Eenzaten rond mij heen

hat logo meneer b Nou had ik mijzelf op Sinterklaasavond op een zware dip willen trakteren, een depressie die tot en met de Kerst, nee tot en met Oud & Nieuw zou aanhouden, maar nu ik zo door de ramen naar de huizen rond mijn gevangenis kijk, moet ik vaststellen dat ik niet de enige ben die verstoken is van dat eigenaardige feest rond een man met een baard, geflankeerd door Zwarte Pieten. De vrouw aan de overkant, die zich elke avond weer ladderzat schijnt te zuipen, zit in haar eentje. In het hok boven haar heeft de kunsthistoricus evenmin mensen op bezoek. Het huis naast het zijne is nog altijd leeg en van de uitvinder daaronder weet je nooit of hij thuis is, aangezien hij nogal spaarzaam met zijn gloeilampen omgaat. De huizen aan de achterkant van mijn onderkomen vallen onder de noemer onroerend melkkoegoed. De doorstroming is er groter. Huizenmelkers stoppen er bij voorkeur vrouwen in. Typisch Hollands, de woningnood bewust hoog houden, opdat de handel in huurvee blijft floreren. Maar over onze regering wilde ik het helemaal niet hebben. Wat mij bijzonder verheugde was dat ik een nieuwkomer schuin links op tweehoog achter zag rondscharrelen. Ze droeg een heupbroek en een topje, die haar middel bloot lieten, en bewoog zich bijzonder soepel bij het uitpakken van haar huishoudelijke goederen. Helaas hing ze zo-even een gordijn op. Rood! Bijzonder prikkelend. Maar ook bij haar zullen Sinterklaas en zijn Slaven niet langskomen. De man toont namelijk een dubieuze voorkeur voor kinderen in grote gezinnen.

Herfstbladeren

hat logo meneer b Herfstbladeren zijn alleen maar goed voor smakeloze ansichtkaarten. Toen ik mijn huis verliet scheen de zon. De wind had de herfstbladeren in hopen langs de straatgoten gelegd en liet ze er met rust. Maar herfstbladeren horen door de lucht te vliegen. Dan lijkt er nog leven in te zitten. Voor ik de hoek omsloeg, wierp ik blik op het plein. Er speelden kinderen die ik niet ken van de voorbije zomer. Of ik herkende ze niet in het vale namiddaglicht. Naomi was er niet. Toen ik haar voor het laatst zag, droeg ze een halflange jas over haar spijkerbroek. Het kon me niet schelen dat ik de vormen van haar jonge lichaam niet kon zien, ik houd eigenlijk alleen van haar gezicht en de onbenoembare bekoring die rond haar hangt. Kortom: haar wezen. Ik herken Naomi aan haar houding. Het is een meisje dat wacht. En verwacht. Aarzelt een jongen te lang, dan zoekt ze een andere favoriet. Mogelijk vindt zij de jongens onnozel en kijkt ze daarom naar oudere mannen van een bepaald type. Ik ben een man in de herfst van zijn leven. Toen de vader van E. du Perron voelde dat zijn libido daalde en zijn zin om te gaan jagen op vrouwen en tijgers taande, pleegde hij zelfmoord. Leonard Cohen, die wel nooit iets van E. du Perron gelezen zal hebben, zei eens in een interview dat zelfmoord iets is voor jonge mensen. Na je achttiende krijgt zelfmoord iets bespottelijks.

Thuis-, school- en werksituatie

logo alfred birney ‘Ouders zijn slechte opvoeders. Leerkrachten hebben geen hoge pet op van de opvoedkwaliteiten van de gemiddelde ouder.’ Klinkt ouderwets, niet? Ik bedoel dan die pet. Ik heb nog nooit een leerkracht met een pet gezien namelijk, dus dat zal dan wel van voor mijn tijd zijn. Misschien is het wel aardig voor Geert Wilders om nu te gaan pleiten voor een pet op de kop van elke leerkracht, met een koppelriem nonchalant op de heup, waaraan een gummiknuppel hangt, een holster met revolver en voor noodgevallen een handgranaat.

Die softies van leerkrachten op onze scholen van tegenwoordig kunnen niet eens meer behoorlijk schelden en meppen. ‘Samen komen we er wel uit,’ luidt het gevleugelde leerkrachtenzinnetje. En als ze er niet uitkomen roepen ze: ‘De ouders besteden weinig tijd aan hun kroost, leggen de opvoeding vaak neer bij de school en verwachten veel van hun kinderen.’ Dit beweert althans Intomart, dat een enquête heeft uitgevoerd in opdracht van Netwerk KRO.

‘Bijna 60 procent van de leerkrachten zegt zich steeds vaker zorgen te maken over de thuissituatie van hun leerlingen.’ ‘Thuissituatie’. Ik krijg dat modewoord nog maar net uit mijn pen. Weet je hoe het bij mij thuis gaat? Als kinderen niet naar me luisteren, geef ik ze een tik. Ik kijk ze link aan, scheld ze verrot en heb dan verder geen kind meer aan ze. Niks geen samen-komen-we-er-wel-uit. Ik ben de baas. Ze moeten naar me luisteren. Ze mogen alleen hun smoel opendoen wanneer dat mij behaagt. Ik voed ze namelijk op. Weinig modern, maar goed: het werkt.

Tweederde van de leerkrachten is ongerust over de agressiviteit bij veel kinderen. Nou, dat vind ik nogal meevallen, want ik had toch wel op een procentje of 99 gerekend. They shoot teachers, don’t they?

Leerkrachten die vinden dat ouders steeds vaker opvoedkundige taken op het bordje van de school leggen, moeten maar straatveger worden. Ze hebben namelijk altijd al een opvoedkundige taak gehad. Dat kinderen door alle druk en drukte vaak moe op school komen, klopt. Maar ze komen ook vaak doodmoe thuis van school.

De helft van de ondervraagden zegt dat ouders meer van hun kind verwachten dan vroeger. Zou dat niet komen doordat onze scholen meer van de leerlingen verwachten? Mijn zoontje van 12 wordt nu al geacht een presentatie te kunnen geven. Dat niet alleen, het moet ook nog met Microsofts PowerPoint. Alsof dat niks kost. En dan moet ik mijn zoontje ook nog leren met die baggerzooi van Microsoft om te gaan. Hoe zit het met de ‘thuissituatie’ van onze leerkrachten? Zijn ze allemaal kinderloos of zo? Hoe zit het met de ‘werksituatie’ van hun partners? Het is ook wel een gestress in een wereld waarin de ene na de andere topmanager een vette bonus krijgt als ie weer eens ergens de helft van het personeelsbestand als afval heeft weten te dumpen.

Haagsche Courant, vrijdag 22 april 2005

Castrololie

logo alfred birney Soerabaja Papa had de onbedwingbare neiging veel te veel blikken Castrololie in huis te halen, alsof het om ketjap ging voor een Indische familie met een zooi neven, nichten, ooms en tantes. Hij leek wel verslaafd aan die vette motorolie. Mama Helmond haatte dat spul, ze haatte alles wat vlekken kon maken. Eén druppel Castrololie op haar Haags geboende zeil en ze werd weer overvallen door die maniakale opruimwoede van haar. Het liefst had ze ons ook nog opgeruimd. Haar moeder gaf eens het voorbeeld door Phil, Arti en mij elk in een kast op te sluiten in het woonhuis boven de schoenmakerij van opa in het Helmondse, anno 1960.

De merknaam Castrololie verschilt maar met één letter van de beruchte soortnaam castorolie, die in vervlogen tijden in Nederlands-Indië werd gebruikt als middel tegen allerlei kwaaltjes. Ouders dreigden hun kinderen castorolie te laten slikken als ze niet wilden eten. Ik neem aan dat ook Soerabaja Papa als jochie gekweld is geweest door die zogenaamde wonderolie. Bij gebrek aan castorolie in Nederland, maar stellig uit respect voor de traditie van zijn moeder diende hij ons in de herfst- en wintermaanden als slecht alternatief levertraan uit de fles toe.

De Castrololie was voor zijn brommer, een Duitse Zündapp, kobaltblauw (favoriete kleur onder Indo’s van zijn generatie). Elke zaterdagmiddag was hij in de weer om zijn kostbaarste bezit draaiend te kunnen houden. De olie zat in ronde groene blikken, waarop de naam Castrol in rode letters op een witte omcirkelde L-vormige baan prijkte.

Soerabaja Papa spaarde de lege blikken op en vulde ze twee bij twee met gips, waarin hij een stok stak om er halters van te maken. Bij het opstaan en slapengaan moesten we met die dingen onze spierballen kweken. Toen ze te licht werden, mixte hij ijzerschroot door het gips.

Had hij een speelse bui, dan legde hij onze matrassen op de vloer en oefenden we elementaire judoworpen. Later werd dat jiujitsu en leerde hij ons aanvallen pareren met messen uit Mama Helmonds keukenlade.

Had hij een rotbui, dan schreeuwde hij iedereen van zich af. Op een dag moest Mama Helmond weer eens zo nodig zijn grenzen verkennen, terwijl wij die toch al lang en breed kenden. Ze ging te ver. De man bedreigde haar met een van de halters waarmee wij onze lijven kastijdden. Maar ze hield haar mond niet. Het gebeurde in de gang met de kokosloper en het kale pitje aan het plafond dat hij een halter op haar bovenarm stuk sloeg. Omdat ze niet langer de in de wasteil gekookte lakens met de hand kon wringen deed hij haar een tweedehands wringer cadeau en probeerde ons te doen geloven dat ze aan trombose leed. Uit wanhoop sloeg Mama Helmond houten kleerhangers op onze armen stuk. Totdat we aanstekelijk begonnen te lachen.

Haagsche Courant, vrijdag 8 april 2005

Promotour (6) Jogja Bookfair

logo alfred birney Mijn trein uit Bandung arriveert een uur te vroeg in Jogja. Hoe is dat mogelijk in Indonesië? Ik ga op een trapje voor het station zitten sms-en naar de organisatie en wacht totdat men mij komt afhalen. Wel een verademing dit lome Jogja, wanneer je uit het westen van Java komt. Het leven is kalmer hier, de temperatuur aangenaam, de mensen zijn hoffelijk en het verkeer is minder hectisch.

Twee jongens van Galang Press komen me halen en brengen me naar Hotel Mercure, voorheen Hotel Phoenix. De inspectie op autobommen vergeleken met Jakarta en Bandung is hier nauwelijks serieus te noemen. Een formaliteit. Twee jaar terug beviel het hotel me niet, maar nu een Fransman er de scepter zwaait, hangt er een prettige mix van Oost en West. In de ochtend klinkt gamelanmuziek, in de avond jazzy pianomuziek. In de middag kun je een duik nemen in het zwembad, een bezoekje brengen aan de massagekamer, internetten of gewoon naar de karpers kijken die langs je tafeltje zwemmen.

Maar ik moet aan het werk. Dat wil zeggen: act de présence geven op de Bookfair die in Jogja gaande is. Het aantal stands met uitgeverijen is duizelingwekkend, het aantal nieuwe boekuitgaven loopt in de duizenden, ik ben de enige aanwezige buitenlandse gast, mijn collega’s zullen hier zo snel niet komen, die gaan liever naar Londen of New York – ordinair hè?

Mijn boekpresentatie verloopt hier helaas ongelooflijk rommelig. Mijn vertaalster en een tweede spreekster komen veel te laat en weten niet wat ik dan allemaal al heb gezegd met een moderator die zijn best doet en een luie recensent die mijn boek niet heeft uitgelezen. Er zit veel publiek, maar spelende kinderen krijsen aldoor boven de geluidsinstallatie uit. Komt niet meer in orde vanavond. Mijn vertaalster is niet in goede doen en laatkomer numero 2 is een oubollige mohammedaanse intellectueel die mijn boek gebruikt om aandacht op de Koran te vestigen. ‘Deze roman bewijst dat de mens niet zonder systeem kan leven,’ zegt zij zonder enig benul van moderne literatuur. Haar motief ontgaat me, maar ze vindt het nodig om op haar hoge Javaanse adellijke afkomst te wijzen. Dat komt haar op een afstraffing van iemand uit het kritische Jogjase publiek te staan: ‘Dit boek beschrijft misschien niet alleen de verwarring van de Indo in Nederland maar wellicht die van alle Indonesiërs hier in Indonesië. Iemand van uw afkomst heeft geen benul van het leven van gewone mensen en kan zo’n boek dus onmogelijk begrijpen.’

Ziezo. Ik hoef alleen nog maar wat handtekeningen uit te delen. Ik kom laat in de avond in mijn hotel terug en neem een Europese maaltijd van lamskoteletjes en aardappelpuree. Als je buik heimwee heeft naar Den Haag, heb je dat dan zelf ook?

Haagsche Courant, vrijdag 22 oktober 2004

Promotour (5) Bandung bij nacht

logo alfred birney Ik reis van Jakarta naar Bandung per auto, begeleid door boekhandelaar Richard Oh van QB World en Sitok Srengenge, een Javaans dichter en bekende gast op Festival de Winternachten in Den Haag. De Indonesische autowegen zijn overvol, onvergelijkbaar met de drukste uren op de Nederlandse autowegen. De afstand tussen Jakarta en Bandung is niet groot, maar het kost ons vele uren om door de verkeerschaos heen te komen, het is heet, de uitlaatgassen zijn verstikkend. We stoppen ergens onderweg om bij een warung te eten. Ik heb een verschrikkelijke hoest uit Nederland meegenomen, slaap slecht en ben oververmoeid. Ik eet nasi tim, in rijst gekookte kip, het spul dat Indische moeders vroeger hun zieke kinderen te eten gaven.

Zodra we Bandung binnenrijden begint het enorm te hozen. De straten lopen in een mum van tijd onder water, kleine warungs worden bijkans weggespoeld door het snel stromende water. Richard Oh kiest een veel te duur hotel voor mij uit, ik haat vijfsterrenhotels, die worden bevolkt door stijve zakenlui en ook nog een gewild doelwit vormen voor terroristen. De beveiliging is er buitengewoon verscherpt: auto’s worden volledig nageplozen, iedereen die de detectiepoortjes achter zich heeft, wordt ook nog eens gefouilleerd, met excuus voor het ongemak uiteraard.

Een uur later word ik in QB World opgewacht door een batterij fotografen, ik lijk wel een popster hier. De boekpresentatie duurt uren, men houdt hier van eindeloze discussies over literatuur. In Jakarta doen ze alsof ze alles over literatuur weten, maar in Bandung weten ze het echt. Het wordt middernacht, er is geen tijd meer om boeken te signeren en ik word meegenomen naar een warung, gevolgd door een radiojournaliste en een schrijvende journalist van Tempo, het grootste serieuze magazine van geheel Indonesië. Ik geef mijn interviews terwijl ik lekker ordinair patat eet met gegrilde kip. Gut, hadden ze er maar appelmoes bij, hé. De Bandungse lucht bij nacht na de regenbui is heerlijk, zoals een Hollandse zomer aan Scheveningen. Hier zaten veel Hollanders en Indo’s in de oude tijd, want het weer is hier aangenaam, zelfs nu nog met die ongemeen smerige luchtverontreiniging.

Het is lang na middernacht wanneer ik met dichter Sitok Srengenge terugga naar dat bizarre luxe hotel. Sitok valt onmiddellijk in slaap, ik kleef nog een uurtje als een tjitjak tegen het raam om mijn blik te laten dwalen over Bandung bij nacht.

Ik heb nauwelijks geslapen wanneer ik in de vroege ochtend word gewekt. Ik gebruik mijn ontbijt in grote haast en wordt dan in grote vaart naar het station gereden voor de lange treinreis naar Jogja. Er is veel over deze zuidroute gejubeld, maar de slaap wint het toch van het landschap met de palmen, bergen, desa’s en de rijstvelden met de bibitplanters. Ik ben hier niet op vakantie, zo is het.

Haagsche Courant, vrijdag 15 oktober 2004

Promotour (4) Bommen en varkensvlees

logo alfred birney Hoe langer je in Jakarta zit, hoe meer je de mensen hoort morren over de jongste bomaanslag. De stad is overspoeld met politieagenten. Indonesische meisjes beginnen hoofddoekjes op straat te dragen in de hoop dat de volgende kamikaze zijn auto een stukje verder zal rijden eer hij aan het koord van zijn bom trekt. Het dragen van hoofddoekjes is in Jakarta overigens minder gebruikelijk dan in Den Haag.

Het hoofd van het Erasmus Taalcentrum, waar ik een paar gastlessen verzorg, trekt zich van narigheid bijkans de haren uit het hoofd. Hij zit al 17 jaar in Jakarta, heeft alle aanslagen meegemaakt, inclusief de kerken die hier werden platgebrand, maar begint zich nu toch zorgen te maken. Zal het ETC straks aan de beurt zijn?

Op een Nederlandse school die ooit ruimte maakte voor Australische kinderen beginnen Nederlandse ouders nu te mopperen over hun aanwezigheid. Een enkeling houdt zijn kroost al thuis.

Op de avond van mijn boekpresentatie in QB World moet ik op mijn publiek wachten. De boekwinkel ligt in een gebouwencomplex dat veel bezocht wordt door welgestelde Indonesiërs, expats en buitenlanders. Een makkelijk doelwit voor terroristen. De winkels hier hebben de laatste weken al meer dan de helft van hun klanten verloren. Wil je het complex betreden, dan wordt je auto van onderen tot boven onderzocht op explosieven. Dat gaat tamelijk ongedwongen, de politie doet zelf ook liever wat anders, maar het moet wel gebeuren. Daarom begint mijn presentatie twee uur later dan aangekondigd.

Het wordt laat, want na de presentatie en de vragen uit het publiek moet ik mijn boek nog gaan signeren en tegelijk een interview geven aan een Indiase journaliste van de Jakarta Post. Is het publiek eenmaal weg, dan moet ik ook nog de resterende voorraad van mijn boeken van een handtekening voorzien, als geste aan de boekhandelaar. Ik zit aan het raam. Diep beneden me slingeren de overvolle autowegen zich tussen de enorme gebouwen door. Jakarta’s nachtleven begint.

Ik kom met de boekhandelaar, een journalist van Kompas en een collega schrijver terecht in het labyrintisch uitgaanscomplex van Jakarta West, waar ik me niet bijster op mijn gemak voel. Wie in dit waanzinnig Jakarta weet te overleven, kan dat overal, tot in New York, bedenk ik me. Na het stappen gaan we een nachtwaroeng binnen waar ze een speciale boeboer serveren. Alarm! Zodra een Indonesiër het over een specialiteit heeft, veins ik maagklachten, ha ha. Ik moet die rare pap niet die ze tot zich nemen, compleet met varkensvlees en wat al niet.

Eh… Pardon? Varkensvlees? Okay, de boekhandelaar is Chinees en boeddhist. Maar de schrijver en de journalist zijn Javaanse moslims toch? Jazeker, en daarom zegt de boeddhist voor de lol tegen zijn kompanen: ‘Zeg, er is nog eten over. Moeten jullie niks mee naar huis nemen?’ Waarop de schrijver met een grijns zegt: ‘Hey, wat denk je wat voor moslim ik eigenlijk ben? Thuis wordt halal gegeten, begrepen?’

Haagsche Courant, vrijdag 8 oktober 2004

Bentheim blues

logo alfred birney Het is alweer een paar weken terug dat ik per ongeluk televisie keek, maar voor wie vrijwel nooit televisie kijkt is dat natuurlijk een ervaring als de dag van gisteren. Televisie maakt pas indruk als je vrijwel nooit kijkt, anders zijn uitzendingen nauwelijks ervaringen te noemen, eerder geestdodende middelen waaraan nauwelijks te ontsnappen valt, te vergelijken met de junk die een verslaafde dagelijks tot zich neemt: de stakker begint pas een verandering waar te nemen wanneer er niets te snuiven of te spuiten valt. Maar goed, ik dwaal af. Ik keek dus per ongeluk televisie. Ik had dat ding eventjes verplaatst bij mijn jaarlijkse zomeropruiming en toen ik hem terugzette wilde ik hem even testen.

De nieuwslezeres kwam met een item over Nederlanders die van ellende in Duitsland zijn gaan wonen, omdat daar niet om de haverklap wordt ingebroken wanneer je je auto even onbeheerd ergens laat staan, omdat daar de mensen beleefder zijn, omdat men daar nog een praatje met je maakt wanneer je je hond uitlaat, kortom: omdat je voor Leefbaar Nederland nu eenmaal in Duitsland moet zijn. De NOS stuurde een paar vakantiewerkers af op het rustieke plaatsje Bentheim. Een Nederlandse meneer mocht uitleggen waarom Leefbaar Nederland tegenwoordig in Duitsland moet worden gezocht. Een Duitse juf kwam dat volmondig bevestigen. Maar toen kwam een richtige Deutsche in beeld. Die liet van de Hollanders instromers geen spaan heel: ‘Ach, die Hollanders die komen hier maar naar toe, maar ze passen zich niet aan, verstehen Sie? Dass lult maar over die Türken, aber zij zijn zelf ook zo!’

Het werd me even niet duidelijk wat die mevrouw nou erger vond: dat die Hollandse kolonie zich niet fundamenteel tot de braadworst bekeerde en haar Heineken afzwoer of het gewoon verdomde haar kinderen naar Duitse scholen te sturen. Maar goed, de boodschap was duidelijk: vol = vol. Diep onder de indruk van dit televisieavontuur verviel ik in diep gepeins. Niet van die vreemdelingenangst natuurlijk, dat is gewoon dagelijkse kost. Maar waar kende ik die plaatsnaam Bentheim ook weer van? Ik slaapwandelde op mijn boekenkast af, trok een boek tussen de duizend-en-een ruggen vandaan en ja… ik had het teruggevonden.

Mijn bedovergrootvader, genaamd Johan Willem Birnie, was een van de groten die de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten te Deventer bestierde, zo’n anderhalve eeuw geleden. De man was zo braaf en hardwerkend dat Koning Willem III hem met ridderkruizen overlaadde. Maar toen het even minder ging met de wereldberoemde tapijtfabriek verviel Johan Willem Birnie in somberheid. Op een dag kon hij de neergang van de fabriek niet langer meer aanzien. Hij vertrok naar Bentheim. Niet om een nieuw leven te beginnen, maar om het leven uit te stappen. De man verdronk zich er in een meertje. Zou hij zich met die daad nou hebben aangepast aan de cultuur daar in Bentheim?

Haagsche Courant, vrijdag 23 juli 2004

Qutdiktee

logo alfred birney Als ik ergens een hekel aan heb, dan is het wel aan dictees. Dictees hebben een hoog normgehalte en een laag waardegehalte. Een dictee is een test in na-aperij, anders niet. Met schrijven heeft het weinig te maken. Daarom zie je schrijvers nooit nummer 1 worden bij een dicteewedstrijd. Spellen is niet creatief. Het leert je niet je beter uit te drukken. Zelfs niet beter te luisteren. En dan veranderen ze in Nederland ook nog om de haverklap de spelling, en die blijft hopeloos. Volkomen nutteloze bezigheid. Spellen. Je hebt er gevoel voor of niet. No matter what de regels, als jij tollol in spellen, nou sudah al, maar geef niet, al die soesah, niet noodigh as perhaal maar mooi. Hm! Neem een zin uit een roman van Edgar Caïro: ‘Hij keek weer fo zich uit, na’ die stoel vlak voor ‘em.’ Of uit een verhaal van Tjalie Robinson over een autoliefhebber: ‘Hep je hesien de merk fan mijn caar?’ Nou, laat dit de kids uit groep 8 spellen en ze komen met prachtige varianten! Enorme stimulans je eyge perosa te gaan schreivah! Spélen met spelling, multiculti schrijven, da’s pas vet! Helaas kregen onlangs 900 slaafjes uit groep 8 het Vijfde Haags Multicultureel Dictee door de strot gedauwd. Een 8telijk verhaaltje over een ooievaar die zijn wijf en kroost laat zitten en op het Thomsonplein tot inkeer komt bij de klanken van rapmuziek. Aldus voorgelezen door rapper MohCain. Maar nie eens fuck en shit in het dictee! Treurig, niet? Mahal? Shoarma? Neks van dat! Terwijl het toch gaat om een ooievaar die zijn vrouw Fatima of all names heeft ontmoet tijdens een overwintering in Marokko. Hoe is die ooievaar daar eigenlijk terechtgekomen? Ooievaars maken veel gebruik van thermiek bij het vliegen. Boven de Middellandse Zee is geen thermiek en vaak vliegen ze om de zee heen naar het gebied van de Niger. De Straat van Gibraltar wordt weleens door vermetele troepen overgestoken, dus het kan zijn dat men soms ooievaars ziet vliegen boven Marokko. Maar neerstrijken doen die vogels daar niet. Hier stijgt de norm van de spelling wel heel ver boven de waerde van het verhaal uit. De kids uit groep 8 vonden desgevraagd ‘ooievaar’ over het algemeen een ‘moeilijk woord’. Nou, volgens mij vonden ze het gewoon een qutwoord. Kleine kinderen gaan hier al vroeg in voorop door ooievaar consequent olivaar te noemen. Gespeld: oliefar. Want één a schrijft een klein kind niet met twee a’s. Een a is een a, wah? Wat is er trouwens zo multicultureel aan een olievaer? Dat ie in Nederland broedt en in Afrika gaat liggen zonnebaden? Doen toeristen ook! Is een vogel die in zijn land van herkomst zijn bruid gaat halen niet nogal monocultureel gericht? Dat multicultureel dictee over die oliefaar is gewoon een inburgeringsdictee, geen gelul nou hey! Daar horen woorden in als ‘toelatingsbeleid’, ‘aanmeldprocedure’, ‘verblijfsstatus’ en zo meer. Maar dat vonden de stellers zeker te makkelijk voor onze immigrantenkinderen.

Haagsche Courant, vrijdag 16 april 2004

Spoelwet en Het Gebaar

logo alfred birney Naar aanleiding van de persconferentie rond een Japanse kanjer die onze plaatselijke voetbalclub kwam eh… versterken, ging ik twee weken geleden in op de verbazing van deze Kazu Toda over de afwezigheid van zoiets basaals als een bad in het appartement dat hem ter beschikking was gesteld. Met mijn historische gebondenheid kwam ik over het spoelgedrag van Indische mensen te spreken, die zich verbazen over de veegcultuur die men hier te lande koestert. Indische mensen spreken er niet gauw vrijmoedig over indien men zich bedient van een spoelfles bij de stoelgang. Uiteraard hangt bij Indische mensen wel een rol wc-papier op het toilet, maar die dient als notitieblok voor de herinneringen aan Nederlands-Indië, dat begrijpt u wel. Dr. L. de Jong veegde daar ooit de kont aan af, maar het muffe papier van zijn boeken is tegenwoordig hetzelfde lot beschoren, dus zo komt alles toch nog goed.

Lezers van mijn columns herinneren zich misschien nog de door mij geopperde Spoelwet, die elke verhuurder verplicht voor Indische mensen een sproeiertje in de wc te monteren. Geen kamerlid die reageerde hoor, die beroepsleugenaars buigen zich momenteel in hun miljoenen verslindende rookruimtes over valse euro’s en het uitzetten van kinderen die de pech hebben hier geboren te zijn en met een Hollandse tongval voor veertig jaar de woestijn in worden gestuurd. Maar goed, laten we in de eerste, tweede en derde plaats nou maar aan onszelf denken, want we hebben het al zo moeilijk met onze skivakantietjes, weekendjes Parijs, weekjes Mexico, vetgevreten pensjes, dure therapietjes voor goedkope traumaatjes en wat al niet meer.

Terug naar de Spoelwet. Ik ontving een brief van radeloze lezers die een nieuwe closetpot wilden bestellen maar te horen kregen: ‘… dat het “Indische spuitje” zoals we dat nu in de closetpot hebben, niet meer aangebracht mag worden in verband met de veteranenziekte, die veroorzaakt wordt door stilstaand water.’ ‘Kletskoek’, vervolgen de briefstellers, en terecht, want in een closetpot staat het water nooit lang stil. Ben je een poosje weggeweest, dan volstaat een aantal malen doorspoelen. Bovendien voelt de legionellabacterie zich pas lekker bij een watertemperatuur tussen de 25 en 55 graden. Maar goed, het mag niet meer en nu wordt een beroep op mijn beperkte kennis dan wel onmetelijke gezag gedaan.

All right, here I go. Heeft u een fonteintje in uw toilet? Ja? Laat een loodgieter een koppeling in de waterleidingbuis monteren naar uw sproeier. Heeft u geen fonteintje? Dat wordt dan Spoelwet II, die elke huiseigenaar en woningcorporatie verplicht standaard een fonteintje te plaatsen. Nou, ziet u het gedoe al? Zullen we anders Stichting Het Gebaar maar achter de kont gaan aanzitten? Die stopt dat geld toch alleen maar in projecten van niks.

Haagsche Courant, vrijdag 13 februari 2004