In de late lente, of vroege zomer, dit jaar, interviewde ik de crossover (fusion) danseres Aafke de Jong voor Archipel Magazine. Het stuk is nu in PDF te lezen op de website van deze avontuurlijke vrouw. Hieronder staat de tekst in retroblog (31 juli 2011).
Het universum van Aafke de Jong bestaat uit twee gebieden: Nederland en Bali. De rest is behang. Ze studeerde dans. Vijf jaar in Nederland en vijf jaar op Bali. Als choreograaf maakt ze al dan niet nadrukkelijk gebruik van het Balinese dansvocabulaire in een verbuiging naar het westers dansidioom. In moderne dans is Aafke de Jong op het podium zonder meer herkenbaar aan haar verschijning. Maar zodra ze Balinese dans in traditioneel kostuum uitvoert, zie je iemand anders. Wie is deze kameleon en wat drijft haar?
Ze is geboren in Delft (1971) uit Nederlandse ouders met een druppel Wit-Russisch bloed. Haar vader moest beroepshalve veel verhuizen en Aafke wist niet beter dan dat het leven een constante verandering van woonplaats was. Als jong meisje volgt ze klassieke danslessen. Wanneer ze afbeeldingen ziet van een sprookjesland dat Bali heet, raakt ze betoverd en ze belooft zichzelf om er ooit heen te gaan. Tijdens haar middelbare schooljaren danst ze niet, ze tekent veel en schrijft musicals, waarin zijzelf en haar zusje meespelen. Op een dag vindt ze in een reisgids de afbeeldingen terug die haar destijds zo hebben getroffen. Dansende figuren inspireren haar tot een studie moderne dans, jazz- en tapdans aan de Rotterdamse Dansacademie (thans Codarts). Na haar studie stapt ze naar de Indonesische ambassade in Den Haag om een leraar Balinese dans te zoeken. Het wordt al snel duidelijk dat ze daarvoor naar Bali moet. Ze meldt zich per brief aan bij de directeur van het conservatorium in Denpasar. Tijdens het wachten op een studiebeurs loopt ze met de strengheid van een asceet anderhalf uur per dag met een walkman op, woordjes en zinnen prevelend van een Linguaphone taalcursus. In de zomer van 1993 vertrekt Aafke de Jong naar Denpasar.
‘Ik kwam bij een gastgezin inwonen, in de straat Jalan Nusa Indah waar het conservatorium was gevestigd: een traditioneel gebouwd complex. Het was alsof ik een ansichtkaart binnenstapte en het zou nog lang duren eer ik een beetje realistischer over Bali kon gaan denken. Op het conservatorium (thans de ISI), werd gamelan, dans, wajang en beeldende kunst gedoceerd. Al gauw kreeg ik te maken met de Indonesische manier van lesgeven. Als het bijvoorbeeld regende, dan kwamen de docenten niet opdagen (lacht). Mijn Indonesische medestudenten hadden al een basis in de danskunst. Om de vier lessen kreeg je een testles. Ik werd dus meteen het diepe ingegooid. Ik ben toen gaan zoeken naar een externe leraar en kwam terecht bij Ibu Jero Made Puspawati, een meester danser die tot de dag van vandaag overal wordt gevraagd. Van deze vrouw heb ik dat hele jaar elke dag privé-les gehad. Dat was een grote eer! De lessen vonden plaats in het paleis. Haar leerlingen waren Balinese kinderen en voornamelijk Nederlanders en Japanners, mensen uit landen die er nota bene zo hebben huisgehouden.’
‘Moest je geen totale omslag maken met je westers klassieke en moderne dansvormen als bagage?’
‘De danshouding is compleet anders dan die je in het klassieke westerse ballet leert. Hier streef je ernaar jezelf vederlicht te maken, alsof je zó naar de hemel kunt vliegen. In de Balinese dans heb je je voeten plat op de grond en je tenen wijzen omhoog. Je staat aldoor met een gebogen knieën en je maakt een holle rug. Het is een stuk aardser. In het begin hield ik dat hooguit vijf minuten vol. Je draagt een kain als een soort van lange rok en die wordt op zijn plaats gehouden met een bulang, een strook stof van acht meter lang, die als een korset om je lijf wordt gebonden. In dat keurslijf kun je alleen maar hele kleine stapjes maken.. Tegelijk geeft het veel steun, je wordt eigenlijk al meteen in de goede houding gedrukt. Verder is de Balinese danshouding asymmetrisch. De nadruk in je expressie ligt in je handen en je ogen. Persoonlijk heb ik een buitengewone voorliefde voor handen.’
‘Ik kan me voorstellen dat veel van de danssymboliek de westerse toeschouwer ontgaat.’
‘Een zeer belangrijk kenmerk in de Balinese dans is de mimiek. Met de seledet, de oogbewegingen, moet je bepaalde gemoedstoestanden op het publiek overbrengen, afhankelijk van het karakter dat je uitbeeld, zoals een boze demon of een wenende prinses. Als je je ogen laat huilen, sta je bijvoorbeeld niet te springen, maar maak je naar de grond toe gerichte lichaamsbewegingen, die langzaam worden uitgevoerd. Dit gaat in harmonie met de muziek, die dan treurig klinkt. Andere bewegingen zijn weer geïnspireerd op de flora en fauna. Zo stellen trillende vingers de wind voor die door de palmbladeren waait. Armbewegingen kunnen de golven van de zee uitbeelden, maar voeten kunnen ook gerust, in Ibu Jero’s school, een beweging maken die het doodtrappen van een insect voorstelt. Een oog dicht en een oog open, gevolgd door een bepaalde beweging van je hoofd en het plotseling openen van het gesloten oog, staat weer voor een slapende tijger die plotseling uit zijn slaap wordt gewekt. Er bestaat geen eenduidigheid over achterliggende betekenissen, zoals in India. In tegenstelling tot dat land, is er op Bali weinig over opgeschreven. De verhalen uit de Mahabharata kennen ze natuurlijk wel van de wajang, maar ze geven er hun eigen draai aan. Het Hindoeïsme is met de vermenging van het Boeddhisme en animisme op Bali een geheel eigen leven gaan leiden. Toch merk je dat ze de laatste decennia steeds meer steun zoeken in India, nu ze min of meer weggedrukt worden door de moslimcultuur.’
Na een jaar studie in Denpasar gaat Aafke terug naar Nederland en volgt in Leiden de studierichting Indonesische talen en Culturen. Ze bezoekt elk jaar trouw Bali, met een langer verblijf tussendoor van een half jaar om er wetenschappelijk onderzoek te plegen voor een wetenschappelijke scriptie over het Balinese hofdansgenre Legong Keraton. Na deze afgesloten studie lonkt Bali weer, ditmaal voor vier jaar. Standplaats: Ubud. Aafke de Jong richt er DwiBhumi – Centre for Balinese Art and Culture – op met een sponsor in Nederland om de financiële eindjes aan elkaar te kunnen knopen. DwiBhumi werkt dan samen met Museum Puri Lukisan, dat is opgericht in 1956 door de Nederlandse schilder Rudolf Bonnet en de toenmalige koning van Ubud. Balinese kunstenaars geven les in dans, gamelan, houtsnijden, schilderen en wajang, terwijl Aafke er de toelichtingen in het Engels bij geeft. De doelgroep bestaat grotendeels uit middelbare scholieren en toeristen uit Singapore en Australië. Intussen gaan Aafkes eigen danslessen door bij verschillende leraren in Ubud.
Na de bomaanslag in de Balinese plaats Kuta in oktober 2002 lopen de bezoekersaantallen op Bali dramatisch terug. Aafke de Jong keert terug naar Nederland. Maar niet alleen. Ze neemt DwiBumi mee. Thans, acht jaar later, bestaat DwiBhumi nog altijd. In Arnhem. De naam betekent ‘twee werelden’ in het Sanskrit, een taal die in het Balinese theater veelvuldig gebruikt wordt. Het begrip dwi bhumi verwijst naar het Balinese sekala, de zichtbare, tastbare wereld, en niskala, de onzichtbare en ontastbare wereld. Met ‘twee werelden’ worden in Aafkes variant ook de Balinese en Nederlandse culturen bedoeld. In Museum Puri Lukisan in Ubud worden overigens in de geest van DwiBhumi nog altijd culturele workshops gegeven.
‘Naast danseres ben ik choreograaf. Daar richt ik me tegenwoordig erg op. Uiteraard ben ik erg van het Balinese doortrokken geraakt. Het lijkt onmogelijk om de twee werelden, de westerse en de Balinese, bijeen te krijgen, maar ik merk dat het eigenlijk automatisch gaat, dat in wat ik uitdenk en schep vanzelfsprekenderwijs allerlei thema’s uit de Balinese cultuur en uit mijn persoonlijke beleving samenkomen. Dat is voor de onvoorbereide toeschouwer niet altijd zichtbaar. Ik ben er wat huiverig voor om mijn choreografie fusion te noemen. Bang dat ik het etiket krijg opgeplakt van de choreograaf die altijd maar met vrije dansvormen doortrokken van Balinese symboliek komt. Fusion heeft, althans in de danskunst, vaak een negatieve connotatie. Daarom heb ik ook gekozen voor twee verschillende websites (aafkedejong.nl en balinesedans.nl). Ik heb immers met twee verschillende soorten publiek te maken. Bezoekers van mijn lezingen over Balinese dans zijn vaak minder geïnteresseerd in mijn vrije choreografie, en andersom.’
‘Voel je je dan niet soms, zoals een Indo dat kan hebben, als in een spagaat?’
‘Soms wel, ja. Ik voel me niet altijd helemaal thuis hier. En op Bali uiteindelijk ook niet helemaal. Een oude vraag waar ik als meisje al mee worstelde komt weleens bovendrijven: wie ben ik en waar hoor ik nou eigenlijk thuis? Ik voel me in elk geval het lekkerst in gemengde woonwijken, bijvoorbeeld in een stad als Den Haag, met veel ‘Indischiteit’, zoals ik dat zelf noem.’
Na het interview wandelen we naar een Indonesisch restaurant. Ik ben geen snelle wandelaar, vrijwel iedereen loopt sneller op straat dan ik. Maar met Aafke de Jong naast me moet zelfs ik mijn pas inhouden. Het is alsof ik naast een Balinese vrouw loop. Bij het restaurant gaat ze me wel voor en duwt de deur open. Dat is weer Hollands. Wie ben je? Wat je denkt te zijn? Hoe je iets doet? Of wat je in je kunst laat zien?

Zou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.
Alfred Birney treedt op a.s. woensdagmiddag 27 juni in Felix Merites, Amsterdam, en neemt aansluitend deel aan de workshop Nederlandse cultuurmakers met Indonesische roots. Alle informatie is te vinden op de website van Dare2Connect: een centraal podium voor debat, kennisuitwisseling, ontmoeting, presentatie en netwerken op het gebied van het internationale cultuurbeleid en internationale cultuur- en kunstpresentaties.
Als ik de televisie uit mijn zoontjes kamer jat en beneden zet, dan ben ik ziek. Iets met griep of zo. Koortsig. Ik kan dan weinig anders doen dan heel stompzinnig televisie kijken. Ik had lang niet meer gekeken en verbaasde me over wat er zoal werd vertoond. Seks word je nog méér de strot door geduwd, als je snel wegzapt dan vliegen de kogels je om de oren. Verder ijdeltuiterij alom van praatprogrammaganzen. Ik moest de televisie trouwens opnieuw instellen, aangezien de plaatselijke aanbieder weer eens de boel heeft omgegooid. Marokkaanse televisie eraf, Surinaamse televisie erop, dat soort zotternij. Voor Al Jazeera moet worden betaald, laat staan voor Indonesische televisie, die zender alleen al kost 120 euro per jaar. Fijn geregeld voor ons 500.000 nazaten uit die contreie. Vanavond had ik schoon genoeg van die afgrijselijke televisie. Ik plukte Spring, Summer, Fall, Winter… and Spring (2003) van Kim Ki-Duk van de plank en ben eens lekker gaan genieten. Mijn zoon mocht het eerste tafereel meekijken, het was al laat, we gaan de film volgende week samen helemaal bekijken. De film gaat over het leven. Ik bedoel over de eeuwige herhaling van het leven. Over ascese en wereldse verlokking. Ik vergat er bijna mijn fysieke lamlendigheid door. De helft van mijn zoontjes klas heeft kou gevat na de extreem vroege zomer en de intrede van de herfst, dus het zal wel niet aan mij liggen. Ik ben wel al koortsvrij, anders had ik dit niet kunnen of ook maar willen schrijven.