Volgens mij komt deze figuur je tegemoet en beweegt hij zich niet van je vandaan. Los van de richting kun je evengoed de ervaring hebben dat hij zich helemaal niet beweegt, omdat hij zo in gedachten verzonken is. Veel tekeningen van de eerste Chinese Nobelprijswinnaar voor literatuur Gao Xingjian lijken een eenzaamheid te ademen die je tegelijk wel en niet kent.
Deze solodans van Aafke de Jong werd onlangs uitgevoerd in kunstruimte Bosch te Arnhem op 17 december 2011. De solodans is voortgekomen uit de voorstelling In the Beginning there was, uitgevoerd op Festival Nulpunt, 1 oktober 2011 aan Rivier de IJssel, onder de spoorbrug van Arnhem naar Westervoort. In die voorstelling werd onder meer gebruik gemaakt van een enorme hoeveelheid rivierklei, waaruit de dansers tevoorschijn kwamen.
Aafke de Jong maakt in deze solodans gebruik van resten klei uit die voorstelling. Het bijzondere aan deze solodans is dat zij als choreografe nu zelf als danser optreedt en zich beperkt tot een zeer klein oppervlak. De clip toont enkele fragmenten uit haar voorstelling op de muziek van Steve Reich’s Elektrisch Guitar Phase.
Afgelopen donderdag keek ik naar de voorstelling Itch! Live Van Aafke de Jong in Theater De Gouvernestraat, Rotterdam. Ik interviewde deze kameleontische danser al eens voor Archipel Magazine. Inmiddels timmert ze ook als choreograaf aan de weg.
Itch! Live is een voorstelling voor een solodanser, voor wie de talentvolle Jason Gwen is aangetrokken. Het podiumdecor is minimalistisch: er ligt een witte vloer en er hangt een filmdoek voor de spaarzaam gebruikte videobeelden die een duet van verleiding, irritatie en strijd aangaan met de danser. Er wordt gewerkt met drie beamers, die de vloer, het doek en het lichaam bespelen, soms ondersteund met muziek. De videobeelden staan volgens de choreograaf
‘voor het innerlijk van de ‘ingekapselde mens, die uiterlijk vaak beslissingen neemt waar hij in wezen niet achter staat, gebonden door schaamte, angst of druk vanuit zijn sociale omgeving. De cultuur waarvan hij deel uitmaakt, of juist het idee dat hij over zichzelf heeft, zorgen er keer op keer voor dat hij zich in tweespalt bevindt.’
De voorstelling duurt kort, 20 minuten, en heeft veel weg van een lang verhaal of korte novelle zonder zwakke punten. De choreografie kent een paar rustpunten en subtiele herhalingen, zodat je niet halverwege verdwaalt in de duizelingwekkende danskunst van Jason Gwen. De choreografe leunt daarbij duidelijk niet alleen op de videoprojecties, maar ook in de dans zie je herhalingen terug. Of de ontwikkeling van de met zichzelf en de buitenwereld strijdende mens naar een oplossing leidt, wordt, voor mij althans, in het midden gelaten. De dansvoorstelling is, zeg, een verhaal met een open einde.
Jason Gwen, met wie ik na afloop even sprak, is geboren in Vietnam, opgegroeid in Canada en in Nederland neergestreken. Hij is/was fotomodel, dressman, televisieacteur, danser en beweegt zich richting choreografie. Ik zou hem wel willen interviewen voor East Magazine. Eens kijken of dat gaat lukken…
Het was prettig om te zien dat ondanks de economische crisis en de overdreven hetze jegens kunstenaars er nog altijd mensen zijn die de televisie uit laten en naar het theater gaan. Al is het maar om de danser te zien hijgen, zweten en worstelen met zijn lijf en conditie. Itch! Live is live het mooist.
Itch! Live werd eerder uitgevoerd in de Schouwburg Arnhem, Paradiso Amsterdam, Lantaren/Het Venster Rotterdam en Festival De Oversteek Nijmegen. Kijk voor meer informatie op Aafke de Jong.
De vernissage van de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto in de Maldoror Galerie, Den Haag was gezellig rommelig. Het viel me niet mee mijn tekst aan te brengen op de scrolls. Mensen darren om je heen, spreken je aan, je legt je pen neer en verliest dan soms je concentratie.
Fabio-Romano del Castelletto had een speciale stift voor me klaargelegd waarmee ik mijn tekst – Sura & Baya – geïnspireerd op zijn fotoseries, op het fotopapier moest schrijven. Ik gebruikte een speciale handschoen om het glanzende papier niet te bevlekken.
De vernissage kon worden gevolgd via livestream.com. Kijkers vroegen me per chat wat ik schreef. Zo kwam ik ertoe het eerste deel van mijn tekst voor te lezen. Ik was er niet op voorbereid, dus vlekkeloos ging dat niet, maar voor een indruk van de tekst volstaat het hopelijk.
De beeldend kunstenaar Marian Zult maakte opnamen en toen ik eenmaal thuis was, stond er al een impressie op YouTube. Op het filmpje is ook de Chinese kalligrafist te zien, die een andere fotoserie van teksten en stempels voorzag. Verder de fotograaf die met de galeriehouder de scrolls ophangt. De Turkse schrijver Murat Tuncel, verantwoordelijk voor een derde scroll, was afwezig.
De tentoonstelling loopt tot eind november en is te bezoeken op alle zaterdagen van 13:30 – 17:30 uur. Voor een bezoek op een andere dag en een ander tijdstip, mail: maldoror.com@gmail.com
Maldoror Galerie, Wagenstraat 104B, Chinatown, Den Haag.
Op vrijdagavond, 4 november a.s. om 19:00 uur vindt de opening plaats van de foto-expositie van Fabio-Romano del Castelletto in de Maldoror Galerie, Den Haag. Er hangen vier hedendaagse fotowerken, in de traditie van de oude Chinese schilderkunst op papieren rollen (scrolls). Deze zijn vermengd met teksten van de de Turkse schrijver Murat Tuncel, de Chinese kalligrafist Wu Park en de Indische schrijver Alfred Birney.
De laatste, Alfred Birney, zal zijn teksten tijdens de opening live op twee van de ‘scrolls’ aanbrengen. Dit is livestream te volgen.
De tentoonstelling is na de opening te bezoeken op alle zaterdagen in november van half twee tot half zes ’s middags. Verder op afspraak en tijdens Hoogtij #27! (Persbericht)
Opzet van de installatie:
De Wagenstraat in Den Haag functioneert als het ware als een sluis, via welke verschillende culturen komen en gaan. Hollanders die uit andere buurten naar het centrum komen om te shoppen, Turken die op weg gaan naar de Grote Moskee, kunstenaars die er wonen en het unieke gedeelte van het oude centrum delen met de Chinezen van China Town. En… elkaar nu ontmoeten in de intieme galerie van Stichting Maldoror.
De bedoeling van Fabio-Romano del Castelletto is om de reacties van de bezoekers van de expositie vast te leggen, terwijl die kijken naar het werk van de schrijvers uit verschillende culturen en de fotografische observaties ondergaan van wat door de zee aan onze kust aanspoelt.
Murat Tuncel, die op een minimalistische manier, als op een schoolbord, een ritmische klank proza in zijn moederstaal (Turks) toevoegt aan het bijna kalligrafisch aangespoelde zeewier.
Wu Park, die zijn met indische inkt vloeiende, vluchtige poetische indrukken op foto’s van zware en concrete objecten achterlaat. Zijn observaties zijn, zoals de Chinese dichters en schilders die in het China van de 17de eeuw ze op papieren rollen uitwisselden: poëtisch en filosofisch tegelijk.
Alfred Birney reageert op dood materiaal en natuur, die symbolisch zijn voor het Indische verleden van zowel hem als Fabio-Romano del Castelletto.
Het geheel is een interactie van vier personen met verschillende cultuurhistorische achtergronden, tegen het licht van de natuur die op foto’s zijn vastgelegd.
Verleden week vierde het Letterenhuis zijn nieuwe onderkomen met een bescheiden feestje voor het team, schrijvers en nog zo wat lui die eromheen hangen. Het is soms wel aardig om een troep van je collega’s bijeen te zien: nieuwkomers en oudgedienden. Ik herinner me te hebben staan babbelen met Anja Sicking, Mohana van den Kroonenberg, Marian Boyer, Kester Freriks en Nicolaas Matsier. Mijn redacteur liep er ook rond en hij gaf me het advies om vooral de ruimte te nemen in mijn roman-in-wording, omdat ik toch al geserreerd kan schrijven. Alsof hij mijn gedachten las. Gepriegel in novellen, waarin geen enkele zwakke bladzijde mag staan, is een geweldige uitdaging, maar als het verhaal vraagt om een roman dan moet dat maar. Het is lang geleden dat ik aan zo’n omvangrijke klus werkte: Het verloren lied.
In het huidige politieke klimaat krijgen kunstenaars de wind van voren. Het grote publiek denkt inmiddels dat kunstenaars vele miljoenen opslurpen uit de subsidiepot zonder er daadwerkelijk iets tegenover te stellen. Ook schrijvers worden intussen gevonden door subsidiespeurders die met de verbetenheid van wolven achter hun gesubsidieerde werkplekken de jachthoorn blazen. Het jongste tijdschrift van het Nederlands Letterenfonds, een jonge fusie van het Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, slaat dan ook een verdedigende toon aan. Stukken van allerlei schrijvers moeten de onwetenden duidelijk maken waar een schrijver staat, wat een schrijver doet en wat een schrijver betekent voor het land en de taal waarin hij of zij schrijft. Het heeft iets weg van roepen in een woestijn, want welke onverlaat leest zoiets als drukwerk van het Nederlands Letterenfonds? Quotes van buitenlandse uitgevers en schrijvers staan op het omslag, dat wordt gesierd door een oude boom, die zich in tweeën splitst:
“De wereld van het woord en dus de boekenmarkt verandert volop. Veel uitgeverijen van nu produceren en gedragen zich alsof ze deel uitmaken van de ‘entertainmentindustrie’ en niet van de markt van ideeën.” – André Schiffrin.
Mwah, niet bijster fraai neergepend, tamelijk onvolledig ook, maar het is een redelijk statement.
“Ik geloof niet dat de digitale technologie de functie van de uitgever radicaal zal veranderen de komende jaren. De selectieve functie is het hart van ons vak. Ik denk dat het papieren boek en het e-book gedurende een heel lange tijd naast elkaar zullen blijven bestaan, en ik geloof niet dat het papieren boek ooit totaal zal verdwijnen.” Jean Mattern.
Hier is de tweede zin het sterkst. Die gaat over het scheiden van het kaf van het koren. Over de rest valt te discussiëren en of het papieren boek nooit zal verdwijnen, daar heb ik mijn twijfels over. Maar dat heeft natuurlijk niets te maken met de creativiteit van de schrijver.
De mooiste quotes staan binnen in het blad. Arnon Grünberg vraagt zelden direct subsidie aan, maar is collegiaal en slim genoeg om zijn broeders en zusters niet af te vallen, zoals Boudewijn Büch gewoon was te doen. Ook grijpt Arnon Grünberg weer eens zijn kans om Nederland met Duitsland te vergelijken. Dat lijkt een olijke hobby van hem. Op zijn weblog liet hij eens weten dat Duitsers Nederlanders in beleefdheid verre overtreffen. Nou is dat natuurlijk al zo sinds de VOC, sla er de scheepsjournalen van Duitse lieden maar op na. Maar toch een enorme sneer voor de goede verstaander.
Iemand als Cees Nooteboom verbaasde zich eens over het respect die de Amerikanen voor schrijvers tonen: in New York rolden ze een rode loper voor hem uit toen hij eens een literaire prijs kwam ophalen. Hopelijk is hij niet door dat ene voorval zo verschrikkelijk naast zijn schoenen gaan lopen, maar dit terzijde. Gauw terug naar Arnon Grünberg:
“Dit kabinet is in het zadel geholpen door kiezers die zich er niet voor schamen dat ze meer van hun auto houden dan van Goethe. Een Nederlands verschijnsel trouwens, soortgelijke geluiden hoor je zelden in Duitsland. Dat zo veel Nederlanders deze voorkeur hebben, valt te betreuren, maar het is de realiteit. Om Brecht te parafraseren: je kunt het volk wel afschaffen, al zal dat ook in 2011 niet zonder bloedvergieten gaan.”
Nogal gammel geformuleerd, maar de parafrase mag er zijn.
De mooiste quote komt van Marjolijn Februari:
“Nederland hecht een groot belang, een publiek belang, aan schrijvers. Het enige probleem is dat niemand ze wil betalen.”
Uiteindelijk kom je uit op het begrip kwaliteit. Wat is kwaliteit? Wie bepaalt het? Het vervelende is, dat kwaliteit een beleving veroorzaakt die direct met taalgevoel verband houdt. En gevoel is een fenomeen zo ongrijpbaar voor de meeste mensen, dat ze het verwarren met emotie.
Kunst is de enige ware vorm van vrije meninguiting. Rommelaars zijn er meer dan genoeg. Kunstenaars zijn dun gezaaid. Daarom behoort een beschaafd land zijn kunstenaars te beschermen tegen piraterij.
Wacht tot deze briljante theeschenker bij het vijfde kopje is. Dan zie je hoe heet de thee wel niet is. Het zevende, en laatste, kopje, biedt wellicht het grootste spektakel, maar persoonlijk vind ik de schijnbewegingen tussendoor niet te versmaden.
In de late lente, of vroege zomer, dit jaar, interviewde ik de crossover (fusion) danseres Aafke de Jong voor Archipel Magazine. Het stuk is nu in PDF te lezen op de website van deze avontuurlijke vrouw. Hieronder staat de tekst in retroblog (31 juli 2011).
Alfred Birney
Aafke de Jong, de kameleontische danser
Het universum van Aafke de Jong bestaat uit twee gebieden: Nederland en Bali. De rest is behang. Ze studeerde dans. Vijf jaar in Nederland en vijf jaar op Bali. Als choreograaf maakt ze al dan niet nadrukkelijk gebruik van het Balinese dansvocabulaire in een verbuiging naar het westers dansidioom. In moderne dans is Aafke de Jong op het podium zonder meer herkenbaar aan haar verschijning. Maar zodra ze Balinese dans in traditioneel kostuum uitvoert, zie je iemand anders. Wie is deze kameleon en wat drijft haar?
Ze is geboren in Delft (1971) uit Nederlandse ouders met een druppel Wit-Russisch bloed. Haar vader moest beroepshalve veel verhuizen en Aafke wist niet beter dan dat het leven een constante verandering van woonplaats was. Als jong meisje volgt ze klassieke danslessen. Wanneer ze afbeeldingen ziet van een sprookjesland dat Bali heet, raakt ze betoverd en ze belooft zichzelf om er ooit heen te gaan. Tijdens haar middelbare schooljaren danst ze niet, ze tekent veel en schrijft musicals, waarin zijzelf en haar zusje meespelen. Op een dag vindt ze in een reisgids de afbeeldingen terug die haar destijds zo hebben getroffen. Dansende figuren inspireren haar tot een studie moderne dans, jazz- en tapdans aan de Rotterdamse Dansacademie (thans Codarts). Na haar studie stapt ze naar de Indonesische ambassade in Den Haag om een leraar Balinese dans te zoeken. Het wordt al snel duidelijk dat ze daarvoor naar Bali moet. Ze meldt zich per brief aan bij de directeur van het conservatorium in Denpasar. Tijdens het wachten op een studiebeurs loopt ze met de strengheid van een asceet anderhalf uur per dag met een walkman op, woordjes en zinnen prevelend van een Linguaphone taalcursus. In de zomer van 1993 vertrekt Aafke de Jong naar Denpasar.
‘Ik kwam bij een gastgezin inwonen, in de straat Jalan Nusa Indah waar het conservatorium was gevestigd: een traditioneel gebouwd complex. Het was alsof ik een ansichtkaart binnenstapte en het zou nog lang duren eer ik een beetje realistischer over Bali kon gaan denken. Op het conservatorium (thans de ISI), werd gamelan, dans, wajang en beeldende kunst gedoceerd. Al gauw kreeg ik te maken met de Indonesische manier van lesgeven. Als het bijvoorbeeld regende, dan kwamen de docenten niet opdagen (lacht). Mijn Indonesische medestudenten hadden al een basis in de danskunst. Om de vier lessen kreeg je een testles. Ik werd dus meteen het diepe ingegooid. Ik ben toen gaan zoeken naar een externe leraar en kwam terecht bij Ibu Jero Made Puspawati, een meester danser die tot de dag van vandaag overal wordt gevraagd. Van deze vrouw heb ik dat hele jaar elke dag privé-les gehad. Dat was een grote eer! De lessen vonden plaats in het paleis. Haar leerlingen waren Balinese kinderen en voornamelijk Nederlanders en Japanners, mensen uit landen die er nota bene zo hebben huisgehouden.’
‘Moest je geen totale omslag maken met je westers klassieke en moderne dansvormen als bagage?’
‘De danshouding is compleet anders dan die je in het klassieke westerse ballet leert. Hier streef je ernaar jezelf vederlicht te maken, alsof je zó naar de hemel kunt vliegen. In de Balinese dans heb je je voeten plat op de grond en je tenen wijzen omhoog. Je staat aldoor met een gebogen knieën en je maakt een holle rug. Het is een stuk aardser. In het begin hield ik dat hooguit vijf minuten vol. Je draagt een kain als een soort van lange rok en die wordt op zijn plaats gehouden met een bulang, een strook stof van acht meter lang, die als een korset om je lijf wordt gebonden. In dat keurslijf kun je alleen maar hele kleine stapjes maken.. Tegelijk geeft het veel steun, je wordt eigenlijk al meteen in de goede houding gedrukt. Verder is de Balinese danshouding asymmetrisch. De nadruk in je expressie ligt in je handen en je ogen. Persoonlijk heb ik een buitengewone voorliefde voor handen.’
‘Ik kan me voorstellen dat veel van de danssymboliek de westerse toeschouwer ontgaat.’
‘Een zeer belangrijk kenmerk in de Balinese dans is de mimiek. Met de seledet, de oogbewegingen, moet je bepaalde gemoedstoestanden op het publiek overbrengen, afhankelijk van het karakter dat je uitbeeld, zoals een boze demon of een wenende prinses. Als je je ogen laat huilen, sta je bijvoorbeeld niet te springen, maar maak je naar de grond toe gerichte lichaamsbewegingen, die langzaam worden uitgevoerd. Dit gaat in harmonie met de muziek, die dan treurig klinkt. Andere bewegingen zijn weer geïnspireerd op de flora en fauna. Zo stellen trillende vingers de wind voor die door de palmbladeren waait. Armbewegingen kunnen de golven van de zee uitbeelden, maar voeten kunnen ook gerust, in Ibu Jero’s school, een beweging maken die het doodtrappen van een insect voorstelt. Een oog dicht en een oog open, gevolgd door een bepaalde beweging van je hoofd en het plotseling openen van het gesloten oog, staat weer voor een slapende tijger die plotseling uit zijn slaap wordt gewekt. Er bestaat geen eenduidigheid over achterliggende betekenissen, zoals in India. In tegenstelling tot dat land, is er op Bali weinig over opgeschreven. De verhalen uit de Mahabharata kennen ze natuurlijk wel van de wajang, maar ze geven er hun eigen draai aan. Het Hindoeïsme is met de vermenging van het Boeddhisme en animisme op Bali een geheel eigen leven gaan leiden. Toch merk je dat ze de laatste decennia steeds meer steun zoeken in India, nu ze min of meer weggedrukt worden door de moslimcultuur.’
Na een jaar studie in Denpasar gaat Aafke terug naar Nederland en volgt in Leiden de studierichting Indonesische talen en Culturen. Ze bezoekt elk jaar trouw Bali, met een langer verblijf tussendoor van een half jaar om er wetenschappelijk onderzoek te plegen voor een wetenschappelijke scriptie over het Balinese hofdansgenre Legong Keraton. Na deze afgesloten studie lonkt Bali weer, ditmaal voor vier jaar. Standplaats: Ubud. Aafke de Jong richt er DwiBhumi – Centre for Balinese Art and Culture – op met een sponsor in Nederland om de financiële eindjes aan elkaar te kunnen knopen. DwiBhumi werkt dan samen met Museum Puri Lukisan, dat is opgericht in 1956 door de Nederlandse schilder Rudolf Bonnet en de toenmalige koning van Ubud. Balinese kunstenaars geven les in dans, gamelan, houtsnijden, schilderen en wajang, terwijl Aafke er de toelichtingen in het Engels bij geeft. De doelgroep bestaat grotendeels uit middelbare scholieren en toeristen uit Singapore en Australië. Intussen gaan Aafkes eigen danslessen door bij verschillende leraren in Ubud.
Na de bomaanslag in de Balinese plaats Kuta in oktober 2002 lopen de bezoekersaantallen op Bali dramatisch terug. Aafke de Jong keert terug naar Nederland. Maar niet alleen. Ze neemt DwiBumi mee. Thans, acht jaar later, bestaat DwiBhumi nog altijd. In Arnhem. De naam betekent ‘twee werelden’ in het Sanskrit, een taal die in het Balinese theater veelvuldig gebruikt wordt. Het begrip dwi bhumi verwijst naar het Balinese sekala, de zichtbare, tastbare wereld, en niskala, de onzichtbare en ontastbare wereld. Met ‘twee werelden’ worden in Aafkes variant ook de Balinese en Nederlandse culturen bedoeld. In Museum Puri Lukisan in Ubud worden overigens in de geest van DwiBhumi nog altijd culturele workshops gegeven.
‘Naast danseres ben ik choreograaf. Daar richt ik me tegenwoordig erg op. Uiteraard ben ik erg van het Balinese doortrokken geraakt. Het lijkt onmogelijk om de twee werelden, de westerse en de Balinese, bijeen te krijgen, maar ik merk dat het eigenlijk automatisch gaat, dat in wat ik uitdenk en schep vanzelfsprekenderwijs allerlei thema’s uit de Balinese cultuur en uit mijn persoonlijke beleving samenkomen. Dat is voor de onvoorbereide toeschouwer niet altijd zichtbaar. Ik ben er wat huiverig voor om mijn choreografie fusion te noemen. Bang dat ik het etiket krijg opgeplakt van de choreograaf die altijd maar met vrije dansvormen doortrokken van Balinese symboliek komt. Fusion heeft, althans in de danskunst, vaak een negatieve connotatie. Daarom heb ik ook gekozen voor twee verschillende websites (aafkedejong.nl en balinesedans.nl). Ik heb immers met twee verschillende soorten publiek te maken. Bezoekers van mijn lezingen over Balinese dans zijn vaak minder geïnteresseerd in mijn vrije choreografie, en andersom.’
‘Voel je je dan niet soms, zoals een Indo dat kan hebben, als in een spagaat?’
‘Soms wel, ja. Ik voel me niet altijd helemaal thuis hier. En op Bali uiteindelijk ook niet helemaal. Een oude vraag waar ik als meisje al mee worstelde komt weleens bovendrijven: wie ben ik en waar hoor ik nou eigenlijk thuis? Ik voel me in elk geval het lekkerst in gemengde woonwijken, bijvoorbeeld in een stad als Den Haag, met veel ‘Indischiteit’, zoals ik dat zelf noem.’
Na het interview wandelen we naar een Indonesisch restaurant. Ik ben geen snelle wandelaar, vrijwel iedereen loopt sneller op straat dan ik. Maar met Aafke de Jong naast me moet zelfs ik mijn pas inhouden. Het is alsof ik naast een Balinese vrouw loop. Bij het restaurant gaat ze me wel voor en duwt de deur open. Dat is weer Hollands. Wie ben je? Wat je denkt te zijn? Hoe je iets doet? Of wat je in je kunst laat zien?
Op donderdagmiddag 28 mei 2009 is Alfred Birney te horen op AmsterdamFm tussen 14:00 – 15:00 uur in het programma Kunst en Cultuur. De radio-uitzending is tot twee maanden na uitzending te beluisteren op Salto Omroep Amsterdam. Klik op StadsFM Streaming OnDemand en verder via het kalendertje.