Sinds mijn hart een aanval te verduren heeft gekregen, is mijn lichaam veel gevoeliger voor allerlei veranderingen in de atmosfeer. Als een dweil rond het middaguur opgestaan. Plotselinge regen brengt veel zuurstof in de lucht, het zou me goed moeten doen, maar mijn lichaam acclimatiseert trager. Is Japan nog één van de weinige landen waar men een echte lente, zomer, herfst en winter kent? De geleidelijkheid der seizoenen lijkt me een weldaad. Of heeft ook daar de luchtverontreiniging het klimaat ziek gemaakt? Eigenaardig dat in een dichtbevolkt land als Japan, waar de luchtverontreiniging hoog is, de mensen zeer oud worden. Ligt het Japanse geheim in hun keuken? Medische hulp schijnt er op een hoog niveau te staan. Een correspondent van een Nederlandse krant werd er op een ochtend onwel tijdens het scheren. Hij belde de ambulance, die binnen twee minuten arriveerde. De behandeling begon al voordat hij op een brancard naar het ziekenhuis vervoerd werd. Ze lieten hem in geen geval een half jaar wachten voor ze hun klus afmaakten, zoals mij is overkomen. Het is een fabel dat dotteren van de kransslagader een mens in korte tijd weer opgewekt maakt. Misschien geldt dit voor patiënten bij wie vernauwingen aan het licht kwamen nog voordat het hart een tik kon krijgen. Toch heb ik op een slechte dag als deze vanmiddag nog wat kunnen krassen in een manuscript aan de keukentafel. Daarna ben ik gaan slapen, om in de avond voor mijn zoon en mij verse zalm te kunnen bereiden.
Tagarchief: japan
Het buigsyndroom
Rudy Kousbroek merkte eens op dat veel frustraties van Europeanen ten opzichte van de Japanners terug te voeren waren, of zouden kunnen zijn, op een diepgeworteld racisme. Ik weet niet meer waar ik dat las, hoogstwaarschijnlijk in Het Oostindisch kampsyndroom (Amsterdam, Meulenhoff: 1992). Irritant tot zeer hinderlijk in de verhalen van Europeanen, en van Indo’s, was het aldoor weer moeten aanhoren hoe men telkens moest buigen wanneer er een ‘Jap’ voorbij kwam. Er is zelfs een Indische vereniging die er haar logo mee versiert.
‘Jap’ was in ‘Indië’ zoiets hier in ‘Holland’ ‘Mof’ was. De term ‘Jap’ heeft het tot de dag van vandaag uitgehouden, langer nog dan ‘Mof’. Zou dat nou komen doordat men hier niet voor de ‘Mof’ hoefde te buigen, maar hooguit had te salueren?
Anyway, vandaag is het 15 augustus: de dag waarop ‘Indisch Nederland’ de capitulatie van Japan herdenkt. Dat geschiedt jaarlijks bij het Indisch Monument bij de waterpartij in Den Haag. Ik ben er nooit bij geweest, ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorst en Vaderland. En zij houden niet van mij, want ik wordt door die ouwe lui voor zoiets als een ‘linkse Indo’ gehouden.
Er is altijd veel gedoe geweest over de precieze onafhankelijkheidsdatum van Indonesia. De Indonesiërs houden het op 17 augustus, dat doen ze al 60 jaar. Nu dan heeft onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ de datum van 17 augustus 1945 geaccepteerd als de dag van de onafhankelijkheid. Gelul natuurlijk, want we hebben het hier over een onafhankelijkheidsverklaring. De grootste ellende moest toen nog gaan beginnen. Zoals: de oorlog van Nederland tegen Indonesia onder de noemer van ‘Politionele Acties’. Over de verschrikkelijke Bersiap zal ik het maar niet hebben, want dat zegt de gemiddelde Hollander toch geen moer. Die komen toch weinig verder dan hun Hongerwinter van 1944, waarin ze suikerbieten moesten vreten, als ze die al krijgen konden.
De onafhankelijkheidsdatum van Indonesia viel totnogtoe in Nederlandse ogen gelijk aan de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. Valt wat voor te zeggen natuurlijk. Ik bedoel een handtekening is een handtekening. Maar principieel hadden de Indonesiërs, althans in mijn ogen, gelijk. Zij waren gekoloniseerd geweest, hadden zich vrijgevochten, dus het was aan hen te bepalen welke dag zij als de dag van hun onafhankelijkheid beschouwden.
Dat hele gedoe, die discussie, heeft dus 60 jaar geduurd. Nu zo’n beetje alle Indische Nederlanders onder de groene zoden liggen, is het hier te lande allemaal wat eenvoudiger om als zijnde minister van BZ het laken alsnog recht te trekken. Maar… doe het dan goed.
Dat de minister himself in ‘Indië’ is geboren, doet er niet toe. Dat geeft hem niet méér recht een besluit als deze uit te voeren dan, zeg, een minister uit het Gooi. Hoe het met zijn kennis van de geschiedenis is gesteld zou ik niet weten, want de Haagsche Courant, waar ik momenteel mijn laatste weken als columnist doormaak, of moet doorstaan, vergeet soms ook maar om quotes af te sluiten. De HC, met de zeis van het AD voor het aangezicht, meldt op haar sterfbed:
De strijd in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1949 heeft volgens schattingen aan 150.000 Indiërs en 6000 Nederlanders het leven gekost.
Wat zijn Indiërs? Weet u het? Die versleten term van een eeuw terug is door die sufkous van onze huidige Volksgeschiedschrijver Geert Mak van stal gehaald voor dat vod van zijn boek hem, getiteld De eeuw van mijn vader (Amsterdam, Atlas: 1999). Je moet er toch niet aan denken dat we het daar nog een eeuw mee moeten doen, wah? Enfin, onder Indiërs wordt verstaan Indo’s, als ik het allemaal wel heb, en onder Nederlanders wordt verstaan alles wat Nederlands onderdaan was, dus ook Indo’s.
Over de Romusha’s, Indonesische dwangarbeiders voor de Japanse bezetter, wordt al helemaal met geen woord gerept. Schattingen lopen uiteen van 200.000 tot liefst 2.000.000 slachtoffers onder deze arme jongens. En dan tellen we de gedode Indonesische vrijheidsstrijders nog maar even niet mee, want dat is hun pakkie an.
Het zal nooit wat worden met de geschiedschrijving van Nederland overzee. Nooit ofte nimmer. ‘Het wachten is nu op de Japanners’ (ook al kampioenen in het achterhouden van de feiten in hun schoolboeken). Deze hoop wordt althans gekoesterd door De Stichting Herdenking 15 augustus 1945, die vermoedt dat de tijd voor de Japanners nu ook wel begint te rijpen om met nieuwe spijtbetuigingen te komen inzake hun rol tijdens WO-II in de Archipel.
Niettemin blijft men een stok nodig hebben om een hond mee te kunnen slaan. De nieuwe honden in deze onzalige geschiedenis zijn de Koreanen. ‘Want die waren nog veel en veel erger dan de Japanners’, zo luidt het grote cliché van de laatste jaren. Dus ja, de Haagsche Courant gaat braaf daarin mee door op de voorpagina een spotprent af te drukken van een Koreaanse kampbewaker voor wie een blanke moeder met haar kind moet buigen. Raak je je oude vijand kwijt, dan vind je in no time wel weer een nieuwe.
Zie de mens.
Zatoichi
Zatoichi is de naam van een legendarische blinde zwaardvechter, wiens verhaal sinds 1962 al 27 maal is verfilmd. De 27e editie van Zatoichi haalde hier in Den Haag nog maar net het Filmhuis, terwijl hele volksstammen in de rij stonden voor Kill Bill. Maar in Jakarta lagen de rollen omgekeerd. Ik heb Zatoichi er een keer of tien bekeken en er later net zo veel westerse recensies over gelezen. Geen recensent ging in op het martiale aspect van het verhaal.
Het verhaal van Zatoichi is eenvoudig. Een stadje in het oude feodale Japan wordt geterroriseerd door elkaar beconcurrerende bendes. Zatoichi, een blinde zwervende masseur, strijkt er een poosje neer en neemt het op voor de onderdrukte dorpelingen. Hij is grijs, loopt krom, wordt niet gehinderd door zoiets als een gezichtsvermogen en hoort en voelt alles. De snelheid waarmee hij zijn verborgen zwaard uit zijn wandelstok trekt dankt hij aan een zeer onorthodoxe techniek.
Een tweede outsider hangt rond in het stadje: een samoerai op zoek naar werk om zijn zieke vrouw te kunnen verzorgen, wat hem sympathiek maakt. Helaas wil het lot dat deze samoerai bij de tegenpartij terechtkomt waar Zatoichi voor strijdt. De ziende samoerai is ongemeen bedreven in het zwaardvechten en trekt zijn zwaard zoals het hoort: met de handpalm over het heft heen, de duim omlaag. De blinde masseur daarentegen trekt zijn zwaard andersom uit zijn wandelstok: de handpalm onderlangs, de duim omhoog. Halverwege de film komen zij al tegenover elkaar te staan. Beiden trekken hun zwaard, maar ze staan te dichtbij elkaar om uit te halen. Het verschil in techniek is duidelijk zichtbaar, maar het is moeilijk uit te maken wie later – want dat voel je aankomen – de snelste zal zijn.
Wanneer de clans door zowel de ziende samoerai als de blinde masseur zijn uitgeschakeld en de dorpelingen zich opmaken voor hun bevrijdingsfeest, moet nog een van de hoofdrolspelers wijken. Ze hebben over elkaars snelheid gehoord en koesteren ontzag voor elkaar. Op een verlaten plek lopen ze op elkaar toe. De ziende samoerai trekt zijn korte zwaard en werpt die naar de blinde masseur, die het wapen met een buitengewone reflex afweert. Hier heeft de ziende samoerai het pleit eigenlijk al verloren. Maar hij is dapper, als een samoerai betaamt, en maakt zich gereed.
De ziende samoerai monstert de blinde masseur, grinnikt en brengt zijn hand net als zijn opponent omgekeerd naar het heft van zijn zwaard. De blinde masseur voelt het en haalt een truc uit, waarin een wijze les verborgen ligt. Hij brengt nu juist zijn hand op de klassieke manier naar het heft. Dat brengt de ziende samoerai van slag. Gaat die blinde masseur nu toch op de klassieke wijze zijn zwaard trekken? Nee, het is een afleidingsmanoeuvre. En in de laatste seconde van zijn leven leert de ziende samoerai nog net dat je altijd trouw moet blijven aan je eigen kunstenaarschap.
Haagsche Courant, vrijdag 11 maart 2005
Strafkamp Aarde
In Genesis 6:1-4 staat een van de raadselachtigste zinnen uit de Bijbel: “De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.”
Het woordje ‘daarna’ verwijst naar de Zondvloed, die ongetwijfeld momenteel door fundamentalistische christenen met de jongste tsunami in verband zal worden gebracht. Niet hardop, dat past niet bij de huidige massale hulpverlening, die over de grenzen van alle religies heen stapt. Kan de politiek wat van leren. Of helemaal niets. Politiek is immers berekening.
Laat ik de Zondvloed als oer-tsunami even vergeten. Wie waren die reuzen dan? Wanneer waren ze eigenlijk gekomen? En hoe? Met ruimteschepen? En wanneer vertrokken ze van hier? Er is veel over geschreven, gedebatteerd, gebakkeleid, kortom: gefantaseerd. In mijn donkerste ogenblikken koester ik de fantasie dat de reuzen van een andere planeet waren, die de opdracht hadden het grootste tuig uit het universum, mensen genoemd, maar op Strafkamp Aarde te dumpen.
Ja, we zijn maar mensen. Nog geen week na de ramp in Zuid-Oost-Azië wordt de eerste opblaasbare tsunami al aangeboden. Kunnen de kids lekker glijbaantje op spelen. Je kunt er donder op zeggen dat nu al een schrijversteam aan een Hollywoodscenario werkt, want de poen die de VS uitgaat moet er ook weer binnenkomen. Maar dergelijke commerciële streken zijn oneindig doorzichtiger dan de duistere breinen van politici op het wereldtoneel. De Duitse bondskanselier denkt investerend, wat dacht je. Onze minister van Binnenlandse Zaken Remkes doet dat juist niet, Colin Powell weer wel, tamelijk geloofwaardig ook nog, gezien zijn uitspraak dat zelfs hij als oorlogsveteraan nooit eerder zo’n ellende heeft aanschouwd.
Enige verholen ergernis is er over de onvoorziene hulp uit China. De Chinezen zouden iedereen maar voor de voeten lopen. China maakt een economische groei door die de wereld op zijn kop gaat zetten, dus het land begint zich gaandeweg te manifesteren. Zuid-Oost-Azië is als afzetgebied niet langer alleen aan Japan voorbehouden, zelfs Noord-Korea laat zich niet onbetuigd met de hulpverlening.
Niet alles is berekening natuurlijk. Vele mensen zijn geroerd. Dat duurt niet lang. Emoties zijn als golven. Emoties kunnen hele naties in beweging brengen voor kortetermijnhulp aan volkeren die in ellende zijn gedompeld. Gevoelens zijn als stromen, kalmer maar aanhoudender. Een blijvende en eerlijke verdeling van de welvaart over de hele wereld zou nog mooier zijn dan wat nu gebeurt. Dat krijgen wij mensen niet voor elkaar, wij vergeten snel. Kwamen de reuzen maar weer terug op aarde. Een bovenmaanse wereldregering zou een zegen zijn.
Haagsche Courant, vrijdag 7 januari 2005
Jiu-jitsu en de kunst van het kijken
Examen! Blij dat ik niet op de lijst sta, scheelt weer een slapeloze nacht. Ik bevind me in de comfortabele positie plaats te mogen nemen op de publieke tribune, als ik de klassieke gymnastiekbankjes in de beroemde rode dojo aan de Groot Hertoginnelaan zo mag noemen. Twintig kandidaten treden aan, later voegen zich twee laatkomers bij hen, wat je in Japan niet moet flikken want dat wordt dan voor straf een seizoen lang walvisjagen of weet ik veel wat ze daar voor zulke etiquetteschenders in petto hebben. Er doen zeven vrouwen mee, wat ik al wist, anders kwam ik niet kijken natuurlijk. Vrouwen hebben doorgaans een betere techniek, anders krijgen ze dat manvolk niet op de grond, snapt u? Huh, u dacht zeker dat ik aan hele andere dingen dacht, hè? Wat een simpele lezers zijn jullie toch. Terwijl enkele duo’s hun kunsten vertonen zit een zekere Indo uit het voormalige Nieuw-Guinea als een overjarige boeaja (vrouwenjager) met de twee jonge dames van Vitalizee te babbelen, alsof ie op een zaterdagmiddag in de kampong aan het buurten is. Hij bestaat het ook nog om met de benen voor zich uit gestrekt te zitten, wat in Japan ongetwijfeld de lachlust van het publiek zou hebben opgewekt, want zo zitten homo’s erbij, en nep-boeaja’s, in geen geval beoefenaren van het jiu-jitsu. Het is een examen voor beginnersbanden. Voor de leek is het dan heel moeilijk te beoordelen hoe goed of slecht de jiujitsuka’s het doen, omdat de technieken nog niet uitgevoerd kunnen worden zoals het uiteindelijk moet. Net als bij andere kunsten geldt ook hier dat het lang duurt eer het er echt goed uit gaat zien. Iemands nek omdraaien leer je in een maand, maar iemand met souplesse, gratie en stijl naar gene zijde helpen is andere koek. Witte-banders hebben het het moeilijkst, het is hun eerste examen. Gele-banders lijken meer ontspannen, zoals de dames van Vitalizee, maar die hebben natuurlijk een lekkere massage van hun werkgever meegekregen. Ze hebben allebei de boeaja als partner gekozen, want die kun je lekker smijten zo relaxed als ie is. Of hij ruikt lekker, kan ook. Er staat ook een macho mulat op de mat, die mij met de uitvoering van een simpele kniedruk aan de oude wijzen doet denken met hun lofzangen over ‘schoonheid in eenvoud’. De uitslag van het examen verbaast mij als gewoonlijk. Ik heb geen idee hoe de vier examinatoren kijken. Waarom kan iemand die zich allerlei slordigheden veroorlooft toch hoger eindigen dan iemand die alles tot in detail nauwkeurig wil uitvoeren? Een urenlange discussie met mijn broer brengt ons tot de conclusie dat de examinatoren in eerste instantie lijken te kijken naar hoe de onderdelen van de zelfverdedigingstechnieken in elkaar overvloeien. ‘Je moet zijn als water.’ Zoiets citeerde Bruce Lee eens. In die woorden ligt de weg terug naar de bron. Het kan heel lang duren eer je zo’n zin echt begrijpt. Je moet het voelen. Maar dan… Je kunt het nog altijd mis hebben…
Haagsche Courant, vrijdag 23 april 2004
Spoelwet
Zo, dus de FC Den Haag, nee ik bedoel ADO, eh nee ADO Den Haag heeft nu ook een Japanse kanjer
. Ik dacht eerst even dat ik las ‘Japanse karper’ (= koi) en vroeg me meteen af of die karper de ooievaar op de spelershirts zou vervangen en welke kleur die vis dan wel niet zou hebben, of dat de middenstip misschien was vervangen door een rond vijvertje waarin de koi vredig kon zwemmen ter lering ende vermaeck van voetbalvandalen. Maar nee, we hebben hier dus echt van doen met een ‘Japanse kanjer’. Zijn naam is Kazu Toda. Hij was die speler met die rode kuif, zeg de Koi van het Japanse team, tijdens het WK van Hiddink weet u wel. Het opmerkelijkste wat over Toda’s lippen kwam bij de eerste persconferentie in het Haegsche is dat zijn appartement een bad mist. Leuk, hè? Nou zijn de verschillen in badcultuur tussen Holland en Japan al zo’n 400 jaar bekend, er is uitgebreid over geschreven in een megaseller als Shogun van James Clavell, maar een Japanner het hier naar de zin maken door zoiets eenvoudigs als een bad, nou nee, dat zal nog zo’n 600 jaar duren, denk ik. Gut, straks stuurt ADO een gedelegeerde naar de voetballende Karper om hem uit te leggen hoe ie een washandje moet gebruiken, wah! Kan ie van schrik niet meer voetballen tot zeg de laatste wedstrijd voor degradatie naar de flutdivisie.
Ik maak effe een sprongetje naar de Indische mensen die met 300.000 naar Holland werden verscheept in de jaren vijftig. Beetje link dit, want er zijn oudere Indische mensen die terstond mata gelap (oog rood = woedend) worden als ze in één adem met een ‘Jap’ (Jap = zoiets als Mof) worden genoemd. Maar ik begon dit sprongetje toch netjes met een nieuwe alinea, niet? (Voor wie werkelijk niet weet waar ik het over heb: zet die teevee eens uit en lees een geschiedenisboek, desnoods eentje van Bosma en Raben).
Goed, sprong gemaakt. Nou, die Indische mensen die keken zich hier de ogen uit het hoofd. Wat bleek? Hun Hollandse voorouders bedienden zich op het toilet van papier! Smeercultuur, wah! Indische mensen daarentegen hadden een spoelcultuur. In het eenvoudigste geval bedienden zij, en bedienen zij zich van de fles om hun achterste mee te spoelen. Spoelcultuur, ya! (Botol cebok = mencebok met fles.) Die vergaten onze dominee Multatuli en onze dandy Couperus helaas te beschrijven in hun romans en met echte Indische romans vegen onze ‘grote’ recensenten in Damsko zich de gat af, tja, ach, al, sudah laat maar.
Of ADO inmiddels niet al een klusjesman op onze Japanse Karper heeft afgestuurd om een bad te plaatsen zou ik niet weten. Maar nu ik het er toch over heb… eh, is het niet mogelijk dat er een Spoelwet komt, waarin staat vermeld dat elke verhuurder verplicht is voor Indische mensen een sproeiertje in het toilet te monteren? Laat geen sporen na. Is Indisch.
Haagsche Courant, vrijdag 30 januari 2004
NAKONI
Zelfverdediging is in. Wellicht als reactie op de toename van geweld op straat en niet te vergeten in huis. Aan de basis van vele zelfverdedigingssystemen ligt het jiujitsu. Maar waar ligt nou de bron van het jiujitsu? Men zegt bij de Japanse samoerai en ninja-krijgers. Maar mensen willen namen horen. Nou, tegen het einde van de 17e eeuw ging ene Akijama Shirobei Yashitoki, een Japanse arts, voor een tijdje naar China. Een religieuze groepering leerde er hem een speciale gevechtsmethode, maar Akiyama bleef verstoken van de essentie. Terug in Japan bekeek hij op zekere dag de takken van een ondergesneeuwde kerselaar en een wilg. Die van de kerselaar braken af, terwijl die van de wilg bogen, zodat de sneeuw eraf gleed. Akijama begreep toen dat een vechter moet ‘meegeven om te overwinnen’. Dat is nu nog het motto van de jiujitsubeoefenaar. Het wordt overigens meestal vergeten, de weg van oefening naar kunst is immers lang.
In een andere verhaalversie stichtte ene Akiyama Sinobu, een dokter uit Nagasaki, in 1732 een school die het vechten met de blote hand verspreidde volgens het principe van de meegevende wilgentakken. Was deze Akiyama Sinobu misschien een familielid van eerstgenoemde? Sommige bronnen houden beide personen voor een en dezelfde.
De ontwikkeling van het jiujitsu in Nederland kent ook naamsverwarring. Voor de Tweede Wereldoorlog hing hier nog een waas van geheimzinnigheid rond jiujitsu. Tijdens de oorlog verschenen van Alfred Mazure de populaire Dick Bos-strips. In een aflevering ontmoet de held Dick Bos een jiujitsu-expert genaamd Maurice van Nieuwenhuizen, op wie hij later meer en meer zou gaan lijken. Stripheld Dick Bos werd synoniem aan jiujitsu. Zijn geestelijke vader was in werkelijkheid een leerling van Maurice van Nieuwenhuizen. Indertijd werd ook het eerste volledige Nederlandse jiujitsu-systeem ontwikkeld, het NAKONI-systeem, een acroniem naar de bedenkers NAuwelaerts, KOning en NIeuwenhuizen. Hiervoor tekende niet Maurice, zoals velen beweren, maar zijn talentvolle broer Bob van Nieuwenhuizen.
Diens leerlingen droegen ooit witte kersenbloesems op hun jiujitsupakken. Waarom geen wilgenbloesem is mij een raadsel… De kleur van de knop gaf de gradatie aan, naar analogie van het judo in wit, geel, oranje, groen, blauw, bruin en zwart. Bevoegde leraren droegen een rode knop in een zwarte kersenbloesem. In de volksmond sprak men van het ‘kersenbloesemsysteem’. Hoewel leerlingen op de huidige school van Steve van Nieuwenhuizen nog altijd het klassieke NAKONI-systeem volgen, dragen zij nu judobanden. De gradatie is zo duidelijker zichtbaar dan in een kersenbloesem, maar de rijpere leerling kijkt door de kleur van een band heen. Zoals de meester door iemands façade heen kijkt.
Haagsche Courant, vrijdag 19 december 2003
Hoestnorm
Nou had ik net het plan opgevat een column te schrijven onder de Q, X of Y, want die letters heb ik nog niet in mijn columnalfabet, en nu krijg ik de hoest! Het enige voordeel van de hoest is dat je het er warm van krijgt en niet kunt roken. Nadelen te over. Helder denken wordt lastig. Het is al middernacht en ik heb nog geen letter op papier, ik bedoel op het scherm. Maar ik zal en moet een column schrijven, een columnist is namelijk nooit ziek, hoest of geen hoest. Hé! Hoe’s’t? Aan de hoest!? Medicijn tegen de hoest? Gewoon niet hoesten! Schreef Atte Jongstra eens ergens, de nar van de Nederlandse letteren, het zou in Groente of hoe-heet-dat-boek kunnen staan maar ik duik nu even niet mijn boekenkast in, die vieze stoffige boeken bezorgen me straks nog meer hoest. Het stofvrije internet biedt veel info tegen de hoest maar zonder een omschrijving van normen en waarden. Ligt hier geen taak voor de overheid? Wat is hoest eigenlijk? Volgens mij zijn er twee soorten hoest: hoest waaraan je niet en hoest waaraan je wel doodgaat. Over geen van deze soorten hoef je je druk te maken, immers beide leiden naar de weg die de goden voor je hebben uitgestippeld. Maar is er geen gedragscode voor het openbaar bedrijven van de hoest in onze samenleving? Ik bedoel kan er geen hoestmelding boven deze column in een verder leeg veld? Dan kan ik mijn nest in! Nu moet ik schrijven terwijl ik over mijn toetsenbord klap van de hoest. Wie weet begint de lezer bij deze woorden wel spontaan te hoesten! Is hoest eigenlijk geen groter taboe dan seks? Wordt het geen tijd voor lekkere hoestprogramma’s op teevee? Dan kan het van de straat, begrijpt u? Mensen hoesten elkaar maar in de smoel onder het motto ‘ik de hoest, jij de hoest’. Moet dat voor saamhorigheid doorgaan of zo? Wat zou zo’n minister Hoogervorst van Volksgezondheid voor bespiegelingen koesteren rond de hoest? Onze premier Balkenende verbluft ons toch steeds maar weer met zijn ethische bezwaren aangaande huwelijken, televisieprogramma’s en zo meer. Als alles klopt is hij nu even niet aanspreekbaar. Zijn naam begint met een B., dus Balkenende, Berlusconi, Birney en Bush zijn aan de hoest. De A’s waren al begonnen, straks komen de C’s erbij enzovoort. Dit volgens de aanname van uw snotterige columnist in alweer een ijdele zoektocht naar wetmatigheid, maar goed, voordat de H’s aan de beurt zijn kan zo’n Hoogervorst, al is hij liberaal, als pleister voor Operatie Afbraak Volksgezondheid toch alvast voorstellen de Japanse gewoonte om bij hoest een mondkapje te dragen te laten onderzoeken? Bestaat die gewoonte nog wel? Is in het kader van de eeuwenoude betrekkingen tussen Nederland en Japan geen mondkapjesconferentie te beleggen? Het idee achter het mondkapje is niet, zoals bij SARS, de angst besmet te worden, maar de wens te voorkomen dat anderen door jou aangestoken worden. Hé, is een ratel niks?
Haagsche Courant, vrijdag 14 november 2003
Jij mijn hoofd, ik jouw zwaard
Zomervakantie. De rode dojo aan de Groot Hertoginnelaan is in rust. De mat mag op adem komen van al die jiujitsuka’s die zij honderden malen per dag op zich geworpen krijgt. Ik heb de eer er te zijn uitgenodigd door Bjørn Aris, die de derde plaats veroverde op het EK 2002 in de discipline Iaido. Wat is Iaido? Iaido wordt beoefend met een iaito. Wat is een iaito? Een iaito is een Japans zwaard met een geschiedenis die teruggaat op vervlogen tijden van de samoerai. Mag je zo’n zwaard hier in Nederland met je meedragen over straat? Nee, tenzij verpakt in een foedraal. Wat moet je er dan mee als je hem toch niet gebruiken kunt? Vergelijk het maar met Zen en de kunst van het handboogschieten. Wat is Zen? Zen is het behouden van je oorspronkelijke geest. Wat is je oorspronkelijke geest? Het antwoord krijg je door het niet te zoeken, maar door alles los te laten dat jou is geleerd. Hoe laat je los? Door te leren bewust iets vast te houden, bijvoorbeeld een zwaard. Bjørn Aris demonstreert me het groeten van het zwaard, waarna het met de schede tussen de gordelwindsels wordt gestoken. Dit aanvangsritueel kost je een jaar om het redelijk uit te voeren. Je mag niet kijken naar wat je handen doen. Je lijkt naar iets voor je uit te kijken, maar je geest is waakzaam en ziet om zich heen. Strenge Japanse leraren laten hun leerlingen een jaarlang hannesen met het aanvangsritueel voor ze ook maar aan de eerste kata, een vastgelegde gevechtsvorm, mogen beginnen. Bjørn Aris, in donkerblauw Japans rokkostuum, komt vanuit een zittende positie overeind, geeft een zwiepende hauw met het zwaard, slaat het denkbeeldige bloed af, gaat weer zitten en steekt het zwaard terug in de schede. Deze kata lijkt de eenvoudigste maar is de moeilijkste. Een vergelijking dringt zich op met de eerste beweging die je bij t’ai chi leert. Daar zit alles uiteindelijk in. Uiteraard hoort bij elke kata een verhaaltje, anders weet je niet wat een iaidoka visualiseert. Die verhaaltjes zijn eenvoudig. Je zit ergens te zitten, iemand komt met een zwaard op je af en jij reageert. Je doodt de tegenstander niet, nee: je zendt hem naar het licht. Ha ha ha! Die lach is van mij. Ik zal eens een gewetensvraag stellen: heeft mijn gastheer ooit eh… de neiging gevoeld om eh… Ha ha ha! Die lach is van hem. Hij antwoordt met een verhaal die tragiek lachwekkend maakt. In het feodale Japan kenden de samoerai het privilege te oefenen op gevangenen. Die vonden het geen bijster aanlokkelijk idee van kruin tot navel geklieft te worden. Ze bedachten een gepaste wraak op de ridders die zo nodig met hun uiterst kostbare zwaarden hun kunsten op hen wilden botvieren. Wist een gevangene dat hij de volgende dag aan de beurt zou zijn, dan vrat hij zijn buik vol met grind. En zo kreeg menig samoerai na een levensecht uitgevoerde kata zijn vlijmscherpe zwaard voorgoed onbruikbaar terug door het keiharde grind in de buik van wie hij naar het licht had gezonden.
Haagsche Courant, 25 juli 2003
Oorlogshuishouding
Even kijken, de oorspronkelijke oorlogshuishouding van Bush & Co voor de geplande blitzkrieg omvat in de Middellandse Zee de vliegdekschepen USS Rooseveldt en USS Harry S.Truman met elk 8000 man, 3000 militairen op Cyprus, 1700 man in Turkije voor 60 vliegtuigen, waaronder de F16, de F15, Jaguars en de KC135, waarmee in de lucht wordt bijgetankt, plus nog twee AWACS, in Jordanië zo’n 30 vliegtuigen van een onbekend type, in Saoedi-Arabië 5000 man voor 72 vliegtuigen waaronder de F15, de F16, de KC135 en KC10, in Koeweit 130.000 manschappen, onder wie 20.000 Britten (Engelsen, Ieren en Schotten dus) plus 1400 man luchtmacht met F15’s, F16’s en A10’s – wordt u al wat duizelig?
Verder, in de Perzische Golf de vliegdekschepen USS Constellation met 5300 man, de USS Kitty Hawk met 8000 man en de HMS Ark Royal met 1200 man, in Quatar aan luchtmacht 3300 man voor de KC10, KC35 en die enorme B-52-bommenwerpers, waar ze ook nog een stuk of wat van in Engeland hebben staan. In de Emiraten een luchtmachtje van 500 man, in Afghanistan 9000 man en in Djibouti 800 man Special Forces – hallo, bent u daar nog?
In de Arabische zee voorts het vliegdekschip USS Lincoln met 8000 man, bijgestaan door schepen uit diverse landen, waaronder Australië, Japan en Spanje, op het eiland Diego Garcia eiland 1900 man rond de buiken van de verwoestende B-52-ers. Waar de fraai ogende (tja, dat moet gezegd) Stealth bommenwerpers van het type B-1, B-2 en F-117 zijn gestationeerd is onbekend (kan evengoed Rotterdam Airport zijn, moet je aan Balkenende en zijn nieuwe blondje vragen), evenals de Tomahawks en overige kruisraketten. Verder fluisteren welingelichte tongen dat men nog beschikt over ultra geheime vliegtuigen, zoals de TR-3B (de vliegende driehoek) en de SR-71 (de Blackbird), beide voor spionageactiviteiten. Tenslotte kunnen nog worden genoemd de mannen en vrouwen voor onderhoudsdiensten, het enorme arsenaal aan tanks, pantserwagens en geschut, de helikopters, de tonnen munitie die door de woestijn worden gereden en ja, de satellieten die rond moeder aarde cirkelen.
Het aanvankelijk geplande totale budget voor de ‘campagne’ bedroeg zegge negentig miljard en schrijve 90.000.000.000 US Dollars. Daartegenover stelden een handjevol terroristen op de 11e september 2001 vier gekaapte verkeersvliegtuigen en wat handsteekwapens. Bush Jr. lanceerde de term New War, maar heeft er een ouderwetse betekenis aan gegeven. Wat wij aan reality tv te zien krijgen heeft weinig te maken met de New War: het uitschakelen van terroristen en massavernietigingswapens. Waarmee dan wel, zou ik niet weten. Toegegeven, ik heb me nooit bijster goed weten te verplaatsen in het brein van idioten.
Haagsche Courant, vrijdag 28 maart 2003