EAST is de voortzetting van Archipel Magazine. De (postkoloniale) Indische cultuur heeft het loodje moeten leggen en daar ben ik niet bijzonder blij mee. Ik mocht immers elk kwartaal een postkoloniaal verhaal schrijven en ik was helemaal vrij in de keuze van mijn thema’s. Het enige Indische tijdschrift dat er nu nog toe doet is Moesson, ’s wereld grootste Indische magazine overigens, dat in 37 landen wordt gelezen. Onlangs mocht ik er een verhaal in publiceren en het kan zijn dat dat nog wel een paar keer gaat gebeuren.
Wat heeft EAST dat Archipel niet heeft? Om kort te gaan: het bestreken gebied is flink uitgebreid met China, Japan, Taiwan, Thailand, Cambodja, Birma, Laos, Vietnam en de Filippijnen. Indonesië blijft de kern, met Maleisië. Wat een uitstapje naar Hawaii, de 50e staat van de VS, in het herfstnummer doet, valt nu even buiten mijn begripsvermogen. Als ik het voor het zeggen had, dan volgde ik gewoon de oude scheepvaartroutes van de Hollanders en richtte ik me op alle landen die met het koloniale verleden van de Hollanders te maken hebben gehad. Dus ook Zuid-Afrika, en natuurlijk de Cariben. Dán maak je een statement. Dán geef je geschiedenisles, wat zo broodnodig in deze tijden van armoedig cultuurbesef, vreemdelingenhaat, racisme en wat al niet meer.
Maar ik blijf nog wel verbonden aan EAST, hoewel niet actief want mijn terrein is de (postkoloniale) literatuur, al vind ik nu en dan iemand een interview afnemen ook wel uitdagend, maar dan moet het wel om een bijzonder persoon gaan. Ik wacht gewoon op een opdracht, want ja, ik ben al sinds 2004 niet in Indonesië geweest en de Nederlands-Indische geschiedenis vind ik interessanter dan het huidige Indonesië, waar de hele wereld zo’n beetje aandacht aan besteedt, tot en met CNN en BBC World News.
Voor het herfstnummer van EAST heb ik het romandebuut Oog van de naald van Griselda Molemans besproken. Het stuk staat er mooi in, over twee volle bladzijden. Voor meer informatie over de inhoud van het blad, surf naar: EAST.
Waar een blog al niet goed voor is… Ik had nog maar net geschreven dat er weinig dommers bestaat dan je lievelingsboeken uitlenen of ik kreeg een e-mail van degene die het in bezit had. Die wilde het wel terug komen brengen, maar ik had haast en ben het gaan halen. De reden dat ik Sei Shōnagon’s Hoofdkussenboek zo nodig heb is natuurlijk niet de ellende die momenteel over Japan komt met aardbevingen, tsunami’s en een dreigende vérstrekkende ramp met kerncentrales. En ook niet vanwege een link tussen mijn jongste boek Rivier de Brantas en Japan. Het is gewoon het weer. Als de zon schijnt en ik zit op balkon, dan wil ik in het Hoofdkussenboek lezen. Sei Shōnagon was de eerste blogger van de mensheid (ja, ik overdrijf) en dat deed ze zonder muis en toetsenbord. Ze bezat, zoals elke hofdame, notitieboeken en bewaarde die in het laatje van haar houten hoofdsteun. Ze heeft een scherpe pen, kan erg spotziek en dweepziek zijn en komt nogal ijdel en opschepperig over. Ze beweert dat ze haar “krabbels” louter voor eigen plezier heeft geschreven, maar ik verdenk haar ervan dat ze haar hoofdkussenboek gewoon een keer heeft laten rondslingeren. Haar laatste zin – Wat men ook van mijn boek moge denken, ik betreur het nog altijd dat het aan het licht is gekomen. – neem ik dan ook niet serieus. Met haar schitterende observaties brengt ze het feodale Japan van 1000 jaar terug tot leven: een samenleving die heel wat overzichtelijker was dan, zeg, Nederland anno 2000. Ze laat ook zien dat het gedoe tussen mannen en vrouwen nauwelijks is veranderd. Het belangrijkst is dat ze me op een of andere manier inspireert tot schrijven. Zaken die ik niet op mijn weblog zet en tot nog toe nooit in boekvorm heb laten uitgeven. Want dát is het werkelijke schrijven: niet denken aan publiceren; dat zit je alleen maar in de weg. Wie weet schrijf ik ooit nog haar laatste zin over: Wat men ook van mijn boek moge denken, ik betreur het nog altijd dat het aan het licht is gekomen.
Ik schreef een roadshowverhaal onder de titel Javaans Vuurwerk voor De Reisgids Indonesië – Oorlogsplekken 1942-1949. Het boek, met belangrijke historische informatie, maakt de reiziger letterlijk en figuurlijk wegwijs in de oorlogsjaren van 1942 tot 1949, van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tot aan de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië. Een zoektocht naar de sporen van dit verleden: interneringskampen, begraafplaatsen, musea, monumenten en andere plekken van herinnering. Een gids met historische achtergronden én actuele beschrijvingen en leestips. Een gids die ooggetuigen,
Zou Tjalie Robinson nou echt “de enige Indo-schrijver van Nederland” zijn geweest? Flauwekul natuurlijk. Toch meldt de website van de uitgever het. De flaptekst is op het boek intussen gewijzigd, maar de oorspronkelijke versie gaat vrolijk het internet over. Wim Willems is wél de enige echte biograaf van deze kleurrijke figuur. Geen flauwekul. Tjalie was ooit een gevierd schrijver maar is onderhand vergeten buiten Indische en Indonesische kringen. Zijn naam komt niet voor op de boekenlijsten van middelbare scholen. Hoe is dat mogelijk? Willems opent zijn boek fraai met de begrafenis van het fenomeen, het lijkt wel of je een roman leest. Helaas houdt de schrijver deze verteltrant niet vol. Volgt een degelijk en minutieus verslag van het leven van het “kind tussen Oost en West”. Eigenlijk zijn het drie levens in één: dat van Jan Boon, zoon van een Nederlandse vader en een Indische moeder, dat van Tjalie Robinson, de schrijvende activist, en dat van Vincent Mahieu, de literator. Drie maanden na zijn geboorte in Nederland vertrok hij al naar Nederlands-Indië, ging er later het onderwijs in, werd gevangene van de Japanners in de oorlog, keerde uit Indonesië terug, probeerde in Amsterdam te aarden en oogstte er als schrijver lof in literaire kringen. Vanuit Den Haag bestierde hij een eigen tijdschrift. Hij wilde zijn Indische lotgenoten “porren tot grotere daden” dan zo geruisloos mogelijk in de Nederlandse samenleving opgaan. Hij verwaarloosde zijn schrijverschap en stortte zich als voorman van de Indische gemeenschap in vele avonturen, liep zichzelf voorbij en pleegde roofbouw op zijn gezondheid, onder andere door een avontuur in Amerika in zijn rusteloze zoektocht naar een cultuur die beter aansloot bij de Indische dan die in Nederland. De levensloop van Tjalie brengt een belangrijk weggemoffeld deel van de Nederlandse geschiedenis terug voor het voetlicht. Als biograaf is Willems nergens hinderlijk dweepziek. Hij kan kritisch naar zijn idool kijken en hem met tegenstand van Indo-schrijvers als Beb Vuyk en Rob Nieuwenhuys confronteren. Voor zijn literair-wetenschappelijke analyses leunt Willems wel erg op E.M. Beekman, wiens hoogdravende theorieën hoogstwaarschijnlijk door Tjalie zouden zijn weggewuifd. Verbazingwekkend is het dat Willems, met zijn brede kennis van Nederlands koloniale verleden, de termen “Indo”, “Indisch”, “Indo-Europees”, “Indischman” en zelfs “Indischgast” inconsequent door elkaar gebruikt. In zijn nawoord trekt hij idealistisch de “transnationale gedachte” van Tjalie door naar nieuwe migranten in Nederland, maar laat die potentiële lezers zonder inleidende toelichtingen op genoemde begrippen in het duister tasten. Voorwaar een gemiste kans. Laat onverlet dat geen serieuze Neerlandicus het zich nu nog kan veroorloven deze Indo-schrijver te negeren. De biografie vraagt indirect om een bredere algemene nationale geschiedschrijving. Mocht dat er niet van komen, dan vind je de verklaring daarvoor in de geschriften van Tjalie Robinson himself.
Ik ben een televisiehater en daar heb ik een goede reden voor. Vijfennegentig procent van het programma-aanbod bedient de niet-avontuurlijk kijker. Een halve eeuw van Amerikaanse dominantie heeft de televisiekijker murw gemaakt en gehersenspoeld. Afgelopen nacht had ik het geluk een Koreaanse remake van een Amerikaanse remake van een Franse remake te ontdekken. Ik had wel behoefte aan wat afleiding, want mijn pc had kuren en het nationale voetbalelftal had een slechte avond en vloog uit het toernooi. Welke voetbaltrainer laat dan ook een B-team opdraven zodra de volgende ronde is gehaald, zodat het A-team liefst een volle week kan gaan rusten? Zelfs vrouwen mochten komen overnachten. Een voetbaltoernooi dient in volkomen afzondering benaderd te worden, spelers zijn monniken, ze hebben geen recht op een gewoon leven en waarom zouden ze dat willen? Enfin, mijn naam is Meneer B. en ik heb een geweldige smaak. Voor werkelijk fraaie cinema moet je naar China, Japan en Korea. De film was uit 2003 en speelde in het achttiende-eeuwse Korea. Alleen de kostuums en de subtiele mimiek van de spelers waren al een genot om naar te kijken. Erotische scènes waren niet expliciet en dus een verademing. Maar dan: op driekwart van de film breekt het beeld horizontaal, de spelers worden onthoofd, hun voeten en de ondertiteling komen in de lucht te hangen en hun rompen dansen onderin. De storing in de uitzending duurde zeker een kwartier. Waarom is de film niet teruggespoeld tot waar het misging? Waarom is schoonheid gedoemd te sterven?
Aanstaande nacht is de kortste van het jaar. We vieren de zomerwende niet nationaal. Toch worden op veel plaatsen allerlei kleinschalige feesten georganiseerd, je zou denken dat er behoefte is aan een groot feest. Maar traditie is geen cake die je kunt bakken. Iets ontstaat en komt een jaar later terug en dan weer en weer. Zoals de nieuwjaarsduik in Scheveningen, ooit begonnen door een stelletje ongeregeld en thans uitgegroeid tot een happening die mensen tot uit Amerika en Japan aantrekt. Misschien vieren wij de zomerwende niet omdat Stonehenge in Zuid-West Engeland staat. Ieder jaar vallen de eerste stralen van de opkomende zon op 21 juni precies op de reusachtige Heel Stone. De megalieten in hun magische constellatie worden al eeuwenlang geclaimd door druïden, die geloven dat Merlijn ze tevoorschijn heeft getoverd. Daar ligt het antwoord op de vraag waarom wij de zomerwende niet nationaal vieren. De kerk wil er gewoon niets van weten. Nou sta ik niet direct te trappelen om me tussen de zweefkousen te begeven die de nacht van 20 op 21 juni te Stonehenge doorbrengen met hun wichelroedes, trommels, doedelzakken, heksendansen, wilde seks rond kampvuren en wat al niet meer. Allen wachten op de druïden: oude mannen, veelal bebaard en gestoken in witte gewaden, met minimaal twintig jaar studie van wiskunde, fysica, astronomie, filosofie en geneeskunde achter zich. Ze bestaan al langer dan de christenen, die het momenteel flink aan de stok hebben met de islamieten. Is het geen straf om daar als brave heiden tussen te moeten zitten?