Schrijven aan een boek

Schrijven aan een boek kan merkwaardig associatief gedrag veroorzaken. Zo luister ik deze dagen aldoor naar de onderstaande aria van Händel, het Ombra mai fù uit de opera Serse (Xerxes) (1738), vertolkt door de Japanse countertenor Yoshikazu Mera. Tegelijk leg ik de laatste hand aan het derde en laatste deel van mijn novellenreeks. Het eerste, Rivier de Lossie (2009), speelt in Schotland. Het tweede, Rivier de IJssel (2010), speelt in Nederland en het deel-in-wording (2011, lente) speelt op Java.




Dit derde deel is een quasi roadshow, met terugblikken op onder andere de oorlog die Nederland in Indonesië voerde nadat het land zelf was bevrijd van de Duitsers. Een oorlog die eufemistisch de Politionele Acties worden genoemd, door Ad van Liempt gebombardeerd tot Een mooi woord voor oorlog. Ik ga daar niet diep op in, ook niet op de Japanse bezetting die enkele jaren eerder plaatsvond. Wél op de liefde die een familielid van me opvatte voor een Japanse officier. Zeg maar een verhaal zoals Il portiere di notte (1973) van Liliana Cavani (The Nightporter), maar dan zonder een weerzien. Ik beschreef het al eens in het verhaal Zonder gezicht, gepubliceerd in de verzamelbundel Vertrouwd en Vreemd (2000), maar bewerk het nu in een andere context.

Er is veel geschreven over zogeheten “troostmeisjes” maar weinig tot niets over meisjes die eenvoudig een liefdesaffaire hadden met Japanse officieren. Mijn vader haatte Japanners en alles wat met Japans te maken had. Veel Indische mensen en Indo’s haatten Japanners. Ik ben opgegroeid in een milieu waarin de haat jegens Japanners nog sterker was dan de huidige weerzin van Hollanders jegens Marokkanen op alle denkbare niveaus, tot aan de landelijke politiek toe.

De haat die mijn vader koesterde tegen de Japanners heb ik niet overgenomen. Mijn broer evenmin. Hij nam ooit luitlessen bij een Japanse leraar, in een tijd waarin de vader van een vriend van me met een hakbijl een piano van Japans fabrikaat te lijf ging, die zijn dochter in alle onschuld had aangeschaft.

Japanners kunnen gek zijn op Europese kunst en cultuur. En andersom, Europeanen kunnen dol zijn op Japanse kunst en cultuur. Literatuur, gevechtskunst, muziek, schilderkunst, beeldende kunst, architectuur… Kunstenaars staan veelal boven het ordinaire geweld van alledag of proberen gedachtes aan oorlog te bezweren door zich in de kunstuitingen van de (voormalige) tegenpartij in te leven. Yoshikazu Mera is zo iemand. Zijn stem klinkt hemels. Cross-over artiesten geven me altijd hoop op een fatsoenlijker wereld. Altijd.

Eeuwige reizigers

Ik begrijp niets van bovenstaande titel, die Jos Vos aan zijn bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur heeft meegegeven. Gistermiddag heb ik de teksten van Sei Shonagun uitgelezen. Ik kende ze al, maar het is een genot ze te herlezen. De beroemde hofdame is beurtelings amusant en irritant, soms wijs maar altijd boeiend. Leefde een jaar of duizend geleden, anders was ze nu een hoogst getalenteerd blogger geweest. Bedoelt Jos Vos dát misschien: dat haar geest via haar prachtige teksten met ons mee blijft reizen? Enfin, na Sei Shonaguns Hoofdkussenboek volgt Het verhaal van Genji (begin elfde eeuw). Volgens de bloemlezer, die alle teksten direct uit het Japans (her)vertaalde, is dat het onovertroffen meesterwerk van de Japanse letteren. Ik ben benieuwd.

Hoe gewaagd is Inez Hollanders aanstaande boek?

De Nederlands-Amerikaanse schrijfster Inez Hollander mailde me dat haar boek Silenced Voices, Uncovering a Family’s Colonial History net in Amerika is verschenen. In het voorjaar verschijnt het in het Nederlands bij uitgeverij Atlas, onder de titel Verstilde stemmen, verzwegen levens.

Inez Hollanders voorzaten waren indertijd de Franckens, die de plantage Kali Djompo beheerden, vlakbij de plantages van de Birnies, mijn voorzaten. Tijdens Hollanders onderzoek een jaar of wat terug mailde ze me over de “martelgang” van haar boek. Ze schreef het eerst in het Nederlands, het boek werd aanvankelijk geaccepteerd door Veen, maar die uitgever trok zich op het laatste moment om onduidelijke redenen terug. Op de zestigjarige herdenking van de Japanse capitulatie schreef Hollander een indringend stuk over de revolutie in Soerabaja. De NRC wilde het hebben, het stuk werd geredigeerd maar een week voor publicatie in de prullenbak geworpen. Een vriendin van Hollander wist te vertellen dat de NRC het stuk “te riskant” vond. Hollander heeft toen haar boekmanuscript ook maar helemaal weggelegd. Ze raakte verbitterd en begon te twijfelen aan de vrijheid van meningsuiting in Nederland.

Een Amerikaanse historicus, die Nederlands kon lezen, vroeg haar herhaaldelijk naar het manuscript en wist het op de tafel van Geert Mak te krijgen er een uitgever voor te vinden. Inez Hollander kreeg contact met Geert Mak toen hij ergens een essay van haar las. Via hem kwam het Met die man hebben Indo’s nog een appeltje te schillen (hij noemde Indo’s Indiërs in zijn bestseller De eeuw van mijn vader), wie weet deed hij daarom zijn best om het manuscript bij uitgeverij Atlas uitgegeven te krijgen terecht. Hollander moest de boel wel zelf terugvertalen naar het Nederlands. Hierdoor is het boek volgens de schrijfster zelf genuanceerder geworden.

Hollander denkt dat de vooroordelen van Amsterdam en hoe men binnen de grachtengordel tegen de Nederlandse koloniale geschiedenis aan kijkt, nog altijd een grote rol spelen. Een redacteur, die waarschijnlijk van toeten noch blazen wist, schreef “foute toon” in de kantlijn bij de volgende zin in Hollanders inleiding:

‘Strikt genomen vertel ik in dit boek het verhaal van onze rubber- en koffieplantage Kali Djompo (1899-1957), en mijn familieleden die daar woonden en werkten. Mijn Indische familieleden waren kolonisten die uiteindelijk zelf gekoloniseerd werden (door de Japanners) en verdreven werden (door de Indonesiërs). Als berooide bannelingen arriveerden ze in Nederland, een land dat nog steeds niet voldoende hun bijdrage, hun pijn en hun verlies onderkend heeft.’

Hollander herinnerde me aan een e-mail van me, waarin ik schreef:

‘Wie ook maar de joodse en Indische episodes in de Tweede Wereldoorlog naast elkaar durft te zetten op wat voor manier dan ook, wordt niet gehoord in Nederland.’

Ze vroeg me of ze dat citaat in haar boek mocht opnemen. Dat vond ik goed, maar ik waarschuwde haar nog maar eens op de gevoeligheid die in Nederland hangt ten gevolge van een diepgeworteld schuldgevoel ten opzichte van joden, die hier tijdens WO-II zonder noemenswaardige problemen werden gedeporteerd naar vernietigingskampen. Een vergelijking tussen joden en Indische mensen loopt altijd verkeerd af en wel in het nadeel van Indische mensen.

Ik zag eens een televisiedocumentaire waarin een verslaggeefster van joodse komaf net zo lang met een cameraman op een pasar malam in de provincie Indische mensen afzocht totdat ze er eentje vond – Emmy Verhoeff – die wel wilde verklaren dat het leed van Indische mensen wel degelijk vergelijkbaar was dat van joodse mensen. Nou, dat hebben we geweten. Die uitspraak is uit zijn verband gelicht en zwaar aangezet op de Nederlandse televisie uitgezonden. Het is wel vaker voorgekomen dat beide groepen tegenover elkaar werden geplaatst en uitgespeeld in het kader van Neerlands kampioenschap slachtofferschap. Ditmaal was het een reactie op het in het leven roepen van de Stichting Het Gebaar. (N.B. De onlangs door mij besproken biografie van Tjalie Robinson van de hand van Wim Willems is onder meer door de Stichting Het Gebaar gefinancierd – het staat niet voorin het boek vermeld, wat niet erg netjes is, maar dat doet aan het feit niets af dat met de middelen van Het Gebaar in elk geval werk gedaan wordt dat anders was blijven liggen.)

Zoals een goed schrijver of publicist betaamt, kent ook Inez Hollander haar eigenwijze kanten. Ze bedankt me voor mijn waarschuwingen, ze weet precies waar ik het over heb, ze zal ongetwijfeld “over een mijnenveld lopen, maar als genoeg mensen dit gaan zeggen en hebben gezegd dan moet het toch een keer aankomen bij die botte Batavieren. Misschien ben ik een idealist, of een naïeveling, maar de stilte, de taboesfeer zoals die in mijn familie rondom het onderwerp Indië geheerst heeft, moet op een gegeven moment doorbroken worden, hoe dan ook. Soms moet men provoceren om gehoord te worden en misschien betekent dit dat ook dit boek doodgezwegen gaat worden in Nederland, maar dan staat daar nog altijd de Amerikaanse markt tegenover en hoe men hier op dit boek gaat reageren. In zekere zin is dat interessanter dan de voorspellingen die we (nu al ) kunnen doen over de receptie van het boek in Nederland.”

Dus zinnen als “in Nederland is het nog steeds taboe om het lijden van de joden te vergelijken met de ellende van de Europeanen, Indo-Europeanen en romusha’s die het slachtoffer werden van de Japanners” blijven gewoon in haar boek staan. Inez Hollander is een verbeten schrijfster, geboren in 1965, de woede straalt soms van haar e-mails: “Je wil niet weten hoeveel Indo’s hier in Californië zitten, weggekeken uit Nederlands destijds, en niettemin hebben ze een misplaatste nostalgie inzake Nederland, koningshuis etc., daarbij voorbijgaand aan het feit dat het een Indische diaspora is geweest waarbij de Indo’s die nu in Californië wonen, twee keer hun vaderland verloren hebben, maar niks geen bittere gevoelens koesteren.”

De ontvangst van het boek is in Amerika tot dusver positief. De aandacht waait al over naar Australië, waar een kleine groep Indo’s actief bezig is met de koloniale geschiedenis. We zullen zien hoe het het boek hier in Nederland zal vergaan, straks in de lente.

Shakuhachi voor Kawabata

Op deze YouTube Hommage aan de schrijver Kawabata, de eerste Japanse Nobelprijswinnaar voor literatuur, gekozen door die onderhand wel dubieuze Zweedse club, hoor je achter de fotoserie een Japanse fluit: de shakuhachi. Ik herken er de speler Kohachiro Miyata in. Ik heb een langspeelplaat van hem uit 1977 van het schitterende, kleine New Yorkse Nonesuch Label, dat veel muziek uitbracht waar de gewone burger waarschijnlijk nog nooit van heeft gehoord. Zo te zien bestaat het label nog, de muziek is nog leverbaar, of gewoon te beluisteren op de website.

Meelezen (1)

hat logo meneer b De boekenlijsten voor middelbare scholieren zijn om te huilen en lijken het niveau van de gemiddelde leerkracht weer te geven. Mijn zoon mag beginnen met dunne boeken, dus ik hielp hem met het uitkiezen van een paar novellen. Met De rat van Arras (1986) van Adriaan van Dis, Het dwaallicht (1946) van Willem Elsschot en Bint (1934) van F. Bordewijk heb ik allerlei miserabel werk buiten zijn leeslijst weten te houden. Uiteraard liggen die boeken al wekenlang te wachten, dus gisteravond gaf ik hem de opdracht de novelle van Adriaan van Dis in één uur uit te lezen. Mijn zoon keek me met grote ogen aan, maar klaarde de klus in 40 minuten. Omdat ik hem vragen over de novelle moet kunnen stellen, heb ik haar ook maar gelezen. Aardig geschreven, handig en met een goede timing, laagdrempelig maar niet platvloers en ook niet hinderlijk lichtvoetig. De novelle zit vol kruisverwijzingen naar Japanse kampen en moordpartijen in het zeventiende eeuwse Arras. De hoofdpersoon is trefzeker neergezet als getroebleerd wezen dat nooit de oorlog in Indonesië te boven is gekomen. De mooiste zin uit de novelle: ‘Ze meent dat je in Nederland meer begrip vindt voor een eerder leven in de zeventiende eeuw dan voor een verblijf in een Japans interneringskamp.’ Die is raak. Verder krijg je het idee dat de schrijver veel over astrologie weet. Totdat hij een uitglijder maakt bij huisnummer 47. ‘Vier plus zeven is elf, Neptunus.’ Fout. Dat moet Uranus zijn. Geen Neerlandicus die dat ziet natuurlijk.

Superieur Indisch proza van Theodor Holman

tjon Oorlog houdt niet op wanneer ergens de vrede wordt getekend. De herinnering blijft getroffenen voor de rest van hun leven achtervolgen, dat is bekend. Minder bekend is het relaas van hun kinderen. Ouders met een oorlogsverleden kunnen een gedrag vertonen of gewoonten ontwikkelen met verregaande, vaak desastreuze gevolgen voor hun kinderen. Dat is het uitgangspunt van Theodor Holmans jongste roman Tjon.

De gelijknamige held is een jongen van 12. We volgen zijn geschiedenis tot zijn 14e jaar, maar zien hem nauwelijks groter en volwassener worden, eerder kleiner en kinderlijker. Het boek is geschreven in de van Theodor Holman bekende hilarische schrijfstijl, wat de lectuur snel, licht en soms buitengewoon amusant maakt maar toch nergens de diepe tragiek wegneemt die het gezin achtervolgt vanaf de Japanse bezetting in Nederlands-Indië tot het burgerleven in Amsterdam.

Bijzonder, als een statement bijna, is dat de ervaringen van de ouders in de Japanse kampen tijdens WO-II via hun zonen tot ons komen. De ouders hebben een heden, hun zonen een verleden. De verhalen worden, verwrongen en vol verzinsels, doorgegeven via Joost, de vier jaar oudere broer van Tjon. Joost heeft een voorsprong in kennis ten opzichte van Tjon, maar is al zo verknipt in zijn gedrag dat hij zijn broertje bijna alleen maar kan pesten met de gruwelijke verhalen die hij van zijn ouders kent. De vader zit dan al in een inrichting, terwijl de moeder vruchteloos probeert de ontwikkeling van haar telgen te sturen. Ze is een liefhebbende maar tegelijk onbereikbare moeder in de beleving van Tjon, door wiens ogen wij het hele verhaal volgen.

Het speelt in de jaren zestig ten tijde van The Beatles en The Rolling Stones. De cultuur die tussen beide Indische broers heerst – de manier van met elkaar omgaan, de onderlinge codes, manipulaties, chantages en overlevingsstrategieën – is levensecht neergezet. Theodor Holman is van huis uit journalist, columnist en scenarioschrijver en dat kun je zien aan de korte hoofdstukken en de veelheid aan dialogen. Wie het boek leest zou gemakkelijk kunnen denken: dat kan ik ook. Vergeet het. Deze schrijver heeft een buitengewone subtiele manier van vertellen, met bijna muzikale herhalingen, een uitstekende timing en veel gevoel voor drama. Hij is een vakman die precies weet wat hij doet, zoals ook zijn held Tjon precies weet wat hij doet wanneer hij in de tuin zijn eigen “Jappenkamp” bouwt en er met zijn schoolvriendjes scenario’s probeert te bedenken om wraak te kunnen nemen op “de vijand”, die zijn vader uiteindelijk ten onder heeft doen gaan.

Tjons puberteit breekt aan en Theodor Holman voert Truusje op als onbereikbare liefde, die zich in rap tempo tot een aantrekkelijke jonge vrouw ontwikkelt. Tjons eerste feestje, bij Truusje, schitterend beschreven, loopt ellendig af voor de jongen, die inmiddels psychisch werkelijk ziek begint te worden. Broer Joost zit intussen om min of meer onduidelijke redenen voor 3 maanden in de gevangenis en het is juist bij afwezigheid van zijn grootste treiterkous dat het voor Tjon werkelijk mis zal gaan. Tjons moeder heeft kennis gekregen aan een andere man, in wie Tjon, hunkerend naar zijn moeder, een vijand ziet. De jongen komt terecht bij een psychiater, ontwikkelt militaristische waanideeën en treedt regelmatig in dialoog met zijn overleden vader. Hoe ellendig alles ook is, Tjon heeft een toekomst, een ideaal, en dat is een medaille krijgen van de koningin. De oorlogsgekte is zijn kop niet meer uit te krijgen, al slaat hij die zelf nog zo hard tegen de muur. Ik ga niet vertellen hoe het verhaal afloopt. Ga het boek zelf maar lezen. Anders mis je een absoluut hoogtepunt in de literatuur van de naoorlogse Indische generatie.

Eerder gepubliceerd in: Indisch Anders, 2e jrg. – nr 01 – april 2007

Terug naar de postduif kan ook nog

logo alfred birney Met de komst van Windows Vista in het vooruitzicht haalde ik onlangs een oude vulpen uit mijn la. Ik spoelde hem schoon onder de kraan, vulde hem met groene inkt en hij was klaar voor gebruik. Geen anti-virus, anti-spyware, firewall of automatic updates nodig. Geen gedachten aan spionage van BG te Redmond, USA. Ik stuurde wat e-mails naar uitgevers, maar kreeg geen antwoord. Ik verzond sms-jes naar mensen die hun geluk zoeken in stress en overvolle agenda’s. Geen antwoord. Toen pakte ik mijn Pelikan vulpen, schreef een brief op fijn Japans papier en stuurde die in een fraaie envelop aan een uitgever. Een week later kreeg ik antwoord… Handgeschreven…

Het spijt me, dank u, het spijt mij ook

hat logo meneer b Het was voor het eerst dat ik het Japanse winkeltje binnenging in de winkelstraat bij mij om de hoek over de brug. Ik had de eigenaar, een jongeman van 35, vaker op straat gezien en zowel hij als ik hadden bij het passeren de ogen neergeslagen. In het gewone verkeer kijk je als man naar een vrouw, je kijkt van een man weg, maar de ogen neerslaan is wat anders. Ik was nog niet binnen of de Japanse jongeman vroeg me of ik Indo was. Hij wachtte amper op antwoord en begon zich te verontschuldigen voor wat de Japanners de Indo’s hadden aangedaan in WO-II in Indonesië. Ik glimlachte hem toe en zei dat ik van de Tweede Generatie was en in het geheel niet met wrok rondliep jegens de Japanners. Zoals er veel Hollanders van mijn generatie zijn die niet met wrok rondlopen jegens de Duitsers. Sterker, mijn tante had een kind van een Japanse soldaat, dus het deugde allemaal al niet in mijn familie, zei ik hem en hij moest er erg om lachen. We namen in sneltreinvaart de geschiedenis van Japan, Amerika en Nederland en Overzeesche Gebiedsdeelen door en kwamen toen pas ter zake. Dat had niet veel om het lijf, ik had alleen wat Japans briefpapier nodig. Later besefte ik dat in oosterse culturen men meer aansprakelijk is op het gedrag van de voorouders dan in westerse culturen. Zo werd ik eens op een lezing in Indonesië door studenten ter verantwoording geroepen voor mijn vaders oorlogsverleden.

Scheepshoorn

hat logo meneer b De scheepshoorn die ik acht jaar lang ’s nachts over de stad heb horen loeien, deed me altijd denken aan een boek van Yukio Mishima met de, in vertaling, nogal harkerige titel: Een zeeman door de zee verstoten. Ik heb het in een pocketuitvoering in de serie Moderne Classics van Meulenhoff. Deze wc-papieruitgave is uit 1987 en heel mooi lelijk. Het was in de tijd dat de Bezige Bij met goedkope witte pockets kwam en ongewild een wedstrijd entameerde tussen uitgeverijen wie de lelijkste goedkope pockets kon produceren. Lelijkheid verkocht erg goed indertijd. Ik zou Meulenhoff als winnaar tippen, al staat er wel meer lelijks in mijn boekenkast. De vertaling lijkt beroerd, althans het Nederlands deugt niet overal, maar dat neem je op de koop toe als je geen Japans kunt lezen. Ik kocht en las de pocket in 1991 en herinner me voornamelijk die scheepshoorn. Maar wie was het die steeds weer door die hoorn werd geroepen? Waarschijnlijk die zeeman, maar het kan ook die jongen zijn geweest, van wie ik me herinner dat hij zijn moeder bespiedde door een geheim gaatje in de deur. Ik herinner me ook nog dat door die jongen, of door de clan waarvan hij lid was, de zeeman uiteindelijk de dood vond. Het is het enige boek van Mishima dat ik ooit uit wist te lezen. Ik geloof dat ik hem te fysiek vond en daarom liever Kawabata las. Ik ga dit boek wel herlezen. Vanwege die scheepshoorn. Die wil ik weer horen.

Promotour (2) In Jakarta

logo alfred birney Het was al donker toen ik arriveerde, het vliegtuig had een dubbele vertraging. Op Schiphol vanwege het slechte weer. In Singapore vanwege handelslustige Chinezen die ter plekke het ruim hadden overladen. Richard Oh, schrijver, boekhandelaar en uitgever, kwam me afhalen met een vriend in een enorme Toyota. Ik liet me ontvallen dat de straten opvallend rustig waren, zo anders dan ik gewend was van Jakarta. Ze gaven als oorzaak de naderende verkiezingen. Dus niet die bom die een paar dagen eerder voor chaos zorgde? ‘Chaos? Ha ha! Je denkt toch niet dat wij wakker liggen van zo’n bom? Hey vriend, wij gaan gewoon door met ons leven, bommen zijn voor de media, wij hebben de literatuur, hey!’

Ze brengen me naar mijn hotel, maar geven me nauwelijks de tijd mijn kamer te betrekken. Ze slepen me naar een plek waar schrijvers elkaar ontmoeten, en inderdaad: geen woord over zoiets ordinairs als een bom.

Het weekend voor de verkiezingen neemt Richard Oh me echter in huis in het zuiden van Jakarta, ver weg van mijn hotel in het centrum. Hier is het toch rustiger en veiliger, de luchtverontreiniging is hier beter te harden en de wijk is absoluut oninteressant voor autobommen. Ik zie hier de muurhagedissen jagen op de muggen, ik hoor de cicaden bij nacht, het balkon van mijn kamer biedt uitzicht op palmen, bedienden staan dag en nacht klaar, het lijkt wel tempo doeloe hier.

Indonesiërs zijn enorm flexibel en grote improvisators. Mijn tourschema wordt in een oogwenk aangepast aan de situatie rond de presidentsverkiezingen. De officiële lancering van mijn tweede in het Indonesisch vertaalde roman wordt een paar dagen uitgesteld en bekendgemaakt per sms, het meest gebruikte medium ter plaatse.

Op de verkiezingsdag bezoek ik een stemlokaal in de open lucht. Van mensen die een stem hebben uitgebracht wordt een vingertop gedoopt in dieppaarse inkt, die zich de eerste dagen onmogelijk laat verwijderen. Dit is om te voorkomen dat ze in een ander stemlokaal nog eens gaan stemmen. Een avond eerder was mijn kamer in Richard Oh’s huis een salon voor een groepje schrijvers, stuk voor stuk moslims met stuk voor een stuk een bloedhekel aan bidden, en aan stemmen… Ze schatten dat maar 40 procent van de mensen zou gaan stemmen. Politiek was geen thema, we spraken over de hausse van verhalende literatuur in Indonesië. Uitgevers schieten als paddestoelen uit de grond, schrijvers vullen de kranten met hun verhalen, uniek in de hele wereld, mooi geïllustreerd. Ik ben een van de weinige buitenlandse schrijvers die met vertaald werk dit land bereiken. Niet omdat ze hier geen vertaalde literatuur willen, integendeel, maar omdat veel Europese uitgevers geen brood zien in dit land. Zodoende zien ze zich gedwongen om goed Engels te leren lezen om literaire voorbeelden te kunnen vinden anders dan hun eigen schrijvers. Ik geef ze het advies om Japans te leren. Veel mooier wat daar allemaal aan literatuur vandaan komt, vergeleken met die Engelstalige zooi die de wereld overspoelt.

Haagsche Courant, vrijdag 24 september 2004