Sexy woordinflatie

Een greep uit 4.360.000 resultaten op Google:

Het Van Abbe moet meer sexy worden. Qurius moet meer sexy worden. Tijdens het openingsdebat werd gesproken over het meer sexy maken van het onderhoudsvak. ICT moet weer sexy worden. Je moet opleiden, coachen, groeien als mens én als professioneel aantrekkelijker maken, meer sexy. Wij laten zien waarom de langdurige zorg wel sexy is. Over het algemeen boek ik alleen de vrouwelijke, de wat meer sexy opdrachten. Wanneer is iets te sexy. Sexy boeken kopen bij Selexyz. Single & Sexy is een boek dat zeker niet mag ontbreken in je strandtas! Echt sexy van Renate Dorrestein, een boek dat je echt moet lezen. Is onze maatschappij echt te sexy geworden? Twitter is sexy? Tweetbot is een nieuwe Twitter-applicatie voor de iPhone en iPod touch, met een bijzondere interface. Maar geen is zo sexy als de nieuwe Asus 1008HE. Volkswagen lanceerde de sexy New Beetle. Binnenshuis kan alles natuurlijk wel een tikje meer sexy! En van wie het wel wat meer sexy mag. De bedoeling van een galajurk is toch wel dat je er sexy uitziet. Is het nodig dat de kerk meer sexy wordt? Een lastig thema? Maak sexy reclame. Welkom op de site van een creatief, bevlogen en sexy elftal. WK-tweets Zuid-Afrika: geen sexy voetbal meer. Vrouwen die van voetbal houden zijn sexy. De krant halen met sexy projecten is daarom niet voldoende. Roken is niet meer sexy. Journalistiek is niet sexy meer. Dat was met cabaret zo, met mijn studie en met de reclame, maar van al die dingen is schrijven voor mij toch het meest sexy. En dan denk ik weer: waarom moet het sexy? Het Fries is gewoon niet sexy. Wandelen in het zand, sexy, vakantie. Kan erotiek in literatuur nog wel sexy zijn? Koken is sexy! Ik ben altijd van mening dat een merk sexy moet zijn. Duurzaam geproduceerde mode die ook nog eens hartstikke hip en sexy is. Is je merk wel sexy genoeg voor Social Media? Maar een beetje meer initiatief vinden de meeste mannen al sexy. Is ecologisch sexy? Slimme mannen zijn sexy, zo blijkt uit onderzoek naar de relatie tussen intelligentie en vruchtbaarheid. Jongens die hockey spelen zijn sexy is lid geworden van Facebook. Pizza eten kan zo sexy zijn. Saai is het nieuwe sexy. Etc. Etc.

Feuilleton Doelwit Den Haag

logo den haag feuilleton Zondag 5 september begint het Haagse culturele seizoen. Tijdens het Haags UIT Festival geven theaters en andere culturele instellingen rond het Lange Voorhout en het Spuiplein gratis voorproefjes van de voorstellingen die ze komend seizoen op het programma hebben staan. De Centrale Bibliotheek pakt groots uit op het nieuwe podium op de eerste verdieping. Het evenement Huilen in Den Haag gaat er van start met onder meer de presentatie van het gebundelde feuilleton Doelwit Den Haag, en exposities rond het thema.

Een flink aantal Haagse auteurs heeft vanaf de eerste week van juni samen een feuilleton geschreven in de Weekkrant Den Haag Centraal. Doelwit Den Haag gaat over een aanslagpoging tijdens de tweede Afghanistanconferentie in Den Haag en speelt zich af op tal van plekken in de Hofstad. Het feuilleton was de opmaat naar Huilen in Den Haag, een nieuw evenement met ‘leed met een knipoog’ als uitgangspunt. Het feuilleton wordt vandaag afgesloten met een optreden van een aantal deelnemende schrijvers en de presentatie van de gebundelde afleveringen.

Op het programma van zondag 5 september: Schrijvers aan het woord, 15.00 – 16.00 uur. Presentatie bundel 16.20 uur

Deelnemende schrijvers
De Haagse schrijvers die samen met Tomas Ross, de bedenker van de verhaallijn, aan dit feuilleton meewerkten: Tomas Ross, Anja Sicking, Jill Stolk, Marcel Verreck, Roel Janssen, Alfred Birney, Hans Sahar, Sjaak Bral, Menno Lindeman, Christiaan Weijts, Mohana van den Kroonenberg, Victor Meijer, Kees ’t Hart en Marly van Otterloo.

Ze denken zeker dat ik niks te doen heb

Volgens mij lezen ze mijn weblog. Ze denken zeker dat ik niks te doen heb. Klopt! Maar een mens hoeft toch niet altijd wat te doen hebben? Nou, ik was nog niet onder de douche vandaan of mijn redacteur van het AD belde. Tijdens mijn ontbijt, die ’s middags plaatsvindt, belde ik hem terug. Tussen de gebruikelijk roddels door polste hij me of ik zin had in een of ander boek over kolonialisme tussen 1890 en 1950 of zoiets. Hij wist er ook het fijne niet van, maar het boek is in elk geval onderweg naar de krant. Het is een uitgave van het KITLV, onze schatbewaarder van Neerlands koloniale verleden, dus ik ben natuurlijk razend benieuwd naar wat voor schitterends of flets de ijverige uitgeverij van het instituut nu weer op de markt brengt. Het boek zal een dezer dagen bij me in de bus vallen en het KITLV kennende zal het wel weer een kloeke uitgave zijn. Kost me dagen om te lezen, dus de volgende week ben ik in elk geval van de straat.

Ook de redacteur van Archipel Magazine liet van zich horen. Hij geeft me een week extra in het deadlinespelletje. Maar met die klus voor de krant in het vooruitzicht heb ik daar helemaal niets aan. Het is dus gokken of werken. Gokken betekent: het boek van het KITLV afwachten, er een recensie over schrijven en dan pas iets voor Archipel Magazine doen. Ik loop dan het risico dat ik te laat ben en zo de kans mis om onderaan mijn nieuwe bijdrage de komst van een nieuw boek van mijzelf aan te kondigen. Feitelijk is de klus voor Archipel Magazine belangrijker dan die voor het AD, dat toch wel wekenlang de tijd heeft, ze lieten mijn recensie van de biografie over Tjalie Robinson toch ook een maand in de koelkast liggen.

Maar hoe schrijf ik zo snel een behoorlijk verhaal voor Archipel Magazine? Een verhaal kost me een week, anders wordt het niks. Heb ik echt niets meer in mijn archieven liggen? Het is werkelijk een zootje in mijn mappen, veel doublures, verschillende versies, er zit niets anders op dan er de bezem doorheen te halen. Dan blijft er vast wel wat hangen. Ja hoor, een verhaal van krap 500 woorden en een verhaal van ruim 1000 woorden. Beide verhalen was ik straal vergeten. Het eerste is een melancholieke schets en voorlopig afgerond op 16 mei 2008. Het tweede is een nogal heftig stuk autobiografisch proza, dat ik waarschijnlijk in één keer uit mijn toetsenbord hamerde. Het is gedateerd 7 november 2007 en hoeft alleen nog maar geredigeerd te worden. Dat red ik makkelijk in een week, zelfs al metamorfoseert het.

Dit is toch wel dé perfecte manier van werken voor me. Verhalend proza schrijven wanneer je wilt, de boel vergeten en pas opgraven zodra iemand iets van je nodig heeft. Zo verras je jezelf ook nog eens.

Spelen met deadlines

Ooit was een deadline een deadline: een tijdslimiet, de laatste datum waarop iets afgewerkt of ingeleverd moest zijn. De uiterste deadline bestond niet, alleen als pleonasme. Bij mijn debuut in 1987 werd al met de deadline gesjoemeld. De uitgever liet je je manuscript gewoon een maand eerder inleveren. Voor de zekerheid. Nu is het geloof ik twee maanden eerder. Een boek kan in no time gefabriceerd worden, dus wat stelt zo’n deadline nou helemaal voor? Je braaf aan de deadline van een uitgever houden is hem wat lucht geven in zijn stressleven, waarin voor alles plaats is behalve het lezen van manuscripten.

Dagbladen kennen nog wel deadlines, daar is weinig voorstellingsvermogen voor nodig. Ik bevind me in de gelukkige omstandigheid dat ik niet meer dagelijks met kranten te maken heb. En als ik eens iets moet schrijven dan is dat voor een cultuurbijlage die pas twee weken later moet verschijnen en in werkelijkheid vier weken later verschijnt.

Met een magazine ligt het anders. Nou heb je week-, maand- en kwartaalbladen. Ik heb morgen, dat is woensdag de vierde februari 2009, als deadline staan voor een bijdrage in een kwartaalblad. Ik kreeg de deadline te horen op de achttiende december van het afgelopen jaar. Ik heb nog geen woord geschreven. Niet omdat ik de redacteur wil plagen, de tijd vloog en ik ben nog maar net bekomen van de griep (ondanks de griepprik, die ik braaf elk jaar haal en die op zijn beurt te braaf is voor de griep).

Misschien heb ik nog wel iets in mijn lade liggen. Er lag altijd nog wel ergens een tekst die ik right away kan opsturen. Dat waren mijn deadline killers. Ik hoefde er alleen maar naar te zoeken. Helaas heeft een crash van mijn pc negentig procent van mijn deadline killers te grazen genomen, maar dat moet ik nu, na een jaar of drie, maar eens gaan vergeten. Trouwens, als ik nu niets instuur, dan krijg ik over vier weken toch wel een mailtje met een, ja daar komt ie: uiterste deadline.

Problem solved. Next one.

I Ching geeft nr 47 (de uitputting)

op de vraag wat ik met mijn officiële weblog moet doen, aangezien dat zich ongebreideld uitdijend monster me al te lang in de weg zit. Laatst haalde ik postings weg uit het jaar 2000. Een hele zwik krantencolumns uit de periode 2002 – 2005 heeft zichzelf nu wel overleefd. Na een eenvoudige filtering zullen ongetwijfeld enige tientallen verhalen bewaard blijven. Uit een blogserie in de periode 2005 – 2007 kan zelfs nog wel een roman verrijzen. Maar dan moet de boel eerst offline en op papier bekeken worden. Ziehier het dilemma van de bloggende schrijver: hij heeft de neiging om wat hij op het web heeft gezet als gepubliceerd te beschouwen.

Wat gaf het Boek der Veranderingen op mijn vraag of ik de heleboel maar offline moest halen? Hexagram 47 met de 1e en 6e lijnen bewegend van yin naar yang. De 1e lijn zegt, volgens de interpretatie van Alfred Huang, die de jongste vertaling van het oude Chinese orakel maakte, dat “wie in een treurige situatie zit (uitputting), op zoek moet gaan naar verlichting en wijsheid.” De 6e lijn zegt, in de beroemde vertaling van Richard Wilhelm: “Men leeft onder de druk van banden, die gemakkelijk verbroken kunnen worden. Het einde van de benauwenis is in zicht, maar men kan nog niet tot een besluit komen. Nog onder de indruk van de vroegere toestand meent men reden tot berouw te zullen hebben, wanneer men zich beweegt. Maar zodra men tot inzicht komt, deze geestelijke houding aflegt en een resoluut besluit neemt, gelukt het, de druk te boven te komen.” Welaan, de jaarwisseling zou een goed moment kunnen zijn.

Archipel Magazine herfst 2008

archipelmagazine-herfst-2008 Het is altijd weer een feest wanneer er ergens een nieuw verhaal van je verschijnt, op papier welteverstaan. Mijn nieuwste verhaal is getiteld Matagora, naar de naam van de hoofdpersoon, en staat afgedrukt in het herfstnummer van Archipel. Het verhaal speelt in de jaren vijftig en zestig. Het is mooi opgemaakt, jammer alleen dat iemand heeft zitten klungelen door om en om gedachtestreepjes voor mijn aanhalingstekens te zetten, kennelijk om de dialoog tussen moeder en zoon te verduidelijken, met als gevolg dat de typografie rommelig oogt. Het is ook altijd wat met die eindredacteuren en vormgevers. Ik heb nog nooit iemand gehoord die zijn of haar tekst precies terugzag zoals die was aangeleverd: in geen krant, tijdschrift of boek. Op zich is dat zo’n ramp niet, als het er allemaal maar beter op werd. Maar dat is in vrijwel alle gevallen niet zo. Blijft een feest natuurlijk, een nieuw verhaal, en op elk feest gaat er wel wat aan scherven.

Archipel opent het herfstnummer met onder meer een wat zure kanttekening over de uiteindelijke bestemming van het Indisch Huis, op Landgoed Bronbeek, jawel. Verderop in het nummer wordt er dieper op ingegaan, maar het blijft voer voor ingewijden. Wil je echt weten hoe de vork in de steel zit, lees dan Lizzy van Leeuwens Ons Indisch erfgoed. En ja, dan nóg blijven er vragen, want geschiedschrijving is niet altijd wat het voorgeeft te zijn. Een fraai staaltje daarvan zie je terug in een artikel over de jaren na de dekolonisatie in Indonesië. Onlangs citeerde The Jakarta Post een Indonesische historica als volgt: “De meeste Indo-Europeanen zijn tijdens de Japanse bezetting naar Nederland vertrokken.”

Zullen ze die volstrekte onzin nou voor zoete koek nemen, al die expats die The Jakarta Post lezen? De oprichters en hoofdredactie van die bepaald niet onaanzienlijke krant zijn Engelsen. En al hebben de Engelsen een uiterst sterke journalistieke traditie, deze leugen slipt er toch maar moeiteloos doorheen.

Het heeft wel iets herfstachtigs, dit nummer van Archipel. Hoe kan het ook anders, waar de zogenaamde kwaliteitskranten het gewoon af laten weten in hun berichtgeving over Indonesië, het belangrijkste land waar Nederland een “speciale relatie” mee beweert te hebben (andersom is dat overigens niet het geval). Zo is er een reportage over de zeer moeizame verzoeningspogingen tussen christenen en moslims op de Molukken. Een tweede reportage over een nachtje ergens in Birma zal alleen toeristenhaters van de bank doen opveren:

“Op een teakhouten desk staat een bakelieten telefoon die nooit rinkelt: er is een ontbijtzaal vol ongedekte tafels en een veranda waar niemand zit.”

Toch lijkt mij een tocht naar dat gebied nog altijd vrolijker dan een verblijf in Papua’s Agats, een derde reportage, dat als volgt eindigt: “Maar misschien valt er tussen de modder ook niet zo veel te lachen.”

Gelukkig is Archipel rijk aan allerlei bijdragen. Er staan columns in van Frans Lopulalan, Hans Vervoort, Roy Piette, Emma Kwee en Kirsten Vos. Bali lacht ons toe met een reportage over het Museum Puri Lukisan in Ubud, dat 50 jaar bestaat, plus een verslag van de John Fawcett Foundation over het gebruik van mobiele klinieken tegen staar, de grootste veroorzaker tegen blindheid in Indonesië. Voor de gastronomische rubriek wordt ditmaal Zandvoort aangedaan, de museum- en boeken pagina’s staan weer vol met tips en er is een wonderlijk verslag over de oudste spoorlijn van Java. Die voert van Semarang naar Solo. Nooit geweten dat daar een spoorlijn liep. Wat dacht je van rijden per trein over water? Hoe dat kan? Ren maar naar de kwaliteitskiosk voor dit nummer van Archipel Magazine of neem een abonnement. Dan weet je het.

Boek in aantocht

Ik heb onlangs ter bespreking de drukproeven ontvangen van een boek in aantocht: Ons Indisch erfgoed. Het boek verschijnt op 30 september en telt 400 pagina’s. Ik ben een langzamer lezer dus ik neem er een week de tijd voor. Ik moet het dan wel beroepshalve lezen ter beoordeling voor een krant, het boek is te boeiend om eventjes na diagonale lezing van een keurmerk te voorzien. Momenteel zit ik midden in de lectuur en ik kan u nu alvast vertellen dat het waarschijnlijk het belangrijkste boek over de Indische geschiedenis is sinds, zeg, J.J.P. de Jong’s De waaier van het fortuin (1998). De Jong beschrijft de Indische geschiedenis van 1595 tot 1950. Lizzy van Leeuwen neemt de afgelopen zestig jaar voor haar rekening. Uitgangspunt is de opkomst en ondergang van het Indisch Huis. Wat ging er aan vooraf, wat gebeurde er rond het Indisch Huis en wat kwam erna? Lizzy van Leeuwen toont zich een uitmuntend gedocumenteerd auteur met oog voor detail, een intelligente gedachtegang en een meeslepende schrijfstijl, die zoveel van haar wetenschappelijke collega’s ontberen. Met speels gemak paart ze bekende aan onbekende, soms hilarische, feiten en biedt ze de lezer gaandeweg het boek een kijk op het Indische leven, dat, zo blijkt uiteindelijk, oneindig dieper verbonden is met het Nederlandse dan algemeen wordt verondersteld. Wat dit aangaat zou je haar invalshoek bijna revolutionair kunnen noemen. Zelfs het cliché, of grofweg de opvatting, dat ‘Indo’s een probleem hebben’, weet ze met flair in de richting van de Hollanders te kaatsten. Uiteindelijk hebben zij een probleem, Indo’s niet. Vanzelfsprekend is de (mijn) conclusie dat niet alleen Indo’s dit boek moeten lezen maar ook, of misschien moet ik zeggen: juist Hollanders. Wat zijn Hollanders? Dat zijn zij die men autochtonen noemt maar die niet exclusief Nederlander genoemd kunnen worden, want dat is gewoon een paspoortkwestie. Welke Hollanders? In de eerste plaats geschiedenisleraren. In de tweede plaats ambtenaren. In de derde plaats alles wat zich journalist of weblogger noemt. Got it?

Eindredactie, enfin

hat logo meneer b Ziezo, ik heb mijn naschrift teruggekregen van mijn eindredacteur. Het kon haar goedkeuring wegdragen. Een groot geluk voor haar, want ik was niet van plan er iets aan te veranderen. Haar kritische kanttekeningen betreffen alleen formuleringen en spelling. Elke zin, elk woord is gewikt en gewogen. Gelukkig ging het per e-mail. Verleden keer moest ik het doen met haar gekriebel in de kantlijn, wat een straf is. Ze kwam heel hulpvaardig langs om haar aantekeningen voor te lezen en toe te lichten. Ze zei dat meer schrijvers moeite hebben met haar kriebelhandschrift. Corrigeren en redigeren op het beeldscherm gaat niet, dat levert tekstverwerkersproza op, of weblogproza of zelfs cms-proza. Ik neem aan dat ze eerst dat dunne potlood van haar heeft gebruikt. Ik vraag me af hoe het bij de krant gaat tegenwoordig. Mij dunkt loopt niet de eerste de beste recensent langs de brievenbus van zijn krant of er zijn bijdrage te posten. Zo ging dat ooit. Een recensent van de Volkskrant zag de hele week uit naar dat ene loopje van zijn huis naar de brievenbus. Wat een opwindend leven had die man toch. Dat was het echte papierwerk. Zo werk ik ook nog. En ook mijn leven is, dat begrijpt u, zeer opwindend. Zo trotseerde ik vandaag het hectische verkeer op mijn mountainbike, om maar iets te noemen. Dat was werken geblazen. De dwarrelende wind was zo venijnig dat ik niet eens naar de zee kon kijken terwijl ik over de boulevard fietste. Ik was voortdurend bedacht op auto’s die van hun lijn weken. De badplaats is nog vol toeristen. Vakantielezers…

Met zoveel woorden

logo alfred birney Ik had vandaag een aangenaam onderhoud met een hoofdredacteur van een krantenkatern. Hij wilde me polsen over vlagerige bijdragen van mijn hand. Als u niet weet wat vlagerig betekent, en waar dat rare woord vandaan komt, leest u dan even de voorgaande twee logs van dit b-log. We hadden afgesproken in de tuin van een bekend etablissement dat soms gebruikt wordt als televisiestudio in tijden van verkiezingen of kabinetscrises. De wind was niet zo vlagerig meer als gisteren en de zon speelde tikkertje met de wolken, dus mijn jas ging aan en uit, u kent dat wel. We spraken over fietsen en ik deed alsof ik nog altijd driemaal per week fietste, terwijl ik toch weinig meer doe dan een beetje suf boodschappen doen, wat gitaarspelen en nu en dan wat in een manuscript krassen. Daarom is nu en dan een recensie schrijven wel iets voor mij. Ik moet dan immers aan het werk. De laatste recensie die ik voor een krant schreef dateert geloof ik al van vijf jaar terug. Vandaar dat mijn mond openviel van verbazing bij het horen van het aantal woorden dat wordt besteed aan een ‘signalement’ dan wel een ‘bespreking’. Een signalement telt 150 woorden en een bespreking 450. Vijf jaar geleden bedankte ik nog voor een stuk onder de 1000 woorden. Ik moet onderhand wel met de tijd mee, de vermindering van het aantal woorden komt voort uit de wisselwerking tussen de oude en de nieuwe media. Ik doe aan beide mee, in spagaat.

Invasie van accordeonisten

logo alfred birney Het beeld van een accordeonist bij een supermarkt is een stuk anders dan dat van een straatkrantverkoper. Een accordeonist is in beweging en brengt muziek, terwijl zo’n straatkrantverkoper veelal hinderlijk lijdzaam voor zich uit staat te kijken. Toen de eerste straatkranten verschenen, werden ze nog volgeschreven door de verkopers zelf, nu worden geloof ik tekstbureaus ingehuurd, of studenten van de School voor de journalistiek. Daklozen uit Moldavië, Armenië of Tadzjikistan die nauwelijks Nederlands spreken, kunnen nooit zo’n straatkrant volschrijven. Wie leest zo’n krant nou eigenlijk? Pakken ze een accordeon, dan biedt dat geen garantie voor fraaie muziek, maar voor een eenvoudig deuntje wil ik wel een halve euro in de hoed werpen. Ik betrapte mezelf op discriminatie een week of wat terug, toen ik een jongen, uit ik gok Albanië, zittend op een krukje op bescheiden afstand van de draaideur bij een supermarkt een melodietje zag spelen. Ik liep zelfs helemaal naar hem toe om een muntstuk in zijn hoed te werpen. Een paar dagen later zat er een oude vrouw te spelen, wie weet zijn moeder. Kleumend stak ze haar vingertoppen uit de afgeknipte wanten. Ze speelde hetzelfde melodietje, misschien zit er inmiddels een zus op te oefenen. Gisteren stond bij een andere supermarkt ook al een accordeonist. Hij was een stuk beter, zijn repertoire in elk geval rijker met tenminste een welkomstdeuntje en een afscheidsriedel. Opvallend is dat waar ik een accordeonist zie spelen, de straatkrantverkoper de wijk heeft genomen. Werkt hij aan een comeback als straatmuzikant misschien?