Broese (1)

logo alfred birney Broese. De naam… Mama Helmond kon met een hardvochtige stembuiging de oe-klank in de naam benadrukken, alsof ze een vies woord uitsprak. ‘O God, daar komt die Broe-se weer aangereden. Broe. Se. En er komt juist vanavond een mooie musical op televisie! Moet ík weer die vervelende verhalen aanhoren. Want die vader van je, die zit toch alleen maar op zijn kamer te tikken achter die schrijfmachine van hem, ik wou dat-ie eens wat meer geld op tafel legde, dan hadden we meer brood en spek op de plank. Maar dat denkt alleen maar aan die vervloekte oorlog van hem daar in dat stinkindië, en dan die Broe-se met zijn Indië, dat heeft het ook alleen maar over Indië, Indië en nog eens Indië. Was ik maar nooit gaan corresponderen met die vader van je, wist ik veel dat die vent een tik van die oorlog heeft meegekregen. Zal ik jou eens wat zeggen: al die Indische mensen hebben een tik van de molen gekregen, weet je dat? Ze waren het gewend met bediendes te leven, die krópen voor ze, die deden álles voor ze, nou en nu zitten ze hier zonder hun bediendes én maar klagen, én maar klagen, ze zijn nog te beroerd om de afwas fatsoenlijk te doen, die laten ze gewoon een dag staan tussen al dat stinketen van ze, en die kruidenlucht dat blijft allemaal tussen de kieren zitten, gut dat denkt dat ze nog daar in Indië zitten, nou waren ze er maar gebleven, zie jij dan soms het verschil dan tussen je vader en die kop van Soekarno op die stinkpostzegels op die stinkbrieven van die stinkfamilie van je vader uit dat stinkindonesië? Nee? Nou dan! Ze hebben gewoon tegen hun eigen buurjongens gevochten, tegen hun eigen vlees en bloed, nou snap jíj dat? Het zijn gewoon verraders die Indischen, met je vader erbij, jaa-haa, jouw vader was een verrader, dan weet je dat! Nou, doe jij maar open voor die Broese en laat die vent dat stinkmotorpak van hem aan de kapstok hangen voor-ie binnenkomt, anders stinkt straks de hele huiskamer naar dat vieze leer en die stinkmotorolie, o daar gaat mijn rust…’

Broese. Bijna een pioniersmerk voor een motorfiets. Maar de man reed op een oude Jawa met een opvallend ei als benzinetank, zeg een Jawa type Broese. Wonderlijke man, met het mysterie van een versleten clown. Had Broese die Jawa motorfiets omdat Jawa een andere spelling was van Java? Wilde Broese zijn heimwee naar Java tonen via de naam van zijn motorfiets? Java was zijn geboortegrond, maar ik denk niet dat Broese Oosters bloed had. Zijn ouders zouden onderwijzers kunnen zijn geweest, die rond 1900 de oversteek naar Nederlands-Indië maakten, om er 40 jaar later te sterven in een Japans gevangenkamp.

Broese had een extreem hoge stem voor een man. Soerabaja Papa verklaarde: ‘De Jappen hebben zijn ballen afgesneden. Hoe? Ja, met hun samoeraizwaarden natuurlijk!’

Of dat nou echt was of verzonnen, weet ik nu, na 40 jaar, nog niet.

Haagsche Courant, vrijdag 19 september 2003

Jij mijn hoofd, ik jouw zwaard

logo alfred birney Zomervakantie. De rode dojo aan de Groot Hertoginnelaan is in rust. De mat mag op adem komen van al die jiujitsuka’s die zij honderden malen per dag op zich geworpen krijgt. Ik heb de eer er te zijn uitgenodigd door Bjørn Aris, die de derde plaats veroverde op het EK 2002 in de discipline Iaido. Wat is Iaido? Iaido wordt beoefend met een iaito. Wat is een iaito? Een iaito is een Japans zwaard met een geschiedenis die teruggaat op vervlogen tijden van de samoerai. Mag je zo’n zwaard hier in Nederland met je meedragen over straat? Nee, tenzij verpakt in een foedraal. Wat moet je er dan mee als je hem toch niet gebruiken kunt? Vergelijk het maar met Zen en de kunst van het handboogschieten. Wat is Zen? Zen is het behouden van je oorspronkelijke geest. Wat is je oorspronkelijke geest? Het antwoord krijg je door het niet te zoeken, maar door alles los te laten dat jou is geleerd. Hoe laat je los? Door te leren bewust iets vast te houden, bijvoorbeeld een zwaard. Bjørn Aris demonstreert me het groeten van het zwaard, waarna het met de schede tussen de gordelwindsels wordt gestoken. Dit aanvangsritueel kost je een jaar om het redelijk uit te voeren. Je mag niet kijken naar wat je handen doen. Je lijkt naar iets voor je uit te kijken, maar je geest is waakzaam en ziet om zich heen. Strenge Japanse leraren laten hun leerlingen een jaarlang hannesen met het aanvangsritueel voor ze ook maar aan de eerste kata, een vastgelegde gevechtsvorm, mogen beginnen. Bjørn Aris, in donkerblauw Japans rokkostuum, komt vanuit een zittende positie overeind, geeft een zwiepende hauw met het zwaard, slaat het denkbeeldige bloed af, gaat weer zitten en steekt het zwaard terug in de schede. Deze kata lijkt de eenvoudigste maar is de moeilijkste. Een vergelijking dringt zich op met de eerste beweging die je bij t’ai chi leert. Daar zit alles uiteindelijk in. Uiteraard hoort bij elke kata een verhaaltje, anders weet je niet wat een iaidoka visualiseert. Die verhaaltjes zijn eenvoudig. Je zit ergens te zitten, iemand komt met een zwaard op je af en jij reageert. Je doodt de tegenstander niet, nee: je zendt hem naar het licht. Ha ha ha! Die lach is van mij. Ik zal eens een gewetensvraag stellen: heeft mijn gastheer ooit eh… de neiging gevoeld om eh… Ha ha ha! Die lach is van hem. Hij antwoordt met een verhaal die tragiek lachwekkend maakt. In het feodale Japan kenden de samoerai het privilege te oefenen op gevangenen. Die vonden het geen bijster aanlokkelijk idee van kruin tot navel geklieft te worden. Ze bedachten een gepaste wraak op de ridders die zo nodig met hun uiterst kostbare zwaarden hun kunsten op hen wilden botvieren. Wist een gevangene dat hij de volgende dag aan de beurt zou zijn, dan vrat hij zijn buik vol met grind. En zo kreeg menig samoerai na een levensecht uitgevoerde kata zijn vlijmscherpe zwaard voorgoed onbruikbaar terug door het keiharde grind in de buik van wie hij naar het licht had gezonden.

Haagsche Courant, 25 juli 2003

Hoezo viering?

logo alfred birney De ophanden zijnde viering van 400 jaar Verenigde Oostindische Compagnie is vooral bij Molukkers niet juichend ontvangen. Hoezo? Eén historisch voorbeeld spreekt al boekdelen. De VOC was een club die handel dreef in de Oost en daar te maken kreeg met concurrerende Portugezen, Spanjaarden, Chinezen, allerlei Oosterlingen en Engelsen. De beroemdste gezagdrager van de club was Jan Pieterszoon Coen, een rigide persoon die de alleenheerschappij wenste over de Molukken. Zijn voorganger Laurens Reael sprak wijs dat een exclusief monopolie uit den boze was ‘want daermede neemt men die mensen het broot uyt den mont’. Coen vond Reael maar een softie. De Bandanezen waren immers zo ‘onbetrouwbaar’ om hun waren, meest kruidnagelen, aan de hoogst biedende te verkopen. Coen zou die ‘vijanden van de christenen’ eens een lesje leren en liet 15.000 mensen vermoorden dan wel verhongeren of van de eilanden verdrijven. Gezellige jongen, die J.P. Coen. Wordt nog altijd geëerd met een zooi straatnamen in gans Nederland. Heeft-ie ook wel verdiend door 44 plaatselijke hoofden in een schijnproces ter dood te laten veroordelen en onthoofden. Door Japanse huursoldaten, voor schone handen. Ziehier het begin van een lange en bloedige oorlog die de Nederlanders op de Molukken zouden gaan voeren. Het is onder meer daarom dat de Molukkers zich afvragen of een viering wel zo gepast is. Je kunt ook kiezen voor zoiets als herdenken of gedenken. Nederlanders hebben hun geschiedenis. Molukkers ook. Ze hebben sámen een geschiedenis. Maar ja, de camera staat zoals gewoonlijk weer op een Hollands schip te snorren.

Haagsche Courant, vrijdag 1 februari 2002

Nooit meer afscheid nemen

f van den bosch De flaptekst van de vierde en laatste verhalenbundel van F. van den Bosch vermeldt dat de schrijver in Amsterdam woont. Deze op zich tamelijk onbeduidende informatie toonde wat wrang toen de bundel met de poëtische titel Aan de oever van ooit en nooit meer, verscheen. Want de schrijver was inmiddels van ons heengegaan.
     
Waar hij inmiddels uithangt, dat mogen de goden weten, maar je zou wensen dat hij in de tijdeloosheid nu en dan een uitstapje kan maken naar de geliefde plekken die hij in zijn literaire werk heeft vastgelegd. Uiteraard met de mensen die hem vroeg of laat ontvielen en van wie hij de rest van zijn leven op papier bezig is geweest afscheid te nemen. Wat is Indië, wat is Indonesië immers zonder de mensen die er leefden?
     
Het doet het er weinig toe hoe het land heet dat F. van den Bosch als jochie van vier met zijn warmte ontving en, na diens repatriëring, nooit werkelijk heeft laten gaan. Zijn schrijftafel stond in Amsterdam, zijn hart lag in Indië, zijn voeten wandelden rond in Lapland en in zijn portefeuille zat altijd wel een retourticket Amsterdam – Malmö. Daar, in Malmö, woonde tante Sonja, met haar Zweedse petjoh vol ‘suedismen’. Haar man was ooit compagnon van mijn grootvader Willem Birnie. Het schalkse tweetal had ergens een baggermolen op Borneo liggen, maar liet de wereld geloven dat zij een goudmijn hadden ontdekt.
     
De schrijver heeft ze niet los kunnen of willen laten, zij die optreden in zijn verhalen. Op een zacht kabbelend en ingenieus krontjongritme componeerde hij een literair kwartet waar weinig Nederlandstalige schrijvers aan kunnen tippen. De verhalen van F. van den Bosch zijn stuk voor stuk herleesbaar, ad infinitum. Ze vullen elkaar aan, de stijl is superieur, de toon berustend, de vertellingen fragmentarisch en mysterieus. Uitgeverij Querido, kieskeurig maar degelijk in het uitgeven van verzamelde werken van Indische schrijvers, kan op die boekenplank straks F. van Bosch neerzetten naast de namen van Vincent Mahieu, Maria Dermoût en Beb Vuyk.

Aan de oever van ooit en nooit meer lijkt een afscheid van F. van den Bosch aan ons lezers. Hier en daar licht hij een tipje op achter de sluiers die zijn verhaalfiguren uit eerder werk omhullen. In de vorige bundel was de schrijver zichzelf al minder gaan vermommen. Hij heette voortaan gewoon Frits. Ook zijn levensgezellin komt nu even voorbij: Thérèse, met wie hij halsoverkop een reis door Indonesië moet onderbreken om afscheid van haar stervende moeder te nemen in Nederland. Te laat. Natuurlijk. F. van den Bosch was altijd te laat om afscheid te kunnen nemen, zo was zijn leven en daarom schreef hij.
     
Niemand speelt een hoofddrol in zijn werk. Ook hijzelf niet. Waar gaat zijn werk dan over? Eenvoudig, en wijs, over de liefde voor de mens, onverschillig zijn of haar afkomst, rol of plaats in het leven. Dat daarmee Indië tot een literair decor wordt beperkt, zal nauwelijks teleurstelling wekken bij hen die Aan de oever van ooit en nooit meer zullen lezen. We zien het land immers tot leven komen zo breed als de schrijver het nog niet eerder heeft getoond. Wat dat betreft is het titelverhaal wellicht zijn briljantste, nóg knapper dan zijn op wereldniveau staande verhaal Het regenhuis, omdat het zo’n enorme tijdspanne suggereert en de fantasie het wint van de feiten. Het is zijn laatste gedrukte verhaal en ja, het vereist kennis van de Indische geschiedenis om het helemaal te begrijpen. Wie van de bekendste recensenten heeft die bagage? Ik zie er geen rondlopen binnen de Amsterdamse Grachtengordel, anders zou de Indische literatuur allang niet meer dat ondergeschoven kindje zijn zoals het tot de dag van vandaag is.
     
Neem Menteng, 1928, de beroemde wijk in Batavia, nu Jakarta. Vader van den Bosch goochelt wat met kalium en laat er de Ciliwung mee kolken. Intussen vertelt hij zijn zoontje over hoe een Engelse generaal in de periode van het Engelse tussenbewind (1811-1816) na zijn het bevel ‘lopen!’ zijn Javaanse fuseliers op de vlucht ziet slaan in plaats van ze het onverdedigde Kwitang binnen te zien wandelen.
     
In een ander verhaal duikt een figuur op die we kennen uit een eerder verhalenbundel. Het is Tikoes, bijnaam voor Ted. De verteller herinnert zich de jongen tijdens een voettocht door Lapland en begint nu, vele jaren later, opeens te grienen. Maar wie was Tikoes?
     
Met terugwerkende kracht komt hij nu uiteindelijk tot leven. Surabaya, 1930. Tikoes’ ooms zijn ‘autochtoon’ en werken in de cultures. Tikoes en de verteller stropen als jongetjes de alang-alangvelden af, ze slaan slangen dood en Tikoes vertelt verhalen over de panters, die hij heeft van zijn ooms ‘in hun behoefte een orale traditie voort te zetten’. De jongetjes vangen visjes uit een vieze sloot, Tikoes fruit ze in een oud blik en ze eten ze als ikan teri. Het is een van die schelmenverhalen die de schrijver met jongensachtig plezier tussen de overige zet. Dan kan hij even vergeten dat hij ze is kwijtgeraakt, de vriendjes en vriendinnetjes uit zijn jeugd. Want Tikoes heeft de oorlog niet overleefd en is ‘in een klein vuil interneringskamp op de kust van Borneo gekrepeerd, alleen, weggekropen achter een gescheurde klambu in een hoek van de tochtige barak’.
     
In een volgend schelmenverhaal horen we een Duits jongetje op de boot met verlofgangers naar Europa zeggen: ‘Wir kehren heim ins Reich.’ Wanneer ze in Genua van boord gaan, zegt Frits: “Heil, Mutti!’ Waarop ze begint te huilen. Oeps, een misser. Ja, Dieter had hem een hand gegeven en gezegd: ‘Heil Fritz!’ Wist híj veel op die leeftijd…

Wanneer Frits en zijn broertje een lift hebben gekregen van een stel dronken Japanse soldaten, die na de capitulering van Japan de gevangenen moeten gaan verdedigen die zij eerder hadden geïnterneerd – een van de meest bizarre hoofdstukken uit de Indische geschiedenis – krijgen we vader Van den Bosch te zien in zijn barak. De man is sterk vermagerd maar nog fit genoeg om met een maat over het boeddhisme te delibereren. En vader vertelt ook hoe een Japanse soldaat zich met zijn bajonet uitleefde door hem steeds met kracht te prikken tussen de benen van hem en zijn makkers in de houten bank waarop zij zaten. De mannen bleven, van schrik, rustig onder het vertoon van de soldaat. Diep onder de indruk salueerde deze vervolgens voor de mannen en hief uit eerbetoon een Nederlands liedje aan: ‘Arinne roen-roen korre-korre-ran’, ofwel: ‘Al in een groen groen knollen-knollenland…’ Waarmee de schrijver ook van de Japanse soldaat, die immers vóór zijn mobilisatie verplicht Nederlands had moeten leren, een mens maakt, en niet een of ander cliché zoals veel Indo’s van de Tweede Generatie die uitentreuren voorgeschoteld hebben gekregen in hun jeugd.
     
Aan de oever van ooit en nooit meer biedt ons meer leesvoer dan tevoren in de onderlinge bundels. De oorlog bezien vanuit het perspectief van een Indonesiër die later in Leiden zou gaan studeren en ongewild zijn kameraden verraadde omdat hij niet kon kiezen vóór of tegen de Republiek. Over wayangtoneel anno heden, waarin de antieke orde dreigt te worden aangetast door de nieuwe waarden uit het hedendaagse ‘vrije’ Indonesia.
     
Ouderlijke figuren nemen geen intiemere plaats in bij de verteller dan zijn Indische en Indonesische vrienden en vriendinnen. Vader figureerde niet in eerder werk en moeder lijkt overwegend ongenaakbaar. In een eerdere bundel zwemt zij in haar jonge jaren de marinehaven van Den Helder door, klimt tegen haar vaders duikboten op en laat zo adelborsten en matrozen tot achter de oren blozen. Nu geeft de schrijver een aanvullend beeld van haar, namelijk als schaker van wie het moeilijk winnen is.
     
De verteller is met grote vakantie op Soember Brantas. Tegen donker worden Petromax-lampen aangestoken. In de nanacht wordt de Arjuna-top beklommen: ‘Dan opende zich de duisternis onverwachts naar boven en keek de sterrenhemel verblindend helder op je neer […] en dan wist je op eenmaal waar je was: hier, in je huid, hier op aarde, hier in de hemel, die een mens zich niet nader en niet onmetelijker wensen kon’.
     
Geen gelukkig moment zonder keerzijde. De verteller heeft een boekje waaruit blijkt dat het schaakspel van zijn moeder hopeloos verouderd is. Op een losgescheurde bladzijde staat een schaakprobleem dat hem bezighoudt. De wind steekt op en neemt het blaadje mee. De jongen rent erachteraan en ziet dat het blaadje het ravijn in dwarrelt en diep beneden mee wordt genomen door de rivier de Brantas.
     
Jaren later tikt hij het schaakboekje op de kop bij een antikwaar in Nederland. Toch vindt hij die ene stelling niet, die hem toen zo had beziggehouden. Het gaat om ‘een loper op c4, een paard op e5 en een tartende zwarte dame die ik niet mag nemen, stond ze op g6? Heb ik het dan gedroomd? Heb ik het verzonnen? Ach, wat doet het er toe. Van dit aards bestaan blijft immers niets over, en niets ervan neem je mee in je graf.’
     
Maar jij, Frits van den Bosch, hebt wél een gevoelig zingend oeuvre nagelaten voor ons, stervelingen op aarde.

* * *

F. van den Bosch
Aan de oever van ooit en nooit meer
Verhalen
Amsterdam: uitgeverij Querido, 2001
Prijs: fl. 35,-

Deze bespreking verscheen eerder in De Sobat, nieuwsbrief voor donateurs van de Stichting Tong Tong, op 29 september 2001.

Welkom in Jakarta

De lucht boven Jakarta is grauw, totdat ik beneden me uitgestrekte visvijvers zie verschijnen, kamponghuisjes, autowegen. Dan herinner ik me weer de armoede die ik zag destijds in Surabaya, toen ik er met de trein binnen kwam rijden: kilometers lange armzalige krotjes langs de spoorlijn. Die hebben ze hier meer dan daar, nou, welkom in Indonesia dan maar weer.

Achter de douane staat geen chauffeur te zwaaien met een bordje met mijn naam erop. Hij zal wel vertrokken zijn, ik ben immers uren te laat. Op Schiphol nog heeft de secretaris van de ambassade mij via mijn contactpersoon van het Vertaalfonds laten weten dat zijn chauffeur desnoods urenlang zou wachten. Indonesian style. En dat het met een beetje staartwind wel mee zou vallen.
     
Niks staartwind, we kregen neuswind. En ook niks geen Indonesian style, die chauffeur is in dienst van een Hollander.
     
Ik sta buiten met mijn tassen, Jakarta Airport is weinig veranderd, het ziet er hooguit wat schoner uit en de auto’s, die zijn nieuwer. Natuurlijk krijg ik een horde taxichauffeurs om me heen, ze vragen me waar ik vandaan kom, hoe het met Ajax gaat en waar ik naartoe moet. Ik zeg dat ik naar Hotel Marco Polo moet en dat ik zal worden afgehaald, maar besef te laat dat ik de naam van het hotel natuurlijk nooit had moeten noemen. Want waar is die afhaler dan, meneer? Ik speur om me heen naar een auto met een CD-nummerbord en de jongens speuren met mij mee. Ze beginnen alvast tegen elkaar op te bieden om mij mee te kunnen nemen. De goedkoopste prijs is tweemaal de normale prijs, het doet er niet toe want ik heb toch geen rupiahs op zak. Die verkochten ze eventjes niet op Schiphol…
     
Ik vraag ze of ik ergens kan bellen want mijn GSM blijkt hier niet te werken. Bellen zonder belkaart is ook hier lastig, maar voor een dollar wil een taxichauffeur mij zijn telefoonkaart wel lenen en geeft me de secretaris van de ambassade aan de lijn. Die zegt dat zijn chauffeur onderweg is, er al had moeten zijn, dat ik geen taxi moet nemen, die vragen echt veel te veel, enzovoort.
     
Ik neem een jongen zonder taxi en zonder ander werk dan het sjouwen van tassen van hopeloze aankomers mee naar MacDonald voor een colaatje. De jongen laat me een rijtje bankbiljetten zien van allerlei Europese makelij. Ik stop er een Hollands tientje tussen.
     
‘Wél inwisselen vóór 2002, want dan gaat de Euro in en daarna is-ie niks meer waard.’
     
‘Ik heb een vrouw en kinderen thuis, wij zijn zo arm.’
     
‘Waarom wissel je dan dat geld niet in? Je hele portemonnee zit vol met Europees geld, jongen.’
     
‘Souvenir, mister.’
     
‘Van souvenirs kun je niet eten. Wissel ze in en geef je vrouw en kinderen te eten.’
     
‘Ja meneer, goed meneer. Wilt u een taxi?’
     
‘Nee, ja, nee, misschien, weet ik nog niet. Ik heb hoe lang ik weet niet meer geslapen, ik kan nu niet denken. Ik ga wel aan de weg staan wachten.’
     
Hij pakt mijn tassen op en loodst me naar buiten, waar het warm is en tochtig. Ik ga achter een paal staan om geen kou te vatten. Een taxichauffeur haalt zijn identiteitsbewijs tevoorschijn: ‘Kijk meneer, ik ben christen, ik ben te vertrouwen, ik breng u naar Hotel Marco Polo.’
     
‘Hij is goed, meneer, een waar christen,’ zegt mijn jongen, de sjouwer.
     
‘Ben jij ook christen?’ vraag ik hem uit verveling.
     
‘Nee, ik ben moslim. Maar wij hier maken geen ruzie, wij vechten alleen tegen gouvernement, meneer.’
     
Zie ik daar geen witte auto met een CD-kenteken wegrijden?
     
‘Eh… ik moet even bellen, jongens.’
     
De VVV neemt graag een Amerikaanse dollar aan voor mijn tweede telefoontje naar de ambassade en ze laten het bankbiljet van hand tot hand gaan.
     
‘Lelijk hè, die dollar?’ zeg ik.
     
‘Ja, maar nieuw. Veel geld waard.’
     
‘Ons geld is veel mooier.’
     
‘Ja? En is Nederland ook zo mooi?’
     
‘Nee, dat niet.’
     
Ze vragen me niet waarom ik dan niet in Indonesia kom wonen, zoals men mij dat twaalf jaar terug herhaaldelijk vroeg, en beginnen ongegeneerd op de Suharto-kliek te kankeren. Toen ik die naam twaalf jaar terug eens liet vallen in het huis van mijn tante, dook iedereen bijna van schrik onder de stoelen.
     
‘Hallo weer, met Alfred Birney… zeg ik word onderhand bingoeng van dat wachten hier, ik ben al 30 uur wakker en ik heb honger, zal ik dan maar een taxi nemen naar het hotel? Ik heb dollars bij me.’
     
‘Nee, u dient fatsoenlijk te worden afgehaald.’
     
‘Ja maar met zo’n neus…’
     
‘Hoezo, bent u verkouden?’
     
‘Nee, ik bedoel de neus van de Boeing, maar ik sta hier intussen al twee en een half uur op uw chauffeur te wachten. Nou weet ik wel dat ik geen Nobelprijswinnaar ben, evenwel…’
     
‘Hij komt hoor, echt! Ik verzeker het u!’
     
‘Hoe ziet de auto er dan uit van uw chauffeur?’
     
‘Hoe die eruit ziet? Nou, gewoon als een auto.’
     
‘Goed, wat voor kleur heeft die auto?’
     
‘Eh, wit.’
     
‘En verder?’
     
‘Tja, zo’n Jeep zeg maar, zo’n Japans Jeepmodel.’
     
‘O, dan ligt hier de bron van het misverstand.’
     
‘Hoe bedoelt u?’
     
‘Nou, ik keek eerder uit naar zoiets als een, ik zal niet zeggen zesdeurs maar dan toch wel een vierdeurs-Mercedes.’
     
‘O nou, die had ik u graag geboden, maar ik ben de ambassadeur niet, ziet u.’
     
‘Neemt u mij vooral niet kwalijk, meneer.’
     
‘Nee hoor, en neemt u mij ook vooral niet kwalijk. Kijk, het is hier een gekkenhuis momenteel met die conferentie en al dat erbij komt kijken.’
     
‘Zal ik anders maar wachten tot de volgende gasten hier arriveren? Die zouden in de avond om acht uur met een KLM-toestel arriveren, heb ik begrepen.’
     
‘Eh nou, daar weet ik nu even niets van. Meneer Birney, nog even geduld en u wordt dan echt afgehaald, heus, houdt moed, neem een verfrissing zou ik zeggen, of nee, kijkt u vooral uit naar een witte Jeep met een cd-kenteken.’
     
Ik hang op en zie buiten overal witte Jeeps rijden. Zonder cd-kenteken.
     
‘Meneer, wilt een taxi? Ik breng u naar uw hotel.’
     
‘Straks, misschien… Nog éénmaal kijken of die chauffeur er al is.’
     
Drie taxichauffeurs, plus twee sjouwers en een oude man die Nederlands verstaat maar niet wil spreken, vergezellen mij terug naar de aankomsthal. Na enig gezoek vinden ze de chauffeur van de secretaris ergens verstopt tussen een menigte afhalers. De chauffeur is klein van stuk, heel klein, en het bordje met mijn naam heeft hij niet boven zijn hoofd gehouden maar voor zijn buik…
     
De christen onder de taxichauffeurs heeft hem voor mij gevonden en komt zich nu daarover bij mij beklagen: als hij hem niet voor mij gevonden had, dan zou ik in zijn taxi zijn gestapt, hij is immers christen: ‘U toch ook, zijn wij beiden geen christen? Geeft u me wat geld meneer, ik heb zo lang op u gewacht.’
     
Hij wandelt mee tot aan de witte Jeep, maar ik weiger hem schadeloos te stellen. Ik ben weliswaar gedoopt, maar dat kan ik ook niet helpen, heb me trouwens ooit laten uitschrijven uit het kerkelijke register opdat althans een minuscuul deeltje subsidiegeld naar een ander doel kon gaan, nogal naief van me, een tamelijke omslachtige administratieve onderneming bovendien. En nu dan moet ik in Indonesië gaan spelen wat ik niet meer wilde zijn. Want je bent hier nog altijd moslim, christen dan wel communist. Nergens in geloven, gelooft men niet. En ik ook niet, nu ik er even over nadenk.

De rit naar het centrum duurt anderhalf uur en gaat over tolwegen die in handen zijn van het gevreesde en thans belasterde syndicaat. De chauffeur spreekt in Bahasa Indonesia tegen mij, ik spreek in een mengeling van Engels, Nederlands en Indonesisch tegen hem. Bij elk tolhuis begint hij te mopperen op het syndicaat en vraagt mij dan het tolgeld aan de ambtenaar overhandigen, dat is handiger want hij heeft zijn stuur links in plaats van rechts, nogal onhandig in Indonesië. Misschien hebben ze de Jeep gewoon uit Nederland laten komen?
     
De chauffeur overhandigt me een mapje proza. Een welkomstbrief, een bulletin, een uitnodiging. Leuke openingszinnen:

Welkom in Jakarta! Ik hoop dat Uw vliegreis naar wens verliep en het vervoer naar het hotel ook probleemloos is gegaan.

Ook in de komende periode is geen verbetering verwachtbaar in de instabiele toestand waarin Indonesië zich bevindt.

The Ambassador of the Kingdom of the Netherlands and *** request the pleasure of the company of…

… de schrijver die men niet verwacht heeft in het hotel. Verwondert me niks. Ik bel de secretaris van de ambassade. Hij wordt nu echt bijna boos en zegt dat hij de vorige dag nota bene persoonlijk een kamer voor me is komen regelen. Ik moet denken aan die pianist uit Ishiguro’s roman The unconsoled. Hij komt aan in een stad, waar hij kennelijk wordt verwacht, maar er is niemand die hem opvangt. Wordt een zwerftocht…
     
‘Wenst u zelf een kamer te boeken, meneer?’ wordt mij vanachter de balie gevraagd.
     
Ik knik. Ga me een beetje lopen zwerven. Ik ben de pianist niet.
     
Een jongen in wit uniform brengt me naar een kamer op de vijfde verdieping. Uitzicht: blinde muur.

     
Toch eerder iets voor Jean Paul Sartre. In de schacht tussen de muur en mijn venster galmt moslimgezang. Dat lijkt me juist weer aardig voor Salman Rushdie. Zou dan fijn hier zijn boekenweekgeschenk een contrapunctieve ondertoon mee kunnen geven, ditmaal tegen het intellectuele Westen, waar-ie vandaag of morgen ook wel schoon genoeg van zal hebben.

     
Even testen. Televisie. Werkt niet. Koelkast. Werkt niet. Radio. Werkt niet.

     
De natuur werkt wel. In een mum van tijd zit de salontafel onder de kleine mieren die op mijn colablikje afkomen. Maar wat zou het, ik gooi de balcondeur open en de broeierige zuurstofarme tropische stadslucht vol koolmonoxide, riooldamp, krêtek, kruiden en zweet slaat me tegemoet. Mijn lichaam voelt zich erin thuis, ik zet de airco aan en val in slaap.

* * *

alfred birney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (6) – De oeverloze Siegfried Huigen

Siegfried Huigen moet het geharrewar van zijn collega’s meewarig hebben gadegeslagen. Voor hem bestaan taal en literatuur als selectiecriteria niet meer. Het literair-esthetische criterium is kunstmatig en het taalcriterium al helemaal niet meer van toepassing sinds het internationale onderzoek naar culturele aspecten in de koloniale literaturen al zo’n hoge vlucht hebben genomen. Nederland kan volgens hem hierin moeilijk nog achterblijven. Aftasten van grenzen is er niet meer bij en daarom heet Huigens bijdrage dan ook Grensoverschrijdingen.

Voor wie zit te wachten op een nieuwe beschrijving van de Indische letterkunde, die moet niet bij Huigen zijn. Te veel onderzoeker, te weinig schrijver. Hij maant zijn collega’s om vooral mee te doen aan het internationale debat, want die dekselse lui achter de Engelstalige letterenstudies liggen lichtjaren op ons voor en wel zo, dat het lijkt alsof Nederland helemaal geen bijdrage heeft geleverd aan de koloniale tekstproductie.

Huigen begint zijn betoog met de vaststelling dat de meeste bekende werken uit de Indische letterkunde zijn geschreven, uitgegeven én gelezen in Nederland. Literatuur die in de kolonie werd geschreven, had veel minder te betekenen. Dat klinkt logisch, er zat maar een handjevol Nederlanders in de kolonie: nog geen 100.000 Europeanen rond 1900, van wie slechts veertig procent thuis of op het werk Nederlands sprak. De voertaal van kinderen onderling overigens was Maleis of Petjôh. Misschien dat Peter van Zonneveld in dit verband zou kunnen melden of er kinderboeken geheel in Petjôh zijn geschreven. Waarschijnlijk niet, maar je weet maar nooit: curiositeiten zijn immers niet vreemd in de Indische letterkunde.

Net als zijn collega’s gaat Huigen in op een van de meest omstreden subtitels uit de secundaire literatuur: Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel . Die subtitel luidt namelijk: wat Nederlandse schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven, vanaf de eerste jaren der compagnie tot op heden . Huigen stelt dat de naam ‘Indonesië’ natuurlijk een anachronisme is, omdat Indië het hele octrooigebied van de VOC tot 1800 dekte en niet alleen de huidige kaart van Indonesië. In die zin klinkt de opmerking van Bert Paasman hierover sympathieker: dat Nieuwenhuys de naam ‘Indonesië’ zal hebben gebruikt uit een vorm van correctheid naar de Indonesiërs toe.

Hoe dan ook: Huigen geeft Nieuwenhuys gelijk om de Indische literatuur als een Nederlands verschijnsel aan te merken. Ik hoor hem niet over de Indo’s onder die schrijvers – minstens 30 auteursnamen kunnen uit de losse pols op een rijtje worden gezet – maar ik neem aan dat Huigen deze groep ook wel onder dit Nederlands verschijnsel zou onderbrengen.

Huigen vindt wel dat Nieuwenhuys verwarring zaait door eigenaardigheden van de Indische letterkunde te verklaren uit culturele omstandigheden die in Indië heersten. Het ‘Indisch roddelcircuit’ zou het koren zijn waarvan de boekenbroden werden gebakken. Volgens Huigen wordt hiermee de suggestie gewekt dat de Indische letterkunde haar oorsprong vindt in de kolonie. Nou goed, als de Indische letterkunde haar bron dan niet heeft in de kolonie, dan toch zeker wel door de kolonie. Nieuwenhuys’ stokpaardje roddelpraat stoelt wel degelijk op culturele omstandigheden die in Indië heersten: het hele roddelcircuit is met de repatriëring gewoon mee naar Nederland genomen, waar tot op de dag van vandaag Indische coterietjes met elkaar ruziën, wat weer vérstrekkende gevolgen heeft voor het huidige algemene culturele Indische klimaat. Ik heb begrepen dat dat Indisch is, Huigen kennelijk niet, maar vooruit, laten we het daar dan maar even niet over hebben.

Huigen wenst duidelijk onderscheid te maken tussen representatie en gerepresenteerde werkelijkheid . Representatie staat voor literatuur; de gerepresenteerde werkelijkheid staat voor Indië. Volgens Huigen heeft Nieuwenhuys deze begrippen met elkaar verward. En omdat deze Godfather van de Indische letterkunde zo’n sterk stempel heeft gedrukt op de studie van die Indische letterkunde, worden ook nu nog de begrippen representatie en gerepresenteerde werkelijkheid met elkaar verward. Volgens mij is dat een dagelijkse verschijnsel, maar Huigen gelooft kennelijk niet in fictie. Hoewel de Indische geschriften overwegend van de koude grond afkomstig zijn, worden ze als exotische gerechten opgediend , schrijft hij ook nog. Klinkt leuk, maar misschien is het toch eerder zo dat Indische geschriften als exotische gerechten worden gezien .

Hoe kijkt Siegfried Huigen eigenlijk?

Huigen stelt een ander probleem aan de orde, een bekend probleem: de gedachte dat de Indische letterkunde een niet-literaire letterkunde zou zijn. Die gedachte vindt inderdaad zijn oorsprong bij Nieuwenhuys, waarmee de wegen van Rob Nieuwenhuys ook weleens ondoorgrondelijk kunnen worden. Immers: de nestor werpt zich in zijn Oost-Indische Spiegel herhaalde malen op als een soort criticus, die de literaire waarde van een boek weegt. Hij gaat zelfs zo ver om bijvoorbeeld zijn toch al belabberde bespreking van de boeken van een schrijver als Arnold Clerx in een latere editie er maar helemaal uit te schrappen. Misschien omdat Tjalie Robinson zich ooit heeft opgewonden over het verwerpelijke beeld dat deze schrijver van de Indo als type heeft neergezet in Schandaal op Poeloeh-Tampa (1941)? Tja, dat krijg je dan met die Indische jongens als Robbie en Tjalie onder elkaar. Kongsies, huh?

Huigen stelt terecht vast dat Nieuwenhuys in zijn literatuurgeschiedenis op twee gedachten hinkt: interesse in alles wat er over Nederlands-Indië is geschreven én een neerlandistische opvatting van wat literatuur is of zou moeten zijn. Nieuwenhuys’ oplossing voor dit probleem kwam te liggen in uitbreiding van het literaire domein. Huigen: Natuurwetenschappers, journaalhouders en geografen worden zo de literatuur binnengehaald, omdat ze goeie vertellers zouden zijn en en passant levert dit ook nog een mooie eigenaardigheid op voor de Indisch-Nederlandse letterkunde: in tegenstelling tot de Nederlandse letterkunde is deze literatuur immers erg onliterair.

Huigen doelt hier op schrijvers als Rumphius, Bontekoe, Valentijn en Junghuhn. Of al die lui onliterair schrijven, zou ik niet willen beweren. Ik begrijp toch al niet hoe de schoolmeesters van de Nederlandse letterkunde het bestaan om ons De klucht van de koe van Bredero door de strot te duwen in plaats ons het sappige scheepsjournaal van Bontekoe op te dienen. Enfin, Nieuwenhuys heeft met de presentatie van zijn prekoloniale auteurs het tijdvak met een slordige 200 jaar verruimd en daarmee een behoorlijke voorzet gegeven op het thans onder Indische mensen levende idee dat hun geschiedenis eigenlijk al is begonnen bij de 17e eeuwse Mestiezen.

Huigen acht het hoog tijd tot helderheid te komen over het studieterrein van de Indische letterkunde en hij zegt dat allereerst moet worden vastgesteld wat het literaire circuit in de kolonie behelsde. Omdat Huigen in het begin vaststelde dat de meeste bekende werken uit de Indische letterkunde zijn geschreven, uitgegeven én gelezen in Nederland , neem ik aan dat hij zijn collega Peter van Zonneveld de literaire kampong en desa in wil sturen om te kijken of er nog wat rondslingert dat aan de aandacht is ontsnapt. Huigen wil zijn studieterrein immers niet beperken tot literaire teksten.

Wanneer men onder Indische letterkunde verstaat wat Nederlandse schrijvers over Nederlands-Indië geschreven hebben, dan is het onderwerp van de teksten de samenbindende factor. Er is geen reden om daarbij ook de beperking te laten gelden dat die teksten literair moeten zijn.

Waarom niet?

Indische literatuur in al haar vormen is zeker tot aan het begin van de twintigste eeuw voornamelijk geografische literatuur die aan de inwoners van het moederland een beeld wilde geven van het leven in de verre kolonie. De esthetische functie stond niet voorop.

Als je die junkpile van geschriften op elkaar stapelt en daarnaast het stapeltje legt van schrijvers voor wie het esthetische wél voorop stond, dan is het inderdaad net alsof de esthetische functie niet voorop stond. Huigen wekt onbedoeld de indruk alsof er vrijwel geen schrijver was die zich serieus met de kunst van het schrijven bezighield. Ook heden te dage wordt vaak maar aangenomen dat werken van contemporaine Indische schrijvers louter steunen op het inhoudelijke en dat het dus wel geen literatuur zal zijn.

Het is moeilijk na te gaan wat schrijvers in Indië aan leesvoer tot hun beschikking hadden. Een beperkt aanbod van westerse literatuur is ook van invloed geweest op de literatuurkennis van die schrijvers en daardoor zouden veel boeken van ‘mindere literaire kwaliteit’ zijn. Deze achterstand zegt volgens mij niets over een veronachtzaamde esthetische functie bij die schrijvers.

Er is geen aparte literaire maatstaf aangelegd bij de beschrijving van de Indische literatuur. Nieuwenhuys heeft het geprobeerd door van het vertelde uit te gaan, waarmee hij in feite toch dichtbij de orale traditie zat, die stellig eeuwenlang sterk heeft geleefd in Indië. Beekman heeft het geprobeerd door van zijn geliefde scheepsjournalen uit te gaan, maar dwaalt gaandeweg af van dat uitgangspunt. Om dan nu maar géén maatstaf aan te leggen maakt de weg vrij voor ruimer onderzoek, maar ook dan zal bij de beschrijving van de literatuur of bellettrie of hoe je het maar wilt noemen eens het ogenblik komen waarop een maatstaf moet worden aangelegd en gehanteerd. Alle kritiek op Nieuwenhuys ten spijt: hij kon wél boeiend schrijven. En daarin ligt de magie die een hele horde lezers op het pad van de Indische letterkunde heeft gebracht.

Gerard Termorshuizens opmerking indachtig, waren er velen die zonder hun Indische ervaringen nooit de pen ter hand zouden hebben genomen. Daardoor hebben de pure schrijftalenten gezelschap gekregen van amateurs en misschien is het daarom dat de Indische literatuur niet serieus genomen wordt binnen de Nederlandse letterkunde. Je kunt je als wetenschapper van de Indische letterkunde wel met s.o.s.-berichten en krabbeltjes van zich vervelende bestuursambtenaren bezighouden, maar mij dunkt moet je die niet zomaar als belangwekkende teksten aan literatuurliefhebbers presenteren.

Huigen verwijst naar een receptieonderzoek gehouden door Jacqueline Bel: Nederlandse literatuur in het fin de siècle. Een receptie-historisch overzicht van het proza tussen 1885 en 1900 , een bijzonder leesbaar – op zich al zeldzaam – proefschrift uit 1993. Het viel Huigen op hoezeer literaire romans om niet-literaire redenen werden gelezen. Huigen geeft als voorbeeld Max Havelaar, een boek dat om literaire redenen kan worden gelezen maar om niet-literaire redenen destijds werd meegezeuld in de hutkoffers van ethische ambtenaren, juist vanwege de inhoud als navolgenswaardig model. Ik vraag me af of het Huigen ook, liever gezegd vooral, is opgevallen hoezeer niet-literaire romans om wel-literaire redenen werden gelezen en zo nagenoeg onbesproken de vergetelheid ingingen. Als hij dát nou naar voren had gebracht, dan was-ie wat helderder in zijn betoog geweest.

Ik vergeet nu even dat Huigen het helemaal niet heeft over de beschrijving van de Indische letterkunde. Hij heeft het over onderzoek en ik geef toe dat ik dat weleens dreig te vergeten. Tja, hoe zou dat nou komen? Nou, men zeurt maar aan over Rob Nieuwenhuys’ standaardwerk, zodat je de indruk krijgt dat men hunkert naar iets nieuws op dat gebied. Dat zij als het ware zitten te springen om tot een welhaast perfecte afbakening te komen, om dan desnoods dat nieuwe standaardwerk samen te schrijven.

Een tweede reden om literaire aspecten als selectiecriteria te vallen is uiteraard de wens tot verbreding van het aandachtsveld, zoals Paasman, Van Zonneveld en Termorshuizen die ook al uitten. Slechts Praamstra staat hierin alleen. De representatie was immers een Europese onderneming met bijvoorbeeld schrijvers als Rumphius en Junghuhn, die aanvankelijk in het Duits schreven. Dat deze schrijvers over zijn gegaan tot het schrijven in de Nederlandse taal kan Huigen even niks schelen. Een benadering die zich beperkt tot geschriften in de nationale taal is niet geschikt voor de bestudering van koloniale teksten in verschillende Europese talen die op allerlei manieren met elkaar verweven zijn.

Waar Gerard Termorshuizen ervoor pleit om die niet-Nederlandstalige teksten ‘in de buurt te houden’, daar gaat Huigen over tot het overschrijden van die grenzen. Zo’n man zal het dan vast ook wel best vinden een Engelstalige schrijver te komen laten vertellen over zijn land van herkomst in een boekenweekgeschenk uitgegeven door de CPNB, de Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek anno 2001, wanneer het hier in Holland wemelt van de Nederlandstalige schrijvers die van alles te melden hebben over hun land van herkomst. Tja, wie zoals Siegfried Huigen in Zuid-Afrika verblijft en dagelijks op straat Nederlands, Afrikaans en Engels door elkaar heen hoort praten, die stapt wat eerder over taalgrenzen heen.

Maar Huigens opvatting is natuurlijk niet zomaar willekeurig of louter stoelend op persoonlijke ervaring. Nee, hij is een wetenschapper en zal er wel voor waken een persoonlijke noot aan zijn betoog toe te voegen. Hij noemt de ‘westerse koloniale expansie’ het meest invloedrijke proces van de afgelopen vijf eeuwen, waarmee hij de eeuw van Portugese aanwezigheid van voor de Hollanders in Indië voor het gemak maar even meetelt. Of handeldrijven gelijk moet worden gesteld aan koloniale expansie, daarover wordt nog altijd druk gedebatteerd, maar goed, alles bijeengenomen heeft het geleid tot verplaatsing van mensen en ideeën en tot integratie van voorheen geïsoleerde gemeenschappen en economieën in een wereldomspannend geheel. Vergeleken daarmee is zoiets als de Tweede Wereldoorlog in Europa maar een oprisping.

Het klinkt wat cru en je moet er niet aan denken om de Japanse bezetting maar een oprisping te noemen, want je krijgt zo de hele eerste generatie Indo’s op je dak. Maar met de camera op de maan geplaatst snijdt Huigens boodschap wel hout, al laat hij de rol van de Oosterse volkeren hierin ook maar weer even voor wat het is. Huigen stelt vast dat historici traditioneel hoofdzakelijk aandacht hebben gehad voor de economische en politieke aspecten van de koloniale geschiedenis en de culturele voornamelijk hebben veronachtzaamd. Klopt, zelfs zo’n nieuw historisch werk van J.J.P. de Jong over ‘de Nederlanders in Azië en de Indonesische archipel’ staat bol van de economische beschouwingen en politieke verwikkelingen, al is De Jong wel zo modern om wat meer aandacht aan culturele aspecten te schenken dan vele voorgangers. Niet genoeg, dat niet, nee.

Nu komt Huigen tot een opvallende uitspraak. Hij zegt dat de koloniale expansie niet alleen een product is van kanonnen en begeerte naar winst, maar ook van representaties. Deze representaties stuurden in hoge mate het koloniale optreden. Hier onderschrijft hij dus de macht van het gedrukte woord. Verderop zegt hij dat van tevoren niet kan worden uitgemaakt of literaire teksten binnen het onderzoeksgebied belangwekkender zouden zijn dan niet literaire teksten. Kan wel zijn, maar als het tot een overzichtswerk komt, staat de Max Havelaar toch gewoon weer bovenaan de lijst. Huigen noemt die titel nota bene zelf gemakshalve maar weer in plaats van bij gelegenheid eens iets ánders te noemen.

Je krijgt bij het lezen van Huigens bijdrage geen ogenblik de indruk dat Huigen denkt aan zoiets als afbakening van het corpus. Zijn literatuursociologische benadering laat dat bijna niet toe. Huigens inspirator is de Amerikaanse Palestijn Edward Saïd, die met zijn baanbrekende essays een hele generatie wetenschappers ánders leerde lezen.

Saïds manier van lezen is erop gericht te achterhalen welke westerse vooronderstellingen dienden waarop representaties van het oosten zijn gebouwd. En hoe de gezaghebbende representatie de individuele schrijver dwingt tot aanpassing aan de heersende opvattingen en zodoende rechtvaardiging verschaft aan het optreden van de koloniale mogendheid. Deze manier van lezen van koloniale teksten is in de anglistiek de overheersende geworden en volgens Huigen ligt het grootste succes ervan in de geboden leeswijze. Uiteraard is de literaire kwaliteit dan niet meer van belang, maar gaat de aandacht als het ware uit naar de macht van een tekst en naar de verborgen spelonken waarin de historische rol die het speelde ligt opgeslagen.

Huigen noemt als voorbeeld Saïds boek Oriëntalism (1978), maar werkelijk aansprekend is Saïd wat mij betreft pas in Culture and imperialism (1993), wanneer hij uitgebreid ingaat op Jane Austen’s Mansfield Park . Niet omdat dat boek mij zo aanspreekt maar omdat het eenvoudig te vinden is en ik er niet voor naar de een of andere universiteitsbibliotheek voor moet, om daar te horen te krijgen dat Siegfried Huigen het nog op zijn tafel in Stellenbosch heeft liggen.

Als rechtgeaard wetenschapper hekelt Huigen wel de armoede van bronnenonderzoek in de meeste Engelstalige studies, wat volgens hem leidt tot generalisaties. Ook signaleert hij de neiging het Britse kolonialisme als exemplarisch voor het kolonialisme in het algemeen te beschouwen. Ongeveer zoals Wanda Boeke al signaleerde in een eerder journael, zegt ook hij nu: Op de achtergrond spelen Spanje en Frankrijk en vroegere eeuwen van koloniale expansie nog wel een rol, maar de niet onaanzienlijke Nederlandse bijdrage aan de koloniale tekstproductie is vrijwel onzichtbaar.

Uit eigen onderzoek naar koloniale teksten over Zuid-Afrika is Huigen gebleken dat de Nederlandse koloniale literatuur niet in een Brits keurslijf kan worden gewrongen. Resteert de vraag: hoe krijg je die Engelstalige onderzoekers zo ver al die Nederlandstalige werken te laten lezen? Misschien bedoelt Huigen slechts dat de internationale trend de weg is naar hoe men de Indisch-Nederlandse literatuur moet gaan benaderen? Huigen lijkt helder te denken, maar wat hij nou precies voorstaat ontgaat me in zijn artikel. Voor Huigen is er in elk geval alle reden om mee te doen aan het internationale debat. Voorwaarde is wel dat men het onderzoek aanpast en het ‘wankele onderscheid tussen literair en niet-literair’ laat vallen.

Nou, als je al moeite hebt de bekende Nederlandse koloniale werken voor het internationale voetlicht te brengen, hoe krijg je dan de brief in de fles van een koloniale schipbreukeling door de internationale wandelgangen gerold?

Iemand als Theo D’Haen blaast zijn partij al driftig mee op dat internationale podium en hij moet uit ervaring toegeven dat hij gemakshalve waardevolle teksten moet laten liggen. In zijn artikel Postmodernisms: From Fantastic to Magic Realist (1997) schrijft deze Theo D’Haen namelijk, na een opsomming van een hele zwik auteurs:

Obviously, the list could (and should) be expanded with writers in European languages other than English, and perhaps (but here I must confess ignorance) in non-European languages as well. For reasons of economy I will stay mainly with English language authors.

For reasons of economy dus. The same old song. Tja, wie zal hem dat gemak op het internationale podium kwalijk nemen? Internationalisering van de discussie over allerlei literaire kwesties leidt dus per definitie tot inkrimping van de lijst. De representatie mag dan internationaal zijn, de presentatie van de werkelijkheid behelst gewoon de Engelstalige gebieden of de gebieden die Engelstalige schrijvers als couleur locale hebben genomen.

Er zijn postkoloniale schrijvers die overgaan tot het herschrijven van koloniale romans vanuit het perspectief van de gekoloniseerde. Of een klassieker herscheppen in een ander werelddeel. Wuthering Heights kreeg een nieuw jasje in Maryse Condé’s La migration des coeurs , geplaatst onder een Antilliaanse hemel. Stukken van Shakespeare worden fijn in een andere cultuur geplaatst. Het nieuwste product komt van Craig Strete, die met een pueblo-Indiaanse versie van Macbeth de Schotse heidevelden doet verhuizen naar de weidse hoogvlakten van een zinderende woestijn, waar de bekende heksen de gedaanten van de elementen aannemen en de bloeddorstige Angelsaksische vorsten veranderen in trotse, strijdende pueblo-stammen. Als Marion Bloem nou eens Romeo and Julia een Indisch jasje geeft, dan kan zij wederom als baanbreker dienen voor onze generatie, maar dan op internationaal niveau. Frans Lopulalan stuurt vervolgens Captain Joro & Moby Dick naar de Banda-eilanden en ik plaats dan wel Der Prozess in een contemporaine Haags-Indische setting. Wij zullen het schijnimago van de literaire repatriant aannemen, in de wetenschap dat ook in de internationale postkoloniale arena ons geen echte gastvrijheid zal worden geboden.

Bronnen:

Grensoverschrijdingen. Siegfried Huigen. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2, juni 1999

Postmodernisms: From Fantastic to Magic Realist. Theo D’Haen. In: Bertens, Hans and Douwe Fokkema, eds, International Postmodernism: Theory and Practice, A comparative history of literatures in European Languages Sponsored by the International Comparative Literature Association, Volume 11, Amsterdam/Philadelphia, 1997: John Benjamins B.V.

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (4) – Het oog van Gerard Termorshuizen

Voor wie het niet weet: Gerard Termorshuizen is de bezorger van de Verzamelde Romans van P.A. Daum. Tien werken in drie fraai uitgevoerde delen, met leeslint. Ik heb, helaas, een blinde vlek voor Daum, of, helaas, een goede smaak, dus toen ik het artikel van Gerard Termorshuizen onder ogen kreeg, dacht ik dat hij vast wel de afgrijselijkste schrijvers zou noemen die je maar kan bedenken. Valt reuze mee, al begint hij zijn bijdrage aan het ‘eigen gebied’ van de Indische letteren met een verwijzing naar Hella Haasse. Weer zo’n overgewaarde auteur die ik-weet-niet-waarom zo overdreven veel aandacht krijgt. Straks ga ik die Termorshuizen nog tegenkomen in Jakarta, waar een congres gehouden wordt ter ere van het zestigjarig bestaan van de letterenfaculteit van de Universitas Indonesia. Stel je voor, zit je toevallig met die man aan een tafel… als-ie dan maar niet over Daum en Haasse begint, want dan begin ik over Sei Shonagun en Kawabata. Of over mijn overgrootvader, als Termorshuizen misschien gezellig een sigaartje wil roken.

Termorshuizens bijdrage aan de bijeenkomst van de boekhouders van de Indische letteren heet Anders gezien, andere beelden. Buitenlandse auteurs over Indië: houd ze in de buurt en koester ze. Alstublieft: de hele inhoud van zijn betoog reeds in de titel samengevat. Duidelijker kan niet. Maar is Termorshuizen echt zo duidelijk?

Hella Haasse is de directe inspiratiebron achter zijn betoog. Mooi zo, want van schrijvers moet je het uiteindelijk hebben. De grand old lady publiceerde in 1993 in Indische Letteren haar Albert Verwey-lezing, waarin zij zich de vraag stelt of het werk van sommige buitenlandse auteurs wellicht een aanvulling kan geven op de ons vanuit de Indisch-Nederlandse letterkunde vertrouwd geworden belevingswereld. Die vraag beantwoordt Haasse maar alvast bevestigend en waarom ook niet: het is niet slecht als auteurs zich een beetje met literatuurwetenschap gaan bemoeien (mits ze er geen gewoonte van maken, Cyberney!). Haasse wijst op werk van Joseph Conrad en Somerset Maugham, die een ándere blik werpen op de door onze literatuur gesuggereerde belevingswereld. Voor Termorshuizen spreekt het in navolging van Haasse ook vanzelf dat in andere talen geschreven literaire teksten over Indië ‘onze’ aandacht verdienen. Hij zegt zelfs dat als hij een antwoord moet geven op de vraag of zulke buitenlandse werken dan ook tot de Indische letteren behoren, hij geneigd is daarop met ‘ja’ daarop te antwoorden.

Belangrijk is te weten dat Termorshuizen met Indische bedoelt: over Indië handelende teksten. Of die auteurs daar dan ook geweest moeten zijn, dat zegt hij niet, al komt hij later in zijn bijdrage wel met voorbeelden van auteurs die er allemaal hebben rondgedard.

Maar er is hem ten behoeve van de discussie gevraagd: horen de bedoelde teksten bij de Indisch-Nederlandse letterkunde? Men krijgt het volgende, diplomatieke antwoord: Omdat er volgens mij geen andere mogelijkheid is daarop met ‘nee’ te antwoorden, en ik met dat antwoord moeilijk vrede kan hebben, stel ik een wat voorzichtiger vraag: is het mogelijk om die buitenlandse literatuur over Indië, zonder ze daarin te incorporeren toch in de buurt van de Nederlandse Indische letteren te houden?

Waarmee Termorshuizen zich feitelijk buiten de discussie plaats. Waarom geen ‘ja’ zeggen als je geen ‘nee’ wilt zeggen? Wat bedoelt hij met: ‘in de buurt houden’? Eens kijken waar hij zijn grenzen trekt, die in elk geval zonder Praamstraëske slagbomen gemarkeerd zullen worden.

Termorshuizen besteedt een groot deel van zijn betoog aan geschriften uit de VOC-tijd. Ha! Heeft die man dus tóch smaak? Hij vertelt dat de archipel ook op buitenlanders een geweldige aantrekkingskracht had en dat het dus voor de hand ligt dat ook door niet-Nederlanders heel wat over Indië is geschreven. Als ‘prachtig voorbeeld’ noemt hij de brievenroman van de Franse Paul Adam (1862-1920): Lettres de Malaisie (1922). In dit boek wordt een Utopia op Borneo geschetst, waarin Europese mannen, inlandse vrouwen en Chinezen zich, niet gehinderd door racistische barrières, vermengen. Toch acht Termorshuizen dit boek als een op zichzelf staande curiositeit en hij vindt dan ook dat hij zich beter kan richten op buitenlandse auteurs die op grond van persoonlijke ervaringen hun boeken hebben geschreven. Hier komt Termorshuizen dicht in de buurt van Paasman, die ‘expressieve teksten die een sterk engagement met Indië hebben’ als belangrijke ‘tekstuele kenmerken’ ziet.

Veel is er geschreven in de Engelse, Franse, Duitse, Poolse en Hongaarse Indische letteren, aldus Termorshuizen, wiens kosmopolitisch gebruik van de term ‘Indische letteren’ mij wel amuseert. Termorshuizen wijst op een proefschrift van Roelof van Gelder, die liefst 79 teksten vond van 47 Duitse soldaten en matrozen in dienst van de VOC. Die teksten zijn vaak boeiend omdat zij soms nieuwe informatie bevatten en soms informatie uit Nederlandstalige geschriften nuanceren. Geschriften van bijvoorbeeld Hongaren bevatten interessante informatie, al is het maar door hun andere cultureel-sociale achtergrond.

Tijd dus ook voor hem om in te gaan op de verschillen tussen literaire en niet-literaire genres. Hij vraagt zich af of het wel juist is om bijvoorbeeld het reisverhaal, het dagboek en de brief uit te sluiten. Voor veel auteurs, die in ‘normale’ omstandigheden nooit tot schrijven zouden zijn gekomen, was Indië de drijfveer dat wél te doen.

Ja, hier raakt Termorshuizen inderdaad aan een zeer specifiek kenmerk van de Indische letteren – je zou het bijna een oorzaak noemen – al kun je hetzelfde beweren met oog op bijvoorbeeld de Tweede Wereldoorlog. Die oorlog heeft tallozen tot schrijven gebracht en tallozen zijn ondertussen allang door de sorteermachine van de grootboekhouders der Nederlandse letteren gegaan. Het grote verschil is natuurlijk, dat die geschiedenis jonger is, veel ooggetuigen heeft nagelaten en bovendien zo bekend is, dat er nauwelijks nog valt te zoeken naar verhalen die verborgen zijn gebleven. In die zin is het dan ook opvallend dat Termorshuizen geen namen noemt van Indonesische schrijvers, terwijl hij toch maar mooi nieuwsgierig is naar nuanceringen van buitenlandse schrijvers. Hij zegt zelfs dat nuanceringen van niet-Nederlandse auteurs niet mogen ontbreken. Benieuwd wat-ie zou doen met een in het Japans geschreven boek van, zeg, een Japanse soldaat tijdens de Japanse bezetting van Indië.

Termorshuizens kennelijke behoefte aan nuancering lijkt in tegenspraak met zijn gewenste persoonlijke karakter in de door hem beoogde teksten. Want waarom moeten Nederlandstalige teksten over Indië, die vaak zwaar leunen op persoonlijke ervaringen, zo nodig worden bijgesteld door geluiden uit bijvoorbeeld de Hongaarse hoek? Je zou bijna denken dat Termorshuizen zijn Nederlandstalige auteurs niet helemaal gelooft, terwijl hij toch op zoek is naar zoiets als het subjectieve element, dat per definitie de persoonlijke ervaring kenmerkt. Hij zou vast tegenwerpen dat het hem gaat om een zo ruim mogelijke kijk op Indië. Dat ligt dan wel een eindje weg van zoiets als literatuurgeschiedenis, dunkt mij.

Klopt, want Termorshuizen benadrukt het sterke documentair-persoonlijke karakter van de teksten. Hij acht de sociologische context wezenlijk. Geen lezer ontkomt eraan. En al helemaal niet de onderzoeker. Daarom ook is Rob Nieuwenhuys’ Oost-Indische Spiegel blijven hangen tussen literatuurgeschiedenis en sociale geschiedenis, aldus Termorshuizen. Hij denkt niet, zoals Praamstra, voor wie het literaire uiteindelijk toch de boventoon moet voeren, dat aan die sociologische aspecten onevenredig veel aandacht is geschonken. En hij geeft een voorbeeld van Haasse, die in haar Albert Verwey-lezing tussen de grote namen van Conrad en Somerset Maugham ineens gewag doet van de reisverhalen van ene Mrs. Ponder, een in de letteren onbekende Engelse dame die in de jaren dertig over Java reisde. Volgens Peter van Zonneveld was zij overigens een Australische dame, maar dit terzijde.

Termorshuizens boodschap is duidelijk, althans waar het om genres gaat. Uitsluiting van welk genre dan ook is taboe en daarin heeft hij Bert Paasman aan zijn zijde en Olf Praamstra tegen zich. Maar hoe zit dat nu met die niet-Nederlandstalige teksten?

Nou, Termorshuizen bedoelt alleen maar te zeggen dat die teksten van wezenlijk belang zijn bij literatuursociologisch gericht onderzoek. En dat het niet zijn bedoeling zou zijn de Indisch-Nederlandse, Indisch-Engelse, Indisch-Duitse en Indisch-Hongaarse of wat voor Indische letteren dan ook, tot één literatuurgeschiedenis om te smeden. Wél dat ze te gebruiken zijn. Voor ónderzoek. Hij zou ze in de Indisch-Nederlandse letterkunde opnemen als een subcategorie. Dat bedoelt hij met ‘in de buurt houden’. Zeg maar een flink voetnotenapparaat om de Indische literatuur wat internationale allure te geven.

In de buurt waarvan precies, zou ik nog altijd niet weten. Want hoe ziet dat Nederlandstalige corpus – dat toch de basis moet vormen van de Indische literatuur, niet? – er volgens hem dan uit? VOC-teksten mogen erin, dat is duidelijk. Dat is dus het startpunt. Nou, waar ligt het eindpunt?

Eén zin in Termorshuizens tekst wekt mijn wantrouwen op als ik aan de naoorlogse generatie denk: Vanaf het begin van de VOC-tijd tot aan het moment dat Indië Indonesië werd, hebben zich naast Nederlanders veel andere Europeanen op Oost-Indisch grondgebied opgehouden. Dus: tot aan het moment dat Indië Indonesië werd.

Dat heet terugblikken naar, ja, Oost-Indisch grondgebied. Termorshuizen lijkt progressief door te kijken naar niet-Nederlandstalige teksten over Indië. Maar hij kijkt louter terug. Hij mist een oog.

Bron:

Anders gezien, andere beelden. Buitenlandse auteurs over Indië: houd ze in de buurt en koester ze. Gerard Termorshuizen. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2, juni 1999

Het Oost-Indisch avontuur. Duitsers in dienst van de VOC (1600-1800). Roelof van Gelder. Nijmegen, 1997

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

De boekhouders van de Indische letteren (2) – Het corpus volgens Olf Praamstra

In zijn bijdrage aan het boetseerwerk van het corpus verwijst Praamstra naar de twee belangrijkste literatuurgeschiedenissen die er over de koloniale literatuur van Nederlands-Indië zijn geschreven. Dat zijn Troubled Pleasures (1996) van E.M. Beekman en de Oost-Indische Spiegel (1972) van Rob Nieuwenhuys. Hij kan moeilijk anders, want buiten deze werken zijn er geen serieuze te noemen. Hier ligt kennelijk een hoge drempel voor de literatuurhistorici. Het overzichtswerk van Nieuwenhuys is al meer dan een kwart eeuw oud, rammelt aan alle kanten, is tegelijk inspiratiebron en mikpunt van kritiek, maar niemand kan er omheen. Beekmans verse publicatie geeft een beperkter overzicht en zit vol met verwijzingen naar de Amerikaanse literatuur, waar de gemiddelde Nederlandse lezer met Nederlands-Indië als aandachtsveld weinig boodschap aan heeft. Beide werken, de Oost-Indische spiegel en Troubled pleasures, bestrijken de periode 1600 tot 1950. Dat – het tijdvak – is waar Olf Praamstra het in eerste instantie over wil hebben. In tweede instantie gaat zijn betoog over de persoonlijke ervaring van de schrijver binnen het door hem voorgestelde corpus van de koloniale literatuur.

Praamstra beweert dat een tegenwoordig onder historici gangbare opvatting zegt dat de geschiedenis van de kolonie Nederlands-Indië zich afspeelt in de periode tussen de ineenstorting van de VOC en het ontstaan van de Republiek Indonesië. Waarmee hij maar even het laatste standaardwerk over de Nederlandse aanwezigheid in Azië en de Indonesische Archipel (1595 – 1950), De waaier van het fortuin (1998) van J.J.P. de Jong terzijde schuift. Praamstra baseert zijn betoog op een artikel die hij in 1997 publiceerde in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde: De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde, een afbakening van het corpus. De Jongs Waaier van het fortuin was dus nog niet uit, maar Praamstra had intussen wel even kennis kunnen nemen van dat boek, waarin de geschiedenis die leidt tot het feitelijke koloniale tijdvak moeilijk daarvan kan worden losgezien. Kortom: de VOC stortte dan wel in, maar de prelude klonk toch zeker door van die twee vroege eeuwen binnen de gehele Indische suite.

Praamstra heeft echter geen boodschap aan bijvoorbeeld de werken van Van Linschoten, Bontekoe en Haafner, omdat Indië in die tijd een veel groter geheel besloeg. Hij wenst zich op het gebied te concentreren dat men Nederlands-Indië noemt en stelt voor de literatuurgeschiedschrijving te laten beginnen in 1800. Het eindpunt ervan geeft wat meer problemen. Omdat de Japanse bezetting in 1942 voorgoed een einde maakte aan de koloniale maatschappij zou Praamstra het liefst dáár de streep trekken. Maar ja, ook de ondergang van de kolonie tot en met de erkenning van Indonesië in 1949 zal er bij gerekend moeten worden. En dan: veel schrijvers hebben pas jaren nadat ze Indië verlieten van zich laten horen en dat gaat door tot de dag van vandaag.

Nou, goed, dan is het een kwestie van wachten op de dood van de laatste schrijver die Nederlands-Indië uit eigen ervaring heeft gekend, aldus Praamstra. Zullen ze fijn vinden (Paula Gomes, Rudy Kousbroek, Helga Ruebsamen, Yvonne Keuls, Wies van Groningen, Aya Zikken, Hella Haasse, Bouke Jagt, Loes Nobel, F. van den Bosch en nog zo wat namen) dat er iemand zit te popelen op de finale begrafenis, opdat Praamstra dan eindelijk zijn corpus in de oven kan bakken. Zal hem toch ettelijke bossen bloemen kosten, die Olf.

Praamstra benadrukt het gesloten karakter van de koloniale letteren: Indië als kolonie ontstond zo ongeveer met de invoering van het cultuurstelsel en stierf met de uitvoering van de dekolonisatie. Feitelijk zijn daarmee de koloniale letteren dood en is het dus hoog tijd om de balans op te maken. Bij het opmaken van de balans hanteert Praamstra als belangrijkste criterium de persoonlijke ervaring. Onno Zwier van Haren en W.J. Hofdijk hebben nooit een voet op Indische bodem gezet en zijn toch opgenomen door Rob Nieuwenhuys in zijn Oost-Indische Spiegel. Onzin, vindt Praamstra en hij hekelt het voorstel van Peter van Zonneveld, die in 1990 tijdens een symposium verklaarde dat wat hem betreft álles tot de Indisch-Nederlandse letterkunde hoort wat er in het Nederlands over Nederlands-Indië én Indonesië was geschreven en nog geschreven zal worden. Waar Praamstra het mausoleum als ultieme bibliotheek voor ogen heeft, daar droomt Van Zonneveld van de onsterfelijkheid.

Om zijn criterium van de persoonlijke ervaring wat meer kracht te geven, verwijst Praamstra naar Henk Maier. Die vond dat het gelijkstellen van Nederlands-Indië en Indonesië neerkwam op het negeren van het onderscheid tussen koloniale en postkoloniale literatuur. Toch voelde Maier wel iets voor verruiming van het begrip Indische letterkunde: zolang het onderwerp maar de koloniale samenleving in Nederlands-Indië is. Maier vraagt zich wél af of een schrijver werkelijk in Indië moet zijn geweest om erover te kunnen schrijven. Moet een schrijver in de dertiende eeuw zijn geweest om een ridderroman van formaat te kunnen schrijven. Moet hij op de maan zijn geweest om er een gedicht over te kunnen schrijven.

Kan wel zijn, maar als Frans Lopulalan een Molukse Elckerlyc zou schrijven, kan hij daarmee toch moeilijk tot de Middelnederlandse literatuur worden gerekend. Een acrostichon van Marion Bloem maakt haar nog geen representant van de Rederijkers. Wanneer Peter van Zonneveld de Javaanse brieven van mijn vriend Kees Ruys tot een bijdrage rekent van de Indisch-Nederlandse letterkunde, krijgt hij terecht kritiek van Praamstra. Omdat Indonesië daarin beschreven wordt zónder enige verwijzing naar het koloniale verleden, aldus Praamstra.

Praamstra gaat niet zo ver om de Tweede Generatie er wel te betrekken, ook al komen die geschriften van die groep voort uit de erfenissen van de koloniale samenleving, waar hij zo’n fascinatie voor aan den dag legt. Daarin verschilt hij van Nieuwenhuys, die in een toespraak gehouden in 1985 deze groep wél wilde meerekenen, juist vanwege die erfenis, al zag hij geen kans meer zijn Oost-Indische Spiegel tot en met die groep uit te breiden. Een mens wordt per slot een keer oud.

Een aardig lijkend voorbeeld van Praamstra voor zijn criterium persoonlijke ervaring haalt hij uit een reisverslag van Louis Couperus. Wanneer Couperus op een tradionele Arabische markt een aantal moderne naaimachines aantreft, schrijft hij dat die dingen hem vreemd aandoen. Ze detoneren bij zijn voorstelling van de Oriënt en wekken daarom zijn ergernis. Praamstra zegt dat als Couperus over die Arabische markt had geschreven zónder er geweest te zijn, hij zich niet had kunnen ergeren.

Een schrijver met talent draait overigens zijn hand niet om om met zulke trucs zijn romans geloofwaardig te maken. Een goede schrijver gaat zitten in de wereld die hij of zij beschrijft, beschikt over zoveel inlevingsvermogen, fantasie en techniek, dat het net is alsof hij of zij er werkelijk is geweest. Joâo Ubaldo Ribeiro beschrijft in zijn roman Viva o povo Brasileiro (1984) quasi uit de losse pols 400 jaar Brazilië: waar zijn romanfiguren hun stappen zetten, daar ruik je de aarde. Niet dat zo’n schrijver daarmee tot de klassieke Braziliaanse schrijvers zou moeten worden gerekend, maar geloofwaardigheid én authenticiteit zijn eerder afhankelijk van schrijfkunst dan van waar enige schrijver wel of niet heeft rondgelopen.

Jan ten Brink was maar een jaartje in Indië, en zijn Oost-Indische dames en heeren wordt zonder mokken tot de Indische letterkunde gerekend. Louis Couperus kreeg een groot deel van zijn stof overgeleverd van zijn zwager G. Valette, bij wie hij een poos logeerde en zonder wie hij wellicht nooit De stille kracht zou hebben kunnen schrijven. Als Onno Zwier van Haren en W.J. Hofdijk nu eens wél in Indië waren geweest, al was het maar voor even, dan zou dat dus voor Praamstra al reden genoeg zijn ze wél tot de Indische letterkunde te rekenen. Eigenaardig toch, dat hij hiermee het kijken naar een tekst op de tweede plaats stelt. Wanneer je de persoonlijke ervaring als belangrijk criterium neemt, dan zal die toch ook indringend in een tekst tot uiting moeten komen. Een schrijver kan nog zo veel hebben gezien en meegemaakt: schrijft hij of zij slecht, dan stelt die persoonlijke ervaring voor de lezer weinig voor.

Iets over de kunst van het ondergraven van de eigen stellingen: Praamstra neemt als voorbeeld de manier waarop Rudy Kousbroek de bekende roman Rubber (1931) van Madelon Székely-Lulofs verdedigt tegen de kritiek van Menno ter Braak. Ter Braak vond het een boek van niks; Kousbroek noemt het een hoogtepunt in de Indische letterkunde. Wat deze roman zo authentiek maakt is het observatietalent van de schrijfster, aldus Kousbroek. Hier is iemand aan het woord die zelf in Indië is geboren en getogen en die hoedanigheid gebruikt bij bij zijn beoordeling van boeken. Olf Praamstra zelf kent dat Indië op zijn beurt niet uit eigen ervaring en zal dus blind moeten varen op de teksten die anderen over de boeken binnen zijn aandachtsterrein schrijven. Op zo’n manier kán hij nauwelijks verder komen dan wat boekhouden. Dat is althans ook wat hij zelf aangeeft aan het eind van zijn betoog: Een eventuele herdruk van de Oost-Indische Spiegel zou [...] niet dikker, maar juist dunner worden. Waarom waagt hij zich niet zélf aan een serieus en overtuigd overzicht van zijn beoogde koloniale letteren?

In het eerder door hem gepubliceerde artikel in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde legt Praamstra de bibliografie van Dorothée Buur, Persoonlijke documenten, Nederlands-Indië/Indonesië, keuze-bibliografie (1973) voor zich en neemt het snoeimes ter hand. Wat zij allemaal opsomt aan kinderboeken, jeugdlectuur, dagboeken, reisverhalen, memoires en brieven, dat mag van hem in de afvalcontainer. Tenzij zulk werk is gepubliceerd door een auteur die werk heeft geleverd dat behoort tot de voor hem typisch literaire genres: poëzie, verhalend proza en toneel, bedoeld voor volwassen lezers. Dus Couperus zijn reisverhalen mogen blijven, maar Het dagboek van W. Schermerhorn verdwijnt.

Wie zal daar rouwig om zijn? Maar de fraai beschreven herinneringen van Wim Walraven jr. aan zijn vader Wim Walraven zouden dan zeker ook het veld moeten ruimen. Praamstra wenst de nadruk op fictie en het Indische element en wenst verder geen briefjes in flessen van schipbreukelingen.

Na snoeiing van de bibliografie blijven er van de 2068 titels die Dorothée Buur heeft geselecteerd 1325 over. Praamstra zal met deze snoeiing stellig het literaire karakter van het geheel wat willen opvijzelen. Wellicht om een overzichtelijke koloniale letterkunde te kunnen presenteren uit een diepe wens dat zijn corpus serieus wordt opgenomen in de geschiedenis van de Nederlandse letteren? Daarin wordt de Indische letterkunde immers weinig serieus genomen, al is het maar vanwege de enorme hoeveelheid ‘onliterair materiaal’ die, zeg, het hele arsenaal verruwt. Met een klein overzicht van de koloniale literatuur zou Praamstra misschien wat kunnen potten breken in het gezelschap der grootboekhouders van de Nederlandse literatuur en wie weet droomt hij wel van een professoraat. Enfin, dromen is geoorloofd.

Nee, Praamstra zou de Indisch-Nederlandse literatuur, ook niet na snoeiing, een zelfstandig bestaan willen ontzeggen: De ervaring leert dat als de Indische letterkunde in de Nederlandse wordt geïncorporeerd, de meeste Indische auteurs buiten de boot vallen. Dat is onvermijdelijk, evenals dat het geval is met de meeste Nederlandse auteurs, als zij in een Europese literatuurgeschiedenis behandeld worden. Eén van de functies van de literatuurgeschiedenis, en niet de onbelangrijkste, is aandacht vragen voor auteurs die anders onherroepelijk in de vergetelheid zouden raken.

Zo eindigt Praamstra zijn artikel, dat als basis diende voor zijn verkorte lezing in het openbare debat met zijn vakgenoten. Het klinkt integer en tegelijk vreemd uit de mond van een kruidenier – misschien moet ik hem houthakker noemen – die de tuinschaar hanteert en de boeken van Van Linschoten tot, zeg, Haafner buiten wil sluiten, plus daarbij de hele naoorlogse Indische generatie. Waar de boeken uit de VOC-tijd en die van de naoorlogse generatie dan wél terecht moeten, schrijft hij niet in zijn om aandacht vragend betoog voor auteurs die anders in de vergetelheid zouden raken. Praamstra wenst een symphonie zonder inleiding en zonder finale, hij is er zo eentje die het liefst alleen de adagio’s beluistert. In bewerkte vorm, ook dat nog.

Toch is Praamstra duidelijk. En wie duidelijk is krijgt de wind mee dan wel van voren. Anderszijds hoor je hem niet expliciet over zoiets als literaire kwaliteit. Hij acht het voldoende de hele reut aan schetsjes en herinneringen buitenboord te gooien. Kwaliteitsverhoging zal hem dus niet direct voor ogen staan, slechts overzicht van wat je hier met recht zou kunnen: de Nederlandse koloniale letteren.

Bronnen:

De ergernis van Couperus, de Nederlands-Indische letterkunde en de persoonlijke ervaring. Olf Praamstra. Indische Letteren, 14e jrg, nr 2 juni 1999

De omstreden bloei van de Indisch-Nederlandse letterkunde. Een afbakening van het corpus. Olf Praamstra. Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 113, 1997

* * *

alfred birney yournael van cyberney Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Wakker worden

De achtergrond was zwart met enkele streken indigo, toevallig gepenseeld zo leek het, of waren het aanzetten van een beginnend Chinees kalligraaf? Het was in een pauze tussen dromen in, soort tabula rasa waar ik naar keek in rust. Toen was er gerucht. Ik kon het geluid niet thuisbrengen. Maar het geluid kreeg vorm: zag ik in de donkere verte niet de contouren van een berg verschijnen? Snelle voetstapjes naderden. Ze leken van een of ander dier, dat mijn domein binnendrong. Eer ik me schrap kon zetten, sprong het op mijn bed. Ik slaakte een kreet en veerde overeind. Het dier deinsde achteruit, veranderde in de gedaante van een vijfjarig jochie. Het stond naast mijn bed, keek me beduusd aan en vroeg: ‘Papa, mag de televisie aan?’
     
‘Wel ja, jongen.’
     
Mijn zoontje had zich snel hervonden, leek mijn schrikreactie al vergeten toen zijn cartoonhelden over het televisiescherm vlogen. Was hij het echt vergeten?
     
Dingen die werkelijk indruk op iemand maken, vragen meestal om een vertraagde reactie. Misschien heb ik ooit mijn vader zo van mij zien schrikken, maar ben ik het vergeten omdat de ex-marinier zich in een flits uit bed kon laten rollen, om overeind te springen en in een katachtige gevechtshouding te gaan staan. En heb ik alleen dít onthouden:
     
‘Wat moet je.’
     

oogvlam van elise favié

Toonloze vraag, toch dreigend van kleur. Een uitdagend lachje komt door mijn vaders ogen glinsteren. Hij ziet niet alleen zijn zoon, hij ziet ook een Indonesische vrijheidsstrijder voor zich. Ratelende hamertjes van schrijfmachine-armen trekken een spoor van drukletters over zijn gefronste voorhoofd: Wie ben jij, wat moet jij in mijn kamer?

Er was geen televisietoestel in huis, het was in de jaren vijftig en ik was toen even oud als mijn zoontje nu is. Er was de kokosloper in de gang, die pijn deed aan mijn voeten. Ik had gevoelige voeten, was het niet gewend om blootsvoets te lopen, zoals mijn vader in het land dat hij zes jaar eerder vlak na de oorlog was ontvlucht. Er was de keuken met de gele tegels en het formica tafeltje, in de kristallen asbak lagen de sigarettenpeuken met de lipstickmaantjes van mijn Nederlandse moeder. Het was koud, wat deed ik in de slaapkamer van mijn ouders? Mijn vader duldde me er niet en verjoeg me door me te gelasten de kolenkachel op te poken.
     
Ik snelde naar de huiskamer. De kachel stond op kromme pootjes voor de schouw met een lijst van vuilgele badkamertegeltjes. Ik trok de lade met de sintels uit het zwarte smeedijzeren gedrocht, dat het merk Etna droeg, de naam van een Italiaanse vulkaan. In de keuken kieperde ik de sintels in de ijzeren vuilnisemmer. Uit de gangkast nam ik een zak eierkolen op mijn nek, al hoorde ik mijn moeder tegen mijn vader mopperen dat dit soort karweitjes niks voor kleine jongens was.
     
Ik opende de laadklep van de kachel en zag in de diepte de resten gloeien van de kolen die de nacht hadden overleefd. Soort zwarte diamantjes geconserveerd in de grimas van een hel. Ik scheurde kranten aan stukken, maakte er propjes van, wierp ze in de kachelmond en legde er aanmaakhoutjes op. De kolenzak torsend liet ik de eierkolen in het vuur rollen. Ik keek naar de zwarte damp die zich ontwikkelde, wachtte tot de kachel begon te loeien en sloot de klep.
     
Veertig jaar later zet ik met een simpele beweging de muurthermostaat in werking van de centrale verwarming in mijn flat. Ik zet een kinderontbijt voor mijn zoontje neer op een tafeltje naast de bank en ga terug naar bed. Misschien zal ik nog een uurtje kunnen slapen voor een betere start van de dag. Zonder schrik, zonder herinneringen aan mijn vader en wat daar al niet omheen spookt.
     
In het vervolg zal mijn zoontje me niet meer zo wakker maken. Niet dat ik het hem heb verboden. Hij is zelf allerlei strategieën gaan verzinnen. Hij haalt zijn eerste houten speelgoedtreintje tevoorschijn en loopt ermee door mijn flat, zoals hij deed toen hij twee was. Een van de wieltjes loopt aan en maakt een krakkemikkig piepend geluid. Het is een geluid dat ik ken en waar ik niet van hoef te schrikken. Een andere keer gaat hij op de bank zachtjes zitten zingen, de bekende liedjes die hij op school leert, en wacht tot ik de televisie voor hem aan kom doen. Soms betrap ik hem erop dat hij eventjes om de hoek van mijn openstaande slaapkamerdeur gluurt.
     
Mijn slaapkamer staat altijd wijd open. Die van mijn vader stond altijd half open. Hij had, eenmaal teruggeworpen op zichzelf, gescheiden van zijn vrouw en kinderen, voortaan een divan in de huiskamer staan. Ik dacht voor zijn Indische siësta, maar later kreeg ik het vermoeden dat hij hem ook ‘s nachts besliep.
     
Een divan in de huiskamer kan een vriend zijn voor angstige mensen. Slaapkamers kunnen grote vijanden zijn, hoe zeer je ook je best doet ze gezellig te maken. Ze herbergen, denk je, nu eenmaal de herinnering aan je verschrikkelijkste nachtmerries. Een divan in de huiskamer is omgeven met de bekenden van je dagen: de televisie, je stereoinstallatie, je boeken, ergens ligt een sjaal van iemand die je heeft bezocht, je zoontje heeft zijn treintje in het midden van de kamer laten staan.
     
Zo’n huiskamer heb ik niet. Wanneer mijn zoontje na een weekend naar zijn moeder terug is, breng ik al zijn spullen weer naar zijn kamer terug. Om de herinnering aan zijn aanwezigheid niet te smoren, laat ik zijn kamerdeur wijd openstaan. Mijn huiskamer is zo leeg mogelijk, niets mag mij storen als ik achter mijn bureau zit. Groen zeil, zwarte jaloezieën, een cel met een zweem van Japanse strengheid. De aanblik van een divan zou me hopeloos verlammen. Mijn slaapkamer heeft dezelfde leegte. Ik slaap op een Japanse futon. Er staat één kast van wit spaanplaat, verder niets. De kamer is met klapdeuren van de huiskamer gescheiden. Door ze open te laten, slaap ik in zekere zin in het verlengde van de huiskamer. Niet dat het helpt, waarom zou ik anders zo schrikken van mijn zoontje?
     
Eén overnachting per week van je zoontje is een breuk in je hermietenbestaan van schrijver. Tegen de tijd dat zijn aanwezigheid een vanzelfsprekendheid lijkt, moet hij alweer weg. Tegen de tijd dat je je verzoent hebt met de dag, komt de nacht

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!