Wow!

logo alfred birney 1. Je gaat een voortreffelijk Indonesisch restaurant aan de Groot Hertoginnelaan binnen, maar je kunt de spijskaart moeilijk lezen omdat je ogen achteruit gaan. Je vraagt de jonge tafelbediende of hij een leesbril voor je heeft. Hij komt terug met een brillenkistje van bewerkt djatihout, waaruit je de best passende leesbril mag kiezen 2. De Chinese waarden en normen volgens Confucius. 3. De teksten van Lao Tze, de anti-Confucius. 4. Iemand van de jiu jitsu-school met wie je na afloop weleens wat gaat drinken vertelt je opeens dat ze jaren terug eens een boek van je las. Ze herinnert zich nog de sfeer: kunstlicht, donkere straten en zo meer. 5. Parkieten in gestrekte vlucht naast de sneltrein. 6. Nguyên Lê met een nieuwe cd. 7. Iemand die ook naar Nguyên Lê luistert. 8. De bewegingen van sensei Steve van Nieuwenhuizen als hij een jiu jitsu-techniek voordoet in de snelheid waarop het eigenlijk moet. 9. Erwtensoep op de Noordpool. 10. Een Surinaamse jonge vrouw wordt belaagd door drie jongens bij de geldautomaat en slaat ze vakkundig het ziekenhuis in. 10. Boerenkool met worst en spek op de Zuidpool. 11. Je hoort na jaren dat ene liedje weer op de radio, terwijl de zon schijnt. 12. Een nieuwe spijkerbroek met precies geknipte pijpen. 13. Tim Hardin met ‘Shiloh Town’. 14. Een vulpen die je je pc onmiddellijk doet vergeten. 15. Een vrouw met een staartje en een wapperende jurk op een omafiets. 16. Een auto die voor de zebra stopt. 17. Slagroom met aardbeien (niet andersom). 18. Het hoofdkussenboek van Sei Shonagon.

Haagsche Courant, vrijdag 1 november 2002

Over F. van den Bosch (2)


In een plooi van de tijd

In een plooi van de tijd (1983) is een literair pentafonium rond het thema tijd. De verhalenbundel opent met een Indisch, of liever Javaans spookverhaal met een mythische klank: Het rollende hoofd. Er straalt een betovering vanaf in kracht gelijk aan Het regenhuis, onder meer door de impliciete uitbeelding van de wezenlijke onlosmakelijkheid van mens en natuur. Het verhaal is tijdloos, net zo als de oerangst van de mens. Het is alsof F. van Bosch de lezer wil zeggen dat onverschillig welk verhaal hierop volgt uiteindelijk het bestaan zich voltrekt tussen leven en dood en dat de immer sluimerende oerangst van de mens de onweerstaanbare verkenning is naar wat over die grenzen reikt. Je zou het boek na zo’n voorbeeldige prelude bijna willen dichtslaan.

Maar nieuwsgierigheid kent geen grenzen. Het daaropvolgende titelverhaal geeft de verhouding weer tussen een jong totok-jongetje en een inlandse bediende in de jaren voor de oorlog. Het is een impressie van de jeugdjaren van vermoedelijk de schrijver zelf, met een gesuggereerd magisch plot. Tovenarij wordt hier gepresenteerd in kinderlijk perspectief tegen de achtergrond van een dramatische verwijdering tussen de beide jongetjes.

In Nostalgie volgen we de ik-figuur die met zijn vrouw het verloren land Indië, het huidige Indonesië bezoekt. De schrijver laat een direct verslag van de oorlogsjaren, de periode in het Jappenkamp, ditmaal achterwege en maakt een sprong naar jaren later: nostalgische tochten door straten, pakjes brengen bij een familielid. De gastvrouw heeft zich klassiek gekleed in sarong en kabaai: Van achter het kamerscherm schuifelt het meisje op haar hurken naderbij en presenteert met neergeslagen ogen, ter hoogte van de knieën van haar gebiedster, een blad waarop drie glazen limonade staan. Het is lang geleden dat ik deze feodale stijl van bedienen voor het laatst heb gezien. Ik had haar in de Republik Indonesia niet meer verwacht. Op straat merk je van de feodale schakeringen binnen het Javaanse milieu heel weinig, zeker niet in Jakarta. Hier, binnen de muren van het huis, een van de vele huizen in een van de duizenden straten van deze grote stad, houden laag en hoog, jong en bejaard, profaan en charismatisch, elkaar als vanouds in stand.

Maar als even later de telefoon rinkelt – dat dreinende kind van vooruitgang en vervlakking – neemt het meisje de hoorn van de haak en roept zonder veel plichtplegingen: ‘Mevrouw, telefoon voor u!’ (p. 41)

oost-java by elise favie

Met Oom James duikt een bijfiguur op uit de eerste verhalenbundel om in de schijnwerper te worden geplaatst. De verteller kent deze Indo nog uit het Japanse interneringskamp en van zijn jonge jaren daarvoor. Hij was een jochie, Oom James al wat ouder. De verteller, inmiddels student, ziet de man jaren later terug in Amsterdam en volgt hem over straat. De oude Indo heeft hem in de gaten en roept hem vanuit het portiek: ‘Olé sinjo! Kom hier!’ (…) ‘Mag ik maar Ippie blijven zeggen?’ (p. 51)

In flashbacks wordt verteld van Ippies jongensleven op straat in Surabaya. Op een van zijn slentertochten komt hij voorbij de dierentuin in het zuiden van de stad. Het is aan het begin van de jaren dertig en achter de huizen langs de Reinierszboulevard is nog niet gebouwd. Ippie stroopt, net als mijn vader in zijn jongensjaren toen, met zijn vriendjes de velden af tot aan de kampongtuinen. Ze dragen wapens: zijn vriendjes een stuk bamboe en een katapult, hijzelf een arit, een grasmes, verboden bezit voor een jochie van tien. Op een dag gaat hij in zijn eentje het pisangbos in en opeens staat hij op het achtererf van een mijnheer met zwart haar (…) in pyjama op de gang voor de bijgebouwen. (p. 54) De man woont er met twee honden en noemt ze gatel en zó gelem (p. 55), wat zo ongeveer ‘geil als yoghurt’ betekent.

De eenzelvige Indo vertelt Ippie verhalen over gevechten tussen Javanen en Chinezen en laat met zijn geheimzinnige solitaire manier van leven diepe indruk op hem achter. Wanneer de jongen maanden later met zijn vriendjes speelt bij de rivier, vissen ze een bewegende zak uit het water. Er zitten vier kleine natte blinde hondjes in. De jongens nemen er elk een mee. Dat van Ippie blijft leven, de andere gaan dood. Later begrijpt Ippie pas hoe hondjes op de wereld komen. Nadat hij al wist hoe sommige die wereld weer verlaten:

Als er te veel hondjes waren in een nest, sloegen we er een paar dood, met een grote steen. We verdronken ze niet, piepend en spartelend in een zak die niet wilde zinken, zoals… zoals Oom James.(p. 58)

Nu, in Oom James’ portiekwoning, praten ze over vroeger, de bersiaptijd, de tijd die ligt tussen de Japanse capitulatie en de Indonesische vrijheidsstrijd, een periode waarin je niet wist wie je vriend en wie je vijand was. Oom James komt met een bekentenis die hij nooit eerder aan iemand deed: hij vertelt hoe hij een rampokker, een (Indonesische) plunderaar, vermoordde:

Oom James komt uit zijn stoel en geeft mij een teken op te staan. Voor ik het weet heeft hij mij te pakken, achterstevoren, met een arm om mijn nek.

‘Kijk, zó, Ippie (…) heb ik zijn nek gebroken. Ik heb er altijd naar verlangd om het weer te doen, niet als ik bij mijn verstand ben, maar in mijn nachtmerries. Daarom slaap ik hier op de sofa. Ik durf niet in mijn eigen bed. Om het weer te doen, om het weer te doen, Ippie, om het ongedaan te maken.’

Wat moet ik doen? Kan ik mij losmaken uit zijn dodelijke greep? Oom James is oud en broos, er is altijd een kans dat niet mijn nek, maar zijn oude botten breken. Maar nu draait hij mij de arm op de rug en de pijn begint door mijn schouder te scheuren. Ze staan we, hijgend en zwetend. God weet hoe dat af moet lopen. Dan hoor ik achter mij iemand schreeuwen: ‘Opaatje, wat doe je daar!’

Het is een jong meisje, Oom James’ nichtje Djelma. Zij en Ippie brengen de oude man op diens eigen verzoek naar zijn bed, het bed waar hij niet meer durfde te slapen. Daarna komen Ippie en Djelma elkaar nader. We gingen op de sofa liggen, tussen de blauwe kussens met oranje vogels. Ze was ‘gatel’ en ‘gelem’. Ik joeg in haar lijf naar genot, als een luwak in een kippenhok.

De altijd sluimerende geslachtsdrift bij de jongensachtige helden van F. van den Bosch wordt hier voor het eerst (en het laatst) in zijn oeuvre manifest in bijna pantoenachtige bewoordingen.

Een pantoen is een kort vierregelig Maleis versje dat in de krontjongmuziek wordt gezongen. Pantoens hebben een subtiele, vaak dubbelzinnige woordkeus. Het fragment van F. van den Bosch zou als volgt kunnen luiden:


Op de sofa, tussen kussens blauw met vogels
Is zij gatel en gelem
Ik jaag in haar lijf naar genot
Als een luwak in een kippenhok

Hier klinkt krontjongmuziek uit op. Dat is wat ik bedoel in de mini-biografie over de schrijver in mijn bloemlezing Oost-Indische inkt, wanneer ik de schrijver een hoog krontjong-gehalte in zijn teksten toedicht. Als klassieke pantoen zou deze wel elke subtiliteit ondubbelzinnig missen. De inclusie is wat moderner, die van de onervaren student die nog geen benul heeft van het minnespel. Of die van de Hollander die wars is van wat zweemt naar tantristische seks. Maar de Indische macho noemt zich ietwat verontschuldigend een luwak, een bunzing. Hij en het nichtje van Oom James vergaten de oude man in zijn beangstigende bed toen zij de oranje vogels op de blauwe kussens lieten vliegen op de thermiek van hun passie. En die nacht stierf Oom James.

De bundel wordt afgesloten met een nieuw verhaal over een bezoek aan Lapland, ditmaal zonder herinneringen aan Indië. Heeft F. van den Bosch zijn Indische verleden voorgoed achter zich gelaten? Het antwoord staat in zijn derde verhalenbundel.

*** De paginanummers in deze webversie verwijzen naar een licentie-uitgave van ECI, Vianen 1984; de 1e druk is bij Querido’s Uitgeverij B.V. 1983.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Over F. van den Bosch (1)


Het regenhuis en andere verhalen

Hij is geboren te Utrecht in 1922 en getogen in Baarn, waar zijn moeder les gaf aan het Baarns Lyceum. Daar, schreef hij me in een brief , in de tuin van het Lyceum, vlak achter ons huis, klom ik in de laag-vertakte dennebomen en brulde als een beer tegen de kinderen die om mij heen kwamen staan. Langs ons huis kwam de trein waarmee mijn vader naar zijn werk ging in Amsterdam. Soms ging hij ook naar Oostenrijk of naar Chamonix om de bergen te beklimmen. In de slaapkamer van mijn ouders was een hok met een schuifdeur en een koperen knip. Ik rustte niet vóór ik die knip open kon krijgen en de deur een klein eindje weg kon schuiven (het ging erg stroef), want in dat hok lag een grote stapel bergschoenen, pickels, klimijzers en rugzakken. Daar rommelde ik in, want, dacht ik: ‘Als ik verder en verder in deze hoop spullen kruip, kom ik uit in Chamonix waar vader is.’ De Alpentochten, die mijn vader ondernam toen hij zo in de twintig was, waren de prelude van zijn bergtochten in Indië (in het voetspoor van Junghuhn). En ook voor mij, bij nader inzien. Alleen, mijn ouwe heer liep, op z’n Europees, op spijkerschoenen, maar wij, in Indië opgegroeide kinderen, liepen op ked’s. KED was een Amerikaans merk tennisschoenen, wij noemden alle witte tennisschoenen ked’s.

Ik was vier toen we naar Indië gingen. Nog vóór we aan wal gingen had ik malaria. Mijn eerste jaren in Batavia was ik ongelukkig, lastig, jengelig en ziek. Daar word je Indisch van, weet je, want het gaat in je bloed zitten. Indië is voor mij in hoge mate wat je op foto’s en op de TV niet ziet: hitte, zweet, stof, stank, koorts en masturbatie. En ik leerde (Batavia’s) Maleis van de bedienden en Indisch van de kinderen op straat. Om de haverklap kreeg ik een uitbrander van mijn vader.

‘Praat niet zo Indisch!’

‘Ja, paatje.’

‘En zeg geen ‘pa’ tegen je vader als je ‘t helpen kunt!’
(Want alle Indische kinderen zeiden ‘pa’, en dat was blijkbaar minderwaardig.)

Zo ging het jaren achtereen en de verhouding tot mijn vader werd problematisch. Ik begon te beseffen dat ik net zo’n dubieus jongetje was als Boelie en Boetie en Tjoh en Nono, de vriendjes van de straat met wie ik niet om mocht gaan.

Dit motief, met weglating van de vaderfiguur, vind je terug in Nom-de-guerre uit de bundel Het regenhuis en andere verhalen (Amsterdam: Querido, 1978). Het is een schelmenverhaal over twee jochies die in hun straatspel oog in oog komen te staan met vervaarlijke buaja’s uit de benedenstad maar ze weten te verjagen.

Buaja, hier in een van de oude Maleise spellingen, betekent letterlijk krokodil maar is ook een benaming voor jongens die op een of andere manier aan de rand van de samenleving staan. Buaja’s kunnen boosaardige vechtersbazen zijn, zoals Vincent Mahieu ze beschrijft in bijvoorbeeld Wharrrr-wharrrr-wharrrrr!. E. du Perron beschrijft ze als rondhangende zingende figuren met een gitaar om hun nek. In Gedong Lami uit Het land van herkomst zegt zijn moeder hem dat hij niet met die buaja’s mag spelen. Een van levendigste buaja’s uit de Indische letteren vind ik de figuur George, Tjrot genoemd, uit Toetie van Maria Dermoût. Deze, anders gespelde, boeaja is een aan lager wal geraakte Indo, maar hij gelooft nog in zijn gitaar en zijn muziek: de krontjong.

oost-java by elise favie

De buaja’s in F. van den Bosch’ Nom-de-guerre zijn eerder schavuiten in de belevingswereld van het jongetje dat de straat ontdekt. Met dit verhaal opent de schrijver zijn eerste verhalenbundel.`

Het bevat vier verhalen, die ogenschijnlijk onderling losjes verbonden. De schikking is chronologisch en geeft feitelijk de geschiedenis van een Indische jongen weer. In deze context geen Indo maar een jongen zonder een druppel Indisch bloed met evenwel zoveel soto in de aderen dat hij zijn land van aankomst bijna als zijn vader- of moederland is gaan beschouwen. F. van den Bosch geeft overigens zelden een beschrijving van het uiterlijk van zijn verhaalfiguren, het doet er voor hem kennelijk niet toe. Hij heeft het ook niet nodig, want de aard van zijn figuren is Indisch. De melodie van hun leven is bijna voortdurend tweestemmig: enerzijds is er het jongensachtig seksueel verlangen dat regelmatig de kop opsteekt, anderzijds is er de beleving in of de herinnering aan het voorbije Indië.

In Sarinah, de titel van een bekend Maleis liedje, wordt het leven geschetst in een Japans interneringskamp. Tamelijk onnadrukkelijk vergeleken met boeken uit de zogeheten kampliteratuur, want slechts eenmaal wordt een Japanner opgevoerd. F. van den Bosch beschrijft terloops het vage blauwe silhouet van het Idjèn-hoogland onder de wijde hemel. (p. 17) Ik moet dan denken aan mijn voorouders, die onder andere het Idjèn-plateau in cultuur brachten. Ze plantten er koffie, dat tegenwoordig in een supermarktketen wordt aangeboden onder de naam Gunung Blau.

Er speelt ook een klassiek tijgerverhaal in Sarinah, zo een dat mijn vader me vertelde bij de kolenkachel thuis in Den Haag. Aan de muur hing bij ons een schilderij van de Gunung Semeru, de vulkaan die een plaats kreeg in mijn roman Vogels rond een vrouw en ook door F. van den Bosch in Sarinah wordt herdacht, misschien als terloopse verwijzing naar het werk van Junghuhn.

De schrijver is opvallend expliciet in zijn tekening van Hein van Houten: een Indo. Er is ook een neef van Hein: Oom James. Onthouden die vent. Hier schept Oom James sajoer nog op de borden. Wat gebeurt er verder in het interneringskamp? Weinig. Iemand zingt een liedje, anderen zingen mee: Sarinah en Terang bulan.

Er was die nacht, zoals alle nachten, géén hoog gonzen van motoren in de lucht, géén alarm, géén bombardement van Banjuwangi achter de horizon, en in de onbekende désa aan de andere kant van de kali blafte geen hond. (p. 50)

Een oorlogsverhaal zonder oorlogstaferelen dus. Ik neig er toe te zeggen dat het typisch geen verhaal van de hand van een Indo is. Een Indo vertelt geen oorlogsverhaal zonder oorlogstaferelen. Is dat aantoonbaar? Ik denk het wel, maar ik volsta nu even met deze bewering.

Als ik een toptien moest samenstellen van de beste verhalen uit de wereldliteratuur, dan zette ik er Het regenhuis van F. van den Bosch bij. (Met Het veer van Simon Vestdijk, De reigers van João Guimarães Rosa en De danseres van Izu van Yasunari Kawabata, om u een indruk te geven.) De Japanse tijd is voorbij, de Indonesische vrijheidsstrijd is begonnen. Iemand, een (blank) kind van het land, probeert zich vast te klampen aan dat wat hij aanstonds voorgoed dreigt te zullen verliezen: een huis op vertrouwde Indische bodem. In een bijkans psychotische toestand probeert de hoofdpersoon nog iets van zijn oude toekomstdromen vast te houden: ik zal Manis het regenhuis laten zien. Dan zullen we er samen om lachen, en dan gaan we mangaan zoeken, of iets dat meer de moeite loont. Dan gaan we in Djember of Banjuwangi nieuwe kleren en gouden spelden kopen, handen vol, manden vol, geen erg dure natuurlijk, en dan sturen we Bung Karno een kaart met groeten van Leo en Manis. Onze kinderen kunnen warna negara worden en de palmbladeren zullen ritselen en glinsteren in het licht van de maan als zij oud zijn en aan hun kinderen vertellen dat hun vader diep in het oerwoud een paleis bezat. (p. 63-64)

Maar Indische kinderen zullen weldra niet meer geboren worden in het ontwakende Indonesië, en zeker niet uit Manis en Leo, die zich doodvecht in de maand augustus 1951, toen ikzelf aan de andere kant van de oceaan werd geboren.

De schrijver zelf verliet het land. Wat ik deed na aankomst in Holland? schreef hij me. Ik ging in Leiden studeren, d.i. lanterfanten, films kijken en naar Katwijk wandelen. Ook was ik altijd verliefd, steeds op de verkeerde. En na 1963 ging ik door met lanterfanten en verliefd zijn, verschrikkelijk. Ik werkte overigens aan de UB, later aan de Bibliotheek van de Vereeniging ter bevordering van de Belangen des Boekhandels (heb je dat?). Daar ging ik na verloop van tijd voor halve dagen werken, zodat ik nu moet leven van een half pensioen. Overigens verdeed ik mijn vrije dagen aan reizen naar Lapland en naar Indonesia, naar Amerika en Engeland en Ierland. (…) Mogelijk heeft Aya Zikken, een schoonzuster van mij, mij bij Reinold Kuipers van Querido geïntroduceerd. Reinold zette mij aan tot schrijven, waar het tenslotte moeizaam van kwam.

De hoofdpersoon uit het laatste verhaal van de bundel, getiteld Disponent Anderson, maakt een voettocht in het hoge Noorden, F. van den Bosch’ Lapland. Die zal daar wel niet op ked’s lopen. Het oerwoud in Indië is als het ware getransformeerd in een kil landschap met dennen, waar geen dier is te zien, alleen de elandenkeutels, die er bij honderden liggen. De ik-figuur heeft rijst en dèndèng bij zich, maar een van zijn metgezellen, genaamd Lafaille, die uit Indië komt, chocoladepudding. Ik krijg het koud van dit verhaal, dat voortkabbelt als W. F. Hermans’ roman Nooit meer slapen, een boek dat ik nooit heb kunnen uitlezen. Ik begin te gapen, totdat de ik-figuur, die ten onrechte aldoor Fred wordt genoemd, zich afvraagt: Wat is het eigenlijk dat ik op Linarave zoek? Wat heeft mij hierheen gebracht? Het toeval? (…) Of is het de lange ballingschap in Holland, de verborgen kracht van het heimwee naar Babu Suntjiani, naar mijn vriend Ted, naar een meisje van toen? (p. 102)

Ted heeft dezelfde bijnaam als het jeugdvriendinnetje in Jeroen Brouwers’ latere roman De zondvloed . Tikoes betekent muis en is hier, in het verhaal van F. van den Bosch, een jeugdvriend. De herinnering aan hem, die de oorlog niet overleefde, gaat over in een andere, waarin ze (de Europeanen) als gevangenen in de trein door omstanders langs de spoorlijn worden uitgejouwd. In die tijd liet ons dat gejoel onverschillig, omdat het mager klonk, omdat we wisten dat het was georganiseerd (…) Maar nu, na twintig jaren, hier op Linavare, vreet dat gejoel, als een latente, nooit genezende malaria, van binnen uit. Ik geloof dat ik zit te grienen op Linavares top. Het duurt lang voor ik ben uitgehuild. (p. 103)

Verdriet uit zich niet zelden plotseling op vreemde lokaties, plekken die de treurende geen wonden hebben gebracht. Hier plaatst het als het ware een punt achter Het regenhuis en andere verhalen, een transparant vierluik met een nostalgische trilling in het gezichtsveld van de lezer. Het jongensverhaal van een Indische jeugd, de verstoring van het idyllische leven door de Japanse bezetting, de teloorgang van de koloniale bezetter – zeg de bloedverwant van de hoofdpersoon – en tenslotte de herinnering, met de melodie van het verlies in het hoogste register.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!