Gekkoleven

gale De bogen van het balkon op de hoek van mijn Grieks appartement hadden model kunnen staan voor Eschers Droom, een houtgravure uit 1935: in een koude wereld met bogen onder het nachtelijk firmament ligt iemand voor lijk te dromen met een enorm insect op zich, dat hem niet stoort overigens. Hier op het balkon zit ik met mijn hoofd in mijn nek naar het plafond te kijken. De gekko’s dienen zich aan rond twaalven, wanneer de discotheken verderop het volume temperen en de muziek van de cicaden weer de boventoon voert. Mijn favoriete gekko is te laat langs de bogen naar de gevellantaarn komen kruipen, de ideale plek is al ingenomen door een grote gekko. Vlinders en langpootmuggen strijken neer rond de gevellantaarn. Aanvankelijk sluipt de grote gekko behoedzaam naderbij, met pauzes om zijn prooi niet te alarmeren. Maar als de muur eenmaal vol zit met insecten laat de gekko zijn geduld varen en jaagt gulzig in het rond. De kleine gekko, jong en onervaren, is zo vermetel om het territorium van de grote binnen te dringen. Die bolt zijn rug en ziet de kleine dreigend aan. De kleine zwaait met zijn staart en blaast de aftocht. Nadat de grote, volgevreten, de arena heeft verlaten, komt de kleine terug. Tegelijk doemt een nog groter exemplaar op. Dat jaagt de kleine niet weg met lichaamstaal, maar bijt hem bruut in de flank. Ai! De kleine zal lang moeten wachten eer hij eens aan de beurt is. De volgende morgen zit hij er nog. Hij lijkt wel dood, zoals de dromer op de houtgravure van Escher. Is de kleine gekko vandaag gedoemd van insecten te dromen?


© 2002 Alfred Birney
Haagsche Courant, vrijdag 26 juli 2002

De avond valt

hat logo meneer b Ik stond zonet op het balkon een ecologisch sigaretje te roken en werd aangestaard door zwarte wolken die de grijsblauwe lucht kwamen verkrachten. Ze herinnerden mij aan mijn voornemen met roken te stoppen als het jaar sterft. Het jaar zal sterven met oud en nieuw, wanneer vuurwerk de lucht zal verlichten. Ik begreep opeens wat het betekent wanneer je zegt dat de avond valt. Vallen is een neergaande beweging. De nacht drukt neer. Dwingt je te gaan liggen op de bank of naar bed te gaan. Met dageraad komt de zon op. Opkomen is een opwaartse beweging. Je wordt gedwongen je bed uit te komen. Natuurlijk hoef je daar geen gehoor aan te geven. Doe je dat niet, dan herinneren de mensen je eraan dat je op moet staan. De mens is namelijk geen nachtdier. Toch valt er ’s nachts heel goed te leven. Vooral als je schrijft. Het zal ongetwijfeld ongezond zijn om ’s nachts te leven. Je krijgt te weinig daglicht en ontwikkelt een tekort aan vitamine D. Verder is het zo dat je buiten het dagelijkse leven staat en veel afspraken moet missen. De nacht is voor kluizenaars. Mafkezen. Freaks. Internetverslaafden. Maar ook voor nachtwakers. Ik waak over de nacht. Ik heb een haat-liefdeverhouding met de nacht. Als ik slaap kan ik overvallen worden door nachtmerries. Waak ik, dan houd ik nachtmerries op een afstand. Dit betekent niet dat ik overdag geen nachtmerries kan krijgen. Als ik eens vroeg op moet, dan lijkt de dag een nachtmerrie.

18-12-2011 17:34:07

Sintmania

hat logo meneer b Mijn naam is Meneer B. en ik werd vandaag slachtoffer van de Sintmania die de ganse stad beheerste. Nou is slachtofferschap niet direct een probleem, veeleer een staat van zijn die je moet accepteren eer je eraan kunt ontsnappen. Toen ik vanmiddag weer eens veel te laat mijn nest uitkwam, hoorde ik een fanfare door de straten marcheren, met de tuba petomanend rond een straf marstempo. Sinterklaas, zegt men, komt uit Spanje, maar hij neemt niet de driekwartsmaat mee van de flamencomuziek, wellicht uit een geadopteerde behoefte zich aan te passen aan de gewoonten en gebruiken in de gezelligste modderpoel van Europa, in het buitenland vooral bekend van klompendans en windmolens. Nou had ik mezelf voor het slapengaan voorgenomen naar Chinatown te fietsen om de plaag van Neerlands grootste grutter te ontvluchten. Maar in de stad kwam ik met mijn fiets niet voorbij de dranghekken. Ik ben maar gaan lopen. In slalom door de mensenmassa trok ik in een wijde boog rond de Grote Kerk. De Chinezen in de toko klaagden niet, ze klagen eigenlijk nooit, ze werken zo hard dat ze geen tijd hebben, of nemen, om eens flink te gaan klagen. Ik deed mijn boodschappen. Buiten de toko ben ik op een gammel stoeltje een snack gaan nuttigen met een kartonnetje Indonesische thee. Ik voelde me gelukkig. In stille berusting keek ik verwonderd naar al die mensen die zich zo ergerden en haastten. Willen ze zo snel mogelijk het leven doorjakkeren om er zo snel mogelijk vanaf te zijn?

Cubaanse eenvoud

Update 31 dec:

Frans Lopulalan reblogde dit nummer in zijn posting Muziekkeuze Alfred Bluebird Birney. Ik mailde hem dat deze man waarschijnlijk met een afgekoven zakkammetje op 4 snaren zat te spelen. Frans mailde: Die Maffe Ouwe ontroert … je ziet zijn leven op dat barre Cuba, dat het Paradijs moet zijn. Te arm om aan zoiets simpels te komen als een plectrum (bij mijn dochter op het kakkerige Montessorilyceum gebruiken ze die dingen bij wijze van spreken als confetti … ), maar wel blijven zingen, met scheurend hart …

Zo is het.

Vlagerig

hockey Ik ben geboren in een tijd waarin men het nog niet had over vlagerigheden. Men sprak van een bevlogen persoon of van vlagen wind bij hondenweer, maar niet van vlagerig weer. Nou dacht ik dat alleen populaire online weerstations zich bedienden van dat vlagerige taalgebruik, maar vandaag zag ik dat het deftige KNMI het ook al had over vlagerig weer. Was hun tekstschrijver op vakantie en zat er een werkstudent zich vlagerig uit te leven in de kunst van het copy and paste, zeg het metselwerk van het internet? Het weer was werkelijk onstuimig, zeg dat wel, de temperatuur was zeer aangenaam en toch was het niet senang toeven op dat vlagerige balkon van me. Gelukkig speelde het Nederlands dameshockeyteam een partij op de Olympische Spelen van Beijing (wij zeiden vroeger Peking) en dartelde mijn favoriete nummer 11, Maartje Goderie, over het veld. De perfecte Nederlandse hockeyspeelster is lichtblond en draagt een staartje. Het dameshockeyteam ziet er het best uit van een afstandje, bijvoorbeeld op een klein scherm op je pc. Je ziet dan van die oranje poppetjes met staartjes arabesken op kunstgras beschrijven. Volgens de commentator was de wedstrijd wat vlagerig. Zal men straks terugkijken op een nogal vlagerige zomer? Terugblikkend zou ik mijn leven ook wel vlagerig kunnen noemen. Een weekje het nieuws volgen geeft ook wel een nogal vlagerig beeld van een vlagerige wereld. Aan de basis van het leven, beste mensen, staat de wind. En daarom moeten wij God voortaan Wind noemen. Bij vlagen is hij zichtbaar, een bevlogen entiteit, werkelijk. Je moet natuurlijk geen ruzie met hem krijgen, dat begrijpt u zeker wel.

Tumble

tumblr Binnen de digitale revolutie heeft het internet een ontwikkeling doorgemaakt die het adjectief stormachtig naar de taalprullenbak voor anachronismen verwijst. Wat een website is, kan niet zomaar meer omschreven worden als een vlag ergens in cyberspace. Het weblog is momenteel misschien wel het populairst onder actieve internetgebruikers, maar het fenomeen tumbleblog is in opkomst. Men neemt de tijd niet meer om met liefde en toewijding zoiets als een eigen virtueel dagboek te onderhouden, liever kleddert men maar wat als graffiti op het web, waarbij de codes alt+c en alt+v geheimtaal zijn voor stelen. Feitelijk is het tumbleblog een cynische variant op het weblog in zijn origineelste vorm.: een soort stream of consciousness. Maar de taal is nu teruggebracht tot wat quotes en oneliners en daarmee ondergeschikt gemaakt aan beeld en geluid. Tumblelogs zijn nauwelijks bezoekersvriendelijk en wellicht alleen goed, of zelfs gemaakt voor big brother-clubs die profielen verzamelen van mensen die zich al dan niet onder pseudoniem tonen op het internet. In een eventueel nóg nieuwere vorm dan tumbling zou je elke vorige posting door een volgende kunnen overschrijven. Het archief, voer voor zoekrobots en regeringen, verliest zo zijn betekenis, de dingen gaan voorbij, zoals het leven is. Je bent terug bij af, bij de eenvoudige webpagina, die nu en dan verandert. Kijk je nog verder terug, dan zie je schrijvers achter typmachines zitten en lezers zonder een flikkerende televisie op de achtergrond wegkruipen op de bank met een boek in de hand. Ik heb soms heimwee naar die tijd.

Freeze your darlings

logo alfred birney Het leven is afscheid nemen en voor de verandering ging dat gisteren op een feest en niet op een begrafenis. Ja, ik heb drie maanden niets van me laten horen, nou dan weet u het wel ongeveer. Ongeveer, hè? Ik bedoel het is niet elke dag begrafenis. Wij zwaaiden uit in een bibliotheek aan een Amsterdamse kade de directeur van een befaamd literair mecenaat, een instantie die het schrijverspeloton bijeenhoudt. Die is nodig om te voorkomen dat er voortaan maar een stuk of tien literaire schrijvers in de boekhandel liggen. Vergelijk het met kijken naar een wielerronde met maar tien renners. Het programma bestond uit verschillende onderdelen. Het lopend buffet met nazit en dans was uiteraard het leukst. De receptie had ik overgeslagen, want zo’n tocht naar Amsterdam ervaar ik als een hele onderneming, zwaarder dan een vliegreis van zestien uur naar Jakarta, om maar wat te noemen. Ik kon vrijwel direct het theater in. Het onderhoudendst was de een of andere Vlaamse schrijver, die zich als enige aan de toegemeten tijd van zeven minuten hield. Hij slingerde een geweldige tekst de zaal in, vol virtuose kwinkslagen die niet door iedereen werd begrepen en gewaardeerd, want ook onder literatoren bevinden zich stupide personen. Later zag ik nog een meisje – ik bedoel een jonge vrouw – heel aardig dansen, een tikje bestudeerd. Ze herinnerde me aan de tijd waarin ik nog kon woekeren met mijn energie. Als aandenken kregen we mee een boekje getiteld: Kill your darlings. Het mecenaat was nieuwsgierig naar ons werk-in-uitvoering, de rotzooi die achterblijft tijdens het proces van schrappen, waarover ooit ene Sir Arthur Quiller-Couch een kleine eeuw geleden schreef: “Whenever you feel an impulse to perpetrate a piece of exceptionally fine writing, obey it – whole-heartedly – and delete it before sending your manuscript to press. Murder your darlings.” Eén van de gevraagde auteurs voor het boekje had deze boodschap écht begrepen en zijn computers met darlings aan de straat gezet. Anderen hadden hun geschrapte teksten ingevroren. Ik las hun kruideniersproza in de stoptrein bij nacht huiswaarts. De afgedankte teksten lieten het beste proza van webloggers met schrijfaspiraties ver achter zich. Helaas zegt dat niets meer in een tijd dat het om hele andere dingen gaat dan zoiets als kwaliteit. Dansende meisjes? Nou, vooruit dan.

Kreeft

hat logo meneer b Mijn naam is meneer B. en ik eet geen kreeft. Het is niet zo dat ik uit principe geen kreeft eet. Ik bedacht het slechts toen ik vanmiddag een kolonie kreeften gadesloeg. Het was in een van die supermarkten in China Town, de bak stond op borsthoogte en de dieren kropen over elkaar heen in fris gehouden water. Het aantal verbaasde me, het moesten er wel vijftig zijn. Chinezen eten alles, dat is mij bekend, maar het eten van kreeft associeer ik eerder met het mediterrane leven. Ik was ooit dol op island hopping, ik at van alles aan de haventjes op de Griekse eilanden, maar géén kreeft. Dat ze levend worden gekookt kan een bezwaar van me zijn geweest. De onwil mijn onervarenheid te tonen met het eten van kreeft kan hebben meegespeeld. De dieren waren prijzig indertijd. Het was not done om kreeft te eten. Kreeft was iets voor de nouveau riche en overige aanstellers. Thans is het eten van kreeft bijna een volksaangelegenheid geworden. Er zijn mensen die vinden dat ze ‘alles’ moeten hebben geprobeerd voor ze sterven. Zoiets is natuurlijk onmogelijk. Zouden ze ‘alles’ vervangen met ‘zoveel mogelijk’, dan wekten ze althans de indruk over het leven te hebben nagedacht, ondanks een dergelijke armzalige levensinstelling. Ik zou op mijn beurt nooit het tegenovergestelde zeggen. Het lijkt me eerlijk gezegd wel lekker om me eens aan kreeft te wagen. Maar dan moet er wel iemand tegenover je zitten, in een jurk, ze jongleert met een muiltje op haar tenen onder een wiebelende tafel en verleidt je benen tot een tango onder tafel, enfin de zee klotst loom tegen de kaderand, er zijn lichtjes in de verte, alles bevindt zich in de verte, geen helderziende kan vooruit zonder turen in de verte. Ik kijk liever achterom.

Van oude gewoonten, de verwarring die niet voorbijgaat

alfred birney op podium

De Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA) heeft een auto gestuurd om mij van huis te halen en weer terug te brengen. Mijn chauffeuse ziet er goed uit, rijdt swingend en is een onderhoudend gesprekspartner. Ze oriënteert zich als antropologe op de gevolgen voor Nederlandse soldaten buitengaats die een kameraad verliezen. Maakt dat verlies ze terughoudender of juist wraakzuchtig? Interessante vraag. Ik maak haar attent op mijn roman De onschuld van een vis (1995), die de verregaande gevolgen beschrijft van de oorlog die Nederland in Indonesië voerde.

Ik bereid me niet meer voor op lezingen. Ik beklim het podium en zie wel. Mijn leerschool kreeg ik in Indonesië tijdens mijn promotournees, waartussen onverwachte gastcolleges en optredens werden gewurmd. Er is wel een groot verschil tussen de podia daar en hier. Aan de overkant heeft het publiek een helderder beeld van de koloniale geschiedenis dan hier. Dat is niet verwonderlijk, want het waren de Nederlanders die kwamen, zagen, overwonnen, verloren en weer gingen.

Jonge Indonesiërs zeggen graag dat ze niet weten waar Nederland ligt en dat het hun ook helemaal niet interesseert, maar ze kennen wél allemaal de speelfilms waarin de vrijheidsstrijd jegens de ‘belanda’s’ wordt opgerakeld, zoals Nederlanders die kennen met hun wrok jegens de ‘moffen’. Suffe Nederlandse toeristen krijgen soms te horen dat het leven in de koloniale tijd beter was en dat Indonesiërs zelfs zouden wensen dat ze weer terugkwamen. Het is bespottelijk dat er nu nog Nederlanders zijn die deze beleefdheidsuiting serieus nemen. Ik trof er zelfs eentje tijdens de workshop in Felix Merites, Amsterdam, waar de chauffeuse me had afgezet.

Ik moest er een discussie inluiden met voorlezen uit eigen werk. Ik was het podium nog niet af of ik kreeg in de gaten dat er drie partijen waren en ik mijn positie als Indo weer eens moest gaan verdedigen in een zaal waarin het wemelde van mensen die een of andere gesubsidieerde club vertegenwoordigen en dus meer belang dan belangstelling hebben.

Onder het motto dare2connect was een dag georganiseerd die in het teken stond van culturele uitwisselingen tussen Nederland en Indonesië. Nou is dat een hels karwei – je zou er een volle week voor moeten uittrekken -vooral als je zo volledig mogelijk wilt zijn. Literatuur, film, architectuur, godsdienst, de koloniale geschiedenis… bijna alles wat je kunt bedenken kwam in drie simultane workshops aan de orde.

Ikzelf was ingedeeld bij de workshop Nederlandse cultuurmakers met Indonesische roots. Uiteraard mag je dan een flink percentage Indo’s in de zaal verwachten. Hetgeen een Nederlander deed verzuchten waarom de Indo weer zo nodig centraal moest worden gesteld. Ja, dat krijg je als je een Indo de workshop laat openen met een verhaal over Indisch leven in Nederland. De klacht van de man amuseerde me wel, het is immers altijd zo dat Nederlanders en Indonesiërs centraal worden gesteld en de Indo er maar tussen bengelt.

Op een vraag van de gespreksleidster leek het me interessant te melden dat ik als schrijver vóór 9/11 geen scepsis ontmoette in Indonesië. Na die vervloekte datum werd ik argwanender tegemoet getreden, er was een mondiale godsdienstoorlog uitgebarsten en ik werd de kant van de christenen op geduwd.

Een Nederlander ervoer mijn relaas als een aanval op de Indonesiërs en meende voor hen in de bres te moeten springen. Kan het neokolonialer? Hij verklaarde dat de Indonesiërs na de aardbeving verleden jaar heel vriendelijk waren toen hij met een stel collega’s in Yogyakarta, waar ze op tournee waren, als vrijwilliger meehielp een provisorische brug te bouwen. Ik vond die anekdote zo onnozel dat ik hem dat liet voelen. Gelukkig deed hij het verdere uur zijn mond niet meer open. Dat kwam niet alleen door mij. Een Indonesisch kunstenaar verklaarde namelijk ijskoud dat Indonesiërs slechts geïnteresseerd zijn in landen waar ze kunnen studeren, werken of hun kunsten kunnen vertonen. Duitsland, België en Frankrijk stellen zich gastvrijer op dan Nederland.

Ondanks allerlei goedbedoelde pogingen een brug te slaan tussen Nederland en Indonesië, al is het maar cultureel, lijkt de afstand tussen beide landen alleen maar groter te worden. Dat ligt in de eerste plaats aan de beroerde kennis van de gemiddelde Nederlander van zijn koloniale geschiedenis en zijn visie erop. Als een halve eeuw na de dekolonisatie nog altijd de termen Indisch, Indo en Indonesisch door elkaar worden gehaald, weet men dan eigenlijk wel waarover het gaat? In het verslag van dare2connect word ik bijvoorbeeld een Indonesiër met gemengd bloed genoemd. Toegegeven, zo Indonesisch als op de foto van die dag heb ik er inderdaad nooit eerder uitgezien.

© 2007 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfstnummer 2007

Meelezen (1)

hat logo meneer b De boekenlijsten voor middelbare scholieren zijn om te huilen en lijken het niveau van de gemiddelde leerkracht weer te geven. Mijn zoon mag beginnen met dunne boeken, dus ik hielp hem met het uitkiezen van een paar novellen. Met De rat van Arras (1986) van Adriaan van Dis, Het dwaallicht (1946) van Willem Elsschot en Bint (1934) van F. Bordewijk heb ik allerlei miserabel werk buiten zijn leeslijst weten te houden. Uiteraard liggen die boeken al wekenlang te wachten, dus gisteravond gaf ik hem de opdracht de novelle van Adriaan van Dis in één uur uit te lezen. Mijn zoon keek me met grote ogen aan, maar klaarde de klus in 40 minuten. Omdat ik hem vragen over de novelle moet kunnen stellen, heb ik haar ook maar gelezen. Aardig geschreven, handig en met een goede timing, laagdrempelig maar niet platvloers en ook niet hinderlijk lichtvoetig. De novelle zit vol kruisverwijzingen naar Japanse kampen en moordpartijen in het zeventiende eeuwse Arras. De hoofdpersoon is trefzeker neergezet als getroebleerd wezen dat nooit de oorlog in Indonesië te boven is gekomen. De mooiste zin uit de novelle: ‘Ze meent dat je in Nederland meer begrip vindt voor een eerder leven in de zeventiende eeuw dan voor een verblijf in een Japans interneringskamp.’ Die is raak. Verder krijg je het idee dat de schrijver veel over astrologie weet. Totdat hij een uitglijder maakt bij huisnummer 47. ‘Vier plus zeven is elf, Neptunus.’ Fout. Dat moet Uranus zijn. Geen Neerlandicus die dat ziet natuurlijk.