De Association Franco-Indonésienne Pasar Malam organiseert vandaag een conferentie over Indonesische literatuur in Parijs met medewerking van de Ambassade de France, de Ambassade d’Indonésie, de Ambassade du Royaume des Pays-Bas, het Centre National du Livre, het DRAC-Ile de France, het Institut Néerlandais, het NLPVF, het Société des Gens de Lettres en de Maison des Cultures du Monde. Nogal een mondvol, maar het gaat om een zit van 10 uur met Seno Gumira Ajidarma, Christiane Chaulet Achour, Claude Hagège, Tewfik Hakem, Fouad Laroui, Waruno Mahdi, Etienne Naveau, Philippe Noble, Brigitte Ouvry-Vial, Nourredine Saadi, Jérôme Samuel, Ayu Utami en Monique Zaini-Lajoubert. Ik hoefde zelf niet aan de conferentie deel te nemen, maar sta op de lijst der eregasten. Ik had de organisatrice graag ontmoet; ze vertaalde eens een verhaal van me, speelt essays van mij door naar andere vertalers en stuurt me soms fijnzinnige mails over literaire kwesties. Ik durfde de reis nog niet aan, al is die kort met de TGV. Mijn herstel komt net te laat voor zo’n enorm lange dag, waar ook nog een diner aan vast geplakt zit. Conferenties hebben als nadeel dat je vaak moet luisteren naar mensen die zichzelf graag horen praten. Een voordeel is dat je er mensen ontmoet naar wie je dolgraag wilt luisteren. Netwerken doe je en passant. Ik miste dit jaar al eerder een conferentie in Portugal. Ik hoorde dat het de mooiste was in de reeks van de Short Story Conferences. Treuren doe ik niet. Ik leef, heb een hartinfarct afgeslagen.
Tagarchief: indonesische
Omweg
Om die ellendige halflege supermarkten op maandag te mijden, besloot ik een tocht te ondernemen naar de visboer. Een voettocht zou evenwel te lang duren, ik moest de fiets nemen. Verleden week beviel het fietsen niet erg, de Angio-Seal in mijn lies hinderde me. Dat ding is gemaakt van een bepaalde stof die drie maanden nodig heeft om af te breken, als ik goed ben ingelicht, en dicht de opening af die is gemaakt via welke met een katheter het knooppunt rond je hart wordt bereikt, waar de behandelende chirurgen meesterlijke capriolen uithalen om je kransslagader te verwijden met het opblazen van ballonnetjes en het plaatsen van stents, gemaakt van gevlochten metaal. Deze geneeskunst zal ongetwijfeld over vijftig jaar als middeleeuws worden afgedaan, maar over medische zaken wil ik het helemaal niet hebben. Het fietsen ging goed en bedaard in een oudemannenversnelling bij absolute windstilte. Alleen de visboer was gesloten, zowel de Hollandse als de Egyptische. Kunnen die twee geen afspraken maken over hun vrije dagen of wat? Willen ze het soms doen voorkomen alsof hun eigen vloot elke maandag uitvaart en pas op dinsdagochtend terug is? Om een lang verhaal kort te maken: ik kwam toch nog in die afgrijselijke, chagrijnige supermarkt terecht. Uiteraard werd ik gedwongen ingrediënten te kopen voor zoiets als spaghetti, aangezien al het overige op was. Thuisgekomen viel ik in slaap, waarschijnlijk van die fietstocht voor 120-jarigen. En uiteindelijk kwam ik terecht bij de Indonesische toko, voor een portie nasi goreng met, jawel, hete vis.
Raadsel uit de Maleise bellettrie
Maya Sutedja – Liem, collega publicist in Archipel Magazine, mailde me naar aanleiding van mijn tweedelig artikel Goena-goena volgens P.A. Daum en Victor Ido in genoemd tijdschrift. Ter sprake komt onder andere een verhouding tussen de zoon van een Indonesische huishoudster en een blanke Europese vrouw, een kwestie waarop in de koloniale tijd een zwaar taboe rustte en waarover veelal slechts angstvallig werd geschreven. Maya kent een boek uit het Maleis, waarin het taboe-onderwerp vrijmoedig bij de kladden wordt genomen.
Het verhaal is getiteld Njai Isah en geschreven door een zekere Ferdinand Wiggers, een Indo-Europeaan die gewoonlijk in het Maleis publiceerde. Het verhaal verscheen aanvankelijk als feuilleton in een Maleise krant in 1903 en daarna in enkele boekdelen. Het gaat over een Nederlands meisje dat een verhouding krijgt met de zoon van hun Indonesische bediende en zwanger raakt. Om haar reputatie niet te schaden moeten man en kind worden weggemoffeld. Het meisje zelf ziet zich gedwongen een Nederlandse man te vinden om mee te trouwen, wat gepaard gaat met goena-goena en meer van die typische motieven uit de koloniale bellettrie.
Maya heeft slechts twee delen in een Leidse bibliotheek kunnen opsporen. Omdat het motief nogal spectaculair was voor die tijd vraagt zij zich af of het boek misschien geen vertaling is van een Nederlands verhaal. Ikzelf neem aan van niet, omdat de fatsoensrakkers eerder in Nederland dan in het voormalige Nederlands-Indië gezocht moesten worden. Het colofon in het boek geeft geen uitsluitsel, wat indertijd niet ongebruikelijk was. Als uitgever wordt genoemd de NV tot exploitatie van Mal. week- en andere bladen in Nederlandsch-Indië. Meer is niet bekend.
Over de schrijver heeft Maya het volgende kunnen achterhalen. Ferdinand Wiggers (1862-1912) was een zoon van de Nederlandse (?) Frederik Ernst Wiggers en de Indonesische Pela (of Helena?). Ferdinand Wiggers huwde eveneens een Indonesische vrouw, genaamd Tjanting (later genoemd Enerstina Hermina?). Van de vijf kinderen die uit dit huwelijk voortkwamen, bleven twee zonen in leven: Norbertus Petrus (1886 – ?) en Ernst Ferdinand (1890-?). Ferdinand Wiggers was redacteur bij verschillende Maleise dagbladen, waarin hij veel publiceerde, wat soms tot een boekuitgave leidde. Daarnaast vertaalde hij ook veel Europese romans naar het Maleis, waaronder Van slaaf tot vorst van Melati van Java.
Maya is bezig stukken uit Njai Isah te vertalen. Ze beoogt de uitgave van haar vertalingen van korte Maleise verhalen in het komende jaar en zit nu met de brandende kwestie: in welke brontaal is het verhaal geschreven: het Maleis of het Nederlands? Stuur even een mail als u Maya Sutedja – Liem kunt helpen.
Het buigsyndroom
Rudy Kousbroek merkte eens op dat veel frustraties van Europeanen ten opzichte van de Japanners terug te voeren waren, of zouden kunnen zijn, op een diepgeworteld racisme. Ik weet niet meer waar ik dat las, hoogstwaarschijnlijk in Het Oostindisch kampsyndroom (Amsterdam, Meulenhoff: 1992). Irritant tot zeer hinderlijk in de verhalen van Europeanen, en van Indo’s, was het aldoor weer moeten aanhoren hoe men telkens moest buigen wanneer er een ‘Jap’ voorbij kwam. Er is zelfs een Indische vereniging die er haar logo mee versiert.
‘Jap’ was in ‘Indië’ zoiets hier in ‘Holland’ ‘Mof’ was. De term ‘Jap’ heeft het tot de dag van vandaag uitgehouden, langer nog dan ‘Mof’. Zou dat nou komen doordat men hier niet voor de ‘Mof’ hoefde te buigen, maar hooguit had te salueren?
Anyway, vandaag is het 15 augustus: de dag waarop ‘Indisch Nederland’ de capitulatie van Japan herdenkt. Dat geschiedt jaarlijks bij het Indisch Monument bij de waterpartij in Den Haag. Ik ben er nooit bij geweest, ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorst en Vaderland. En zij houden niet van mij, want ik wordt door die ouwe lui voor zoiets als een ‘linkse Indo’ gehouden.
Er is altijd veel gedoe geweest over de precieze onafhankelijkheidsdatum van Indonesia. De Indonesiërs houden het op 17 augustus, dat doen ze al 60 jaar. Nu dan heeft onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ de datum van 17 augustus 1945 geaccepteerd als de dag van de onafhankelijkheid. Gelul natuurlijk, want we hebben het hier over een onafhankelijkheidsverklaring. De grootste ellende moest toen nog gaan beginnen. Zoals: de oorlog van Nederland tegen Indonesia onder de noemer van ‘Politionele Acties’. Over de verschrikkelijke Bersiap zal ik het maar niet hebben, want dat zegt de gemiddelde Hollander toch geen moer. Die komen toch weinig verder dan hun Hongerwinter van 1944, waarin ze suikerbieten moesten vreten, als ze die al krijgen konden.
De onafhankelijkheidsdatum van Indonesia viel totnogtoe in Nederlandse ogen gelijk aan de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. Valt wat voor te zeggen natuurlijk. Ik bedoel een handtekening is een handtekening. Maar principieel hadden de Indonesiërs, althans in mijn ogen, gelijk. Zij waren gekoloniseerd geweest, hadden zich vrijgevochten, dus het was aan hen te bepalen welke dag zij als de dag van hun onafhankelijkheid beschouwden.
Dat hele gedoe, die discussie, heeft dus 60 jaar geduurd. Nu zo’n beetje alle Indische Nederlanders onder de groene zoden liggen, is het hier te lande allemaal wat eenvoudiger om als zijnde minister van BZ het laken alsnog recht te trekken. Maar… doe het dan goed.
Dat de minister himself in ‘Indië’ is geboren, doet er niet toe. Dat geeft hem niet méér recht een besluit als deze uit te voeren dan, zeg, een minister uit het Gooi. Hoe het met zijn kennis van de geschiedenis is gesteld zou ik niet weten, want de Haagsche Courant, waar ik momenteel mijn laatste weken als columnist doormaak, of moet doorstaan, vergeet soms ook maar om quotes af te sluiten. De HC, met de zeis van het AD voor het aangezicht, meldt op haar sterfbed:
De strijd in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1949 heeft volgens schattingen aan 150.000 Indiërs en 6000 Nederlanders het leven gekost.
Wat zijn Indiërs? Weet u het? Die versleten term van een eeuw terug is door die sufkous van onze huidige Volksgeschiedschrijver Geert Mak van stal gehaald voor dat vod van zijn boek hem, getiteld De eeuw van mijn vader (Amsterdam, Atlas: 1999). Je moet er toch niet aan denken dat we het daar nog een eeuw mee moeten doen, wah? Enfin, onder Indiërs wordt verstaan Indo’s, als ik het allemaal wel heb, en onder Nederlanders wordt verstaan alles wat Nederlands onderdaan was, dus ook Indo’s.
Over de Romusha’s, Indonesische dwangarbeiders voor de Japanse bezetter, wordt al helemaal met geen woord gerept. Schattingen lopen uiteen van 200.000 tot liefst 2.000.000 slachtoffers onder deze arme jongens. En dan tellen we de gedode Indonesische vrijheidsstrijders nog maar even niet mee, want dat is hun pakkie an.
Het zal nooit wat worden met de geschiedschrijving van Nederland overzee. Nooit ofte nimmer. ‘Het wachten is nu op de Japanners’ (ook al kampioenen in het achterhouden van de feiten in hun schoolboeken). Deze hoop wordt althans gekoesterd door De Stichting Herdenking 15 augustus 1945, die vermoedt dat de tijd voor de Japanners nu ook wel begint te rijpen om met nieuwe spijtbetuigingen te komen inzake hun rol tijdens WO-II in de Archipel.
Niettemin blijft men een stok nodig hebben om een hond mee te kunnen slaan. De nieuwe honden in deze onzalige geschiedenis zijn de Koreanen. ‘Want die waren nog veel en veel erger dan de Japanners’, zo luidt het grote cliché van de laatste jaren. Dus ja, de Haagsche Courant gaat braaf daarin mee door op de voorpagina een spotprent af te drukken van een Koreaanse kampbewaker voor wie een blanke moeder met haar kind moet buigen. Raak je je oude vijand kwijt, dan vind je in no time wel weer een nieuwe.
Zie de mens.
Een magische picknick
Als je in een vloek gelooft, geloof je ook dat je die kunt afsmeken. Geen hond die daaraan twijfelt in Semarang. Tijdens een promotour op Java voor de Indonesische vertaling van zijn roman De onschuld van een vis (Ikan Tanpa Salah) maakt Alfred Birney een tussenstop voor een selamatan in Ungaran. Die valt uitgerekend op 10 oktober 2004, de zondag voor het begin van de vasten, als de mensen volgens de pre-ramadantraditie en masse de graven van de overledenen bezoeken.
Mijn vertaalster Widjajanti Dharmowijono vergezelt me naar het cateringbedrijf dat selamatans verzorgt. Het ligt in een volksstraat, met een open erf en de deuren wijd open. De baas zit in een rolstoel, maar zijn tevreden gezicht zegt dat de zaak goed loopt. Aan de eenvoudige receptie, waarachter vier vrouwen zitten, maken wij onze wensen kenbaar en bestellen een passende selamatan, inclusief een geestelijke, exclusief vervoer. Ik ga akkoord met de kosten van 500.000 rupiah. Afdingen op een selamatan valt buiten mijn fatsoensnormen.
Volgens mijn vertaalster zal de geestelijke straks met vijf euro extra dik tevreden zal zijn. Ze is blij dat ze op het vervoer heeft weten te bezuinigen. Ze is Chinese, net als mijn grootmoeder, vandaar. Ze vindt mij buitengewoon on-Chinees vanwege mijn dédain voor geldzaken, en juist weer heel Chinees door mijn hang naar grootouderverering en mijn gebruik van de I Ching.
De dag is aangebroken. De chauffeur van mijn vertaalster haalt de hoge Japanse terreinauto uit de garage en we stappen in. Ik koop bloemen langs de weg, in vijf rieten mandjes, de symboliek van de pancasila indachtig. Bij het cateringbedrijf is alles in gereedheid gebracht. De geestelijke in kwestie is een mudin, hij die oproept tot het gebed in de moskee. Hadji’s worden niet gevraagd. Die staan hoger op de mohammedaanse ladder en behoren zich niet met een van oorsprong zijnde hindoe selamatan in te laten.
De mudin is innemend. Bij de kennismaking laat ik alvast wat geld in zijn hand glijden, opdat hij extra zijn best zal doen. Het is een wat oudere man, rustig, met een prettige, licht doorrookte stem. Hij loopt op sandalen, draagt een gebatikte lange blouse over zijn donkerblauwe katoenen pantalon en het bekende petji op zijn hoofd. Met de chauffeur legt hij de etenswaren, verpakt in pisangbladeren, bamboe mandjes en met linten gestrikte roodwitte gebaksdozen, op ronde bamboe schalen in de laadruimte van de terreinauto. Ook gaan er kleden mee voor de magische picknick.
Ungaran ligt niet ver zuidwaarts, maar het is hectisch op de hoofdweg, die loopt van Semarang in het noorden naar Yogyakarta in het zuiden. Rond tienen duiken we langs een asfaltweg omlaag naar het stille Ungaran. Twee, drie straten door en we rijden het erf op, dat ik in mijn roman Vogels rond een vrouw beschreef. Het oude koloniale landhuis is een ruïne inmiddels. Na het overlijden van de vereenzaamde weduwe van mijn oom wilde niemand hier meer wonen. De marmeren voorgalerij ziet zwart van de aanslag, de felle zon werpt banen licht door de gaten in het dak. Twee jaar terug huisden er kippen, nu is het huis zelfs voor pluimvee te min. Wie weet halen zelfs de spoken inmiddels de neus op voor deze bouwval.
Ik ga het gestorven huis binnen en probeer me een voorstelling te maken van hoe mijn grootmoeder hier heeft gewoond. In welke ruimte zal haar ziekbed hebben gestaan? De bepleistering is van de muren losgeweekt, het bakstenen geraamte op de funderingen zal misschien een eeuw oud zijn en zwijgt. Mijn grootmoeder stierf hier in 1965, mijn oom in 1978 onder raadselachtige omstandigheden. Goena-goena, waarschijnlijk. Toen een van mijn tantes met haar familie hier eens kwam logeren, werden ze weggepest door een boze geest, die alsmaar aan de deuren rammelde. Was díe het die mijn vader zo achtervolgde, naast die vervloekte oorlogsherinneringen? Waarop doelde hij vroeger altijd wanneer hij sprak van een vloek over de familie?
Ik vertel de mudin dat ik hier tweemaal eerder was en heb vergeten bloemen op het graf van mijn grootmoeder te strooien. Dat ik twee jaar terug iemand geld heb gegeven om het graf te laten restaureren en dat uitgerekend op die dag mijn broer in Holland door een mysterieuze ziekte werd overvallen, die geen arts kan plaatsen. Dat ik denk dat de geesten het op mij gemunt hadden, maar dat ik beschermd ben geweest door mijn grootmoeder, zodat de boze krachten mijn broer te pakken hebben genomen. Dat wij geloven dat er een oude vloek op onze familie rust.
De mudin knikt begrijpend en laat me op de achterzijde van een promotieansichtkaart die ik bij me heb de namen van mijn familieleden in volgorde van generatie noteren. Ik wijs de mudin het graf van mijn grootmoeder. Voor de selamatan wordt het iets hoger gelegen overdekte terras gekozen. Stil gaat het nieuws in de schaars bevolkte omgeving rond, dat een familielid van een der begravenen uit Europa is gekomen om hier een selamatan te houden. Wanneer de mudin en de chauffeur de kleden op de terrasvloer hebben gelegd, verschijnen een voor een de opgetrommelde mannen, die in kleine huisjes rond de begraafplaats wonen. Op eerbiedige afstand blijven ze staan wachten. Vrouwen zijn van het ritueel uitgesloten.
De sandalen en slippers zijn uitgetrapt, zes kampongbewoners vormen een halve maan op de kleden rond de uitgestalde etenswaren. Ik deel een kleed met de mudin en de chauffeur aan het hoofd van de kring. Mijn vertaalster mag van buiten het terras foto’s maken. De mudin heet de kampongbewoners welkom in het Bahasa Indonesia en dankt hen dat zij zo goed willen zijn aan de selamatan voor deze Indo-Belanda deel te nemen. Allah zal hen daarvoor ongetwijfeld prijzen. Ik word vriendelijk en meelevend toegeknikt. De mudin zit tussen mij en de chauffeur in en houdt een inleiding in het Javaans. Dan word ik verzocht om de bloemen op het graf van mijn grootmoeder te strooien. De chauffeur loopt mee om de mandjes aan te reiken. Na een innerlijk schietgebedje bestrooi ik het graf met de bloemen.
Teruggekomen laat de mudin mij nu in het midden van het kleed zitten, neemt zelf links plaats en ontsteekt de wierookpot. Met mijn promotieansichtkaart met de namen in zijn hand gaat hij verder in het Arabisch. De kampongbewoners prevelen nu en dan ‘ja’ terwijl de mudin zijn smeekbeden aan de hemel richt. Ik hoor hoe de namen van mij en mijn familieleden, naarmate het uur verstrijkt, steeds Arabischer gaan klinken. Voor het eerst in mijn leven ervaar ik een vrome saamhorigheid met en temidden van islamieten. Wij openen de handen om de zegen van boven te ontvangen, terwijl de mudin zijn magische zangerige verzen laat horen.
De verdeling van het eten in de bèsèks, vierkante rieten mandjes, begint. Ik krijg het topje van de rijstkegel. De mudin laat mij de voorgeschreven negen stukken van de kip nemen. Ik ben vrij in het kiezen uit de overige gerechten, mag de mat verlaten en aan de rand van het terras aan mijn maaltijd beginnen. De kampongmensen wensen mij selamat makan toe en volgen verlekkerd de handelingen van de mudin, die het overige eten verdeelt. Tevreden nemen ze afscheid van me en vertrekken met hun bèsèks om de spijzen thuis te nuttigen. De mudin zondert zich af voor de offerande bij het graf van mijn grootmoeder. Kleine schaaltjes van pisangblad met zoetigheid worden bij de hoeken van het graf geplaatst. Ook de belendende graven krijgen schaaltjes met zoetigheid, zodat de naburige geesten mee kunnen eten voor groter heil. De mudin draagt mij na zijn slotgebed op met mijn rechterhand driemaal het graf aan te raken, en dan is het gedaan.
Onderweg terug naar Semarang zegt de mudin dat als je in de omgeving woont je ten minste eens in de drie maanden een selamatan moet houden. Woon je verder weg, dan eens per jaar. Kom je van overzee, probeer dan eens in de drie jaar te komen. “En hoed je voor de hadji’s, zij staan alleen maar hoger dan mudins omdat zij tweemaal de bedevaart naar Mekka hebben gemaakt. Ik ken er zoveel die zich trots hadji noemen maar helemaal niets weten. Zij vergeten dat het niet uitmaakt of je een selamatan houdt voor een moslim, een christen, een boeddhist of een hindoe. Wij zijn allen mensen, allen gelijk, er is maar één God en het maakt niet uit hoe wij hem noemen.”
In de namiddag neem ik een bad in mijn hotelkamer en val op bed in slaap. Ik word gewekt door mijn mobiele telefoon. Een sms van mijn zieke broer meldt dat hij al urenlang stemmen hoort, Indonesische stemmen van een jaar of vijftig terug, zo lijkt het wel. Ze zijn volgens hem met vijf en praten opgewonden over iets dat ze indertijd nooit hadden mogen toestaan. Maar wat? En hoe hoort hij die stemmen dan? In zijn hoofd? Nee, niet precies. In zijn kamer? Ook dat niet precies. Maar ze zijn er, die stemmen, en hij zal ze zeven uur lang blijven horen eer ze verdwijnen als in een wegstervend refrein.
Archipel Magazine, lente 2005
Copyright © 2005 Alfred Birney
Reproduction not allowed
Deze scène komt in een zeer vrije bewerking terug in de novelle Rivier de Brantas, het 3e en laatste deel van Birney’s Rivieren-trilogie.
Lafheid en asperges
Van alle namen uit het adressenboekje van mijn vader die tijdens mijn vroege jeugd in Den Haag voorbijkwamen was die van Stokkermans het gewoonst. Een naam die paste in beeld en spraak van de Hollandse karakteristiek. Veel van mijn vaders vrienden droegen Europese namen die wat detoneerden bij hun Indisch uiterlijk. Er was er maar één wiens naam bijna op zijn gezicht stond geschreven: Matagora. Hij was dan ook geen Indo maar een Ambonees met die typische a’s in de naam: lange, open klanken, zo anders dan de potdichte naam van Stokkermans.
Het fenomeen van de ‘zwijgende Indische vader’ is een fabel, een literair motief dat niet deugt, een cliché. Jongens gaan de oorlog in. De een komt er zwijgend uit, de ander verhalend. Mijn vader, een man uit Oost-Java, vertelde, verhaalde en schreef over de oorlog. Stokkermans, een man uit het Westland, zweeg. Slechts eenmaal zou hij zijn mond hebben opengedaan over de oorlog ver overzee.
Ik herinner me niet dat Stokkermans ooit bij ons aan de deur kwam. Maar hij ontving. Mijn vader zocht hem vaak op, alleen. Eén keer ging ik mee. Stokkermans bewoonde te ’s-Gravenzande een akelig nauwgezet onderhouden huis. De vloeren immer geboend, de Hollandse tafelkleedjes stofvrij, geen dor of ook maar verlept blaadje tussen de kamerplanten in de vensterbank achter de spierwitte vitrages, symmetrisch gedrapeerd achter de pijnlijk gepoetste ramen.
Het moet voorjaar, begin zomer zijn geweest, want er werden asperges opgediend. Ik had die dingen nooit eerder gezien en deed mijn best mijn mond niet te vertrekken bij de bittere smaak. Stokkermans, de man met het strakke gezicht, de gesloten dunne lippen, bekeek me neutraal, terwijl mijn vader me aanspoorde die van boter druipende stelen op te eten.
Er werd niet gesproken aan tafel bij Stokkermans en zijn vrouw. Wanneer je eet, praat je niet. Die cultuur, zo anders dan bij mijn vaders Indische kennissen, waar aldoor werd gesproken over wat je at. De rijsttafel als dubbelmotief voor het bewegen van de mond.
Mijn vader koesterde een groot respect voor Stokkermans. Want Stokkermans was een ‘echte’ marinier geweest, die naar Indonesië was gestuurd om er orde op zaken te stellen. Had hij er dorpen platgebrand in naam van de koningin? Hij sprak er niet over. Had hij Indonesische vrijheidsstrijders neergeknald? De Hollander zweeg.
Vele jaren later ging ik me met mijn vaders oorlog bezighouden. Het was mijn moeder die tegen me zei dat ‘die stijve Stokkermans’ zich ooit één keer iets over de oorlog had had laten ontvallen: ‘Dat je vader een lafaard was.’ Niet bepaald iets wat een zoon graag over zijn vader wil horen. Ging Soerabaja Papa daarom zo vaak naar Stokkermans? Om de held te kunnen zien die hij zo graag had willen zijn?
Haagsche Courant, vrijdag 25 maart 2005
Nasi goreng voor verstorven geld
Er slingert nog zo’n 2,5 miljard gulden rond sinds de invoering van de euro. Het gaat om ruwweg 600 miljoen euro aan bankbiljetten en 500 miljoen aan muntgeld. De Nederlandsche Bank schat dat 130 miljoen gulden zeker niet terug zal komen. Dat noemt met ‘versterf’ en dit ranzige woordje betekent winst voor de centrale bank en dus voor de overheid. Waar al die poen nou ligt mag Joost weten. Een woordvoerder van De Nederlandsche Bank komt weinig verder dan wat u en ik zelf wel kunnen verzinnen: “Dat geld is dan verbrand, kwijtgeraakt, in de wasmachine beland, zit in de oude sok, er zijn boekenleggers van gemaakt of misschien zit er ook wel zwart geld bij.”
Hoe vindt u die laatste zinsnede? “Misschien zit er ook wel zwart geld bij.” Misschien… Ha ha! Maar goed, geen nood hoor: u kunt uw muntstukken nog tot 2007 aanbieden en uw papiergeld tot 2032. Hoe u dat moet doen, zou ik niet weten. Wist u al eerder niet hoe u uw geld wit moest wassen, dan zal u dat nu nog niet weten. Verhef uw zwarte geld anders tot kunst, in de geest van Andy Warhol! Dat geeft het wat kleur, als label rond tubes mayo of zo, in vitrines bij hippe galeries.
Ik vond laatst nog een paar bankbiljetten uit de jaren dertig en veertig in mijn bureaulade, afkomstig uit het voormalige Nederlands-Indië, waar men een ‘eigen gulden’ had. Fantasieloze flappen met de kop van Jan Pieterszoon Coen of Koningin Wilhelmina erop. Er zat ook een fraai exemplaar bij van 2,5 gulden, gedrukt door de Javasche Bank. Dus niet de Javaansche Bank. De kop van een Javaanse vorst erop. Of van een wajangfiguur? Ben ik nu al vergeten! Enfin, de achterzijde drietalig bedrukt in het Nederlands, Chinees en Javaans. Of Nederlands-Indië nou multicultureel en multiraciaal dan wel multi-etnisch en multireligieus was, dat laat ik aan onze dweilen van geschiedschrijvers, in elk geval was er voldoende rames voor apartheid.
De eigenaar van het Indonesische Eethuisje Mirasa aan de Reinkenstraat verzamelt bankbiljetten. Ze hangen achter glas aan de muur en liggen onder de glazen toonbank. Er zitten veel biljetten uit Indonesië bij natuurlijk, maar ook Irak en Bulgarije zijn vertegenwoordigd, om enkele landen te noemen. Ik begrijp weinig van verzamelaars, maar het idee om je muur met geld te behangen, denk ik wel te snappen. Wie zoiets doet, heeft tegelijk iets én niets met geld. Voor zo’n persoon is geld waardevol en waardeloos tegelijk.
Ik gaf de eigenaar van Mirasa mijn oude Indische bankbiljetten. Hij was als een kind zo blij. Ik hoefde mijn nasi goreng niet te betalen. Of heb ik die juist betaald met dat geld van zestig, zeventig jaar terug? Wie weet hangen over een halve eeuw onze patatkramen wel vol met bankbiljetten van bijen, snippen, vuurtorens en wat al niet meer het besef van de vergankelijkheid in ons zal oproepen.
Haagsche Courant, vrijdag 11 februari 2005
Jaarwisseling beneden de zeespiegel
Van de beroemde Japanse kunstenaar Hokusai (1760 – 1849) kent bijna iedereen wel de houtsnede ‘De Grote Golf’, die roeiers in hun bootjes overweldigt, terwijl in de verte de berg Fuji in eeuwigheid rust. De prent is veel gereproduceerd op affiches, maar sinds Tweede Kerstdag 2004 zal niemand meer als voorheen naar dit tafereel kunnen kijken zonder associaties met de jongste tsunami die dood en verderf heeft gezaaid in Zuid-Oost-Azië.
Ik kende het woord tsunami niet, totdat een e-mail van mijn broer me alarmeerde. Ik sms-te een vriend die in Thailand zat en hoorde heel lang niets. Een dag later liet hij weten dat zijn hotel er niet meer stond maar dat hij en zijn vrouw nog in leven waren. Ik begon te beseffen dat op dat ogenblik tienduizenden sms-jes naar de getroffen gebieden werden verstuurd met een snelheid hoger dan de tsunami zelf. Dat er, kortom, veel was veranderd sinds de tsunami in 1883, veroorzaakt door een uitbarsting van de Krakatau in de Straat van Sunda tussen Sumatra en Java. Tegen de tijd dat het nieuws de mensen in Europa bereikte, waren de doden toen al geborgen.
Nu is het reality tv geworden. Je zit naar ontluisterende beelden te kijken en het enige positieve dat je kunt bedenken is dat christenen, moslims, hindoes en boeddhisten eensgezind de ramp dragen en dat Indonesische militairen de Atjehers bijstaan in plaats van ze te bevechten. De rest van de wereld leeft mee, dat is iets.
Maar dan. Zodra de van ontzetting geopende monden weer gaan bewegen, begint de mens een van zijn idiootste trekjes te etaleren: leuteren rond de schuldvraag. ‘Als ze niet die mangrovebossen voor de Thaise kust hadden weggekapt, dan zouden die de tsunami hebben tegengehouden.’ Wie weet, maar wij rijke westerlingen willen nu en dan wat ‘zon pakken’ in het Verre Oosten, het liefst in hotels op een steenworp afstand van het strand. En de lokale bevolking, die graag te eten wil hebben, biedt ons die mogelijkheid. Zoals wij hier de Alpen kaal kappen omdat we er zo graag een weekje per jaar willen skiën.
Vervolgens: de Verenigde Naties die Amerika gierigheid verwijten. Amerika die zijn boekhouding toont, waarop een wedrace begint tussen landen die elkaar de loef af lijken te willen steken met recorddonaties. Maar goed, het doel heiligt de middelen. Ten slotte moeten autoriteiten in getroffen toeristische gebieden zich ook nog eens verdedigen tegen aantijgingen waarom zij niet met een waarschuwing naar de stranden zijn gekomen. Inmiddels nuttigen wij hier te lande oliebollen, appelflappen, boerenjongens en champagne en vergeten uiteraard het Pentagon-rapport, dat voorziet dat Nederland in 2007 onder water zal lopen. We zijn maar mensen, toch? En moeder aarde is moeder aarde. Over God zullen we maar even zwijgen, daarover hebben we het afgelopen jaar wel genoeg te horen gekregen.
Haagsche Courant, vrijdag 31 december 2004
Birney’s clash of cultures from within
Features – October 10, 2004
—————————–Ikan Tanpa Salah (A Blameless Fish) Alfred Birney, Galang Press, 2004 277 pp —————————–
Sherry Samtani
Indonesia’s fight for freedom from the Dutch in the last century was the driving motif behind all forms of arts, so much so that today many find the subject to be hackneyed. But the recently launched Ikan Tanpa Salah by the Eurasian author Alfred Birney, makes the issue both fresh and contemporary.
A familiar face in Dutch literary circles, Birney still remains relatively unknown here despite his Indonesian heritage. His previous novel, translated from the Dutch original, Lalu Ada Burung (And Then Came a Bird), was a mild success in sales, but was critically acclaimed for its melancholic depiction of the effects of war on the post-war, second generation.
Ikan Tanpa Salah, a translation of Den Onschuld Van Een Vis with a foreword by Jakob Sumardjo, seems set to follow in its literary footsteps with a similar focus.
The emphasis on the second generation originates from Birney’s own life as the son of a soldier of mixed parentage, who fought for the Netherlands as colonialism was on the wane in the archipelago. His novel, in fact, consists of fictitious elements trickled into a background that is completely his and enriched by his colorful heritage.
The man with the salt and pepper mane was born in The Hague in 1951. Birney’s mother was pure Dutch but his father was a melting pot of cultures — the illegitimate son of a Dutchman who resided in the Dutch East Indies and his Chinese-Indonesian concubine.
Birney’s father was brought up single-handedly by his mother, cementing the Oriental culture that would later be a source of fascination for his own offspring. As Indonesia struggled for freedom, he battled for the Dutch and witnessed firsthand the horrors of war, unyielding memories that haunted him and his family in the years to come.
Being multiracial in the 1950s was no easy task for the young Alfred. Carrying Indonesian genes in a Netherlands that was still bitter about its loss of a lucrative colonial outpost was even harder. Birney struggled from an early age, falling in the shadow between his birthplace and the land of his heritage — a shadow that still shrouded him as he forayed into the literary world.
A musician until the age of 30, a near fatal accident while performing martial arts ended his musical aspirations. A lover of literature, he ventured into writing, drawing inspiration from personal dilemmas — his ambivalence regarding the cultures of either parent, the horror’s of his father’s past and the urgent need to find a sense of belonging.
These three issues are extensively highlighted in Ikan Tanpa Salah. The story centers around Edu, a history teacher, who upon the orders of his mother must empty his father’s house, a martial art’s teacher who departed to his birthplace, Indonesia, and abandoned his entire family.
The father, a didactic, austere mixed Indonesian-Dutch, represented the Netherlands during Indonesia’s freedom struggle, but his sadistic inclinations did not end with his prisoners; instead he treated his children with the same venom. The only beings spared from the abuse were his fish.
In a story that spans over 12 days but continuously sways between the present and past, the hatred and estrangement felt by Edu starts to dissolve as he explores the house, with each object evoking memories both tragic and dear. In a desperate plight to understand his sworn enemy, Edu befriends his father’s Indonesian concubine.
Strong rhetoric and enigmatic symbolism make the novel an interesting read as the protagonist walks the thin line between hatred and love. The plot itself lacks lustre but scores on a stylistic approach that is deliberately slow.
Birney classifies himself as a “new world” author, a new genre for writers like himself, who discover their own culture through their work. His works definitely provide food for thought, with minuscule details and ideas that take him years to turn into a full-fledged novel.
Ikan Tanpa Salah is a novel that should be relished in parts, and is definitely not recommended for those in favor of a quick read.
© 2004 Sherry Samtani
Uit: The Jakarta Post, over de Indonesische vertaling van De onschuld van een vis.
Promotour (5) Bandung bij nacht
Ik reis van Jakarta naar Bandung per auto, begeleid door boekhandelaar Richard Oh van QB World en Sitok Srengenge, een Javaans dichter en bekende gast op Festival de Winternachten in Den Haag. De Indonesische autowegen zijn overvol, onvergelijkbaar met de drukste uren op de Nederlandse autowegen. De afstand tussen Jakarta en Bandung is niet groot, maar het kost ons vele uren om door de verkeerschaos heen te komen, het is heet, de uitlaatgassen zijn verstikkend. We stoppen ergens onderweg om bij een warung te eten. Ik heb een verschrikkelijke hoest uit Nederland meegenomen, slaap slecht en ben oververmoeid. Ik eet nasi tim, in rijst gekookte kip, het spul dat Indische moeders vroeger hun zieke kinderen te eten gaven.
Zodra we Bandung binnenrijden begint het enorm te hozen. De straten lopen in een mum van tijd onder water, kleine warungs worden bijkans weggespoeld door het snel stromende water. Richard Oh kiest een veel te duur hotel voor mij uit, ik haat vijfsterrenhotels, die worden bevolkt door stijve zakenlui en ook nog een gewild doelwit vormen voor terroristen. De beveiliging is er buitengewoon verscherpt: auto’s worden volledig nageplozen, iedereen die de detectiepoortjes achter zich heeft, wordt ook nog eens gefouilleerd, met excuus voor het ongemak uiteraard.
Een uur later word ik in QB World opgewacht door een batterij fotografen, ik lijk wel een popster hier. De boekpresentatie duurt uren, men houdt hier van eindeloze discussies over literatuur. In Jakarta doen ze alsof ze alles over literatuur weten, maar in Bandung weten ze het echt. Het wordt middernacht, er is geen tijd meer om boeken te signeren en ik word meegenomen naar een warung, gevolgd door een radiojournaliste en een schrijvende journalist van Tempo, het grootste serieuze magazine van geheel Indonesië. Ik geef mijn interviews terwijl ik lekker ordinair patat eet met gegrilde kip. Gut, hadden ze er maar appelmoes bij, hé. De Bandungse lucht bij nacht na de regenbui is heerlijk, zoals een Hollandse zomer aan Scheveningen. Hier zaten veel Hollanders en Indo’s in de oude tijd, want het weer is hier aangenaam, zelfs nu nog met die ongemeen smerige luchtverontreiniging.
Het is lang na middernacht wanneer ik met dichter Sitok Srengenge terugga naar dat bizarre luxe hotel. Sitok valt onmiddellijk in slaap, ik kleef nog een uurtje als een tjitjak tegen het raam om mijn blik te laten dwalen over Bandung bij nacht.
Ik heb nauwelijks geslapen wanneer ik in de vroege ochtend word gewekt. Ik gebruik mijn ontbijt in grote haast en wordt dan in grote vaart naar het station gereden voor de lange treinreis naar Jogja. Er is veel over deze zuidroute gejubeld, maar de slaap wint het toch van het landschap met de palmen, bergen, desa’s en de rijstvelden met de bibitplanters. Ik ben hier niet op vakantie, zo is het.
Haagsche Courant, vrijdag 15 oktober 2004
