De kameleontische danser Aafke de Jong

In de late lente, of vroege zomer, dit jaar, interviewde ik de crossover (fusion) danseres Aafke de Jong voor Archipel Magazine. Het stuk is nu in PDF te lezen op de website van deze avontuurlijke vrouw. Hieronder staat de tekst in retroblog (31 juli 2011).

Alfred Birney

Aafke de Jong, de kameleontische danser

Het universum van Aafke de Jong bestaat uit twee gebieden: Nederland en Bali. De rest is behang. Ze studeerde dans. Vijf jaar in Nederland en vijf jaar op Bali. Als choreograaf maakt ze al dan niet nadrukkelijk gebruik van het Balinese dansvocabulaire in een verbuiging naar het westers dansidioom. In moderne dans is Aafke de Jong op het podium zonder meer herkenbaar aan haar verschijning. Maar zodra ze Balinese dans in traditioneel kostuum uitvoert, zie je iemand anders. Wie is deze kameleon en wat drijft haar?

Ze is geboren in Delft (1971) uit Nederlandse ouders met een druppel Wit-Russisch bloed. Haar vader moest beroepshalve veel verhuizen en Aafke wist niet beter dan dat het leven een constante verandering van woonplaats was. Als jong meisje volgt ze klassieke danslessen. Wanneer ze afbeeldingen ziet van een sprookjesland dat Bali heet, raakt ze betoverd en ze belooft zichzelf om er ooit heen te gaan. Tijdens haar middelbare schooljaren danst ze niet, ze tekent veel en schrijft musicals, waarin zijzelf en haar zusje meespelen. Op een dag vindt ze in een reisgids de afbeeldingen terug die haar destijds zo hebben getroffen. Dansende figuren inspireren haar tot een studie moderne dans, jazz- en tapdans aan de Rotterdamse Dansacademie (thans Codarts). Na haar studie stapt ze naar de Indonesische ambassade in Den Haag om een leraar Balinese dans te zoeken. Het wordt al snel duidelijk dat ze daarvoor naar Bali moet. Ze meldt zich per brief aan bij de directeur van het conservatorium in Denpasar. Tijdens het wachten op een studiebeurs loopt ze met de strengheid van een asceet anderhalf uur per dag met een walkman op, woordjes en zinnen prevelend van een Linguaphone taalcursus. In de zomer van 1993 vertrekt Aafke de Jong naar Denpasar.

‘Ik kwam bij een gastgezin inwonen, in de straat Jalan Nusa Indah waar het conservatorium was gevestigd: een traditioneel gebouwd complex. Het was alsof ik een ansichtkaart binnenstapte en het zou nog lang duren eer ik een beetje realistischer over Bali kon gaan denken. Op het conservatorium (thans de ISI), werd gamelan, dans, wajang en beeldende kunst gedoceerd. Al gauw kreeg ik te maken met de Indonesische manier van lesgeven. Als het bijvoorbeeld regende, dan kwamen de docenten niet opdagen (lacht). Mijn Indonesische medestudenten hadden al een basis in de danskunst. Om de vier lessen kreeg je een testles. Ik werd dus meteen het diepe ingegooid. Ik ben toen gaan zoeken naar een externe leraar en kwam terecht bij Ibu Jero Made Puspawati, een meester danser die tot de dag van vandaag overal wordt gevraagd. Van deze vrouw heb ik dat hele jaar elke dag privé-les gehad. Dat was een grote eer! De lessen vonden plaats in het paleis. Haar leerlingen waren Balinese kinderen en voornamelijk Nederlanders en Japanners, mensen uit landen die er nota bene zo hebben huisgehouden.’

‘Moest je geen totale omslag maken met je westers klassieke en moderne dansvormen als bagage?’

‘De danshouding  is compleet anders dan die je in het klassieke westerse ballet leert. Hier streef je ernaar jezelf vederlicht te maken, alsof je zó naar de hemel kunt vliegen. In de Balinese dans heb je je voeten plat op de grond en je tenen wijzen omhoog. Je staat aldoor met een gebogen knieën en je maakt een holle rug. Het is een stuk aardser. In het begin hield ik dat hooguit vijf minuten vol. Je draagt een kain als een soort van lange rok en die wordt op zijn plaats gehouden met een bulang, een strook stof van acht meter lang, die als een korset om je lijf wordt gebonden. In dat keurslijf kun je alleen maar hele kleine stapjes maken.. Tegelijk geeft het veel steun, je wordt eigenlijk al meteen in de goede houding gedrukt. Verder is de Balinese danshouding asymmetrisch. De nadruk in je expressie ligt in je handen en je ogen. Persoonlijk heb ik een buitengewone voorliefde voor handen.’

‘Ik kan me voorstellen dat veel van de danssymboliek de westerse toeschouwer ontgaat.’

‘Een zeer belangrijk kenmerk in de Balinese dans is de mimiek. Met de seledet, de oogbewegingen, moet je bepaalde gemoedstoestanden op het publiek overbrengen, afhankelijk van het karakter dat je uitbeeld, zoals een boze demon of een wenende prinses. Als je je ogen laat huilen, sta je bijvoorbeeld niet te springen, maar maak je naar de grond toe gerichte lichaamsbewegingen, die langzaam worden uitgevoerd. Dit gaat in harmonie met de muziek, die dan treurig klinkt. Andere bewegingen zijn weer geïnspireerd op de flora en fauna. Zo stellen trillende vingers de wind voor die door de palmbladeren waait. Armbewegingen kunnen de golven van de zee uitbeelden, maar voeten kunnen ook gerust, in Ibu Jero’s school, een beweging maken die het doodtrappen van een insect voorstelt. Een oog dicht en een oog open, gevolgd door een bepaalde beweging van je hoofd en het plotseling openen van het gesloten oog, staat weer voor een slapende tijger die plotseling uit zijn slaap wordt gewekt. Er bestaat geen eenduidigheid over achterliggende betekenissen, zoals in India. In tegenstelling tot dat land, is er op Bali weinig over opgeschreven. De verhalen uit de Mahabharata kennen ze natuurlijk wel van de wajang, maar ze geven er hun eigen draai aan. Het Hindoeïsme is met de vermenging van het Boeddhisme en animisme op Bali een geheel eigen leven gaan leiden. Toch merk je dat ze de laatste decennia steeds meer steun zoeken in India, nu ze min of meer weggedrukt worden door de moslimcultuur.’

Na een jaar studie in Denpasar gaat Aafke terug naar Nederland en volgt in Leiden de studierichting Indonesische talen en Culturen. Ze bezoekt elk jaar trouw Bali, met een langer verblijf tussendoor van een half jaar om er wetenschappelijk onderzoek te plegen voor een wetenschappelijke scriptie over het Balinese hofdansgenre Legong Keraton. Na deze afgesloten studie lonkt Bali weer, ditmaal voor vier jaar. Standplaats: Ubud. Aafke de Jong richt er DwiBhumi – Centre for Balinese Art and Culture – op met een sponsor in Nederland om de financiële eindjes aan elkaar te kunnen knopen. DwiBhumi werkt dan samen met Museum Puri Lukisan, dat is opgericht in 1956 door de Nederlandse schilder Rudolf Bonnet en de toenmalige koning van Ubud. Balinese kunstenaars geven les in dans, gamelan, houtsnijden, schilderen en wajang, terwijl Aafke er de toelichtingen in het Engels bij geeft. De doelgroep bestaat grotendeels uit middelbare scholieren en toeristen uit Singapore en Australië. Intussen gaan Aafkes eigen danslessen door bij verschillende leraren in Ubud.

Na de bomaanslag in de Balinese plaats Kuta in oktober 2002 lopen de bezoekersaantallen op Bali dramatisch terug. Aafke de Jong keert terug naar Nederland. Maar niet alleen. Ze neemt DwiBumi mee. Thans, acht jaar later, bestaat DwiBhumi nog altijd. In Arnhem. De naam betekent ‘twee werelden’ in het Sanskrit, een taal die in het Balinese theater veelvuldig gebruikt wordt. Het begrip dwi bhumi verwijst naar het Balinese sekala, de zichtbare, tastbare wereld, en niskala, de onzichtbare en ontastbare wereld. Met ‘twee werelden’ worden in Aafkes variant ook de Balinese en Nederlandse culturen bedoeld. In Museum Puri Lukisan in Ubud worden overigens in de geest van DwiBhumi nog altijd culturele workshops gegeven.

‘Naast danseres ben ik choreograaf. Daar richt ik me tegenwoordig erg op. Uiteraard ben ik erg van het Balinese doortrokken geraakt. Het lijkt onmogelijk om de twee werelden, de westerse en de Balinese, bijeen te krijgen, maar ik merk dat het eigenlijk automatisch gaat, dat in wat ik uitdenk en schep vanzelfsprekenderwijs allerlei thema’s uit de Balinese cultuur en uit mijn persoonlijke beleving samenkomen. Dat is voor de onvoorbereide toeschouwer niet altijd zichtbaar. Ik ben er wat huiverig voor om mijn choreografie fusion te noemen. Bang dat ik het etiket krijg opgeplakt van de choreograaf die altijd maar met vrije dansvormen doortrokken van Balinese symboliek komt. Fusion heeft, althans in de danskunst, vaak een negatieve connotatie. Daarom heb ik ook gekozen voor twee verschillende websites (aafkedejong.nl en balinesedans.nl). Ik heb immers met twee verschillende soorten publiek te maken. Bezoekers van mijn lezingen over Balinese dans zijn vaak minder geïnteresseerd in mijn vrije choreografie, en andersom.’

‘Voel je je dan niet soms, zoals een Indo dat kan hebben, als in een spagaat?’

‘Soms wel, ja. Ik voel me niet altijd helemaal thuis hier. En op Bali uiteindelijk ook niet helemaal. Een oude vraag waar ik als meisje al mee worstelde komt weleens bovendrijven: wie ben ik en waar hoor ik nou eigenlijk thuis? Ik voel me in elk geval het lekkerst in gemengde woonwijken, bijvoorbeeld in een stad als Den Haag, met veel ‘Indischiteit’, zoals ik dat zelf noem.’

Na het interview wandelen we naar een Indonesisch restaurant. Ik ben geen snelle wandelaar, vrijwel iedereen loopt sneller op straat dan ik. Maar met Aafke de Jong naast me moet zelfs ik mijn pas inhouden. Het is alsof ik naast een Balinese vrouw loop. Bij het restaurant gaat ze me wel voor en duwt de deur open. Dat is weer Hollands. Wie ben je? Wat je denkt te zijn? Hoe je iets doet? Of wat je in je kunst laat zien?

Nederland leest nog steeds niet

Afgelopen zomer verscheen volkomen onverwacht een goedkope herdruk van mijn beruchte bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998). Het kostte me enig gepieker over de beweegredenen van de uitgever. Ik bedacht dat de heruitgave wel te maken zou hebben met de komende gratis verspreiding van de novelle Oeroeg (1948) van Hella S. Haasse. Indië zal dan immers weer even en vogue zijn en elke moderne uitgever speelt daar natuurlijk alvast op in.

Ik had Oeroeg aanvankelijk buiten de opzet van mijn bloemlezing gehouden. Dat het er tóch in kwam, gebeurde op hevig aandringen van een redacteur wiens referentiekader weinig breder was dan de leeslijst die hem op de middelbare school onder de neus was geschoven. De bloemlezing wierp zoveel stof op dat ik me genoodzaakt zag een verweerschrift op te stellen in mijn postmodern Indisch jaarboek Yournael van Cyberney (2001). Naar aanleiding van een minder vleiende terzijde van me over Oeroeg werd ik door Hella Haasse en haar paladijn Rudy Kousbroek ter verantwoording geroepen op een podium in het toenmalig Indisch Huis aan de Javastraat te Den Haag. Dat was in 2002, ruim een halve eeuw na de verschijning van Oeroeg.

debat birney kousbroek haasse

Tijdens dat debat, of kruisverhoor, wierp de schrijfster mij voor de voeten dat ik haar een “trut” had genoemd in Yournael van Cyberney. Onzin, hoe treiterig ook Kousbroek, altijd in voor een rel, met zijn vinger op de gewraakte passage (p. 10) wees. Ik had gesproken over “dat tuttig Eurocentrisch romannetje Oeroeg”. Maar, zo redeneerde Haasse, als ik haar boek zo noemde, dan noemde ik haar óók zo: een trut, wat volgens haar hetzelfde was als een tut. Dat de schrijfster, overigens dol op dictees, weinig gevoel voor nuances had, dat was Tjalie Robinson ooit al opgevallen in zijn stuk Nogmaals Oeroeg, gepubliceerd in Oriëntatie, Jakarta, juni 1948.

Nog even en Nederland Leest editie numero 4 gaat van start. De Stichting CPNB, flink onder de loep genomen in Yournael van Cyberney, heeft voor de gelegenheid dus maar weer eens Oeroeg uit de kast gehaald. Deze koloniale troonopvolger van Orpheus in de Desa (1900) van Augusta de Wit is werkelijk niet van de Hollandse dijken af te meppen. Het boek, dat aan zijn 47e druk toe is en allang op elke Hollandse zolder ligt te verstoffen, vormt waarlijk het onomstotelijke bewijs dat de CPNB tot de minst fijnzinnigste leesclub ter wereld kan worden gerekend. Toch vrees ik dat aanstonds gans het Bataafse Koninkrijk de gratis distributie van Haasses beroerde klassieker even hard zal toejuichen als een doelpunt van Oranje tijdens een WK of EK, al is het vanuit buitenspelpositie gescoord.

Oeroeg verhaalt over de vriendschap tussen de ik-figuur, een Hollandse zoon van een administrateur op een theeonderneming in het Nederlands-Indië van voor de Tweede Wereldoorlog, en een Indonesische jongen. De Hollandse zoon gaat in Delft studeren en het tweetal groeit uit elkaar. Eenmaal terug in Nederlands-Indië, waar het koloniale tijdperk ten einde loopt, blijkt hun verwijdering een onoverbrugbare kloof geworden. Indo’s spelen een bijrol, zoals in de meeste boeken van blanke auteurs.

Belangrijk om te weten is dat het manuscript van Oeroeg onder motto was ingestuurd voor het Boekenweekgeschenk. Nederland, amper bekomen van de Duitse bezetting, vocht als een idioot overzee voor behoud van de kolonie. Indië was hot, het verhaal kwam als een geschenk uit de hemel vallen. Hella Haasse heeft haar eersteling tot op hoge leeftijd verdedigd tegen aanvallen van vooral Indo’s die het maar een boek van niks vonden. De bekendste was Tjalie Robinson, volgens Wim Willems in de vooraankondiging van zijn biografie “de enige echte Indo-schrijver van Nederland”, een stempel dat je nooit meer van het internet af krijgt en impliciet voor de niet-kenner uiteraard een diskwalificatie vormt voor de talloze overige zogenoemde echte Indo-schrijvers.

Het boek heet intussen Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008). Een interessante vraag bij de biografie van een schrijver is altijd in hoeverre deze werkelijk invloed heeft gehad op de Nederlandse literatuur. Biograaf Wim Willems wijdt één bladzijde aan Tjalie Robinsons aanval op Hella Haasses Oeroeg en schrijft onder meer:

Het kwam erop neer dat de criticus (=Tjalie Robinson – AB) alles wat hij las door en door vals vond. Dat ging ook op voor het karakter van de jeugdvriendschap tussen Oeroeg en de Hollandse ikfiguur, met zijn kleinerende opmerkingen over inlanders, die Tjalie als pure laster ervoer. Hij had genoeg Indonesische kameraden gehad, schreef hij, en hoewel er in de vooroorlogse koloniale wereld nooit echte broederschappen ontstonden, ook niet met Indische jongens, zou er pertinent geen scheidsmuur hebben bestaan, zoals Haasse suggereerde. Dat een vroegere schoolkameraad zich in die tijd van de politionele acties ineens ontpopte als een gezworen vijand, vond hij al even ondenkbaar. (p. 222,223)

Deze tamelijk afstandelijke samenvatting van de literaire perkara tussen Tjalie Robinson en Hella Haasse is wat kort door de bocht. Je zou bijna denken dat Willems in dezelfde valkuilen trapt als Haasse en dat hij beter een biografie aan háár had kunnen wijden.

In Nogmaals Oeroeg (herdrukt in de Pasarkrant, november 1993) komt Tjalie met een genuanceerde opsomming van onjuistheden, onwaarachtigheden en onnozelheden uit het proza van Haasse. Tjalie stelt dat het onderwerp in Oeroeg door zijn (politieke) actualiteit alle interesse van de pers heeft en dat daardoor de kritiek vrij gunstig is geweest. Hetzelfde zie je overigens een halve eeuw later terug met de overdreven positieve waardering van de pers voor soms zeer middelmatige boeken van zogeheten “allochtone” auteurs. Je zou kunnen zeggen dat de pers “goed fout” is door op die manier iets te willen bedekken dat zó diep geworteld in de samenleving is dat het lijkt alsof Nederland nooit racistisch was. Maar Tjalie dook diep in Oeroeg en wees op de talloze psychologische fouten en tekortkomingen in vooral het latere leven van Oeroeg en zijn vriend:

‘We hebben je op Pasar Baroe gezien met je djongos’ en ‘Ben je weer met je Inlander uit geweest’. Zulke dingen wèrden niet gedacht en wèrden niet gezegd. Dit is ergerlijke, hatelijke en onverdiende laster. Wij hadden allemaal onze Indonesische vriendjes, ook in soortgelijke dienstverhoudingen. Maar als kameraad waren ze kameraad, afgelopen. De smeerlap, die zoiets gezegd zou hebben, zelfs voor de grap, zou of van de aangesprokene, of van diens Indonesische vriend een pak ransel hebben opgelopen. Ja, we vochten gemakkelijk en veel in die tijd. Zeer zeker was er geen sprake van broederschap, daar waren we (aan beide zijden) te nuchter en te eerlijk voor. Maar er was pertinent ook geen scheidsmuur, waar Hella ons aan wil doen geloven.’

Misschien zou Tjalie beter zijn begrepen als hij had geschreven dat de schrijfster een politieke scheidsmuur verwarde met een koloniale, die veel ingewikkelder lag. En die een veel grotere tragiek kende. Díe tragiek kende Tjalie Robinson als geen ander en Hella Haasse kende die domweg niet. Dat proef je uit de verdere woorden van Tjalies polemische stuk Nogmaals Oeroeg:

Ik ben in de bersiaptijd ook vrienden van vroeger tegen het lijf gelopen […]. En op het moment dat je mekaar herkent, dan heb je spijt van je ‘vijands-uniform’ en hij van z’n rood-witte badge. Je zegt ‘Hallo John!’ en ‘Hallo Tjalie!’ en je geeft mekaar verlegen een hand. Dat is duizendmaal gebeurd hier. Zij in hun groep en ik in mijn groep zouden elkaar niet herkend hebben en verbitterd met elkaar zijn slaags geraakt, ja. Maar in de besloten confrontatie is dat pertinent niet mogelijk. Als er ooit vriendschap geweest is, verstaan? Zelfs toen ik mijn oog minachtend monsterend liet gaan over de neergehurkte krijgsgevangenen en alleen snipers zag, toen nog ontdekte mijn oude oog in een halfnaakte met gebogen hoofd zittende peloppor de schoolkameraad van mijn broertje, Wadjah. We hebben elkaar gesproken ‘net als toen’ en dat was ‘rot, rot en nog eens rot’.

Tjalie maakte dus onderscheid tussen kameraadschap en broederschap en tussen soorten van scheidsmuren. Dat onderscheid vond hij niet terug in Oeroeg. En ik ook niet. In Oeroeg hangt vriendschap kortom af van politieke omstandigheden zoals men die in het Westen kent. Tjalie schrijft:

Als je dan aan het slot van deze levensbeschrijving van twee jeugdvrienden leest: ‘(Zijn) diepte peilde ik nooit. Is het te laat?’, dan pas realiseer je je het gevaar van dit boek: als zelfs een Hollandse jongen, zo innig samen opgegroeid met een Indonesische jongen, niets dan onpeilbare diepte peilt en wanhopig uitroept: ‘Is het te laat?’, hoe dan alle andere Hollanders en Indonesiërs? Ja, als het werkelijk zo is, schei dan maar uit met peilen.

Nou Tjalie, ze zijn nog altijd bezig met peilen. En zij die uitgepeild zijn, hebben dat niet gedaan omdat ze het hebben begrepen, maar omdat er inmiddels andere “doelgroepen” rondlopen die zo nodig gepeild moeten worden. We leven hier in het laagland ver beneden de zeespiegel. Het peilen zit ze in het bloed, de Batavieren. Of de CPNB ooit jou nog aan de beurt laat komen, zou ik niet weten. De CPNB is simpelweg niet te peilen, Tjalie.

* * *

Ik kreeg veel e-mails van mensen die op een of andere manier niet de hand weten te leggen op het herfstnummer van Archipel Magazine. Opvallend veel mails waren afkomstig uit het buitenland. Daarom heb ik besloten het artikel online te zetten, op gevaar af van zure blikken van Archipel Magazines hoofdredacteur. Enfin, doe er uw voordeel mee. For the sake of the Indo, zal ik maar zeggen.

Bronnen: Alfred Birney: Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998, herdruk 2009); Alfred Birney: Yournael van Cyberney (2001); Siem Boons weblog Fotografie & Schrijverij (met de volledige tekst van Tjalies nogmaals oeroeg en de volledige achtergrondgeschiedenis van Kousbroek & Haasse versus Tjalie Robinson zaliger); Hella S. Haasse: Oeroeg (1948); Tjalie Robinson: Nogmaals Oeroeg. Oriëntatie, Jakarta, juni 1948; herdrukt in de Pasarkrant, november 1993; Wim Willems: Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008); Augusta de Wit: Orpheus in de desa (1900).


© 2009 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfst 2009

Ibu Bhumi van Gerard Morsterd

Ik bezocht vanvond de voorstelling Ibu Bhumi van Gerard Mosterd in Theater de Regentes. Een mix van Nederlandse dansers en Indonesische dansers met een pencak silat-achtergrond gaf een enorme dynamiek. Het stuk staat gepland op de Tong Tong Fair op donderdag 21 mei op het onzalige tijdstip van half één in de middag. maar Gerard Mosterd verdient toch eerder de spot om acht uur in de avond.

Uit het leven van een schrijver

Hallo A.,

Hoe gaat het? Ga je dit jaar iets doen op de Pasar Malam, ik bedoel de Tong Tong Fair? Ik heb een vraag. Op verzoek van Johnny Rahaket, violist en koorleider van het 100-koppig Colourful City Koor in Nijmegen, ga ik een bundel samenstellen met een aantal verhalen van zes auteurs, Indisch, Indonesisch en één Nederlander voor het contrast, met als onderwerp de PUPUTAN op Bali, ruim honderd jaar geleden. Ik heb al een paar namen, waar jij er een van bent. Het is onderdeel van de voorstelling PUPUTAN in juni van dit jaar. Hij wil de bundel presenteren op de Tong Tong Fair. Dit betekent dat ik je verhaal, als je mee wilt en kunt doen, – wat ik van harte hoop! – uiterlijk 10 maart moet hebben. Wanneer je ja zegt, mail ik je de voorwaarden. Ik zeg er meteen bij dat er geen vorstelijke gage achter zit, maar vast wel eeuwige roem.

Ik hoor graag van je.

Intussen hartelijke groet van

Z.

Hallo Z.,

Dank voor je uitnodiging, al is het wat kort dag vanwege overige opdrachten. In principe wil ik wel meedoen, maar eerst wil ik de volgende dingen weten:

1. het aantal woorden van het verhaal
2. de termijn waarin het verhaal niet in een andere uitgave mag worden geplaatst
3. het honorarium
4. de namen van de andere schrijvers
5. de uitgever van de bundel
6. de omvang van de bundel
7. de verkoopprijs van de bundel

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Fijn dat je zo snel antwoordt. Ik kan je nog niet op alle vragen antwoord geven, maar wel zo snel mogelijk. Ik ben van 5 t/m 25 februari niet thuis, maar we kunnen wel mailen. Johnny Rahaket wil dit boek koppelen aan de voorstelling Puputan (waarvan het script geschreven wordt door Frans Lopulalan), omdat hij (en ik) steeds weer ontdekken dat men er nauwelijks iets van weet. Schuldgevoel van de Nederlandse kant? Verdringing? De première is op 11 juni en dan volgen er nog een paar voorstellingen in het land. Er wordt hard gewerkt voor en achter de schermen. Zo, nu weet je in elk geval weer iets meer.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Ik antwoord zo snel omdat de uitnodiging erg laat komt. Bij zulke projecten wordt een schrijver gewoonlijk een half jaar tot een jaar tevoren gepolst en niet anderhalve maand voor een deadline. Wordt het boek in eigen beheer uitgegeven misschien? Ik kan Frans Lopulalan wel mailen, maar wat zou hij me dan verder weten te vertellen? Het aantal woorden en de hoogte van het honorarium kun je toch wel alvast noemen? Een goed verhaal heeft tijd nodig, ik ga niets afraffelen, de thematiek is al lastig genoeg. Dus geef de eerste gegevens die een schrijver nodig heeft en niet eerst de deadline.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Het idee van een boekje is pas een week geleden geboren. We zaten met de gedachte dat we iets moesten doen om wat kennis over de puputan te verspreiden. Het zijn toch zeer tragische en bittere momenten in de geschiedenis van Indonesië en ik denk ook een beetje van Nederland. Vandaar mijn vrij late verzoek. Het aantal woorden heeft een ruime marge: 2000 -3000. Het honorarium: dat kunnen wij niet geven. Behalve natuurlijk een aantal boeken voor elke auteur. Wij hopen dat de auteurs deze gelegenheid willen aanpakken als een vorm van PR. In elk geval schrijft Paula Gomes een verhaal, en Carola Eijsenring, een beginnend schrijfster die al verschillende prijzen won in Brabant. Verder zal mijn opdrachtgever Johnny Rahaket overleggen met Frans Lopulalan om een fragment van zijn script in het boek op te nemen. De Indonesische auteur die wij hebben benaderd is Agus Sarjono, een grote naam in de Indonesische literaire wereld en daarbuiten. Heeft in opdracht van de Universiteit Leiden en de Heinrich Böll Stichting gewerkt en verbleef daarvoor twee keer acht maanden in respectievelijk Nederland en Duitsland. Hij gaat deze verhalen ook vertalen in het Indonesisch en wij gaan praten over publicatie, in en na overleg met de auteurs. Hij is onder meer redacteur van het literaire tijdschrift Horizon. Ik meen uit je mail op te maken dat je “not amused’ ofwel een beetje geïrriteerd bent. Terecht, ik ben niet duidelijk genoeg geweest, waarvoor mijn excuses. Ik ken jou als een gedegen werker en je zult zeker niets afraffelen, dat hoort niet bij jou. Maar de tijd is inderdaad krap en hoe dit komt heb ik hierboven uitgelegd. Als je, na dit gelezen te hebben, denkt dat je het onder deze omstandigheden niet kunt of wilt, even goede vrienden. Ik hoop alleen dat je aan me denkt als overenthousiast voor de goede zaak: een beetje eerherstel voor de Balinees.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Nou, dat “not amused” is natuurlijk iets dat door gaat klinken in mijn mails omdat ik wel vaker vage uitnodigingen krijg met summiere informatie. Te vaak heb ik iets geschreven en er niets voor betaald gekregen, zelfs geen boek opgestuurd gekregen en ga zo maar door, ook voor buitenlandse contacten. Deze gang van zaken wordt met de tijd ook “normaler”: men krijgt een idee, men stuurt even een mailtje en dan ziet men wel weer. Nou blijk jij ook al aan die rare mode mee te gaan doen. “Het idee voor het boekje is een week geleden geboren.” Wat is dat nou, Z.? Ik ben toch geen beginner of zo? Als jij het niet was geweest, dan had je mail allang weggemieterd ja, maar ik vind jou toevallig aardig. Kijk, die vragen van me zijn doodsimpel en de antwoorden daarop horen gewoon in een uitnodiging, zelfs al heb je er geen antwoord op. Dus: uitgever, aantal woorden, eventueel honorarium, oplage etc. Of: wij kunnen u helaas geen honorarium bieden, het idee is pril etc. Dan kan ik direct bepalen of ik er mijn energie in moet gaan stoppen. Maar dat weet je nu wel. Het heeft trouwens niets met Indo’s te maken, de hele wereld werkt zo en dat bevalt me in het geheel niet, amen. Schrijvers als sluitpost van de begroting, dat zit me tot hier, dat moet zo niet doorgaan, dat is een schande. Maar goed, ik blijf in principe, uit sympathie voor jou, nog een klein beetje beschikbaar. Rest mij nog één vraag: wordt het een “boekje” (zo’n stapeltje ingelijmd papier met een kris erop die door het hart van de een of andere Balinees gestoken wordt) of wordt het een serieuze uitgave? Dus: wordt het gewoon een aardige gelegenheidsuitgave dat tijdens en na de voorstellingen wordt uitgedeeld of verkocht, of wordt er een ISBN-nummer aan vastgeplakt en staat er de naam van een uitgever op? Laat me dat nog even weten. Waarom kwamen jullie hier trouwens niet drie jaar eerder mee? Deze zaak is in 1906 al ruimschoots herdacht, een van mijn uitgevers is met de heruitgave gekomen van een boek over die rare actie van die stomme Belanda’s. Beetje mosterd na de maaltijd.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Natuurlijk heb je gelijk. Ik ín mijn enthousiasme spring ik erin, ja, gaan we doen. Laat ik even voorop stellen dat ik niets betaald krijg voor dit project, zal ik maar zeggen. Ik ga nu proberen je het verhaal te vertellen vanaf het begin.

1. Johnny Rahaket zei zo’n anderhalf jaar geleden in een gesprek tegen mij: Eigenlijk gaat een bepaalde vorm van puputan nog steeds door, anno nu. Ik wil er iets mee doen. Uitgangspunt was zijn vader, KNIL-man, je moet doden als het moet, want je bent militair. Ik heb Johnny ooit geïnterviewd en het is een bitter verhaal. Hij stelde zijn koor voor om naar Bali te gaan en les te nemen in kecak, in de opmaat naar de puputan-voorstelling. Dat was in juni/juli vorig jaar. Zo’n zestig koorleden zijn gegaan. Ik was erbij als tolk. Ik heb het zien groeien. De lessen zijn allemaal gefilmd, zodat de bewegingen en ‘commando ‘s’ etcetera goed waren. Praktisch niemand had nog ooit van de puputan gehoord. Er is een puputan kerkhof op Bali, maar die is van recente datum, van 1947. Terug in Nederland heeft Johnny Frans Lopulalan benaderd om het script te schrijven. Als je ziet wat het koor nu doet en kan ben je sprakeloos. Het is een groot project en ik heb begrepen dat de TV belangstelling heeft. Mijn rol in het geheel is op de achtergrond meekijken, meelezen, meedenken.

2. Het boek. Om de draad met het publiek nog een beetje vast te houden, leek het een goed idee een boek(je) samen te stellen over de puputan. Johnny gaf mij de vrije hand in het benaderen van auteurs. Omdat ik Indische ben, and proud to be one, wilde ik aanvankelijk alleen Indische auteurs. Maar al pratende leek het ook spannend er een Nederlandse en een Indonesische auteur bij te halen. Ik had iemand in gedachten omdat hij een prettige schrijfstijl heeft, al is hij meer een Midden-Oosten kenner. Maar na een gesprek met Frans kwam ik op Ewald van Vugt die twee jaar geleden een boek over de puputan heeft geschreven. Zijn uitgever In de Knipscheer heb ik gepolst en die heeft er wel oren naar. Wanneer het te lang gaat duren, wil Johnny het in eigen beheer uitgeven. Gebonden met een hard kaft, of gelijmd met een gelamineerde kaft, dat weet ik nog niet.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo Z.,

Dat boek van Ewald van Vugt was een heruitgave, het was al eerder in 1986/87 uitgebracht. Ik heb me het lazarus lopen zoeken maar ik heb het waarschijnlijk uitgeleend en zoals je weet komen geleende boeken nooit retour. Beroerd geschreven vond ik het, niet om doorheen te komen, maar Ewald VanVugt is wel dé kenner bij uitstek over Puputan 1906, hij heeft er ook lezingen over gegeven. Ik ben nu dat boek van Edita Morris aan het lezen, Poepoetan, want mijn kennis van de Balinese geschiedenis is slecht, ik heb me altijd verdiept in de Javaanse zooi, dat vond ik al meer dan genoeg. Ik ben nu aan het kijken of ik inderdaad iets zinnigs of iets moois over Puputan zou kunnen schrijven. Technisch kan ik dat wel, maar je moet ook een drive hebben, een wil om het te doen, en die ontbreekt nog bij mij, niet omdat ik niet betaald krijg maar omdat ik helemaal niets heb met Puputan, het verhaal heeft me eenvoudigweg nooit aangesproken. Dus dat is momenteel het probleem: kan ik iets met het thema? Dat Johnny Rahaket liefst zestig koorleden meeneemt, moet wel heel veel geld hebben gekost. Ik vind het nu nog absurder en idioter dat die man niet eerst even normaal over zijn begroting nadenkt. Het is mij allemaal veel te veel van hup we gaan eens even op Bali kijken, we smijten er al het geld tegenaan, we stoppen alles in het koor en… o ja, nu we anderhalf jaar verder zijn, gut laten we Frans Lopulalan eens voor het script vragen, helaas is er geen geld, we moesten namelijk een half vliegtuig afhuren, begrijpt u wel? Ik vind dit zo verschrikkelijk idioot van die man, dat mag je hem gerust zeggen hoor, dat ie een beetje collegialer moet zijn in plaats van als een kinderjuf maar even met een enorme groep naar Bali te vliegen – weet je wat dat kost, Z.? En weet je wat een schrijvertje kost? Nog geen zitplaats in zo’n vliegtuig. Nou, waar hebben we het dan eigenlijk over? Laat die vent maar extra subsidie aanvragen.

Hartelijke groet,

A.

Hallo A.,

Een onmogelijke love story, een sprookje of zo, zit dat er niet in? Mij spreekt dat verhaal nog steeds aan hoor. Ik voel woede naar de Hollanders die een volk, dit volk, koste wat kost wilden onderdrukken en zo trots was dat zij zich niet liet onderdrukken. Iedereen heeft zijn eigen reis en verblijf betaald, zo enthousiast waren de koorleden. Ik ook. De korting die we kregen vanwege het grote aantal werd hoofdelijk omgeslagen. En nu zeg ik, net als Tjalie tegen zijn vriendje zei: Kallem dong. Vriendje met opgeheven vuist: Ini kallem. Uit: Piekerans. Tot nu toe heeft dus iedereen er zijn eigen geld ingestoken. Het is iets van: geloven in een droom, in dit geval een mooie productie. Want mooi wordt het.

Hartelijke groet,

Z.

Hallo A.,

Hierbij een artikel dat ik uit Australië ontving. Misschien heb je er iets aan. Verder wil ik je zeggen dat ik voor het eerst over de puputan hoorde, of liever las in het boek Liebe Und Tod auf Bali van Vicky Baum. Ik vind het nog steeds een mooi, ingetogen geschreven boek. Het fragment staat op de laatste pagina ‘s. Het is vertaald en heet dan Liefde en dood op Bali. Vast overbodige info voor jou, maar ik geef het toch maar voor alle zekerheid. Verder ga ik op Bali dichter/schrijver Nyoman Wijaya ontmoeten die over de puputan heeft geschreven. Hebben we dus de Indonesische invalshoek. Ik ga dat fragment in het Nederlands vertalen. Ik heb achteraf gezien het grote geluk gehad een deel HBS en helemaal SMA te hebben gedaan in Indonesië. Daarna heb ik cursussen Bahasa Indonesia gedaan. Ik heb dus the best of both worlds gehad.

Salam,

Z.

Hallo Z.,

Het enige dat ik kan verzinnen is een monoloog met scheldproza dat zo ongeveer zegt dat het die stomme Belanda’s toch allemaal niets kan schelen en dat dat hele puputan-verhaal niet eens vergeten hoeft te worden, simpel omdat het nooit gekend is, etcetera – dat is het enige dat me na een paar dagen van gepeins te binnen schiet. Het puputan-verhaal vervult me namelijk met zoveel weerzin dat ik er alleen maar over kan schelden en mopperen, maar dat schijn ik goed te kunnen – dus geen geseyck over liefde en al dat Vicky Baum- en Evita Morris-gezwam, gewoon lekker schelden, te beginnen op Multatuli met zijn Saidjah en Adinda en dan komen die Batavieren vanzelf wel aan de beurt. Wil je scheldproza? Ja? Nee? Let me know.

Groet,

A.

Dag A.,

Sorry dat ik je nu pas antwoord. Bedankt voor je antwoord. En nogmaals, de schrijvers waren niet een sluitpost. Ik heb gedacht en gehandeld vanuit mijn Indisch-zijn: gotong royong, samen sterk. Ik ben lekker een dagje op familiebezoek geweest. Ik vertrek 5 februari naar Bali via Hong Kong en ben 25 februari terug. En oh zaligheid, ik ga ook een paar dagen naar Surabaya, waar ik ben geboren. Ik heb goed nagedacht over je voorstel en ik denk dat “scheldproza”, zoals jij dit noemt, niet zal passen met de rest van de inhoud van het boekje. Het zou er geen recht aan doen en aan de andere auteurs ook niet. Dus met heel veel spijt moet ik je bedanken voor je moeite tot nu toe. Mocht zich ooit weer iets voordoen, mag ik dan terugkomen? En dan wel met zoveel mogelijk informatie. Ik heb hier echt van geleerd. Dank je voor je duidelijkheid hierin.

Salam manis,

Z.

Zeg F.,

Nou heb ik die Z. waerachtig een schitterend voorstel gedaan, gratis en voor niets, en nu vindt ze mijn idee te eh… kasar! Wat moeten die Batavieren nou met een sprookje of een liefdesverhaal? Dat is voer voor neokoloniale sentimenten. Gescheld, gemopper en gekanker, dat is het enige wat bij dit project past.

Nah,

A.

Tjalie

tjalie robinson biografie Zou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.

© 2008 Alfred Birney. Verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 20 december 2008, waarschijnlijk onder een uitgebreidere titel.

Pindakaasfestival

Op het Pindakaas Festival in Den Bosch op zaterdag 16 februari a.s. treed ik op als gespreksleider in The Battle of the Columnists, met Theodor Holman, Frans Lopulalan, Hans Vervoort, Roy Piëtte en Kees Schepel. Het Pindakaasfestival is een multicultureel festival voor (quote) ‘derde generatie pinda’s, indo’s en nieuwsgierige kaaskoppen’ en biedt een keur aan Indonesische en Nederlands-Indische kunst, film, vele uiteenlopende voorstellingen en als afsluiting een Asian Party. De ‘battle of the columnists’ wordt georganiseerd door Archipel Magazine, die op het festival ook een lounge heeft, waar de lezer kan zien hoe het blad wordt gemaakt. In de wintereditie van Archipel staat een 10 pagina’s grote special over het pindakaasfestival, met portretten en achtergrondinformatie over de artiesten. Kijk voor meer informatie op www.pindakaasfestival.nl

Van oude gewoonten, de verwarring die niet voorbijgaat

alfred birney op podium

De Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA) heeft een auto gestuurd om mij van huis te halen en weer terug te brengen. Mijn chauffeuse ziet er goed uit, rijdt swingend en is een onderhoudend gesprekspartner. Ze oriënteert zich als antropologe op de gevolgen voor Nederlandse soldaten buitengaats die een kameraad verliezen. Maakt dat verlies ze terughoudender of juist wraakzuchtig? Interessante vraag. Ik maak haar attent op mijn roman De onschuld van een vis (1995), die de verregaande gevolgen beschrijft van de oorlog die Nederland in Indonesië voerde.

Ik bereid me niet meer voor op lezingen. Ik beklim het podium en zie wel. Mijn leerschool kreeg ik in Indonesië tijdens mijn promotournees, waartussen onverwachte gastcolleges en optredens werden gewurmd. Er is wel een groot verschil tussen de podia daar en hier. Aan de overkant heeft het publiek een helderder beeld van de koloniale geschiedenis dan hier. Dat is niet verwonderlijk, want het waren de Nederlanders die kwamen, zagen, overwonnen, verloren en weer gingen.

Jonge Indonesiërs zeggen graag dat ze niet weten waar Nederland ligt en dat het hun ook helemaal niet interesseert, maar ze kennen wél allemaal de speelfilms waarin de vrijheidsstrijd jegens de ‘belanda’s’ wordt opgerakeld, zoals Nederlanders die kennen met hun wrok jegens de ‘moffen’. Suffe Nederlandse toeristen krijgen soms te horen dat het leven in de koloniale tijd beter was en dat Indonesiërs zelfs zouden wensen dat ze weer terugkwamen. Het is bespottelijk dat er nu nog Nederlanders zijn die deze beleefdheidsuiting serieus nemen. Ik trof er zelfs eentje tijdens de workshop in Felix Merites, Amsterdam, waar de chauffeuse me had afgezet.

Ik moest er een discussie inluiden met voorlezen uit eigen werk. Ik was het podium nog niet af of ik kreeg in de gaten dat er drie partijen waren en ik mijn positie als Indo weer eens moest gaan verdedigen in een zaal waarin het wemelde van mensen die een of andere gesubsidieerde club vertegenwoordigen en dus meer belang dan belangstelling hebben.

Onder het motto dare2connect was een dag georganiseerd die in het teken stond van culturele uitwisselingen tussen Nederland en Indonesië. Nou is dat een hels karwei – je zou er een volle week voor moeten uittrekken -vooral als je zo volledig mogelijk wilt zijn. Literatuur, film, architectuur, godsdienst, de koloniale geschiedenis… bijna alles wat je kunt bedenken kwam in drie simultane workshops aan de orde.

Ikzelf was ingedeeld bij de workshop Nederlandse cultuurmakers met Indonesische roots. Uiteraard mag je dan een flink percentage Indo’s in de zaal verwachten. Hetgeen een Nederlander deed verzuchten waarom de Indo weer zo nodig centraal moest worden gesteld. Ja, dat krijg je als je een Indo de workshop laat openen met een verhaal over Indisch leven in Nederland. De klacht van de man amuseerde me wel, het is immers altijd zo dat Nederlanders en Indonesiërs centraal worden gesteld en de Indo er maar tussen bengelt.

Op een vraag van de gespreksleidster leek het me interessant te melden dat ik als schrijver vóór 9/11 geen scepsis ontmoette in Indonesië. Na die vervloekte datum werd ik argwanender tegemoet getreden, er was een mondiale godsdienstoorlog uitgebarsten en ik werd de kant van de christenen op geduwd.

Een Nederlander ervoer mijn relaas als een aanval op de Indonesiërs en meende voor hen in de bres te moeten springen. Kan het neokolonialer? Hij verklaarde dat de Indonesiërs na de aardbeving verleden jaar heel vriendelijk waren toen hij met een stel collega’s in Yogyakarta, waar ze op tournee waren, als vrijwilliger meehielp een provisorische brug te bouwen. Ik vond die anekdote zo onnozel dat ik hem dat liet voelen. Gelukkig deed hij het verdere uur zijn mond niet meer open. Dat kwam niet alleen door mij. Een Indonesisch kunstenaar verklaarde namelijk ijskoud dat Indonesiërs slechts geïnteresseerd zijn in landen waar ze kunnen studeren, werken of hun kunsten kunnen vertonen. Duitsland, België en Frankrijk stellen zich gastvrijer op dan Nederland.

Ondanks allerlei goedbedoelde pogingen een brug te slaan tussen Nederland en Indonesië, al is het maar cultureel, lijkt de afstand tussen beide landen alleen maar groter te worden. Dat ligt in de eerste plaats aan de beroerde kennis van de gemiddelde Nederlander van zijn koloniale geschiedenis en zijn visie erop. Als een halve eeuw na de dekolonisatie nog altijd de termen Indisch, Indo en Indonesisch door elkaar worden gehaald, weet men dan eigenlijk wel waarover het gaat? In het verslag van dare2connect word ik bijvoorbeeld een Indonesiër met gemengd bloed genoemd. Toegegeven, zo Indonesisch als op de foto van die dag heb ik er inderdaad nooit eerder uitgezien.

© 2007 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfstnummer 2007

Culturele uitwisseling Nederland-Indonesië

logo alfred birney Alfred Birney treedt op a.s. woensdagmiddag 27 juni in Felix Merites, Amsterdam, en neemt aansluitend deel aan de workshop Nederlandse cultuurmakers met Indonesische roots. Alle informatie is te vinden op de website van Dare2Connect: een centraal podium voor debat, kennisuitwisseling, ontmoeting, presentatie en netwerken op het gebied van het internationale cultuurbeleid en internationale cultuur- en kunstpresentaties.

*** de link naar dare2connect werkte niet meer en is weggehaald

Zo groen is groene energie

palmolie Toen ik de afgelopen middag mijn bed uit kwam en na een douche het balkon opging, voelde de buitenlucht tropisch aan. De lucht was onheilspellend. Ik berekende dat ik de hoosbui voor zou blijven als ik niet bleef dralen. Ik stapte op mijn fiets. Toen ik halverwege mijn dagelijkse rit regendruppels op mijn linnen colbertje zag vallen, schakelde ik een hogere versnelling in. Ik fietste als een idioot om de bui voor te kunnen blijven. Het wordt dus weer eens tijd om de racefiets te gaan pakken en die zware stadsfiets te laten staan. Rond een uur of zes besloot ik om eten te gaan halen, ik had geen zin in koken. Het begon al te regenen toen ik vertrok en ik dacht dat ik ook nu weer de regen voor zou blijven, maar nee: eenmaal in de toko bracht het noodweer los. Het had iets van een tropische regenbui in een milde vorm, maar voor Nederlandse begrippen spectaculair. Ik bleef schuilen en raakte in gesprek met de Indonesische tokohouder over het milieu. Hij vertelde me iets dat ongetwijfeld al veel mensen weten maar mij nog onbekend was: dat de kap van het regenwoud in Borneo onze groene stroom dient. Men laat er bomen kappen om plantages van klapperbomen aan te kunnen leggen. De palmolie wordt door ons gebruikt voor de productie van groene stroom. Zo krijgt het begrip groen een wel heel bedenkelijk karakter. Ik was nooit verder gekomen dan het idee van plaatselijke machthebbers, die hun onderdanen dwingen bossen te kappen voor de productie van hout en dat alleen. Het ligt dus ingewikkelder, veel ingewikkelder. Meer weten? Click maar op de banner.

Ascese en wereldse verlokking

hat logo meneer b Als ik de televisie uit mijn zoontjes kamer jat en beneden zet, dan ben ik ziek. Iets met griep of zo. Koortsig. Ik kan dan weinig anders doen dan heel stompzinnig televisie kijken. Ik had lang niet meer gekeken en verbaasde me over wat er zoal werd vertoond. Seks word je nog méér de strot door geduwd, als je snel wegzapt dan vliegen de kogels je om de oren. Verder ijdeltuiterij alom van praatprogrammaganzen. Ik moest de televisie trouwens opnieuw instellen, aangezien de plaatselijke aanbieder weer eens de boel heeft omgegooid. Marokkaanse televisie eraf, Surinaamse televisie erop, dat soort zotternij. Voor Al Jazeera moet worden betaald, laat staan voor Indonesische televisie, die zender alleen al kost 120 euro per jaar. Fijn geregeld voor ons 500.000 nazaten uit die contreie. Vanavond had ik schoon genoeg van die afgrijselijke televisie. Ik plukte Spring, Summer, Fall, Winter… and Spring (2003) van Kim Ki-Duk van de plank en ben eens lekker gaan genieten. Mijn zoon mocht het eerste tafereel meekijken, het was al laat, we gaan de film volgende week samen helemaal bekijken. De film gaat over het leven. Ik bedoel over de eeuwige herhaling van het leven. Over ascese en wereldse verlokking. Ik vergat er bijna mijn fysieke lamlendigheid door. De helft van mijn zoontjes klas heeft kou gevat na de extreem vroege zomer en de intrede van de herfst, dus het zal wel niet aan mij liggen. Ik ben wel al koortsvrij, anders had ik dit niet kunnen of ook maar willen schrijven.

Naschrift: ik zie aan de berichten op het internet dat er buikgriep heerst. Well, all right…