Zoeken

Op gevoel (8) Zoeken

Ik zag nog niets in de Hawaiian-muziek van een grootheid als Sol Hoopii, die traditionele Hawaiian-muziek combineerde met Amerikaanse jazz. Deze virtuoze pionier speelde steelguitar, liet met de gitaar plat op schoot een flessenhals over de snaren glijden en zou later als groot voorbeeld dienen voor meestergitarist Ry Cooder. Volgens mijn vader speelde zijn broer al zo in Soerabaja vóór de oorlog, waar hij ooit de tweede plaats haalde bij een steelguitarwedstrijd.

Ik leerde mezelf mijn gitaar in allerlei alternatieve stemmingen zetten en had niet veel moeite om op die manier te spelen. Maar het verveelde snel. En waar ik mijn hersens over brak en mijn vingers dus nauwelijks aan toekwamen, was de krontjongmuziek, de échte, dus niet de nepzooi van Indo-liedjes gezongen achter de piano. Nee, de muziek van bijvoorbeeld een krontjongoctet, gewapend met gitaren in diverse maten, viool, ukelele en cello. Er stond letterlijk geen maat op, de muziek was onmogelijk in één maatsoort onder te brengen, wendingen waren te onverwacht om met potlood in notenschrift op papier te kunnen zetten. Ik begreep er niets van.

Krontjong luisterde naar andere wetten. Zoals leden van een klassiek westers strijkkwartet bij de uitvoering van, zeg, Mozart, Beethoven of Bartók vooral goed naar elkaar moeten luisteren, moeten die van een krontjongorkest elkaar vooral goed aanvoelen. Een strijkkwartet leest, een krontjongorkest doet dat niet.

Rond mijn vijfentwintigste jaar leerde ik mijn tweede gitaarleraar kennen, toevalligerwijs weer een Indo. Vreemd… als ik in de spiegel keek zag ik nooit een Indo, ik zag mezelf ongekleurd. Maar als ik bij mijn leraar binnenstapte voor mijn wekelijkse klassieke gitaarles, dan zag ik een Indo en verwonderde ik me over zijn muziekkeuze. Al die gitaarmuziek van Fernando Sor, Augusto Barrios en Abel Carlevaro detoneerde met zijn gestalte van een forse, ongepolijste Indo van Borneo. Verborg hij misschien iets?

Ja. Naast zijn baan als gitaarleraar aan het conservatorium van Den Haag en op de Stedelijke Muziekschool van Delft leefde hij zich uit op de saxofoon. In de weekends speelde hij in een latin-orkest, tussen de Hollanders en Antillianen. In die hoedanigheid heb ik hem nooit zien spelen, zoals ik mijn vader nooit heb zien luisteren naar zijn krontjong. Want zodra ik de huiskamer binnenkwam, zette mijn vader zijn krontjong- of Hawaiian-muziek af en legde een grammofoonplaat van The Rolling Stones op de draaitafel. Je kunt niet al je muziek delen met anderen. Zeker niet als het een opera van herinneringen in je wakker roept.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Vier, vijf snaren

Op gevoel (6) Vier, vijf snaren

davey Mijn vader was geen gitarist, mijn vader was een drummer, zijn muziek een ritmisch gehamer tegen de papierrol van zijn Remington-schrijfmachine. Bezongen werd de oorlog op Java, tot in detail beschreven. Zijn paranoia nam groteske vormen aan, er viel niet langer met hem samen te leven, de kinderbescherming haalde mij en mijn broertjes en zusjes weg en we zagen hem nog maar om de paar weken op de zondagmiddag tijdens het bezoekuur in een Voorschotens tehuis waar wij waren ondergebracht. De overige zondagmiddagen waren voor onze Brabantse moeder, die in haar vroegste huwelijksjaren als ‘hoer van een Indischman’ was nageroepen wanneer zij met ons over straat ging, en nooit meer over die schaamte heen zou komen.

Op mijn vijftiende verjaardag zag ik mijn vader het hek komen binnenwandelen met een kartonnen gitaardoos onder zijn arm. Het instrument was rood gespoten met een zwarte rand. De hoogste snaar knapte al in de eerste week en ik moest wekenlang sparen voor ik een reservesnaar bij een achterafzaak in een regenachtig straatje in Leiden kon kopen.

Ik was verplicht mijn gitaar aan de muur boven mijn bed in de slaapzaal te hangen, wilde het instrument niet steeds door de barbaarse tengels van mijn groepsgenoten in de dagzaal gaan. Gitaren horen niet aan de muur, ze verwelken, drogen uit, ze lijken op castraten wie de tong is uitgerukt. Maar de huisregels waren zó streng dat ik niet dagelijks op mijn jeugddroom kon spelen.

Op een dag kregen wij bezoek van Davey, een jongen uit het dorp, een Indo met lange haren, een gerafelde spijkerbroek en een spijkerjack waarop een Engelse vlag was genaaid. Zijn bezoek was bijzonder. Ten eerste kwamen er nauwelijks jongens of meisjes uit het dorp naar ons tehuis, omdat veel ouders dachten dat wij er zaten omdat we niet deugden. Ten tweede speelde Davey buitengewoon goed gitaar, zo goed dat zelfs de leiding van het tehuis naar zijn gitaarspel kwam luisteren.

Davey zong ook. Hij kende complete teksten van Bob Dylan van buiten, speelde de liedjes van The Beatles beter dan zijzelf en haalde zelfs muziek uit mijn gitaar als er twee snaren waren gesprongen. Was hij langs geweest, dan klonk mijn gitaar als een harp. Davey was mijn held, hij was groter dan welke popster ter wereld ook.

Toen ik hem vroeg hoe hij op vier snaren kon spelen, zei hij dat het een kwestie van stemming was. Hij draaide wat aan de stemmechanieken en zette de gitaar in een krontjong- of Hawaiian-stemming.

‘Je weet toch wel wat krontjong is, hè?’ vroeg hij me met een lachje, guitig, omdat die muziek allang uit de mode was.

Ik vroeg hem of hij Indorock kon spelen.

‘Ja,’ zei hij, ‘die spelen zó… Maar wij, wij spelen tegenwoordig zó…’

Wie waren ‘wij’? Bedoelde hij onze hele generatie of de tweede generatie Indo’s?

Er was geen tijd voor zulke vragen. Davey communiceerde bij voorkeur via de gitaar. Hij was pas vijftien toen zijn band een plaat opnam en de plaatselijke kranten haalde. Maar zijn band, met twee Indo’s en twee Hollanders, redde het niet tegen de overmacht van Haagse bands als The Golden Earrings, Shocking Blue, Q 65, The Motions of zelfs maar The Incrowd.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Verplicht meubelstuk

Transportschip de Groote Beer, die mijn vader naar Nederland bracht.

groote beer schip

Op gevoel (2) Verplicht meubelstuk

Er zat geen gitaar in mijn vaders hutkoffer op zijn bootreis van Java naar Holland in 1950. Zo snel mogelijk na aankomst schafte hij een goedkoop ding van triplex aan, in mijn ogen een pronkjuweel, en hing het aan de muur. Mijn vader speelde niet veel. Ik herinner me maar één avond waarop ik met mijn broertjes en zusjes rond hem op bed zat om te zingen van de stencils die hij in een strenge ordner bewaarde.

Hij speelde niets uit het volksrepertoire van zijn moederland. Terang Bulan. Nina Bobo. Bengawan Solo. Niets van dat. Zijn favoriete liedjes kwamen van Jim Reeves, een Amerikaanse zanger die in de jaren vijftig populair was onder Indo’s, vanwege zijn zoetheid en weemoed. Verder ordinaire Amerikaanse liedjes, die hij ongetwijfeld van zijn geallieerde makkers moest hebben geleerd, zoals South of the Border, waarin de bezongen liefde in Mexico woont. Mexico! Mijn vader koesterde The American Dream, maar zijn hart ging uit naar Mexico, misschien omdat hij dacht dat hij daar als Indo minder zou opvallen.

Met zijn verleden op Java, zijn struggle in Holland en zijn droom in Mexico moest hij toch een sterk motief hebben om gitaar te spelen? Maar ik hoorde vaker geratel van de hamertjes uit zijn schrijfmachine komen dan muziek uit het klankgat van zijn gitaar.

Misschien speelde hij wel stilletjes, zodat we het niet hoorden. Soms zag ik dat zijn gitaar van de muur was gehaald en dus ergens in de slaapkamer moest staan. Het was verboden zijn gitaar aan te raken. Ze was nauwelijks een instrument, eerder een meubelstuk en ze kreeg die behandeling ook: regelmatig werd ze in de teakolie gezet, nogal fnuikend voor de hals, die door het vocht krom ging trekken.

Als ik eens het streng verboden gebied van mijn ouders slaapkamer betrad, viel ik op mijn knieën voor het instrument, pakte voorzichtig de hals vast zodat de gitaar niet om zou vallen en liet mijn duim zachtjes langs de snaren gaan. Die vreemde moderne gitaarstemming was betoverend en angstaanjagend tegelijk. E A D G B E… díe stemming, zo anders dan de harmonieuze krontjong- of Hawaiian-stemmingen. De klank van die open snaren roept zelfs nu nog de herinnering in mij op aan de oorlogsboeken die rond het bed van mijn ouders lagen opgestapeld, en aan die koude mariniersdolk onder zijn hoofdkussen voor als de een of andere Indonesische vrijheidsstrijder ’s nachts uit de lucht kwam vallen om hem de strot door te snijden om wat hij had gedaan, dáár, ooit, op Java.

De gitaar was een verplicht meubelstuk, omdat elke Indo nu eenmaal zo’n ding moest hebben. Dat wist ik toen niet. Ik verlangde naar de muziek uit het klankgat, als zalving voor de bloederige oorlogsverhalen die mijn nimmer zwijgende vader avond aan avond door de huiskamer liet galmen. Waarom hield die man nooit eens op met zijn slachtoffers te tellen? Waarom zweeg hij niet en speelde hij niet gewoon gitaar, zoals zijn vrienden deden? Waarom beantwoordde hij niet gewoon aan het cliché van de Indo?

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Een gitaar gesneuveld

Mijn vader A. Birnie/Birney links op de foto, zonder gitaar +/- 1948

birney links anno 1948

Op gevoel (1) Een gitaar gesneuveld

Als jongeman zag mijn vader in Soerabaja de Vliegende Sigaren van de Japanse luchtmacht zijn ouderlijk huis aan puin bombarderen, hij zag Japanse soldaten burgers onthoofden, hij werd gemarteld wegens sabotage in dienst van het zogenoemde Vernielingskorps en in een ijzeren kist onder de brandende zon te smoren gelegd, hij zag Japanse soldaten Australische krijgsgevangenen in open bamboekisten aan de haaien voeren, hij zag Punjabi-soldaten in Engelse dienst Japanse soldaten besluipen en ze de strot doorsnijden, hij hoorde over de dood van een neef aan de Birma-spoorlijn, hij hoorde hoe zijn lievelingsoom door Japanse soldaten was doodgemarteld op het landgoed van zijn vaders familie, hij verraadde de Japanse vriend van zijn zuster, die als animeermeisje aan de kost kwam, hij wees de geallieerden de weg in de hitte van de Javaanse Oosthoek, waar opstandige Indonesiërs ondersteboven hangend aan de enkels werden verhoord terwijl hij optrad als tolk en de schrijfmachine hanteerde, hij hielp de geallieerden met het platbranden van desa’s, hij zag brandende opstandige jongelingen schreeuwend van de pijn hun eenvoudige huisjes uit rennen en overhoop geschoten worden, hij leerde schieten en doorzeefde op een treinstation een vrouw en zuigeling, achter wie een Javaanse vrijheidsstrijder zich had verscholen, hij kreeg als hoofd van de afdeling Verhoor van Gevangenen in Djember de hardnekkigste zwijgers aan het praten, hij reed met een pantserwagen op een landmijn en stortte tachtig meter een ravijn in, hij kreeg het bevel van een Hollandse adjudant om het transport te begeleiden van 100 gevangenen van de stadsgevangenis van Djember naar het station Wonokromo en mocht aan het einde van de veertien uur durende rit 46 lijken van gestikte mensen uit de goederentrein slepen, hij vond een Indo-vriend terug die zichzelf voor zijn kop had geschoten nadat hij had ontdekt dat zijn meisje met een Hollandse soldaat het bed had gedeeld, hij maakte tijdens de Bersiap-tijd jongens af met wie hij nog een appeltje te schillen had, maar het ergst van alles vond hij dat tijdens de Eerste Politionele Actie de hals van zijn gitaar brak.

Het gebeurde tijdens het passeren van twee elkaar tegemoetkomende convooien. Iemand hield de loop van zijn mitrailleur niet binnenboord en hij de hals van zijn gitaar niet. De mitrailleur was van onbekende makelij, de gitaar een originele Amerikaanse Gibson, de droom van elke Indo, een instrument waar alle grootheden op speelden, een juweel waarvoor je zelfs het mooiste meisje uit de stad zou inruilen.

De gitaar had hem en zijn kornuiten vergezeld en zo lang zij leefde, leek de oorlog op een gezellig schoolreisje: beetje rondlopen, beetje keten, beetje kanen, lekker krontjongen in de desa en gluren naar de vrouwen die zich wassen in de rivier, al die schelmenverhalen die ik als kleine jongen avond na avond van hem moest aanhoren. Maar als die gitaar nou niet was gesneuveld, had ze dan mensenlevens kunnen sparen?

Ik bedoel: je verhoort een gevangene en je ziet hem aldoor gluren naar je gitaar. Dan vraag je hem wat te spelen en hij speelt de sterren van de hemel. Martel je zo’n jongen dan nog het leven uit?

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

Doch er is een drawback – 5

In Batavia resideerde ook Busken Huet, voormalig redacteur van De Gids onder E.J. Potgieter. Busken Huet was na enkele geruchtmakende publicaties uit de redactie van De Gids gestapt, gevolgd door een aan hem loyale Potgieter. Na publicatie van een te erotisch getinte roman had Busken Huet zijn dieptepunt in Nederland bereikt. Hij kwam in 1868 in Batavia aan en werd er journalist voor de Java-Bode. Daar ontwikkelde zich een nieuw schandaal. Zijn reis naar Nederlands-Indië bleek betaald te zijn door de Minister van Koloniën, die hij als tegenprestatie voor de regering in het moederland zou adviseren hoe de Indische pers het beste in toom kon worden gehouden. Toen in 1872 de Java-Bode van eigenaar veranderde, vond Busken Huet het tijd worden om een eigen dagblad te lanceren. Om financiële steun voor zijn krant te verwerven was hij afhankelijk van onder meer bankiers, suikerfabrikanten en rijke, conservatieve planters uit de Oosthoek van Java, die een liberale koloniale politiek schuwden.

Ook George Birnie was gebaat bij het voortbestaan van een behoudende krant en steunde Busken Huet dan ook met geld. In april 1873 verscheen het eerste nummer van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië. Busken Huet had in Batavia een fraai huis gekocht, waar zijn vrouw Anne de boel bestierde met meer dan tien personeelsleden. De man beschouwde het bezit van de Indische kolonie als zo’n beetje het enige waarom de rest van de wereld Nederland mocht benijden. Maar echt thuis voelen deed hij zich niet in Nederlands-Indië. Van maandag tot en met zaterdag reed hij met zijn koets om zeven uur ’s morgens naar het redactiebureau in de Bataviase benedenstad, om pas tegen zessen weer thuis te komen. De avonden vulde hij met het schrijven van artikelen en feuilletons voor zijn krant, en met lezen. Ook zijn vrouw Anne schreef feuilletons, wellicht als ghostwriter, dat zou moeten worden uitgezocht.

Het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië leek een succesvolle onderneming. Maar volgens Olf Praamstra, de biograaf van Busken Huet, is dat niet waar. Het bewijs hiervoor vond hij in de brieven die Busken Huet schreef aan George Birnie, waarin de literator een heel andere toon aanslaat dan in de brieven die hij aan zijn literaire bondgenoot E. J. Potgieter in Nederland stuurde. De brieven aan George Birnie staan bol van gebedel om geld, compleet met inkomstenstaatjes.

Het aantal abonnees van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië was te laag om de krant draaiende te houden. Busken Huet zag bovendien geen kans te repatriëren naar Nederland, nu zijn zoon Gideon veertien jaar was en hij het hoognodig achtte dat die beter onderwijs ontving dan in Batavia voorhanden was. George Birnie vond dat deze criticus ook wel een beter lot verdiende dan de rest van zijn leven als journalist in Batavia te moeten slijten. Busken Huet wilde een rol gaan spelen in het politieke leven in Nederland en schreef, voor mij nogal verrassend, dat hij een einde aan de bourgeoisie wilde maken en met de oprichting van een landelijke organisatie van arbeiders een nieuwe stem aan de Nederlandse politiek wilde geven. George Birnie stemde ofwel met die plannen in, of had gewoon met de man te doen. Hij leende hem het geld om zijn schuldeisers af te kopen, zodat Busken Huet zijn zaken in Indië kon liquideren.

Ook George Birnie maakte zich op voor een terugkeer naar Nederland. Nu was het eenvoudiger om met een blanke vrouw terug te keren dan met een Javaanse. Dat spreekt overduidelijk uit een brief van Anne Busken Huet aan de zuster van E. J. Potgieter, kort na diens overlijden op 3 februari 1875. De brief volgt hier integraal.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Doch er is een drawback – 4

Na aankomst op Java trad George in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij had een verloofde in patria, maar liet de vrouw niet overkomen. Omdat de omstandigheden in de binnenlanden te primitief waren voor een Nederlandse vrouw, verbrak hij zelfs zijn verloving. Of was hij getroffen geraakt door de schoonheid van de vrouwen van het land?

Hij klom snel op de bestuursladder en kreeg na enkele goede rapporten het district Djember van de afdeling Bondowoso onder zijn toezicht. Op zekere dag bracht de resident van Besoeki een bezoek aan de koffietuinen van het gouvernement in Birnie’s district. De resident klaagde dat er grote schade was aangericht door de ‘zwarte apen’, die volgens hem te massaal in de schaduw van de bomen zaten. George Birnie schreef die avond in zijn dagboek, dat hij als ambtenaar bij te houden had, dat er sedert het bezoek van den resident geen apen meer in de gouvernementstuinen te zien waren.

Het gouvernement waardeerde de humor niet en stelde overplaatsing voor naar een ander district, mét weliswaar een verhoging van het traktement. George Birnie zag er een straf en verbanning in, nam ontslag en verliet voorgoed de gouvernementsdienst om voor eigen rekening te gaan werken.

Als controleur had George veel visites op plantages afgelegd en gezien dat in Djember de bodem in dialoog met de lucht erboven uiterst geschikt was voor de tabaksplant. Het was er dunbevolkt en de grond was nauwelijks in cultuur gebracht. Aanvraag van gronden was onnodig in die tijd. George ging er aan de slag met twee compagnons, die later werden vervangen door een neef en naamgenoot van zijn vroeggestorven oom Gerhard David. Hij koos eerst de droge velden en liet die door de bevolking beplanten. Allengs liet hij bossen kappen en de grond geschikt maken voor de aanplant, zodat zaadbedden konden worden aangelegd en zaailingen aan de bevolking worden uitgegeven. Na het uitplanten werden de velden in de periode juli tot oktober nauwlettend geïnspecteerd op vervuiling, beschadiging door rupsen en vernieling door mensen. In die periode kreeg het Djemberse vaak regen of zware mist te verduren, als voorloper van de westmoesson. Daarna kon worden geoogst. In de overige maanden kon de bevolking de gronden vrij gebruiken voor het verbouwen van rijst. Betaald werd naar het aantal geslaagde tabaksbomen, wat neerkwam op ongeveer de helft van wat werd geplant.

George pionierde met zijn werkwijze door het invoeren van een tabakscultuur waar anders de bodem onbenut bleef. Maar hoe kreeg hij de bevolking zo ver dat ze voor hem gingen werken? De Javaanse bevolking nam doorgaans niet méér aanplant aan dan strikt noodzakelijk was voor hun levensonderhoud, een gezonde houding zou ik zeggen, tegenover de winsten die de Europese planter voor ogen stond. George had dus te leven met de bevolking en diende hun doen en laten te leren kennen om ze met inachtneming van respect aan het werk te krijgen voor zijn tabak.

Hij leefde onder tamelijk primitieve omstandigheden, liet geen grote administrateurwoning bouwen, zo’n koloniaal paleis met Griekse zuilen dat je op foto’s uit tempo doeloe (= de goede oude tijd) kunt zien, met tuin, oprijlaan, koetshuis en overige bijgebouwen. Zelfs een huis van steen was er nog niet bij. De woning van zijn onderneming was gemaakt van bamboe en gevlochten palmbladeren, zoals de kamponghuisjes van de bevolking.

Soms kwam George van Djember afzakken naar Soerabaja, na enorme verliezen te hebben geleden op de investering in de plantages. Plukkend aan zijn baard kwam hij bij zijn zakenvrienden aan tafel zitten met het voornemen de hele boel te verkopen en zijn fortuin elders te gaan zoeken. Maar na een verfrissing en een peptalk van deze of gene in het bloedhete Soerabaja kwam George dan maar weer eens overeind, wuifde zich koelte toe met zijn hoed en stelde de vendutie nog maar een maand uit.

Toen hij op zekere dag een schare vrouwen en meisjes nodig had voor het werken in de schuur, zag hij dat ze angstig voor hem wegscholen. Wat was er aan de hand?

Een oude Javaanse vrouw maakte gebruik van haar gezag en wees hem beleefd op zijn enorme baard.

Onder de vrouwen die zich voor hem hadden verscholen, bevond zich Rabina, dochter van Pa Grimin en Sayeh, geboren op 18 augustus 1844 te Gambangan, Penaggoengan, afdeling Bondowoso. Rabina moet erg jong zijn geweest, een jaar of zestien, toen de slavernij werd afgeschaft en zij als huishoudster in dienst trad bij het harige spook, dat zijn baard had afgeschoren en was veranderd in een aantrekkelijk gepolijste blanke man.

De tabakscultuur bracht Djember geleidelijk welvaart, er werden karren gekocht, er werd vee aangeschaft en men bouwde degelijker huizen. George liet een familiehuis bouwen, waar hij met Gerhard David en voltallige families in kroop. De neven staken ‘s avonds de koppen bijeen, omdat ‘wilde tabakkers’ in de omgeving neerstreken. Deze concurrenten namen het niet zo nauw met inferieure tabaksplanten, betaalden de koelies hoger en dreven zo de marktprijzen op. George Birnie zag zijn tabaksbedrijf in gevaar komen, liet Gerhard David op de landerijen passen en kocht een huis in Batavia, het centrum waar je moest zijn voor je lobby met het gouvernement, dat zich intussen door middel van wetgevingen met de cultures was gaan bemoeien.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Doch er is een drawback – 3

Gelukkig hebben we de brief nog als lapmiddel tussen fictie en non-fictie. Rabina bracht de dames Anne Busken Huet en Sophie Potgieter in elk geval voldoende gesprekstof, waaraan een ‘geheime’ brief voorafging. Maar hoe kwam het dat deze dames uit literaire kringen zich verlaagden om ook maar met één woord te reppen over zo’n eenvoudige vrouw uit Oost-Java? Om antwoord te geven op de vraag hoe Rabina in Europese kringen verzeild was geraakt, moet ik terug naar de 12e oktober 1852, toen mijn overgrootvader George Birnie uitzeilde richting Nederlands-Indië, via Kaap de Goede Hoop.

George Birnie’s eigen overgrootvader was halverwege de achttiende eeuw via een Schots regiment in Nederland aan komen waaien en het leger ontvlucht door een Nederlands meisje te huwen. Hun enige zoon was een ondernemende geest, nam in Deventer een dweilenfabriek over van een Zwitser en breidde die uit met de productie van tapijten, zeildoek en andere ‘nuttige bekleding’. Ook hij huwde een Nederlands meisje, Aleida, bij wie hij drie zonen verwekte.

De eerstgeborene Gerhard David kwam bij zijn vader in de Deventer fabriek te werken. Op een dag vroeg de raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpennick hem zijn Smyrnatapijt te repareren. Moeder Aleida is toen net zo lang op het tapijt gaan zitten puzzelen tot ze de manier van knopen had gevonden. Naar haar bevindingen construeerde de jonge Gerhard David een getouw en ontwikkelde een product dat onder de naam ‘Deventer handgeknoopt tapijt’ de wereld zou gaan veroveren. Hij legde zich toe op het ontwerpen van tapijten, maar kwam te sterven toen hij pas 20 was.

De jongste zoon, Johan Willem, zou na het overlijden van de vader in 1830 de fabriek voortzetten. Eén van zijn eerste daden was het dagloon niet meer op de zaterdag maar op de donderdag uit te betalen, één dag voor de belangrijkste marktdag. De arbeiders konden nu niet meer direct de kroeg in duiken en na een weekendje doorzakken de maandag verstek laten gaan, zodat er na de dinsdag geen geld meer was om vrouw en kinderen te eten te geven. Ook begon hij met het heffen van premie, waarmee ziekte- en begrafeniskosten konden worden betaald. Verder werden sterke drank uit de fabriek geweerd, een portier aangesteld en geldboetes geheven op te laat komen, waarvan kleding en brandstof werden gekocht, die weer onder de 300 werklieden werden verloot. Johan Willem spoorde de arbeiders aan om lid te worden van de godsdienstige gemeente waartoe zij behoorden, charterde een verwarmde zaal en een dominee om hen godsdienstonderwijs te laten volgen en stelde, in de Schotse traditie, de zaal tevens ter beschikking aan leden van andere ‘gezindheden’.

Al deze maatregelen brachten een redelijke orde in de fabriek, waar allengs minder werd gezopen, gevloekt, geboerd en scheten gelaten en zo geviel het dat onze Johan Willem werd gelauwerd met ridderkruizen, want Koning Willem III was er als de kippen bij om aandelen te kopen toen de fabriek werd omgezet in een maatschappij.

Maar God had de brave man nodig. Hij stuurde in 1848 een donkere wolk uit Schotland naar de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten en liet hem daar een poosje hangen. Orders bleven uit. Johan Willem kon ze niet meer in de ogen kijken, de werklieden die nog altijd zo braaf zonder de jeneverfles onder de oksel op tijd kwamen en zondags psalmen en gezangen uit de minder schorre strotten lieten komen in het vrome zaaltje met het preekgestoelte, de gasverlichting en de warme oliekachel. De fabriek draaide zo slecht, dat hij deze enigszins opgevoede lui nu niet eens meer regelmatig kon betalen.

De gekwelde Johan Willem, terneergeslagen door de tegenvallende opbrengsten van zijn fabriek, ontvluchtte de stad, stak de grens over naar een plas bij Bentheim in Duitsland en verzoop zich er in het koude water. Ironischerwijs verdween direct daarop de donkere wolk boven de fabriek en begonnen de orders weer binnen te stromen.

Johan Willem liet negen kinderen na, bij twee vrouwen. Onder hen zat mijn overgrootvader George. Hij was 17 en leek geenszins van plan de fabriek voort te zetten, zelfs niet toen de fabriek beter liep dan ooit tevoren. Hij volgde een opleiding aan de bestuursacademie te Delft, zoals indertijd velen deden met oog op een loopbaan in Nederlands-Indië, en was 21 jaar oud toen hij uitzeilde om in de kolonie aan de slag te gaan.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Doch er is een drawback – 2

Als verhalen voor kinderen bij sprookjes beginnen, waarom dan niet verhalen voor volwassenen bij driestuiverromans. Dé-lilah schreef pulpfictie van hoge kwaliteit, boeken die helaas vrijwel niet meer te vinden zijn. In haar plantersroman Hans Tongka’s carrière (1898), een Indische soap superieur, is álles maar dan ook álles te vinden over vrouwenlevens in de kolonie, door alle rangen en standen heen, met diverse Europese en Aziatische nationaliteiten. Je bent als lezer onder meer getuige van de gevechten die Aziatische vrouwen moeten leveren om een blanke man te kunnen huwen. En je krijgt te zien dat het de ene vrouw wél en de andere niet lukt.

In Dé-lilah’s tweedelige roman worden twee zogeheten njais opgevoerd, vrouwen die dansen op het koord tussen huishoudster en minnares van een blanke man. De ene heet Kim, de andere Yum. Kim is mooi, opstandig, geraffineerd en boosaardig. Yum is onooglijk, dociel, naïef en goedmoedig.

Kim gaat door voor een Chinese, maar heeft een Javaanse moeder. Dat wordt uitdrukkelijk gesteld, want dat krengerige in Kim moet toch érgens vandaan komen. Dé-lilah is met haar Indo-Europese achtergrond in haar etnische typeringen veel preciezer dan veel van haar zogeheten ‘volbloed’ Nederlandse collega-schrijvers, wat een gevolg is van een groter etnisch bewustzijn bij Indo-Europese schrijvers. Iemand met een gemengde achtergrond is eerder, en niet zelden sociaal gedwongen, met zijn of haar afkomst bezig. Dat is het raciale oog, wat heel iets anders is dan de racistische blik.

Yum is een volle Chinese, maar het wordt nergens duidelijk of zij in Nederlands-Indië geboren is, of als immigrante direct afkomstig is uit China. Kim en Yum moeten een jaar of twintig zijn wanneer Dé-lilah een rond 1885 gesitueerde historische scène beschrijft, waarin twee Chinese losarbeiders (koelies) zonder enige vorm van proces worden opgehangen (dat was mogelijk in het toenmalige Deli). Mijn overgrootmoeder Rabina is dan tweemaal zo oud en heeft dan al de status bereikt waar Kim en Yum zo naar smachten: een huwelijk met een blanke man.

De dekselse Dé-lilah, met haar enorme, sardonische talent voor soap, gekoppeld aan een cynische, parodiërende blik op het Nederlands-Indische leven, wil wel zo goed zijn om aan het einde van haar boek de onooglijke Yum met een Hollander te laten trouwen. Maar dan wél in Deli, ver van het beschaafde Europa vandaan. Met de mooie, vol streken zittende Kim loopt het slechter af: ze sterft.

Een huwelijk met een blanke man, inclusief een villa ergens in de Nederlandse provincie, is in Dé-lilah’s roman slechts weggelegd voor blanke Hollandse vrouwen. Dat op zich is niets bijzonders in de Indische bellettrie. En daarom is het verhaal van mijn overgrootmoeder Rabina zo bijzonder. Zij was immers een Javaanse. Toch trouwde ze met een blanke man en ging zelfs met hem mee naar Nederland. Er is nog nooit een kenner van de Indische literatuur geweest die mij een boek kon wijzen waarin zo’n verhaal verteld wordt. Verbintenissen tussen Javaanse vrouwen en blanke mannen spelen zich in de Indische bellettrie altijd af op het scandaleuze Java. Indo-Europese vrouwen kwamen wél met hun blanke mannen naar Nederland, maar dat is een ander verhaal, vaak genoeg verteld ook.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Koloniaal brievenproza (2)

De brieven in het boekje en de DVD vullen elkaar mooi aan. De tekst komt van Rien Kuyck, de filmbeelden komen van haar man, die waar hij maar kan het Nederlands-Indië in de late jaren twintig van de vorige eeuw vastlegt. Opwindend beeldmateriaal is het niet als je al tientallen fotoboeken over die tijd onder ogen hebt gehad. Het enige dat me bijblijft is een shot van een dagje naar het strand. Je ziet Europese mannen een duik nemen en hun vrouwen onder parasols in stoelen kwekken over dezelfde dingen waar men nu over kwekt, morgen over kwekt en over honderd jaar nog over zal kwekken. De vertelster – de stem op de DVD geeft een beknopte bloemlezing uit het brievenboek – beseft wel dat ze van een afstandje afkeurend worden gadegeslagen door de “inlanders”, die men nu Indonesiërs noemt.

Wie zitten er aan het strand? Een dikke Chinese familie. Luidruchtige en uiterst modieuze joden. Verder de zogenoemde Europeanen. De beurskrach van New York is dan al een feit, maar de vertelster zegt dat er in “Indië” nog niet veel over wordt gesproken.

Wat ik jammer vind is dat de zeereis niet wordt beschreven. Nou kon je natuurlijk moeilijk brieven vanaf de boot versturen. Maar ze had die kunnen bewaren. Wellicht was het bijhouden van een dagboek voorbehouden aan de creatievere geesten. Zo iemand was Rien Kuyck niet. Ze was gewoon een aardige Haagse vrouw zonder uitgesproken kenmerken die haar tot zoiets als een uitgesproken persoonlijkheid zouden hebben gemaakt. Zo vindt ze het wonderlijk hoe snel kinderen bedienden gaan commanderen, zonder dat ze zich afvraagt van wie die kinderen dat nou zouden hebben afgekeken. Racistisch kun je haar niet noemen, ze is een kind van haar tijd en spreekt met respect over haar bedienden. Koloniaal is ze uiteraard wel te noemen. Aan de enorme weelde is ze al snel gewend en hoewel ze in het begin van haar vijfjarige verblijf op West-Java nog gewoon Hollandse kost tot zich neemt, tot en met havermoutpap toe, zie je op de filmbeelden dat haar zoontje gewoon rijst krijgt toegediend door de baboe. Aardig is dat zij schrijft dat er mensen zijn die er alles aan doen om vooral niet te verindischen. Daar doet zij niet aan mee. Rien Kuyck vindt dat een mens zich zo goed mogelijk moet aanpassen aan omgeving en gebruiken, al zijn er natuurlijk grenzen en verlangt ze naar Holland terug, waar het leven uiteindelijk beter is volgens haar.

De observaties van Rien Kuyck zijn soms erg herkenbaar. Ze vergelijkt bepaalde delen van Java met de Achterhoek. Dat deed ik ook op mijn reizen over Java. Hoewel Rien Kuyck zo te oordelen een luizenleven leidt terwijl haar man werkt, klaagt ze soms toch nog over haar kinderen, die ze lastig vindt. Zonder die kinderen zou ze heerlijk wekenlang door dat prachtige landschap kunnen zwerven, etc.

Aan het einde van haar epistels heeft Rien Kuyck het over opstandelingen, “communisten” die de buurt onveilig maken. Ze worden opgepakt, maar Rien zelf vindt dat ze beter doodgeschoten kunnen worden. Tijdgeest, right? Het valt haar verder op dat de bedienden zich allengs vrijer en brutaler gaan gedragen. Sommigen durven haar zelfs ongevraagd aan te spreken tijdens een feest, bijvoorbeeld om haar te wijzen op een stoffig portierraampje van de auto. Wat dat betreft is het brievenboek wel interessant. Achter de naïviteit van een doorsnee Hollandse vrouw in de “Oost” zie je toch, uiteraard met de kennis die je nu bezit, de verhoudingen tussen de dominate en onderdrukte groep behoorlijk veranderen. Indo’s worden slechts een paar keer zijdelings genoemd. Nee, ze heten geen “Indiërs”, zoals onze Geert Mak maar eigenwijs blijft volhouden.

Tja, wat moet je met zo’n boekje + DVD? Ik zou zeggen: het is aardige kost voor de Indië-freak, mensen die maar geen genoeg kunnen krijgen van gedachteloos terug te reizen naar de koloniale tijd van Nederland. Ik vraag me weleens af of zulke mensen ooit op het idee komen de heleboel eenvoudig om te draaien. We gaan honderd jaar terug in de tijd. Nederland wordt onder de duim gehouden door een kleine minderheid Chinezen, die de economie in handen hebben, aan het hoofd van het leger en de politie staan en spoorlijnen laten aanleggen. Ze houden er Hollandse bedienden op na, gaan flaneren op het strand terwijl de “inlanders’, die men nu Hollanders noemt, zich uitsloven met het uitbaggeren van sloten, het aanleggen van wegen voor de auto’s waarin de Chinezen zich voortbewegen, en zich in fabrieken in het stof werken met producten die zeer veel geld opleveren. De woekerwinsten gaan naar China. Wie zich dit niet kan voorstellen, vindt misschien wel dat kolonialisme alleen is voorbehouden aan een kleine blanke elite. Wie zich dit wél kan voorstellen, is misschien wel een leugenaar. Of een toekomstvoorspeller? Dat kan ook.