Indo-Maluku Garden Party

muma Zaterdag 28 april a.s. zal in Museum Maluku, Kruisstraat 313, Utrecht, een Indo-Maluku Garden Party worden gehouden, met verhalen, voordrachten, interviews, muziek, live painting, pantun en workshops tifa/cajon! Uitgeverij Knipscheer heeft er een stand met boeken van onder meer Glenn Pennock, Frans Lopulalan en Alfred Birney, wiens nieuwste boek De Dubieuzen gepresenteerd zal worden.

De Indo-Maluku Garden Party is een initiatief van Magda Pattiiha, Kitty Luhulima en John Pattiiha.

Hun motivatie is, volgens hun Facebook pagina:

1. de behoefte om de taboes te doorbreken en de overeenkomsten te benadrukken
2. antwoord te geven op de vraag waarom Indo’s en Molukkers los van elkaar hun cultuur beleven

Het doel:

1. het samen brengen van Indo’s en Molukkers
2. de ontmoeting tussen Indo’s en Molukkers
3. bewustwording bewerkstelligen
4. kijken naar wat ons met elkaar verbindt

Kijk voor meer informatie over dit mooie initiatief op het affiche en het programma (PDF’s).

L’association Pasar Malam…

L’association Pasar Malam se réjouit de la ré adhésion* de

Alfred Birney!


alfred birney

Écrivain néerlandais, né en 1951 aux Pays-Bas d’une mère hollandaise et d’un père indo-néerlandais de Surabaya, descendant d’une famille de planteurs aux origines chinoise et écossaise, Alfred Birney réside à La Haye où il écrit depuis 1987 des romans (surtout), des essais, des critiques, des articles journalistiques (parfois).

Son style est à la fois narratif, expérimental, rêveur, tour à tour chaleureux et distant. En revanche dans ses essais et critiques il adopte volontiers un ton mordant, ironique, humoristique aussi.

Ses thèmes récurrents : la solitude, l’amour, et la musique ; le racisme, l’histoire coloniale et postcoloniale.

Citons quelques ouvrages liés a l’Indonésie :

- Vogels rond een Vrouw, In de Knipscheer, 1991, traduit en indonésien Lalu Ada Burung, Galang Press, 2002 (Des oiseaux autour d’une femme).

- De Onschuld van een Vis, In de Knipscheer, 1995, traduit en indonésien Ikan Tanpa Salah, Galag Press, 2004 (L’innocence d’un poisson).

La trilogie des rivières:

- Rivier de Lossie, In de Knipscheer, 2009.

- Rivier de IJssel, In de Knipscheer, 2010.

- Rivier de Brantas, In de Knipscheer, 2011.

*Alfred Birney a été membre de Pasar Malam en 2006


Collection du Banian/Association Pasar Malam

Johanna Lederer
14 rue du Cardinal Lemoine – 75005 Paris
Téléphone : 01 56 24 94 53
afi.pasar-malam@wanadoo.fr

http://pasarmalam.free.fr

Waarom The Tielman Brothers nooit wereldfaam verkregen

Met de dood van Andy Tielman twee dagen geleden is voorgoed een eind gekomen aan het bestaan van The Tielman Brothers, al leeft Reggie nog en zal die roemruchte band uit de jaren zestig nog wel lang voortleven in de herinnering van liefhebbers van Indorock en mensen met een ongeneeslijke jaren zestig-nostalgie. Waarom The Tielman Brothers nooit wereldfaam verkregen, dat beschreef ik eens in een journalistiek verhaal voor Annemarie Cottaars Indisch leven in Nederland. Ik baseerde me hierbij op het boek Rockin’ Ramona (1989) van Lutgard Mutsaers (1953).

Hierboven een opname uit 1960, waarop onder meer te zien is dat Andy Tielman zijn gitaar achter zijn rug bespeelt, een act die veel later navolging kreeg van Jimi Hendrix, Stevie Ray Vaughan etcetera…

Het Woord in Ruigoord: Gordel van Smaragd in Kikkerland

Het Woord in Ruigoord is een maandelijks programma van Hans Plomp (presentatie) en Gerben Hellinga en wordt gehouden in de kerk van de roemruchte kunstenaarsenclave Ruigoord. Op zondag 8 mei is het woord aan Indo/Indische schrijvers, met onder meer Alfred Birney, die voorleest uit zijn boek Rivier de Brantas, en Glenn Pennock die gitaar speelt en iets vertelt over zijn aanstaande roman, die in het najaar wordt verwacht.

alfred birney glenn pennock

Gordel van Smaragd in Kikkerland

PROGRAMMA:

Met medewerking van:
Merapi Obermayer
Peter Andriesse
Alfred Birney n.a.v. zijn zojuist verschenen Rivier de Brantas
Glenn Pennock (gitaar) over zijn in het najaar te verschijnen Als gitaren schreeuwen
Ruth Bouman (gamelan)
MC ALFREDEX (van de roemruchte REBEllenklup)

Locatie Kerk Ruigoord
Datum: zondag 8 mei 2011
Tijd +/- 16.00 – 18:00
Daarna: eten € 8,00 – waarschijnlijk gado-gado, en anders iets met suikerbieten of zo :-)
Tot slot: rondhangen, signeren, chill out etc.
Toegang: GRATIS
Locatie: hier

Meewarig neokoloniaal proza van de eerste generatie

leugens en lotgenoten Je hoeft geen Indo te zijn om een Indisch verleden te hebben. Toch bestaat een wezenlijk verschil tussen verhalend proza van Indo-schrijvers en totok-schrijvers, al wordt dat niet altijd gezien. Tjalie Robinson schrijft vanuit de Indo en Hella Haasse kijkt náár de Indo, om maar een pikant voorbeeld te noemen.

Jan Willem Smeets is van de generatie van Yvonne Keuls, F. Springer, Helga Ruebsamen en Paula Gomes. Zijn eerste twee romans verschenen 20 jaar geleden; beeldende kunst is zogezegd zijn hoofdvak. De flaptekst van zijn roman Leugens en lotgenoten (2010) vermeldt dat hij over een “groot stilistisch vermogen” beschikt, maar op de eerste bladzijde bewijst de schrijver al het tegendeel: Hotsebotsend reed ik verder en hield stil voor het huisje van ooit eens gebeitste… Hardleers als deze stilist is, kwakt hij gaandeweg het boek nog meer van dergelijk kinderproza op papier: Hilde dekte rats-boem-knal de tafel

Uitgeverij Ailantus lijkt te bezuinigen op goede redacteuren. Op bladzijde 29 is een niet te missen doublure gewoon blijven staan. Zes bladzijden verder breekt de schrijver impliciet een lans voor verhalend proza als tegenwicht tegen de enorme hoeveelheid non-fictie die over Nederlands-Indië is geschreven. Daar ben ik heel blij mee. Maar meer dan wat clichés over de Hollandse kou, de verdachtenhoek van mensen met een koloniale achtergrond en een strenge opvoeding komt er niet tevoorschijn.

Smeets’ wat meewarige, nonchalante stijl doet soms aan het proza van John Fante denken, maar werkt niet in zijn roman, dat drie hoofdstukken telt, waarin hij aandacht vraagt voor de lotgevallen van totoks. Zijn helden leiden een weinig interessant leven, of ze nou wel of niet in het “jappenkamp” hebben gezeten. Nou hoeven je romanhelden niet direct een spannend leven te leiden, mits je goed schrijft. F. van den Bosch heeft dat stijlvol in zijn kleine oeuvre laten zien.

Het tweede hoofdstuk maakt wel wat goed. Er ontspint zich namelijk gaandeweg een schandaleus verhaal rond een moederfiguur. Jammer genoeg mist de schrijver het vakmanschap van F. Springer om het verhaal werkelijk boeiend te maken. Waar hij wel goed in is, dat zijn de eigen valkuilen die hij in zijn babbelproza graaft. Een voorbeeld:

…maar toen ik merkte dat ik er in hun ogen alleen maar nog vreemder door werd, was ik uiteindelijk maar gaan verwijzen naar Couperus, Dermoût, Du Perron, Székely-Lulofs enzovoort die, zei ik dan, het allemaal heel wat beter hadden beschreven dan ik zou kunnen.

Wat bedoelt de schrijver met “zei ik dan”? Dat hij inmiddels wél zo ver is dat hij zich kan meten met de namen die hij noemt? Stel dat het in verhaaltechnisch en stilistisch opzicht zo zou zijn geweest, dan nog had ik mijn twijfels gehad over de mentaliteit van de verteller van het verhaal. Zijn houding ten opzichte van Indonesiërs is niet bijster sympathiek: “roomservice” blijft “roomservice”, want Smeets is eenvoudigweg te beroerd om van bedienend personeel mensen van vlees en bloed te maken. Op dat punt kan hij zich intussen wel meten met iemand als Székely-Lulofs, die daar ook een handje van had. Kortom, Smeets is wat dat betreft nooit verder gekomen dan zijn kinderjaren, toen Székely-Lulofs op het toppunt van haar roem was. Onbegrijpelijk dat dit soort neokoloniale romans nog wordt uitgegeven.

© 2010 Alfred Birney. Verscheen eerder in Archipel Magazine, jaargang 12, winternummer 2010

Racisme en de Zangeres Zonder Naam

Het internet heeft geen plaats voor ironie. Ik weet niet waar dat aan ligt. Er zou geen verschil moeten zijn tussen een tekst op papier en een tekst in een blog die je op je beeldscherm leest. Maar dat verschil diende zich al snel aan toen het e-mailen rond de eeuwwisseling een enorme vlucht nam. Je moest leren schrijven met emoticons, wilde je goed begrepen worden. De smiley is het bekendste voorbeeld. Vergeet je die achter een ironische zin te plaatsen, dan kan je in de problemen komen en soms woedende reacties oproepen. Overigens is ironie in boeken of aan de kletstafel al veel langer een struikelblok voor minder fijnzinnige geesten.

Onlangs hing ik rond op Facebook. Uit balorigheid begon ik oude Hollandse liedjes te posten. Zuiderzeeballade van Sylvain Poons. Cimeroni van Anneke Grönloh. Kleine schooier van De Trekvogels. Twee reebruine ogen van De Selvera’s. Melige liedjes van Rijk de Gooyer. Surfend op YouTube stuitte ik op een oud liedje van de Zangeres Zonder Naam. De titel:

Hij was maar een neger

Het bleek dat weinig mensen mijn balorigheid in de gaten hadden. Dat was zo erg niet. Maar toen ik met dit nummer kwam, was de boot aan. Terwijl ik in een deuk lag van het lachen om de tijdgeest van de jaren zestig, raakten enkele mensen echt in verwarring. De tekst van het lied luidt:

‘t Liep tegen Kerstmis, hij zocht in de stad
Of iemand voor hem soms een kamer nog had
Maar waar hij ook kwam, even keek men hem aan
Dan schudde men ‘nee’, en dan kon-ie weer gaan

Hij was maar ‘n neger, zo’n zwarte
Zoiets haal je niet in je huis
Omdat je ‘t noodlot dan tartte
Want die zwarten zijn immers niet pluis

Hij zag door de ramen de kerstbomen staan
Met glinst’rende bellen en lichtjes eraan
Hij hoorde gezang, ozo vroom en devoot
Terwijl men voor hem alle deuren goed sloot

Hij was maar ‘n neger, zo’n zwarte (etc)

In ‘t kerkje dat noodde, daar knielde hij neer
Bij ‘t ruw-houten kribje, van ons Lieve Heer
Toen vroeg-ie zich af of dat kindje zo klein
Alleen maar voor blanken geboren zou zijn

Hij was maar ‘n neger, zo’n zwarte (etc)

Gesneden koek voor mij. Immers in de jaren zestig werd ons geleerd om medelijden met ‘negers’ te hebben. Vooral die in Amerika hadden het zwaar. Tijdschriften als De Panorama stonden bol van fotoreportages van ‘negers’ die in getto’s door politieagenten overhoop werden geschoten. Martin Luther King was een man voor wie je ontzag moest hebben.

Intussen liepen er in Nederland nauwelijks ‘negers’ op straat. Je zag voornamelijk Hollanders, wat Indo’s, een paar Ambonezen, Italianen en dat was het dan wel zo’n beetje. De ‘neger’ dook pas op na de onafhankelijkheid van Suriname, toen de helft van Paramaribo het vliegtuig nam naar Holland. Dat was tien jaar na verschijning van het lied Hij was maar een neger, geschreven door Johnny Hoes in 1965.

Het lied had een provocerende boodschap, want het werd gebracht rond de kerst. De tekst is een variant op Jozef en Maria, die rond de kerst ook nergens welkom waren. Zo beschrijft de tekstdichter in het derde couplet het lot van de neger die van deelneming aan het kerstfeest wordt uitgesloten.

Als jochie van 14 begreep ik die tekst onmiddellijk, en ik zou tien jaar later zelfs persoonlijk in dergelijke situaties verzeild raken bij het zoeken naar kamers. Maar nu, in een tijd waarin racisme niet meer wordt verhuld door schijnheiligheid, is dit liedje voer voor veel onbegrip.

Iemand op Facebook schreef: “Toen ik dit lied voor ‘t eerst hoorde kon ik het ook niet plaatsen…heel raar lied…” Een ander schreef: “Volgens mij komt dit uit de hoed van Robbie Muntz.” Weer een ander: “Ik denk dat het rare van dit lied is, dat het niet overkomt als ‘aanklacht’, je weet dat ze wil aantonen hoe jan-en-alleman denkt, maar je wordt toch in vertwijfeling gebracht…”

Inderdaad. Die Robbie Muntz nam het nummer in 1998 opnieuw op; het werd op een cd gratis verspreid bij de VPRO-Gids. Het plaatje werd door vrijwel alle radiostations geboycot, kennelijk Muntz’ bedoeling. Zijn kompaan Paul Jan de Wint lichtte toe in Muziekmagazine FRET, maart/april 2010: “Het nummer werd in de jaren zestig niet verkeerd begrepen, maar in de jaren negentig dus wel. Uiteindelijk had het goede bedoelingen en konden we heel goed aantonen hoe verward de tijd was waarin we dit nummer opnieuw uitbrachten.”

Als je wilt weten hoeveel verwarring er nu nog rond dat liedje bestaat, moet je het internet maar eens afzoeken. De ene blogger brengt het als een schandaal, de andere blogger legt de boel fijntjes uit, de schreeuwende racisten laat ik maar even voor wie ze zijn.

De Zangeres Zonder Naam nam het in haar levensliederen altijd op voor de underdog, ik dacht toch dat dat bekend was onder het volk: reden waarom ze aan het eind van haar carrière zo populair was in gay-kringen.

Racisme leefde een halve eeuw terug niet minder dan nu. In het huidige tijdsgewricht is het, vooral door de digitale revolutie, alleen maar duidelijk aan de oppervlakte gekomen. Racisme was in de jaren zestig iets wat Nederland niet direct raakte. Met een sociale woningbeleid van één Indische familie in elke straat en ‘negers’ die ver weg in Amerika of in Suriname zaten, kon racisme hier in Nederland eenvoudig worden ontkend. Nu is het een probleem waar de gemiddelde Hollander direct mee te maken heeft en moeilijk raad mee weet. Zelfs de Zangeres Zonder Naam, met haar eenvoudige teksten, wordt opeens door sommigen als dubieus beschouwt. Je zou bijna gaan denken dat ze bang zijn voor hun eigen onderbuikgevoelens.

Racisme is een ervaring. Ik zeg niet dat je het dan zult begrijpen. Racisme is een levenslang thema voor me, maar ik snap er nog altijd helemaal niets van.

Rivier de Brantas begint te stromen

logo alfred birney weblog Op mijn bureau ligt naast mijn toetsenbord mijn manuscript, feestelijk bekrabbeld met de correcties van een uitgeversredacteur. Hij heeft een voorliefde voor accenttekens en puntkomma’s. Laat ik daar nou toevallig een bloedhekel aan hebben. Die stomme Hollanders doen eerst alle moeite om zich van trema’s en overige ‘hinderlijke’ leestekens te ontdoen (zoëven werd zo-even) en dan komen ze met á’s en ó’s aangehobbeld, na een eeuw Couperus’ eigen spelling te hebben verkracht. Mijn redacteur stelt zoiets voor:

Ik wist niet of ik bang was voor háár, voor haar verschíjning of voor de onduidelijke bóódschap die ze mij probeerde over te brengen.

Een vriendin van me schrijft zo, alsof ze praat. Erg mooi, maar ik zet alleen een accentteken als het echt moet. Dus niet als het écht móét.

Uiteraard is mijn redacteur goed in spellen. Hij weet precies wanneer je ergens vanuit gaat of ergens van uitgaat, ervanuitgaande dat Van Dale het allemaal wel weet. Maar Van Dale schrijft niets voor, Van Dale beschrijft. Er zijn bij mijn weten een slordige vijf spellingboekjes in Nederland te vinden: het groene boekje, het rode boekje, het blauwe boekje, het witte boekje en het groen-geile boekie. Ik schrijf ze zonder hoofdletters neer, want anders moet ik steeds de shifttoets indrukken en dáár heb ík nú géén zín in. Schrijvers moeten kunnen spellen, maar een dicteewedstrijd winnen zou werkelijk een afgang voor een schrijver zijn. Spellen is namelijk voor apen, het is nadoen. Spellen is voor de brave burger, het is doen zoals het moet. Spellen is niet creatief. Aan de kijkcijfers van het Nationale Dictee kun je wel ongeveer aflezen hoeveel oncreatieve mensen Nederland rijk is. Nog méér dan het aantal mensen dat een boek probeert te schrijven.

Toch ben ik blij met mijn redacteur. Wanneer je een manuscript vijf keer hebt herschreven, ga je blinde vlekken ontwikkelen. Door het verplaatsen van tekst ontstaan bijvoorbeeld gemakkelijk doublures. Het lastigs is te bepalen welke Maleise of Indische of Indonesische uitdrukkingen wel of niet in een woordenlijstje achterin moet worden opgenomen. Iedereen heeft weleens (moet dit woordje los geschreven of aan elkaar?) van ‘tempo doeloe’ gehoord, maar niet iedereen weet wat dat precies betekent. Volgens Van Dale zou een ‘toean besar’ een titel zijn die ‘de inheemse bevolking van het voormalige Nederlands-Indië aan de gouverneur-generaal gaf, ook wel informeel door de Europeanen gebruikt.’

Dat is natuurlijk niet helemaal waar. Reden waarom ik ‘toean besar’ in mijn woordenlijst heb opgenomen, waar het volgens mijn redacteur niet hoeft te staan omdat het in de Van Dale staat. En omdat het zus en zo in de Van Dale staat denkt mijn redacteur opeens dat een van mijn romanhelden gouverneur-generaal was.

Natuurlijk is er ook gedoe rond het begrip ‘Indo’. Volgens de meeste spellingboekjes moet Indo met kleine letter worden geschreven: indo. Indo’s vormen namelijk geen volk maar een groep. Zoals eskimo’s en zigeuners. Sinds zigeuners de volkenrechtelijke status van Roma en Sinti hebben gekregen, moeten die groepen met een hoofdletter worden geschreven.

Harry Mulisch had maling aan hoofdletters in zijn roman De aanslag. Duitsers en overige volken krijgen een kleine letter. Dat was zijn keus. En Indo met een hoofdletter is mijn keus. Simpel. Overigens staat het proza van Mulisch vol met puntkomma’s, hij was gek op die broekrok uit onze leestekengarderobe.

Terug naar de toean besar of de toewan besar of de toewaan besar of de tuan besar. Een meneer in goeden doen. Naast gouverneurs-generaal waren er veel toewans besar. Dat Van Dale dat niet weet, kan ik ook niet helpen. Dit krijg je ervan als je scholieren de verkeerde boeken laat lezen. Die gaan later namelijk uitmaken hoe de volgende nieuwe spelling eruit moet gaan zien. Het bekrompen idee dat de Nederlandse geschiedenis zich alleen maar achter onze duinen heeft afgespeeld, dringt zich dan eens te meer op. De hongerwinter and all that. Zal het ooit nog wat worden met de fusie tussen onze traditionele en (post)koloniale geschiedschrijving? Ik betwijfel het, maar een serieuze schrijver heeft nog altijd een taak, ook in de huidige tijd van hypes, oppervlakkigheid en vluchtigheid. Reden waarom ik een trilogie schrijf van Rivier de Lossie – Rivier de IJssel – Rivier de Brantas. Want ja, er zijn dingen die moeten worden gezegd. Móéten, zou mijn redacteur schrijven. Ja, het moet gezegd. Het moest gezegd. Eh… het is al gezegd, maar men heeft (nog) niet geluisterd.

Rivier de Brantas moet volgende week worden ingeleverd. Er komt dan nog een rondje voor de zetproeven. In februari moet het verschijnen. Soms word ik dol van de correcties en ga ik met mijn websites spelen. Ik bewerk ze, verkracht ze, verplaats ze, jaag mijn bezoekers weg, en dan zet ik alles weer in de oorspronkelijke staat terug. Het is nu 4 minuten voor 4 in de ochtend. Ik ga de afwas maar eens doen.

In Nijmegen Door Omstandigheden

poster eveline stoel, alfred birney, wim willems, lizzy van leeuwen

Het Bandoeng Project maakt onderdeel uit van het Wintertuinfestival in Nijmegen. Er zijn enkele speciale posters van het Bandoeng project gemaakt, die op bepaalde lokaties, de Centrale Bibliotheek en Indische organisaties als Pelita, worden opgehangen. Je zou kunnen zeggen dat de Indische of postkoloniale discussie traditioneel een apart podium krijgt. Uiteraard moet de oorzaak daarvan worden gezocht in het geschiedenisonderwijs op de middelbare scholen, waar te veel wordt ingezoomd op WO-II achter de duinen en niet in Nederlands-Indië, waar de oorlog veel langer duurde en veel complexer was. Deze geschiedenis is nooit vanzelfsprekend ingebed in de zogenaamde Nederlandse geschiedenis en daarom spreken sommige Indo’s met oog op het komende festival alweer gekscherend van In Nijmegen Door Omstandigheden.

Schrijven aan een boek

Schrijven aan een boek kan merkwaardig associatief gedrag veroorzaken. Zo luister ik deze dagen aldoor naar de onderstaande aria van Händel, het Ombra mai fù uit de opera Serse (Xerxes) (1738), vertolkt door de Japanse countertenor Yoshikazu Mera. Tegelijk leg ik de laatste hand aan het derde en laatste deel van mijn novellenreeks. Het eerste, Rivier de Lossie (2009), speelt in Schotland. Het tweede, Rivier de IJssel (2010), speelt in Nederland en het deel-in-wording (2011, lente) speelt op Java.




Dit derde deel is een quasi roadshow, met terugblikken op onder andere de oorlog die Nederland in Indonesië voerde nadat het land zelf was bevrijd van de Duitsers. Een oorlog die eufemistisch de Politionele Acties worden genoemd, door Ad van Liempt gebombardeerd tot Een mooi woord voor oorlog. Ik ga daar niet diep op in, ook niet op de Japanse bezetting die enkele jaren eerder plaatsvond. Wél op de liefde die een familielid van me opvatte voor een Japanse officier. Zeg maar een verhaal zoals Il portiere di notte (1973) van Liliana Cavani (The Nightporter), maar dan zonder een weerzien. Ik beschreef het al eens in het verhaal Zonder gezicht, gepubliceerd in de verzamelbundel Vertrouwd en Vreemd (2000), maar bewerk het nu in een andere context.

Er is veel geschreven over zogeheten “troostmeisjes” maar weinig tot niets over meisjes die eenvoudig een liefdesaffaire hadden met Japanse officieren. Mijn vader haatte Japanners en alles wat met Japans te maken had. Veel Indische mensen en Indo’s haatten Japanners. Ik ben opgegroeid in een milieu waarin de haat jegens Japanners nog sterker was dan de huidige weerzin van Hollanders jegens Marokkanen op alle denkbare niveaus, tot aan de landelijke politiek toe.

De haat die mijn vader koesterde tegen de Japanners heb ik niet overgenomen. Mijn broer evenmin. Hij nam ooit luitlessen bij een Japanse leraar, in een tijd waarin de vader van een vriend van me met een hakbijl een piano van Japans fabrikaat te lijf ging, die zijn dochter in alle onschuld had aangeschaft.

Japanners kunnen gek zijn op Europese kunst en cultuur. En andersom, Europeanen kunnen dol zijn op Japanse kunst en cultuur. Literatuur, gevechtskunst, muziek, schilderkunst, beeldende kunst, architectuur… Kunstenaars staan veelal boven het ordinaire geweld van alledag of proberen gedachtes aan oorlog te bezweren door zich in de kunstuitingen van de (voormalige) tegenpartij in te leven. Yoshikazu Mera is zo iemand. Zijn stem klinkt hemels. Cross-over artiesten geven me altijd hoop op een fatsoenlijker wereld. Altijd.

Indisch 3.0 heeft een probleem minder

indisch-3-logo.png Een week geleden vierde Indisch 3.0 haar tweede verjaardag. Dat was ergens in Utrecht, zeg maar in de mega desa van Holland. Locatie: Café Kopi Susu. Voorin de bar met wat tafels en stoelen. Achterin een geïmproviseerde huiskamer met ruimte om te dansen, of om met je bordje nasi tjampoer te kunnen jongleren op de muziek van stemmen met een prettige conversatiesterkte. Hollandse feestjes zijn vaak luidruchtig. Veel koeiengeloei. Wel gemoedelijk, maar zonder die verfijning die Indische mensen hoe dan ook hebben, cliché of niet. Op Indische feestjes zie je niet snel openlijke ruzies; die gaan onderhuids, zijn gemener, zodat anderen er geen last van hebben. Hollanders geven elkaar een dreun en drinken daarna een pilsje. Geen oordelen hier, alleen wat accentverschillen. In een overvolle bar botsen Indische mensen met bordjes nasi tjampoer in hun handen níet tegen elkaar op. Bij Hollanders vliegen de aardappelen en vaatdoekjes je om de oren. Verschillen tussen Hollanders en Indische mensen blijven eenvoudig te maken. Is ook al veel over geschreven. Indische mensen vinden Hollanders onbehouwen en Hollanders vinden Indische mensen beschaafd. Voor de rest is het nasi met bier, dat gaat allemaal wel. Zoeken naar verschillen tussen Indische mensen van de tweede en derde generatie is pas wérkelijk interessant.

Met raciale blik spied ik om me heen, gezichten lezend. Als ik er niet uitkom stap ik op iemand af.

‘Hey, ben je Indisch?’

‘Ja-ha!’.

Ik mag kijken. Naar de ogen, de kaaklijn, de mond. Jonge vrouwen van de derde generatie krijgen vuur in hun ogen zodra ze iets beweren of aandacht van het publiek vragen, jongemannen zijn wat verlegener. Is bij ons, de tweede generatie, ook zo, én bij de eerste generatie. Indisch als een soort matriarchale huiskamercultuur, althans zolang er van buitensporig geweld geen sprake is (zie De onschuld van een vis uit Indische gezichten).

Het voelt lekker je tussen die jonge mensen te mogen begeven. Geen geklaag over overleden vrienden, zieken, kwalen, tempo doeloe, tempo doelloos en hoe beroerd alles tegenwoordig al niet is. Jonge mensen zijn dynamisch, ze zullen ook wel moeten. Twee blanke Indische jonge vrouwen van 20 willen schrijven. Dat betekent niet per se dat ze het over Indische zaken willen hebben. De eerste is verslingerd aan chicklit en wil die kant op. Ze is serieus, want ze schrijft niet meer dan eenderde pagina per dag. Dat klinkt ouderwets in een tijd waarin nogal wat bloggers menen dat ze in een week een fatsoenlijke roman uit hun toetsenbord kunnen rammen. De tweede wil columns schrijven en oefent al op haar weblog. Als ik de koppen tel en een snelle rekensom maak, dan klopt het wel ongeveer dat er een miljoen Nederlanders zijn die een boek willen schrijven en publiceren. Wat dat betreft is er geen verschil tussen Hollanders, Indo’s, Engelsen, Noren, Koreanen, Eskimo’s et cetera.

Een blanke Indische jongen van 3.0 betreedt de vloer voor een Indisch stand-upcomedyoptreden. Hij begint met een sneer naar Wieteke van Dort, die zo nep is als de hel. De sneer is Indisch, dus niet krenkend, maar geen der aanwezigen zal het na zijn optreden nog in zijn hoofd halen om naar de eerstgenoemde totokmarionet te gaan luisteren. De jongen is 31 en zo ontzettend goed, dat je je bijna zou afvragen waarom hij de televisie niet haalt. Hij kan zelfs mij nadoen… Ik ben verbaasd. Hij bleek me eens te hebben gezien ergens op een podium en geeft een Birney-imitatie ten beste. Gelukkig is het goedbedoeld, ik ben gevleid.

Hebben, of hadden, we zulke jongens ook niet onder Indisch 2.0? Jazeker, en altijd binnenskamers. En dat zoeken naar je roots? Zelfde laken en pak. Het is niet waar dat mensen van de derde generatie en masse hun heil zoeken in Indonesië, zoals weleens wordt beweerd. De een doet het wel en de ander doet het niet. Je hebt ze ook die liever gaan skiën in de Alpen, zoals mijn broer, ooit een fanatiek skiër. De een leert bahasa Indonesia en de ander doet dat niet. Niets moet, heel veel mag, er is veel ruimte voor individualisme. Wat me het meest opvalt is dat er zo weinig wordt gezeurd over Indisch-zijn. Indisch 3.0 is gewoon Indisch. Klaar. Wat is Indisch? Domme vraag. Antwoord: een gevoel. Bij de tweede generatie deden we daar altijd wat ingewikkelder over. Dat kunnen ze natuurlijk ook bij de derde generatie. Een enkele blanke Indo wordt soms gewoonweg niet geaccepteerd op grond van zijn of haar uiterlijk.

Kwesties rond blanke Indo’s spelen trouwens al 100 jaar. Die staan het sterkst beschreven in de roman In vreemde sferen (1905) van Victor Ido. Helaas is het boek altijd overschaduwd geweest door zijn latere roman De paupers, waarin zo ontzettend veel geklaagd wordt over de plek van de kleine Boeng, zeg maar de Indo uit de kampong. De Indo moet namelijk zielig zijn (Max Havelaar van Multatuli), of achterbaks (Orpheus in de desa van Augusta de Wit), of inhalig (Goena-Goena van P.A. Daum), of een sexdier (De stille kracht van Louis Couperus), of alleen maar goed als muzikant (Rubber van M.H. Székely-Lulofs) – in elk geval moet de Indo voldoen aan het beeld van de gemiddelde Hollander (daarom zie je ze nauwelijks op televisie, right?). Ik tikte de eerstgenoemde, zeer interessante titel eens voor 15 euro op de kop bij een antiquaar. Misschien betaal je nu tweemaal zoveel voor. Je kunt ook gewoon naar de KB of naar een universiteitsbibliotheek. Of wachten tot mijn essay verschijnt over vergeten Indo-schrijvers van rond het fin de siècle. Dit terzijde.

Bij de tweede generatie werd niet alleen je uiterlijk maar ook je kennis van het Maleis getoetst, de souplesse van je vingers, je muzikaliteit, je bekwaamheid in martial arts, in vliegeren, katapult schieten en ga zo maar door. Bij de derde generatie gaat het zoeken naar overeenkomsten gevoelsmatiger. Ook heb ik nog niet het gevoel gekregen dat men zich tegen mij afzette, omdat ik er zo eentje van 2.0 ben. Dat probleem kreeg de eerste generatie eens van ons op het bord gelegd, omdat zij ons stelselmatig had buitengesloten van de Indische cultuur en had geweigerd thuis Maleis tegen ons te praten. We werden de straat op geschopt omdat we met de Belanda’s moesten leren omgaan. Dat was dan vechten geblazen en met blauw geslagen ogen thuiskomen. Of de politie aan je deur krijgen omdat je een Hollandse jongen had afgetuigd. Plus vijandschap van Molukkers, die ons als verraders zagen.

De vreselijkste vraag die je gesteld kon krijgen van iemand van de eerste (en soms iemand van de tweede) generatie was deze: ‘Zeg, ben jij daar geboren?’

Wenkbrauwen opgetrokken, gefronst voorhoofd, slecht verhuld honend lachje.

‘Nee.’

‘Hm, dus je wéét niet.’

Door díe vraag zal Indisch 3.0 in elk geval niet achtervolgd worden. Wat een zegen! Okay, er zitten er bij met een ouder uit Indonesië en een ouder uit Holland. Eurasians. Maar die hebben de koloniale tijd niet gekend. Tempo doeloe regeert niet meer. Wat ze dan te zoeken hebben bij mensen van Indisch 3.0? Tja, wat hebben Indische mensen wat Hollanders niet hebben? Het antwoord ligt bij de Hollanders, die consequent weigeren hun koloniale verleden uitgebreid in de geschiedenisboeken op te nemen. Weigeren zich te verplaatsen in het perspectief van de Indo en de schijnwerper botweg blijven richten op totokschrijvers die náár de Indische cultuur kijken en niet vanuít de Indische cultuur schrijven. Hollanders kwamen nooit verder dan pindasaus over hun patat mikken. Dat is nog daaraan toe, maar het heeft geen enkele symbolische betekenis.