar die ik niet ken, en in de boeken van een schrijver die hij niet kent.

Indisch Anders 2010

indisch-anders-2010 Stichting Tong Tong geeft drie bladen uit: De Pasarkrant, De Sobat en Indisch Anders. De Pasarkrant is het informatiebulletin van de Tong Tong Fair voorheen Pasar Malam Besar. De Sobat verschijnt driemaal per jaar voor donateurs. Indisch Anders is de gratis boekenkrant bij het Tong Tong Festival.

Waarom deze kranten niet in één jaarlijkse uitgave worden samengevoegd begrijp ik niet helemaal, al heb ik de ontwikkeling wel zien ontstaan. De naamsverandering van de Pasar Malam Besar in Tong Tong Fair is voor een belangrijk deel ingegeven door de wens om van het eetimago af te komen waarmee de Pasar Malam Besar jarenlang werd achtervolgd. Mij dunkt dat je dan juist een boekenkrant als Indisch Anders in de Pasarkrant stopt, om zo de aandacht te vestigen op het brede culturele aanbod van de Tong Tong Fair. Nu worden boekenlezers apart bediend, wat op zich zo slecht nog niet is, maar de Pasarkrant wordt er naar mijn smaak te mager van. Vrij Nederland werkte ooit zo: een weekkrant waarin een glossy werd geleverd en een boekenbijlage. Dat was wel handig: ik nam de boekenbijlage eruit en maakte met de rest de open haard aan. Toen Vrij Nederland later de boel ging samenvoegen ben ik de rest ook maar gaan lezen.

Indisch Anders is bedoeld voor lezers met belangstelling voor de koloniale en postkoloniale geschiedenis en literatuur. De gratis boekenkrant wordt in een oplage van liefst 50.000 exemplaren verspreid via boekwinkels, bibliotheken, theaters en musea door heel Nederland. De inhoud:

Siem Boon (hoofdredacteur) probeert voor de zoveelste maal wat ik en vele anderen ook hebben gedaan: de positie van mensen uit mengculturen toe te lichten. Een bijna hopeloze taak, maar wie weet gaat het uiteindelijk toch nog lukken… Edy Seriese (directeur IWI) gaat diep in op het boek The Inheritance of Loss, een bestseller van Kiran Desai… Rabin Baldewsingh (wethouder) schrijft een brief aan Tjalie Robinson, multiculturalist pur sang… Nicolette Smabers (schrijfster) publiceert een prozafragment uit een work in progress… Peter van Amstel (musicoloog) gaat in op boeken over Balinese dans en muziek… Sylvia Dornseiffer (directeur Amsterdams Fonds voor de Kunst), Hans Moll (redacteur NRC), Marion Bloem (schrijfster) en ik vormen een kwartet van ‘eminente veellezers’ die hun favoriete boeken van het afgelopen jaar mogen presenteren… Tineke Hellwig (wetenschapper) bespreekt een Maleise roman over Indonesische geschiedenis… Bert Paasman (wetenschapper) bekijkt kritisch de eregalerij van het Letterkundig Museum (waar Indische schrijvers ondervertegenwoordigd zijn)… Leslie Boon (publiciste) komt met een verslag rond het Monument Indië-Nederland in Amsterdam… Siem Boon schrijft een mooi In Memoriam voor Rudy Kousbroek… Eva van Geleuken (neerlandica) interviewt Pauline Slot naar aanleiding van haar boek over de eerste vrouw van Pablo Neruda: een Nederlandse met Indische wortels… Tot slot een oriëntalistische kijk van Pamela Pattynama (wetenschapper) op de film Avatar en verder aandacht voor veel nieuwe boeken…

Je zou wensen dat er geen apartheid heerste in de literaire kritiek en dat het multiculturele verleden van Nederland als vanzelfsprekend week in week uit de pers haalde. Maar nee. Daarom is Indisch Anders niet zomaar een uitgave naast de Pasarkrant en De Sobat van Tong Tong, maar een noodzaak. Of de teksten en besproken boeken ooit onder de ogen komen van het stelletje boerenkinkels dat de canon onnadenkend predikt met hun troeteldier Multatuli op de sokkel als antikoloniale schrijver (wat hij helemaal niet was), valt te hopen. Maar verwachten doe ik dat niet.

Indisch 3.0 heeft een probleem minder

indisch-3-logo.png Een week geleden vierde Indisch 3.0 haar tweede verjaardag. Dat was ergens in Utrecht, zeg maar in de mega desa van Holland. Locatie: Café Kopi Susu. Voorin de bar met wat tafels en stoelen. Achterin een geïmproviseerde huiskamer met ruimte om te dansen, of om met je bordje nasi tjampoer te kunnen jongleren op de muziek van stemmen met een prettige conversatiesterkte. Hollandse feestjes zijn vaak luidruchtig. Veel koeiengeloei. Wel gemoedelijk, maar zonder die verfijning die Indische mensen hoe dan ook hebben, cliché of niet. Op Indische feestjes zie je niet snel openlijke ruzies; die gaan onderhuids, zijn gemener, zodat anderen er geen last van hebben. Hollanders geven elkaar een dreun en drinken daarna een pilsje. Geen oordelen hier, alleen wat accentverschillen. In een overvolle bar botsen Indische mensen met bordjes nasi tjampoer in hun handen níet tegen elkaar op. Bij Hollanders vliegen de aardappelen en vaatdoekjes je om de oren. Verschillen tussen Hollanders en Indische mensen blijven eenvoudig te maken. Is ook al veel over geschreven. Indische mensen vinden Hollanders onbehouwen en Hollanders vinden Indische mensen beschaafd. Voor de rest is het nasi met bier, dat gaat allemaal wel. Zoeken naar verschillen tussen Indische mensen van de tweede en derde generatie is pas wérkelijk interessant.

Met raciale blik spied ik om me heen, gezichten lezend. Als ik er niet uitkom stap ik op iemand af.

‘Hey, ben je Indisch?’

‘Ja-ha!’.

Ik mag kijken. Naar de ogen, de kaaklijn, de mond. Jonge vrouwen van de derde generatie krijgen vuur in hun ogen zodra ze iets beweren of aandacht van het publiek vragen, jongemannen zijn wat verlegener. Is bij ons, de tweede generatie, ook zo, én bij de eerste generatie. Indisch als een soort matriarchale huiskamercultuur, althans zolang er van buitensporig geweld geen sprake is (zie De onschuld van een vis uit Indische gezichten).

Het voelt lekker je tussen die jonge mensen te mogen begeven. Geen geklaag over overleden vrienden, zieken, kwalen, tempo doeloe, tempo doelloos en hoe beroerd alles tegenwoordig al niet is. Jonge mensen zijn dynamisch, ze zullen ook wel moeten. Twee blanke Indische jonge vrouwen van 20 willen schrijven. Dat betekent niet per se dat ze het over Indische zaken willen hebben. De eerste is verslingerd aan chicklit en wil die kant op. Ze is serieus, want ze schrijft niet meer dan eenderde pagina per dag. Dat klinkt ouderwets in een tijd waarin nogal wat bloggers menen dat ze in een week een fatsoenlijke roman uit hun toetsenbord kunnen rammen. De tweede wil columns schrijven en oefent al op haar weblog. Als ik de koppen tel en een snelle rekensom maak, dan klopt het wel ongeveer dat er een miljoen Nederlanders zijn die een boek willen schrijven en publiceren. Wat dat betreft is er geen verschil tussen Hollanders, Indo’s, Engelsen, Noren, Koreanen, Eskimo’s et cetera.

Een blanke Indische jongen van 3.0 betreedt de vloer voor een Indisch stand-upcomedyoptreden. Hij begint met een sneer naar Wieteke van Dort, die zo nep is als de hel. De sneer is Indisch, dus niet krenkend, maar geen der aanwezigen zal het na zijn optreden nog in zijn hoofd halen om naar de eerstgenoemde totokmarionet te gaan luisteren. De jongen is 31 en zo ontzettend goed, dat je je bijna zou afvragen waarom hij de televisie niet haalt. Hij kan zelfs mij nadoen… Ik ben verbaasd. Hij bleek me eens te hebben gezien ergens op een podium en geeft een Birney-imitatie ten beste. Gelukkig is het goedbedoeld, ik ben gevleid.

Hebben, of hadden, we zulke jongens ook niet onder Indisch 2.0? Jazeker, en altijd binnenskamers. En dat zoeken naar je roots? Zelfde laken en pak. Het is niet waar dat mensen van de derde generatie en masse hun heil zoeken in Indonesië, zoals weleens wordt beweerd. De een doet het wel en de ander doet het niet. Je hebt ze ook die liever gaan skiën in de Alpen, zoals mijn broer, ooit een fanatiek skiër. De een leert bahasa Indonesia en de ander doet dat niet. Niets moet, heel veel mag, er is veel ruimte voor individualisme. Wat me het meest opvalt is dat er zo weinig wordt gezeurd over Indisch-zijn. Indisch 3.0 is gewoon Indisch. Klaar. Wat is Indisch? Domme vraag. Antwoord: een gevoel. Bij de tweede generatie deden we daar altijd wat ingewikkelder over. Dat kunnen ze natuurlijk ook bij de derde generatie. Een enkele blanke Indo wordt soms gewoonweg niet geaccepteerd op grond van zijn of haar uiterlijk.

Kwesties rond blanke Indo’s spelen trouwens al 100 jaar. Die staan het sterkst beschreven in de roman In vreemde sferen (1905) van Victor Ido. Helaas is het boek altijd overschaduwd geweest door zijn latere roman De paupers, waarin zo ontzettend veel geklaagd wordt over de plek van de kleine Boeng, zeg maar de Indo uit de kampong. De Indo moet namelijk zielig zijn (Max Havelaar van Multatuli), of achterbaks (Orpheus in de desa van Augusta de Wit), of inhalig (Goena-Goena van P.A. Daum), of een sexdier (De stille kracht van Louis Couperus), of alleen maar goed als muzikant (Rubber van M.H. Székely-Lulofs) – in elk geval moet de Indo voldoen aan het beeld van de gemiddelde Hollander (daarom zie je ze nauwelijks op televisie, right?). Ik tikte de eerstgenoemde, zeer interessante titel eens voor 15 euro op de kop bij een antiquaar. Misschien betaal je nu tweemaal zoveel voor. Je kunt ook gewoon naar de KB of naar een universiteitsbibliotheek. Of wachten tot mijn essay verschijnt over vergeten Indo-schrijvers van rond het fin de siècle. Dit terzijde.

Bij de tweede generatie werd niet alleen je uiterlijk maar ook je kennis van het Maleis getoetst, de souplesse van je vingers, je muzikaliteit, je bekwaamheid in martial arts, in vliegeren, katapult schieten en ga zo maar door. Bij de derde generatie gaat het zoeken naar overeenkomsten gevoelsmatiger. Ook heb ik nog niet het gevoel gekregen dat men zich tegen mij afzette, omdat ik er zo eentje van 2.0 ben. Dat probleem kreeg de eerste generatie eens van ons op het bord gelegd, omdat zij ons stelselmatig had buitengesloten van de Indische cultuur en had geweigerd thuis Maleis tegen ons te praten. We werden de straat op geschopt omdat we met de Belanda’s moesten leren omgaan. Dat was dan vechten geblazen en met blauw geslagen ogen thuiskomen. Of de politie aan je deur krijgen omdat je een Hollandse jongen had afgetuigd. Plus vijandschap van Molukkers, die ons als verraders zagen.

De vreselijkste vraag die je gesteld kon krijgen van iemand van de eerste (en soms iemand van de tweede) generatie was deze: ‘Zeg, ben jij daar geboren?’

Wenkbrauwen opgetrokken, gefronst voorhoofd, slecht verhuld honend lachje.

‘Nee.’

‘Hm, dus je wéét niet.’

Door díe vraag zal Indisch 3.0 in elk geval niet achtervolgd worden. Wat een zegen! Okay, er zitten er bij met een ouder uit Indonesië en een ouder uit Holland. Eurasians. Maar die hebben de koloniale tijd niet gekend. Tempo doeloe regeert niet meer. Wat ze dan te zoeken hebben bij mensen van Indisch 3.0? Tja, wat hebben Indische mensen wat Hollanders niet hebben? Het antwoord ligt bij de Hollanders, die consequent weigeren hun koloniale verleden uitgebreid in de geschiedenisboeken op te nemen. Weigeren zich te verplaatsen in het perspectief van de Indo en de schijnwerper botweg blijven richten op totokschrijvers die náár de Indische cultuur kijken en niet vanuít de Indische cultuur schrijven. Hollanders kwamen nooit verder dan pindasaus over hun patat mikken. Dat is nog daaraan toe, maar het heeft geen enkele symbolische betekenis.

Archipel lente 2010

archipel magazine lente 2010 Een voorpublicatie van mijn novelle Rivier de IJssel staat afgedrukt in de nieuwe Archipel Magazine. Mooie opmaak, met de snoet van een leuk meisje erbij, dat in het geheel niet lijkt op de heldin Susie uit het boek, maar dat geeft natuurlijk niet. Archipel Magazine heeft zijn eigen stijl. Plus een eigen formule, maar die gaat veranderen. De verrekijker gaat meer richting Indonesië en omringende landen. Het Indische accent zal verdwijnen. Wél blijft er aandacht bestaan voor oosterse invloeden in ons land, maar dan breder. De koersverandering zal geleidelijk worden doorgevoerd. Laten we het nummer eens doorbladeren:

Het blad opent met de gebruikelijke korte berichten, over de naderende Tong Tong Fair en een lezersreis naar Bali, maar begint daarna direct met een flink reisverslag van Ed Caffin over het nog ongerepte Lombok. Kirsten Vos neemt afscheid van haar lezers in haar column en het blad gaat verder met een verslag van Wouter Muller over zijn Roots ’n Music-lezersreis. Dan een zeer Indisch interview met de nieuwe directeur Yvonne Agnes van het Indisch Herinneringscentrum Bronbeek in Arnhem. Ik haat afkortingen, men spreekt al van het IHCB. Als ze er nou ook nog de A van Arnhem en de G van Gelderland aan vastplakken, dan krijg je bijna iets uitspreekbaars: de IHCBAG (de IHC Bag = een Indische rugzak of zo). De directeur ziet er vriendelijk uit en zegt onder meer dat ze uitziet naar de reisgids Sporen van Oorlog. Dat doe ikzelf ook, want ik mocht er een verhaal voor schrijven. Het boek zal worden gelanceerd op maandag 17 mei ergens in Amsterdam, zo staat in mijn agenda genoteerd. Nadere gegevens volgen op deze site.

Wulan Mei Lina is een fotografe die voor Indonesische begrippen zeer gewaagde foto’s maakt en die in boeken onder de toonbank door laat verspreiden. Ze komt uit een Surabaya’s multireligieus gezin; haar vader was een toegewijd moslim en haar moeder een christen. De zus van Wulan Mei Lina is zo streng christelijk, dat ze zelfs niet met mannen omgaat. Ja, zo kan het ook aan de overkant, dat christenen nog fanatieker dan moslims. Is u dat bekend misschien, heren Pauw en Witteman en overige teeveelui?

Hans Vervoort blijft lichtvoetig, zoals we van hem gewend zijn. Interessant is dat hij aantoont dat de projectontwikkelaars in Thailand en Maleisië zo gek nog niet zijn, vergeleken met die op Bali. Thailand bijvoorbeeld beschikt over zeer goede ziekenhuizen en trekt dus hordes van de gepensioneerden onder de Grijze Golf naar zich toe. Na zijn column een verslag van een feest in Yogya. Is Archipel al zo Indonesisch? Gaat wel, want er volgt een artikel over Advocaat Johannes van den Brand, de Multatuli van Deli. Mooi dat zulke figuren toch nog herdacht worden.

Frans Lopulalan is de minst lichtvoetige columnist van Archipel. Ik ben benieuwd of hij kan blijven. Misschien alleen als hij over Molukse zaken ter plekke schrijft? We zullen zien. En hoe zal de boekenrubriek eruit gaan zien straks? Nu staan er nog allerlei boeken over Nederlands-Indië vermeld, zoals de herdruk van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt.

Garuda Indonesia gaat na vijf jaar afwezigheid weer vliegen op Nederland. Ze beginnen met een Airbus, die vliegt via Dubai, waar veel Indonesiërs werken. Er komt ook een grotere Airbus voor een directe lijn naar Amsterdam. Kijk, daar zit ik nou net op te wachten. Als je dan toch in zo’n afschuwelijk vliegtuig moet, dan maar liever in één ruk van 15 uur door naar Jakarta, dan heb je dat in elk geval gehad. Alhoewel, de benen strekken in Dubai is misschien ook wel lekker.

Een artikel over een spiritueel rustoord op Bali. Emma Kwee die haar column buitengewoon lollig afsluit. Zij behandelt Indonesische zaken, dus ik neem aan dat ze blijft. Ikzelf ben overigens bezig aan een vertaling van een stuk van een Indonesische schrijver en cineast… Voor in het nieuwe nummer.

En dan de eerste tekenen van het nieuwe concept van Archipel: een verslag van Hollandse sporen op Taiwan. Er is officieel Nederlands DNA vastgesteld op dat eiland. Tja, die Hollanders veranderden van koeienmelkers in love machines in de VOC-tijd, toch?

Keep Schepel eindigt, neem ik aan, zijn kritische reeks stukken over het gedoe rond het Indisch Huis. Voer voor insiders. Snapt geen love machine wat van. Ik helaas wel.

Wie is Paul Agusta? Dat is een van de vele filmmakers uit Indonesië, die een enorme drukke filmindustrie kent, waar men in het zuinige Nederland gewoonweg geen idee van heeft. Zijn schokkendste uitspraak is wel: ‘Waarom zou je kwaliteitsfilms maken als shit sells?’ Maar wanneer je het artikel leest, blijkt gelukkig dat hij het niet over zichzelf heeft.

Na mijn voorpublicatie over twee bladzijden volgt tot slot de gastronomische rubriek. Benieuwd of er gaat worden ingezoomd op Indonesisch eten in de toekomst en niet op Indisch eten. Wat de verschillen zijn? Tja, daarvoor moet je eerst bij Indische mensen in Nederland gaan eten (niet in een restaurant) en dan bij Indonesische mensen op Java of zo. Probeer daar maar eens om sambal badjak te vragen. Om maar wat te noemen. De geheimen van de Indische keuken nemen de mensen van de eerste generatie mee in hun graf. Sommige van hun kinderen benaderen de kwaliteit behoorlijk. Maar die koken thuis.

Veel plezier met het lezen van Archipel Magazine!