De gitaarrevolutie

Op gevoel (5) De gitaarrevolutie

fender stratocaster In Amerika woonde een man die de achternaam Fender droeg. Ook hij keek naar gitaren, maar met een revolutionair oog en zag uiteindelijk niet meer dan een stuk hout met een hals, bespannen met zes snaren. Hij bedacht dat als je het geluid elektrisch versterkte, je helemaal geen holle klankkast nodig had. Fender degradeerde de gitaar tot een plank, waarin hier en daar sleuven zaten voor de elektronica. De hals werd met een paar schroeven aan de plank vastgeschroefd en voor de stemmechanieken vond hij een enkele rij wel genoeg. De Fender-gitaar was geboren, het goedkoopste stuk rotzooi uit de gitaargeschiedenis, maar met een unieke vorm en futuristisch geluid. Elke Indo-rocker werd verliefd op de glanzende Fender Stratocaster, een gitaar waarmee je heerlijk kon showen. Indo-rockers, met The Tielman Brothers als trendsetters, waren latere beroemdheden als Jimi Hendrix en Eric Clapton vooruit. Lang voor Jimi Hendrix speelde Andy Tielman al met zijn tanden. Lang voor Eric Clapton vertolkte Andy Tielman al ballads. En Paul McCartney kreeg gitaarles van Andy Tielman in de vieze kleedkamers van het nachtclubcircuit van Duitsland, nog voordat The Beatles waren geboren.

De Tien Geboden der Muziek werden compleet ondersteboven gehaald. Gebod nr 1 werd: Een gitaar moet glanzen. Gebod nr 2: Een band moet sex-appeal hebben. Gebod nr 3: Ongeacht de moeilijkheidsgraad van het repertoire moet een band voortdurend in beweging zijn op het podium.

Voor roem kenden Indo’s stellig geen gebod. Roem veronderstelt een mentaliteit.

The Tielman Brothers kregen een lucratief contract van de Fender Company aangeboden om reclame voor die ‘planken’ te maken. Maar ja, een Indo was een Indo en morgen was er weer een dag. The Tielman Brothers speelden al in Duitsland, Nederland was veel te klein voor ze en Amerika kon nog wel even wachten. Maar Amerika wachtte niet. The Tielman Brothers hadden net zo beroemd kunnen worden als de Fender-gitaar en misten de grootste kans uit de geschiedenis van de Indorock.

De rest van de wereld zat niet stil. Engelse en Amerikaanse bands bespeelden ook die Fender-planken, maar anders. Hoe? Het verschil lag in timing. Indo-muzikanten speelden nooit op de tel, ze dansten rond het strakke stramien van de vierkwartsmaat, zo verschillend van die Engelsen en Amerikanen, die met strak spel de wereld zouden gaan veroveren.

Indo-muzikanten die met hun Hawaiian-muziek nergens in Nederland meer terechtkonden, althans niet op de grote podia, probeerden hun geluk in Amerika. Tevergeefs. Hawaiian-muziek had afgedaan. Krontjong was in Indonesië achtergebleven. Indo’s wilden dat niet weten, maar het was een feit. Welke Hollander luisterde trouwens naar zoiets als krontjong?

Indo-muzikanten raakten meer en meer aangewezen op de Indische podia, de Indische feestjes doorheen het land, de Pasar Malam in Den Haag voorop. Marginaal werd hun rol, maar minder puristische Indo’s sloten zich aan bij Hollandse bands. En andersom: Hollandse jongens kwamen in Indo-bands spelen. Een mooi symbool voor het einde van de beruchte raciale vechtpartijen, waarachter vaak jaloezie speelde van Hollandse jongens om het geflirt van hun meisjes met Indo’s.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Hey, speel jij gitaar?

Op gevoel (3) Hey, speel jij gitaar?

melis stokelaan 1951 Den Haag Zuid-West, jaren vijftig. Lange lanen, eindeloze portiekwoningen, men plant rijtjes jonge bomen die zielig zijn vergeleken met de rimboe waarover mijn vader spreekt. Hier geen tijgers in de struiken rond onze nieuwbouwwoning, geen krokodillen in de zeven sloten die ons huizenblok van Loosduinen scheiden, zelfs geen vleermuizen die je met een jachtgeweer onder het dak vandaan kunt schieten. Wij kinderen doorkruisen een baksteenjungle, we spelen tikkertje en verstoppertje in de zijstraten. Op de lanen kom je elkaar snel tegen. Hollanders zijn groot en sterk maar niet gevaarlijk, ze kunnen me niet inhalen wanneer ze jacht op me maken. Indo’s zijn vaak kleiner maar gevaarlijk, ze kunnen allemaal vechten. Nog erger is dat ze allemaal gitaarspelen. Er ligt bij hen immer die ene borende vraag op de lippen: ‘Hey, speel jij gitaar?’

De een of andere vreemde Indo uit een zijstraat monstert me nadat hij mij de gevreesde vraag heeft gesteld.

‘Tuurlijk,’ antwoord ik.

Hij kijkt onderzoekend naar mijn vingers. ‘Hoeveel liedjes kun jij al spelen? Speel jij Hello Mary Lou?’

‘Nee, nog niet.’

‘Je moet spelen A D E. Weet je?’

‘Ja.’

‘Maar mijn oom, hij speelt C F G, dat is moeilijk, met barré. Hij zit in een band. Zeg, zit jouw vader in een band?’

‘Nee, hij speelt alleen.’

‘Waarom alleen? Zeg, ik woon in de Zwartsluisstraat, kom langs op woensdagmiddag en neem je gitaar mee, ja? Nummer 9.’

Hij wandelt rustig verder, ik kijk hem na, ik zie aan zijn houding dat hij echt gitaar kan spelen. Dát moet mijn lichaam ook gaan zeggen, zó moet ik voortaan over straat lopen.

Eerst snel naar huis rennen, waar mijn moeder opendoet en me toesnauwt dat ik buiten hoor te spelen met dat mooie weer. Ik verzin een smoes, wacht mijn kans af en sluip de verboden slaapkamer in. Ik onderzoek de toets met de positiestippen op de hals van de gitaar en vraag me af hoe lang het zou duren voordat je die snaren ingedrukt kunt houden zonder pijn te krijgen aan je vingertoppen.

‘Ga weg bij die gitaar! Die vader van je vermoordt je nog!’

De Zwartsluisstraat… Die moet ik mijden. Straks roept die Indo me nog naar binnen. Ik moet elke Indo mijden totdat ik op zijn minst Hello Mary Lou kan spelen.

Geen ontsnapping mogelijk. Op een zondagmiddag neemt mijn vader me mee naar ‘Indische kennissen’ aan de Erasmusweg. Het huis ruikt naar gebakken tahoe en ikan teri, de speelkaarten op de salontafel zijn vet. Ik denk dat ik geluk heb wanneer mijn vader me naar de slaapkamer stuurt, naar de kinderen van de familie. Ze zitten er bijeengehokt op een stapelbed. Een van hen heeft een gitaar op schoot. Een lied komt driestemmig uit hun monden en ik kijk steels naar de vingers van het meisje dat de troep begeleidt.

Na het slotakkoord reikt het meisje mij haar gitaar aan: ‘Nu jij.’

Ik grijns en maak een verontschuldigend, afwerend gebaar.

Iemand roept: ‘Wah! Hij kèn niet!’

‘Hij ken wel,’ zegt het meisje, ‘elke Indo ken. Itoe maloe, hij is verlegen.’

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Mary Brückel, de moeder van de pasar malams

Pasar malam betekent avondmarkt. In Indonesië vind je ze waar je maar komt. De Nederlandse evenknie heet Braderie en vindt plaats in de middag. Pasar malams in Nederland vind je ook overal, het hele jaar door, maar deze festivals hebben doorgaans een diepere betekenis dan de avondmarkten in Indonesië. Op Nederlandse pasar malams ontmoeten mensen uit Indische kringen elkaar, er is altijd muziek en soms worden er films vertoond, vinden er lezingen plaats enzovoort. De grootste pasar malam van de wereld was de Pasar Malam Besar, die onlangs werd omgedoopt naar Tong Tong Fair om zo de nadruk op het culturele aspect van de Indische cultuur te leggen in de hoop om niet voor de zoveelste keer als een grootschalig eetfestijn te worden afgeschilderd.

De naam Tong Tong komt van het gelijknamige tijdschrift onder aanvoering van Tjalie Robinson, ooit geheten Onze Brug en thans bekend onder de naam Moesson. Hoe dat allemaal zit met die naamsveranderingen, dat moet u mij maar niet vragen, ik vind het al ingewikkeld zat om ze ook maar neer te pennen. De genoemde namen brengen bij sommigen van de oudere generatie Indo’s en/of Indische mensen nog altijd heftige reacties teweeg, onder wie bij Geraldine Brückel-Lang.

Naar de smaak van Geraldine krijgt haar schoonmoeder Mary Brückel-Beiten te weinig credits in de biografie Tjalie Robinson, biografie van een Indo-schrijver (2008) van Wim Willems. Nou vind ik dat zelf nogal meevallen, ik herinner me althans niet te hebben gelezen dat Wim Willems zijn held Tjalie Robinson als de oprichter van de Pasar Malam Besar/Tong Tong Festival heeft neergezet. Hij zet hem veeleer neer als voortrekker van de Indische gemeenschap in Nederland. Dat hij daarin soms wat ver gaat – bijvoorbeeld door op het podium van Crossing Border te beweren dat de Indische gemeenschap niet had kunnen bestaan zonder Tjalie Robinson – maakt nu even niet uit.

Hoewel de biografie van Wim Willems in de eerste plaats over Tjalie Robinson gaat en niet over postkoloniaal Nederland, vindt Geraldine Brückel-Lang dat de aandacht van de biograaf voor haar schoonmoeder Mary Brückel-Beiten niet ver genoeg gaan. Daarom heeft ze een alleraardigste reader gemaakt: een plak- en knipselboek van de rol die Mary Brückel speelde in de vroegste jaren van postkoloniaal Nederland. Het laat zien hoe Mary al pasar malams organiseerde voordat Tjalie er ook maar aan dacht, onder meer door afdrukken van brieven tussen beiden. De reader is tweetalig en bestaat veelal uit krantenknipsels en fotokopieën van brieven in het Nederlands en de Engelse vertalingen ernaast. Lekker voer voor biografen, al is Mary’s rol niet echt onbekend in Nederland. Niet alles wordt door Geraldine vertaald, zoals de volgende wel zeer smakelijke passage uit een brief van Tjalie aan Mary:

Ik heb nog altijd zo’n stille hoop (of onbewezen overtuiging) dat je nog eens gaat schrijven. Ik heb je opmerkzaam gadegeslagen; ook je omgeving; ook je werk. Je hebt meer van het leven meegemaakt dan b.v. Maria Dermoût, die een heel lieve vriendin van me is, of Hella Haasse, die niet schrijven kan. Of Anna Blaman, die te veel moet opblazen omdat er in werkelijkheid te veel leegte is in haar.

Tjalie schrijft ook nog dat ze daarbij niet direct moet denken aan zoiets als de roman: Let op mijn woorden: de tijd van de roman is voorbij… (1958)

Geïnteresseerden in Geraldine’s boekje over de moeder van de pasar malams in Nederland kunnen haar mailen: wimbruck@telus.net (Canada). Koningin Beatrix kreeg er eentje gratis. U natuurlijk niet ;-)

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

Indië verloren, rampspoed geboren

de-republikein-december-2009 Naar aanleiding van de onlangs herdachte soevereiniteitsoverdracht, die plaats vond 60 jaar geleden op 27 december 1949, wijdt kwartaaltijdschrift De Republikein een themanummer aan Neerlands interessantste geschiedenis, namelijk die van een der grootse koloniale wereldmachten. Dat die geschiedenis wordt weggemoffeld, is voornamelijk bekend aan mensen die zich ermee bezighouden. Dat spreekt. En zodra die geschiedenis door zogenaamde vaklui wordt verteld, breekt in heel Indisch Nederland – ja, dat bestaat nog – rumoer uit. Mensen van de eerste generatie Indische Nederlanders beginnen met te zeggen dat mensen van de tweede generatie Indische Nederlanders / Indo’s het leven in “Indië” nooit hebben meegemaakt en daarom geen recht hebben van spreken, laat staan van schrijven. De tweede generatie Indo’s verwijt de eerste generatie een overdreven Hollands culturele opvoeding en kijkt intussen met argusogen naar de derde generatie, die vrolijk bahasa Indonesia leert en zich uitleeft op Asian Party’s. Soms klinkt het verwijt van de derde generatie, dat de tweede generatie helemaal niets heeft gedaan aan het overbrengen van de Indische cultuur, terwijl er toch een sloot boeken van de tweede generatie in de bibliotheken te vinden is. Interessant is dat de tweede generatie zich veelal uit in fictie, terwijl de derde generatie vrijwel alleen met non-fictie komt.

Maar hier gaat het allemaal niet om in De Republikein, nummer 4, december 2009, jaargang 5. Deze aflevering, waarvoor ik als gastcolumnist ben gevraagd, brengt met een serie frisse artikelen de geschiedenis van Nederland en Indonesië in kaart voor, zeg, de lezer die wel eens wat meer wil weten dan wat geleuter over tempo doeloe, sarong en kabaya en het scheepsjournaal van Bontekoe in tijden van de VOC.

Rik Smits, hoofdredacteur van het kritisch tijdschrift, stelt terecht in zijn voorwoord dat Nederland helemaal geen “klein landje” is, zoals wij onszelf dat graag voorhouden. In economisch, cultureel en wetenschappelijk perspectief is Nederland een reus. Helaas is Nederland ook kleingeestig en de geschiedenis houdt dan ook bij voorkeur op bij de duinen. Rik Smits haalt Tjalie Robinson aan om de scherpe toon van zijn blad te onderstrepen, terwijl ik het themanummer afsluit met Tjalies veronachtzame kritiek op Hella Haasses overgewaardeerde novelle Oeroeg, onder de titel Postkoloniaal naschrift.

Binnen deze tangconstructie beschrijft Gerard Aalders de lepe, of gluiperige, rol die de Amerikanen speelden tijdens de dekolonisatie. Mooi is te zien hoe cruciaal WO-II is geweest voor het dekolonisatieproces. Onder Henk Schulte Nordholts pen krijgt het democratie een werkelijk Indonesisch karakter en good old Ewald Vanvugt legt, onvermoeibaar als hij is met een oeuvre van intussen meer dan 30 boeken, nog maar eens haarfijn uit hoe het koningshuis schatrijk werd aan de opiumhandel. Voor wie deze klok al eens heeft horen luiden maar nog niet weet waar de klepel hangt, moet deze bijdrage beslist lezen.

Er staat nog meer verbazingwekkends in deze aflevering van De Republikein. Dat inwoners van het Javaanse dorpje Rawagedeh nog niet zo lang geleden de Nederlandse staat aansprakelijk stelde voor de moord op vierhonderd ongewapende inwoners, is iedereen nog wel bekend, mag ik hopen. Gerrit-Jan Pulles beschrijft dit internationale misdrijf van a tot z en hij toont aan dat het beroepen op “verjaring” van de Nederlandse overheid inconsequent en juridisch zeer twijfelachtig is. Want ja, zodra Nederland de portemonnee moet trekken, is men niet thuis. Maar zelfs zoiets eenvoudigs als het aanbieden van excuses aan de nabestaanden was zelfs al te veel voor onze overheid.

Er staat nog veel meer in dit nummer. Marije Plomp over een Molukse ambtenaar die op een wel heel merkwaardige manier door de overheid wordt behandeld. Eveline Buchheim zoomt in op de “werkelijke rol van Europese vrouwen” in de kolonie, Leo Polak vat de geschiedenis van de Molukkers samen, etc.

Surf naar De Republikein en bestel dit nummer. Een abonnement is ook de moeite waard. De stukken zijn serieus maar niet droog geschreven, en houden het midden tussen journalistiek en wetenschap… zonder vervelende voetnoten.

Nederland leest nog steeds niet

Afgelopen zomer verscheen volkomen onverwacht een goedkope herdruk van mijn beruchte bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998). Het kostte me enig gepieker over de beweegredenen van de uitgever. Ik bedacht dat de heruitgave wel te maken zou hebben met de komende gratis verspreiding van de novelle Oeroeg (1948) van Hella S. Haasse. Indië zal dan immers weer even en vogue zijn en elke moderne uitgever speelt daar natuurlijk alvast op in.

Ik had Oeroeg aanvankelijk buiten de opzet van mijn bloemlezing gehouden. Dat het er tóch in kwam, gebeurde op hevig aandringen van een redacteur wiens referentiekader weinig breder was dan de leeslijst die hem op de middelbare school onder de neus was geschoven. De bloemlezing wierp zoveel stof op dat ik me genoodzaakt zag een verweerschrift op te stellen in mijn postmodern Indisch jaarboek Yournael van Cyberney (2001). Naar aanleiding van een minder vleiende terzijde van me over Oeroeg werd ik door Hella Haasse en haar paladijn Rudy Kousbroek ter verantwoording geroepen op een podium in het toenmalig Indisch Huis aan de Javastraat te Den Haag. Dat was in 2002, ruim een halve eeuw na de verschijning van Oeroeg.

debat birney kousbroek haasse

Tijdens dat debat, of kruisverhoor, wierp de schrijfster mij voor de voeten dat ik haar een “trut” had genoemd in Yournael van Cyberney. Onzin, hoe treiterig ook Kousbroek, altijd in voor een rel, met zijn vinger op de gewraakte passage (p. 10) wees. Ik had gesproken over “dat tuttig Eurocentrisch romannetje Oeroeg”. Maar, zo redeneerde Haasse, als ik haar boek zo noemde, dan noemde ik haar óók zo: een trut, wat volgens haar hetzelfde was als een tut. Dat de schrijfster, overigens dol op dictees, weinig gevoel voor nuances had, dat was Tjalie Robinson ooit al opgevallen in zijn stuk Nogmaals Oeroeg, gepubliceerd in Oriëntatie, Jakarta, juni 1948.

Nog even en Nederland Leest editie numero 4 gaat van start. De Stichting CPNB, flink onder de loep genomen in Yournael van Cyberney, heeft voor de gelegenheid dus maar weer eens Oeroeg uit de kast gehaald. Deze koloniale troonopvolger van Orpheus in de Desa (1900) van Augusta de Wit is werkelijk niet van de Hollandse dijken af te meppen. Het boek, dat aan zijn 47e druk toe is en allang op elke Hollandse zolder ligt te verstoffen, vormt waarlijk het onomstotelijke bewijs dat de CPNB tot de minst fijnzinnigste leesclub ter wereld kan worden gerekend. Toch vrees ik dat aanstonds gans het Bataafse Koninkrijk de gratis distributie van Haasses beroerde klassieker even hard zal toejuichen als een doelpunt van Oranje tijdens een WK of EK, al is het vanuit buitenspelpositie gescoord.

Oeroeg verhaalt over de vriendschap tussen de ik-figuur, een Hollandse zoon van een administrateur op een theeonderneming in het Nederlands-Indië van voor de Tweede Wereldoorlog, en een Indonesische jongen. De Hollandse zoon gaat in Delft studeren en het tweetal groeit uit elkaar. Eenmaal terug in Nederlands-Indië, waar het koloniale tijdperk ten einde loopt, blijkt hun verwijdering een onoverbrugbare kloof geworden. Indo’s spelen een bijrol, zoals in de meeste boeken van blanke auteurs.

Belangrijk om te weten is dat het manuscript van Oeroeg onder motto was ingestuurd voor het Boekenweekgeschenk. Nederland, amper bekomen van de Duitse bezetting, vocht als een idioot overzee voor behoud van de kolonie. Indië was hot, het verhaal kwam als een geschenk uit de hemel vallen. Hella Haasse heeft haar eersteling tot op hoge leeftijd verdedigd tegen aanvallen van vooral Indo’s die het maar een boek van niks vonden. De bekendste was Tjalie Robinson, volgens Wim Willems in de vooraankondiging van zijn biografie “de enige echte Indo-schrijver van Nederland”, een stempel dat je nooit meer van het internet af krijgt en impliciet voor de niet-kenner uiteraard een diskwalificatie vormt voor de talloze overige zogenoemde echte Indo-schrijvers.

Het boek heet intussen Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008). Een interessante vraag bij de biografie van een schrijver is altijd in hoeverre deze werkelijk invloed heeft gehad op de Nederlandse literatuur. Biograaf Wim Willems wijdt één bladzijde aan Tjalie Robinsons aanval op Hella Haasses Oeroeg en schrijft onder meer:

Het kwam erop neer dat de criticus (=Tjalie Robinson – AB) alles wat hij las door en door vals vond. Dat ging ook op voor het karakter van de jeugdvriendschap tussen Oeroeg en de Hollandse ikfiguur, met zijn kleinerende opmerkingen over inlanders, die Tjalie als pure laster ervoer. Hij had genoeg Indonesische kameraden gehad, schreef hij, en hoewel er in de vooroorlogse koloniale wereld nooit echte broederschappen ontstonden, ook niet met Indische jongens, zou er pertinent geen scheidsmuur hebben bestaan, zoals Haasse suggereerde. Dat een vroegere schoolkameraad zich in die tijd van de politionele acties ineens ontpopte als een gezworen vijand, vond hij al even ondenkbaar. (p. 222,223)

Deze tamelijk afstandelijke samenvatting van de literaire perkara tussen Tjalie Robinson en Hella Haasse is wat kort door de bocht. Je zou bijna denken dat Willems in dezelfde valkuilen trapt als Haasse en dat hij beter een biografie aan háár had kunnen wijden.

In Nogmaals Oeroeg (herdrukt in de Pasarkrant, november 1993) komt Tjalie met een genuanceerde opsomming van onjuistheden, onwaarachtigheden en onnozelheden uit het proza van Haasse. Tjalie stelt dat het onderwerp in Oeroeg door zijn (politieke) actualiteit alle interesse van de pers heeft en dat daardoor de kritiek vrij gunstig is geweest. Hetzelfde zie je overigens een halve eeuw later terug met de overdreven positieve waardering van de pers voor soms zeer middelmatige boeken van zogeheten “allochtone” auteurs. Je zou kunnen zeggen dat de pers “goed fout” is door op die manier iets te willen bedekken dat zó diep geworteld in de samenleving is dat het lijkt alsof Nederland nooit racistisch was. Maar Tjalie dook diep in Oeroeg en wees op de talloze psychologische fouten en tekortkomingen in vooral het latere leven van Oeroeg en zijn vriend:

‘We hebben je op Pasar Baroe gezien met je djongos’ en ‘Ben je weer met je Inlander uit geweest’. Zulke dingen wèrden niet gedacht en wèrden niet gezegd. Dit is ergerlijke, hatelijke en onverdiende laster. Wij hadden allemaal onze Indonesische vriendjes, ook in soortgelijke dienstverhoudingen. Maar als kameraad waren ze kameraad, afgelopen. De smeerlap, die zoiets gezegd zou hebben, zelfs voor de grap, zou of van de aangesprokene, of van diens Indonesische vriend een pak ransel hebben opgelopen. Ja, we vochten gemakkelijk en veel in die tijd. Zeer zeker was er geen sprake van broederschap, daar waren we (aan beide zijden) te nuchter en te eerlijk voor. Maar er was pertinent ook geen scheidsmuur, waar Hella ons aan wil doen geloven.’

Misschien zou Tjalie beter zijn begrepen als hij had geschreven dat de schrijfster een politieke scheidsmuur verwarde met een koloniale, die veel ingewikkelder lag. En die een veel grotere tragiek kende. Díe tragiek kende Tjalie Robinson als geen ander en Hella Haasse kende die domweg niet. Dat proef je uit de verdere woorden van Tjalies polemische stuk Nogmaals Oeroeg:

Ik ben in de bersiaptijd ook vrienden van vroeger tegen het lijf gelopen […]. En op het moment dat je mekaar herkent, dan heb je spijt van je ‘vijands-uniform’ en hij van z’n rood-witte badge. Je zegt ‘Hallo John!’ en ‘Hallo Tjalie!’ en je geeft mekaar verlegen een hand. Dat is duizendmaal gebeurd hier. Zij in hun groep en ik in mijn groep zouden elkaar niet herkend hebben en verbitterd met elkaar zijn slaags geraakt, ja. Maar in de besloten confrontatie is dat pertinent niet mogelijk. Als er ooit vriendschap geweest is, verstaan? Zelfs toen ik mijn oog minachtend monsterend liet gaan over de neergehurkte krijgsgevangenen en alleen snipers zag, toen nog ontdekte mijn oude oog in een halfnaakte met gebogen hoofd zittende peloppor de schoolkameraad van mijn broertje, Wadjah. We hebben elkaar gesproken ‘net als toen’ en dat was ‘rot, rot en nog eens rot’.

Tjalie maakte dus onderscheid tussen kameraadschap en broederschap en tussen soorten van scheidsmuren. Dat onderscheid vond hij niet terug in Oeroeg. En ik ook niet. In Oeroeg hangt vriendschap kortom af van politieke omstandigheden zoals men die in het Westen kent. Tjalie schrijft:

Als je dan aan het slot van deze levensbeschrijving van twee jeugdvrienden leest: ‘(Zijn) diepte peilde ik nooit. Is het te laat?’, dan pas realiseer je je het gevaar van dit boek: als zelfs een Hollandse jongen, zo innig samen opgegroeid met een Indonesische jongen, niets dan onpeilbare diepte peilt en wanhopig uitroept: ‘Is het te laat?’, hoe dan alle andere Hollanders en Indonesiërs? Ja, als het werkelijk zo is, schei dan maar uit met peilen.

Nou Tjalie, ze zijn nog altijd bezig met peilen. En zij die uitgepeild zijn, hebben dat niet gedaan omdat ze het hebben begrepen, maar omdat er inmiddels andere “doelgroepen” rondlopen die zo nodig gepeild moeten worden. We leven hier in het laagland ver beneden de zeespiegel. Het peilen zit ze in het bloed, de Batavieren. Of de CPNB ooit jou nog aan de beurt laat komen, zou ik niet weten. De CPNB is simpelweg niet te peilen, Tjalie.

* * *

Ik kreeg veel e-mails van mensen die op een of andere manier niet de hand weten te leggen op het herfstnummer van Archipel Magazine. Opvallend veel mails waren afkomstig uit het buitenland. Daarom heb ik besloten het artikel online te zetten, op gevaar af van zure blikken van Archipel Magazines hoofdredacteur. Enfin, doe er uw voordeel mee. For the sake of the Indo, zal ik maar zeggen.

Bronnen: Alfred Birney: Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998, herdruk 2009); Alfred Birney: Yournael van Cyberney (2001); Siem Boons weblog Fotografie & Schrijverij (met de volledige tekst van Tjalies nogmaals oeroeg en de volledige achtergrondgeschiedenis van Kousbroek & Haasse versus Tjalie Robinson zaliger); Hella S. Haasse: Oeroeg (1948); Tjalie Robinson: Nogmaals Oeroeg. Oriëntatie, Jakarta, juni 1948; herdrukt in de Pasarkrant, november 1993; Wim Willems: Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008); Augusta de Wit: Orpheus in de desa (1900).


© 2009 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfst 2009

Hoezo enfant terrible?

alfred birney amsterdam podium felix merites 2007

Ze beginnen me het ‘enfant terrible’ van de hedendaagse Indische literatuur [link verdwenen] te noemen. Hoezo dan? Ik weet nou eenmaal alles beter. Dat dat zootje ongeregeld van Indische clubjes mijn adviezen in de wind slaat, doet denken aan een kinderdagverblijf met een peloton enfants terribles.

Kill Oeroeg!

Gut, de Oude Media beginnen wakker te worden. Of ze vallen nog net niet in slaap. Hoogstwaarschijnlijk is het laatste het geval. De Volkskrant van vandaag, donderdag 5 november 2009, kopt op pagina 33 in de rubriek Media & Mensen onder de kolom Weekbladen:


Tuttige romannetjes en gestileerde bullshit

In de rubriek worden de grote weekbladen in vogelvlucht bekeken: Vrij Nederland, Elsevier, HP/De Tijd en De Groene Amsterdammer. Quote: ‘Prikkelender is het stuk over Oeroeg, het boek van Hella Haasse, dat de CPNB deze weken cadeau doet in de campagne Nederland Leest. De Groene vat de ‘aanhoudende controverse’ samen die sinds het verschijnen in 1948 bestaat: het werkje is volgens critici uit Indische kring ‘een tuttig eurocentrisch romannetje’.

Deze diskwalificatie is afkomstig uit mijn Yournael van Cyberney, die in 2000 als e-zine het web bestormde en in 2001 in boekvorm werd uitgegeven. Ik blogde al eerder dat Hella Haasse en Rudy Kousbroek een speciaal debat wensten over deze gewraakte passage. En dat ze die kregen. En dat Hella Haasse mij voor de voeten wierp dat ik haar ‘een trut’ had genoemd. Over lezen gesproken.

Nederland Leest Niet. Zo luidt mijn pamflet tegen die stompzinnige CPNB. Het staat afgedrukt in het herfstnummer van Archipel Magazine. Lizzy van Leeuwen is ermee aan de gang gegaan en is verantwoordelijk voor het anti-Oeroeg-stuk in De Groene Amsterdammer. Mijn diskwalificatie begint onderhand een runnin’ gag te worden. Kijk maar op de cover van De Groene Amsterdammer van deze week (6 november 2009):


Oeroeg
Indo’s en totoks over Haasses ‘tuttig eurocentrisch romannetje’

Lizzy van Leeuwen, Our Lady in Amsterdam (vrij naar Graham Greene), is geweldig op dreef in haar stuk Indo’s versus totoks; Er bestaan geen Oeroegs. Haar stuk over de al zestigjarige durende discussie over het ‘foute’ (Tjalie Robinsons diskwalificatie) Oeroeg is een must read voor iedereen die werkelijk wil weten hoe de vork in de steel zit rond de idiote canonisering van de Nederlandstalige letteren en het koloniale gejammer van mensen als Rudy Kousbroek en Hella Haasse. Als de runnin’ gag ‘eurocentrisch romannetje’ echt blijft rondzingen, dan zal de actie van de CPNB, die nooit luisterde naar de stemmen uit Indo-kringen, uiteindelijk de dood betekenen van Oeroeg. Ja, een langzame, zoals van die andere abjecte novelle Orpheus in de desa van Augusta de Wit, een boek dat ruim tachtig jaar op de leeslijsten van de middelbare scholen mocht prijken, waarmee de Indo vanzelfsprekenderwijs als een subversieve figuur met leesgif bij de onbevooroordeelde jonge lezers werd geïnjecteerd.

Oeroeg zet op geen enkele manier aan tot werkelijk nadenken, getuige de meer dan tachtig onnozele en lovende recensies in het huidige tijdsgewricht, eenvoudig omdat de hoofdfiguur niet nadenkt, en zijn schepper Hella Haasse dat na meer dan zestig jaar ook nog altijd niet heeft geleerd. Als veelgelezen schrijvers al niet nadenken, hoe kunnen hun toegewijde lezers dat dan ooit leren? Hier bewijst de kritiek, de goed doorwrochte stukken, haar waarde. Lezen dus, De Groene Amsterdammer van deze week.

De CPNB zal ongetwijfeld verklaren dat ze een discussie heeft willen uitlokken. Vergeet het. Ze wilden gewoon weer eens de aandacht op zichzelf vestigen en hebben daarbij zeer onnadenkend en onwetend in de koloniale leestrommel getast. Zoals te doen gebruikelijk bij die schimmige club van boekhandelaren en overige maffiosi.

Programmawijziging Indische schrijversavond

gekko Tot zijn, en onze, spijt heeft Ernst zojuist moeten afzeggen voor aanstaande woensdag vanwege een techniekrepetitie in Lochum. Hij had het heel leuk gevonden erbij te zij, al was het maar vanwege de viering van zijn nieuwe editie van De Overkant + cd + dvd. Misschien wordt zijn plaats vervangen door een ander, hoe dan ook: volgens de organisatoren wordt het toch een geweldige avond met zoveel kwaliteit in huis!

Mijn collega’s en ik melden ons om 18.00 uur in het Mondiaal Centrum Haarlem om gezamenlijk Chinees te eten. Chinees eten op een “Indische” avond is wel lollig, in Indonesië eten ze ook vaak Chinees voor of na literaire avonden. Mijn vader, ooit, at alleen maar Chinees buiten de deur in Surabaya, Indisch eten dat deed je immers thuis.

Na het eten spreken we het programma vooraf door en worden er soundchecks gedaan. Het is de bedoeling dat we tijdens ons optreden rond de tafel zitten en dat tijdens het gesprek elke auteur “iets doet”. Mocht Archipel Magazine verschenen zijn, dan lees ik mijn polemisch stuk voor als tegenstem voor het op handen zijnde idiote CPNB-feestje “Nederland leest”.

Natuurlijk komt mijn novelle Rivier de Lossie ook aan bod, wellicht in een interviewvorm met Peter de Rijk. Verder worden er fragmenten vertoond uit de televisieontmoeting tussen Ernst Jansz en Frans Lopulalan anno 1986.

Van Peter van Dongen is beeldmateriaal zien uit zijn strips en hij wordt geïnterviewd de ontstaansgeschiedenis van zijn werk, dat ook in Indonesië bekend is, net als mijn romans Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis.

Glenn Pennock, terug van lang weggeweest, werkt aan nieuwe roman en vertelt erover en leest enkele fragmenten voor. Als entre act speelt hij een of twee nummers op de gitaar. Er staan een paar nummers van Glenn Pennock online, waaronder een nummer samen met de jonge Indo-mondharmonikaspeelster Iris Frikke. In principe wordt de hele avond opgenomen, in elk geval in geluid. In beeld, dat weet ik niet.

Indische schrijversavond met Alfred Birney, Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz

v.l.n.r. Alfred Birney, Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz

podium birney podium van dongen

podium pennock podium jansz

Het MCH houdt woendagavond 23 september 20.00 uur haar eerste schrijversavond met als thema «De Indische letteren Oeroeg voorbij». Met dit thema neemt Mondiaal Literair alvast een voorschot op de extra belangstelling voor «Indië» wanneer van 23 oktober tot 20 november de landelijke openbare bibliotheken hun jaarlijkse Nederland Leest-actie houden met als gratis boek voor alle bibliotheekbezoekers Oeroeg van Hella Haase, waarvan de oplage bijna 1 miljoen exemplaren zal bedragen.

Alfred Birney

Peter de Rijk interviewt Alfred Birney over zijn onlangs verschenen novelle Rivier de Lossie, waarin de onbekende ballade The Ferryman’s Daughter van Donovan leitmotief blijkt. Alfred Birney (Den Haag, 1951) is een van de belangrijkste representanten van de zogenaamde tweede generatie Indo-schrijvers, waarvan ook schrijvers als Marion Bloem en Theodor Holman deel uit maken. Birney is onder meer de samensteller van de gezaghebbende bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) over 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren. Hij werd al in 1996 door Standaard der Letteren (de NRC van België) «het best bewaarde geheim van en de stille kracht in de Nederlandse literatuur» genoemd.

Ernst Jansz en Peter van Dongen

Aan de interviewtafel schuiven verder aan Peter van Dongen, Glenn Pennock en Ernst Jansz. Peter van Dongen (o.a. onderscheiden met de stripschappenning) is schrijver en tekenaar van de stripboeken Rampokan Java en Rampokan Celebes over de nadagen van de Nederlandse aanwezigheid in voormalig Nederlands-Indië. Hij verzorgt ook het artwork voor de romans en cd’s van Ernst Jansz: Molenbeekstraat en De Overkant. Van Dongen laat zijn werk op groot scherm zien.

Van Ernst Jansz wordt de kersverse uitgave van ’de complete’ De Overkant gepresenteerd: roman met fotokaternen + cd + dvd.

Muzikaal intermezzo en televisiebeelden

Glenn Pennock is de schrijver van De weg van de kat en Het vuur van de draak waarin de filosofie van de pencak silat een belangrijke rol speelt. Eind jaren tachtig had hij in Heemstede een sportschool waarin hij lesgaf in deze Indonesische vechtsport. Na omzwervingen in Amerika is hij sinds een paar jaar terug in het Haarlemse en werkt hij aan een nieuwe roman. Evenals Alfred Birney en Ernst Jansz is Glenn Pennock van huis uit professioneel muzikant. Hij neemt zijn gitaar mee en verzorgt een muzikaal intermezzo. Tevens worden fragmenten getoond uit een in 1986 gefilmde ontmoeting tussen Frans Lopulalan en Ernst Jansz over de rol van hun vaders in het Indische gezin, naar aanleiding van hun boeken Onder de sneeuw een Indisch graf en De Overkant.

Mondiaal Literair

Mondiaal Literair is een samenwerking tussen het Mondiaal Centrum Haarlem en Uitgeverij In de Knipscheer. De maandelijkse schrijversavonden van Mondiaal Literair worden thematisch samengesteld, zoveel mogelijk naar aanleiding van recent bij Nederlandse uitgeverijen verschenen of te verschijnen boeken, die inhoudelijk de vaderlandse grens overschrijden. Centraal staat het interview met de auteurs, soms in een gezamenlijk gesprek, soms na elkaar. Uiteraard lezen een of meer schrijvers kort uit eigen werk en signeren zij hun werk na afloop aan de boekentafel. Uitgever Franc Knipscheer is de host van de avond. De interviews worden gehouden door Peter de Rijk.

Woensdag 23 september 20.00 uur
Locatie: MCH, Lange Herenvest 122, 2011 BX Haarlem
De toegang bedraagt 5 euro, koffie en thee inbegrepen

Op vertoon van bibliotheekpasje kunt u gratis één introducé meenemen
Reserveren vooraf is wenselijk: 023 – 542 3540
www.mondiaalcentrumhaarlem.nl

*** Van Alfred Birney worden gratis exemplaren van zijn postkoloniale bundel Yournael van Cyberney uitgedeeld! ***