Ik werd vandaag geïnterviewd door een journaliste die mijn nieuwste boek verbazingwekkend goed gelezen had. Ze had het tweemaal gelezen en haalde alles omhoog wat ik onder het wateroppervlak mee laat drijven. Is dat geen genoegen?
Tagarchief: lezen
Het verloren lied 9
Mevrouw Langenacht-Van Straeten bleef een maand logeren. Ze at nauwelijks van de speciale maaltijden die mijn moeder in een zeldzame bevlieging van kookkunst bereidde. Ze staarde over tafel uit het raam, waarachter de bomen van het Zuiderpark aarzelend begonnen te bloeien. Ze zweeg. Ze zwegen alledrie aan de ronde tafel. Ik wilde vragen over grootvader, maar dat werd me verboden. Toen vertelde ik hun van het lied dat ik hoorde die avond in het lege huis. Ik neuriede wat, zong meer met mijn handen. Er kwam geen reactie. Vonden ze het ongepast of onmuzikaal?
Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek
De correctieronde van mijn nieuwe boek
Ziezo, de correcties van mijn manuscript vielen gisteren zowaar in mijn brievenbus. De uitgever had ze al op vrijdag gepost, maar sinds de industriële revolutie rond 1900 is de snelheid van de post niet meer toegenomen, integendeel. Een envelop met een stapel A4-tjes doet vier volle dagen over een afstand van 60 kilometer. Dat is 15 kilometer per dag en gemakkelijk te lopen. De PTT / TPG / TNT kan de bestelbusjes dus in de plomp gooien en Nordic-wandelaars met rugzakken op pad sturen. En passant voer je de verhoging in van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 naar 67 jaar. Maar ik was niet van plan te gaan klagen, schelden, grommen, mopperen of katten. Ik ben blij mijn manuscript terug te zien, vol met op- en aanmerkingen in rode inkt en potlood. Rood moet, potlood mag. Ik ben redelijk braaf, maar Indo met een kleine letter i gaat er bij mij echt niet in. Indo met een hoofdletter is namelijk een statement.
Eigennamen krijgen bij mij altijd komma + s. Ik houd niet van geplak van s’en aan namen. Het is bij mij niet Donovans ballade, maar Donovan’s ballade. Ze mogen blij zijn dat ik me aan die bezopen spelling houd. De uitgever had me al gewaarschuwd: ik zou ditmaal een echte muggenzifter krijgen. De stijl van deze corrector lijkt een beetje op die Sonatine voor zes vrouwen (1996) deed. Ik dacht dat dit soort correctoren uitgestorven was, of tenminste wegbezuinigd, maar gelukkig liggen ze nog niet allemaal in hun graf. Wie weet komen ze zelfs weer terug, want we hebben het managerstijdperk nu wel achter ons, dat gedoe van mensen ontslaan en er zelf met de kostenbesparingen vandoor gaan. In het circus van smijten met geld en pletten van personeel is het oog voor zoiets als kwaliteit wat vertroebeld geraakt. Ik heb zelfs gehoord over uitgevers die werkstudenten manuscripten persklaar lieten maken en allerlei turbotaal voorstelden in het proza van een honderdjarige. Nou ja, goed, laat de auteur dan 50 zijn geweest.
De dood van zijn vrouw drukte zwaar op zijn gemoed. Hij baalde er onwijs van dat zijn vrouw de pijp uit was.
Ik verzin maar even een voorbeeld.
Nog eentje? Goed:
Ze gedroeg zich nogal aanminnig die avond bij de Karstens. Ze hing echt de slettebak uit die avond bij de Karstens (ja doei andere naam verzinnen graag, lijkt wel terug naar de vijftiger jaren).
Ja, goed gezien: “vijftiger jaren” is fout. Moet zijn: jaren vijftig.
Enfin, het boek dat twee jaar terug al werd aangekondigd maar door allerlei oorzaken niet verscheen, gaat in productie. De titel luidt nog steeds Rivier de Lossie. Een voorpublicatie in Archipel Magazine is wat gedateerd, de heleboel is herschreven. Als alles meezit, komt het uit in april. In de komende twee jaren komen er, crisis of niet, nog twee boeken achteraan, dus dan weet u dat alvast (smile).
Het is zegge en schrijven negen jaar geleden dat ik met fictie in boekvorm kwam. In de tussenliggende periode heb ik mij bezondigd aan het schrijven van columns, recensies, verhalen, essays en artikelen. Zelfs de journalistiek heb ik niet gemeden met interviews, editing en redactiewerk. Nou viel die periode mooi samen met het opgroeien van mijn zoon. Hij is nu zestien en heeft dus niet zoiets als een afwezige papa gehad, integendeel. Hij gaat me minder nodig hebben en dat is even wennen voor me – ik ben namelijk nogal zorgzaam – maar er komt nu zoveel tijd vrij dat ik wel weer aan een tweede schrijversleven kan gaan beginnen.
Er is veel veranderd in het literaire klimaat, maar ondanks de digitale revolutie zijn sommige zaken hetzelfde gebleven. Zoals het handmatig corrigeren van een manuscript. Er is geen hond die dat op een computer kan, het moet echt met pen of potlood. Papier brengt fouten aan het licht, beeldschermen doen teksten alleen maar mooi schijnen. Ik meen zelfs de geur van tabaksrook van de A4-tjes te ruiken. Volgens mij zijn het sigaren die de corrector rookt. Een vluchtige blik op de graffiti die hij over mijn proza heeft uitgestrooid, doet vermoeden dat hij erg goed is. Toch lijkt een parfumgeur me de volgende keer ook niet gek.
Zeg, kun je me haar telefoonnummer niet even geven? Ik kan haar handschrift niet goed lezen. Hey hallo, aangenaam, even afspreken ergens? Weekje Canarische Eilanden samen? We doen die correcties dan wel ’s morgens bij het ontbijt. Life is a piece of cake, ain’t it baby?
Megapolis
De eerste serieuze lentedag van dit jaar hield me thuis. Te lui om te gaan fietsen, ben ik op balkon gaan zitten lezen in Welkom in Megapolis. Non-fictie, pas verschenen, ik was op de boekpresentatie, die angstvallig werd gemeden door jonge lezers. De Nederlandse filosoof en publicist Jan-Hendrik Bakker laat zijn gedachten gaan over verstedelijking, wonen, de gevolgen van het internet voor ons beeld op de wereld enzovoort. Zijn referentiekader doet soms wonderlijk aan, maar er zitten voldoende eyeopeners in zijn tekst die het boek behoed voor de prullenbak. Lezen in de zon op het balkon is wel lekker na zo’n kil voorjaar met glimlachvreemde mensen op straat. Ghana Waves Radio speelt op Winamp. De mens is een associatief wezen.
Het zijn maar foto’s
Ik heb mijn boekenkast afgezocht naar een essay van een schrijfster die ooit beweerde dat fotograferen geen kunst is. Ik kon het niet vinden, of ik was te lui om het te vinden, mijn boekenkast is een doolhof, werkelijk. Als ik me nou de naam van de schrijfster maar herinnerde, dan zou dat het zoeken een stuk makkelijker maken. Het is een Amerikaans schrijfster, geliefd bij literatuurwetenschappers die met hun hoofd en niet met hun hart lezen. Ze schreef of zei ooit dat fotograferen niets anders is dan simpelweg een knopje indrukken. Ik ben het daar wel mee eens. Natuurlijk heb je zoiets als een oog nodig, timing, gevoel voor verhoudingen and all that, maar voor de rest is het toch echt simpelweg een knopje indrukken. Kijk maar op het internet: de fotoblogs zijn niet van de lucht. Veel foto’s van luchten trouwens, zonsondergangen, de regenbogen vliegen je om de oren. Ik heb een simpel cameraatje, een paar jaar geleden inderhaast gekocht ergens in Indonesië, ik dacht dat ik wel foto’s kon gebruiken voor een beetje couleur locale. Nooit gebruikt. Ik kijk naar binnen als ik schrijf. Kortom, ik neem fotografie niet serieus. Natuurlijk mag niemand daaronder lijden. Toch heb ik gisteren een slachtoffer gemaakt: niemand minder dan mijn eigen tweelingbroer. Now, ain’t that no shame? De jongen moest op voor een jujutsu-examen en ik zat tussen het publiek. De sensei vroeg me of ik foto’s van mijn broer wilde maken en griste diens fototoestel bij hem vandaan (wat moet een jujutsuka ook met een camera op de mat, dat is tegen alle regels). Ik kreeg het in mijn handen geduwd en zag meer dan één knopje. Het duizelde me, werkelijk. Fotograferen is in elk geval moeilijker gemáákt dan toen in de jaren dertig die Amerikaanse schrijfster, wier naam u maar van me tegoed moet houden, zo op dat ene knopje afgaf (niks Freudiaans, I presume). Ik keek wat dom om me heen en vond een slimmerik die het toestel op automatic zette. Daarna ben ik gaan schieten: veel broer, veel mooie vrouwen. Het gaat tegenwoordig bijzonder snel met die foto’s, dus ik kreeg vandaag al bericht. Ze waren allemaal mislukt, vanwege een verkeerde instelling, iets met een knopje. Plus… ik had alle voorgaande 400 foto’s die mijn broer had gemaakt, overschreven. Dat betekent: uitgegomd. Mijn broer was niet boos, zijn examen was immers geslaagd. En ik heb de persoonlijke herinnering weer eens een dienst bewezen.
Alles is plagiaat
Ik weet niet meer van wie deze krasse uitspraak afkomstig is. Ik ben zelfs bang dat ik haar uit een of ander lullig boekje heb vol aforismen. Het idee erachter is simpel. Je geheugen wordt gevoed door alles wat je leest. Hoe meer je leest, hoe groter je referentiekader. Maar wie houdt dat referentiekader schoon? Beelden die je hebt uit boeken vermengen zich met beelden uit je eigen waarneming. En die komen overal vandaan. Soms doet iets je ergens aan denken, maar je weet niet precies aan wat. Dat had ik vandaag toen ik opstond na een geslaagde nacht- en ochtendrust (ik was niet blijven doorwerken en vanachter mijn bureau direct mijn nest ingerold, zoals gisteren, ditmaal was ik eerst nog wat gaan zappen op YouTube – martial arts doen het goed bij me). Het stuk proza dat deze maand bij mij door de mangel moet heeft een oerversie, een kladversie en een verkrachte versie (= een door de schrijver eigenhandig verpeste tekst). De kladversie is het best maar moet worden bijgewerkt met frasen uit de verkrachte versie. Het verhaal speelt ergens aan een water. Maar had ik niet ooit ergens iets dergelijks gelezen? Maakte ik me om zo te zeggen schuldig aan plagiëren in onschuld? Had ik het van Albert Camus misschien? Ik viste iets uit de lange rij ongesorteerde pockets in mijn boekenkast: De val (1985), vertaling van La Chute (1956). Het omslag deed het ergste vrezen. Water! Maar na het herlezen van de eerste tien bladzijden en nog wat geblader tot het eind was ik gerustgesteld. Ik herinner me dat ik het toentertijd een melig boek vond. Wat ik nu zie is dat de man geweldig kon schrijven. De hoofdpersoon is wel nog even melig als toen. Het proza net zo melig als de verkrachte versie van mijn tekst…
Schrijfles
Ik ontving vandaag een jonge vrouw die mij maanden geleden een manuscript te lezen gaf. Het was een novelle en toch heeft het me veel werk gekost. Ze is de laatste persoon voor wie ik dit soort klussen gratis doe, want het kost veel tijd je in te lezen, het manuscript te ontleden en er dan ook nog redactionele aanwijzingen bij te zetten. Redacteuren die bij uitgeverijen werken, doen dat in de regel heel vluchtig – dat is onder meer een reden waarom ze zoveel manuscripten terugsturen, ze hebben gewoon geen tijd voor al dat werk – maar ik ben consensieus te werk gegaan. De novelle had dat ook wel verdiend, de jonge vrouw ook want haar moeder kan heerlijk rijsttafel maken en is zo ongeveer een zus van me. Bent u uitgever en uit commerciële overwegingen nieuwsgierig naar de schoonheidsfactor van deze jonge vrouw, dan kan ik u zeggen dat die hoog ligt. Goed gebekt ook, kan zó in een late night talkshow. Verder is ze intelligent en heeft ze niet éénmaal gezegd dat ze het eigenlijk zus of zo bedoelde, wat je bijna altijd hoort van schrijvers in spé. Ik heb haar verteld over het klassieke verschil tussen de novelle en de roman, haar gebruik van trucs ontbloot en gezegd dat ze niet bang moet zijn voor eenvoud. Toen ze vertrok droomde ze hardop over een uitgever en ze liet zich ontvallen dat er momenteel wel héél erg veel mensen zijn die schrijver willen worden. Was het niet zo? Ja…
Meelezen (2)
Ik heb Het dwaallicht (1946) van Elsschot ook maar herlezen. Er was weinig over van de magische bekoring van weleer. Ik herinner me dat ik vroeger bijna als een aap op de rug van de verteller had gezeten op zijn dwaaltocht door de havenstad. Nu bekeek ik de tekst met distantie. De tekst moest me weer opnieuw zien te veroveren. Ik ben onderhand zo’n verwende lezer, dat ik gemakkelijk iets beters uit de kast kan trekken. Maar ik lees nu mee met mijn zoon. Van Elsschot werd ooit gezegd dat zijn Nederlands vlekkeloos was. Nou valt dat wel mee. Maar hij schrijft wel fraaie zinnen soms, die ogenschijnlijk eenvoudig zijn neergepend maar waar waarschijnlijk lang over is nagedacht. Er zijn ook schrijvers die zinnen typen waaraan je kunt zien dat er flink aan is geschaafd. Dat idee krijg je bij Elsschot nergens. Het dwaallicht is een goed voorbeeld voor wie iets in de onvoltooid tegenwoordige tijd wil schrijven. In de meeste gevallen mislukt dat. In enkele gevallen krijg je iets heel goeds. Het dwaallicht heeft iets kleinburgerlijks en zuinigs, maar de betwijfelde Jezusfiguur in het geloof van de christelijke hoofdpersoon en het medelijden dat hij krijgt van de islamitische Afghaanse zeelui maken de novelle weer actueel. Het racisme van toen had overigens weinig consequenties. In de novelle kwamen de Afghanen maar even passagieren aan wal, op zoek naar een vrouw, om vervolgens te vertrekken. Nu blijven ze liever en krijgen ze niet alleen spot over zich, zoals weleer, maar haat.
Strijd der ego’s
Gisteren rondde ik een verhaal af op 1200 woorden voor Archipel Magazine. Dus geen 1203 woorden, of 1198 of zoiets, nee: 1200. Ik ben erg overdreven in het tellen van woorden. Je wordt bij voortduring gedwongen steeds je tekst weer helemaal door te lezen. Je komt altijd wel iets tegen dat eruit kan, of bondiger kan worden geformuleerd. En anders betrap je jezelf wel op vaagheden. Het tellen van woorden moet snel en makkelijk gaan, reden waarom ik het schrijfpakket van Open Office nooit serieus ben gaan gebruiken. Nu eindelijk een dergelijke functie eenvoudig is ingebouwd, deugt de spellingchecker weer niet. Een spellingchecker is belangrijk voor wie in een taal schrijft met een spelling die door een stel idioten een aantal malen per eeuw overhoop wordt gegooid. Ik schrijf balkon nog steeds met een c. Jules Deelder schijnt sigaret nog met een c te schrijven. Spelling is voor apen zonder creatief vernuft. Maar daar wilde ik het helemaal niet over hebben. Ik wilde alleen maar zeggen dat het heel spannend is om voor Archipel Magazine te schrijven. Het tijdschrift dreigde al een paar keer te verzuipen in het geweld van gratis kranten en magazines, maar wist zich toch steeds overeind te houden. Het is treurig dat allerlei tijdschriften uit Indische hoek nooit tot samenwerking hebben kunnen komen. Eén groot blad, daar droomde ik van toen ik in 1998 per ongeluk een stap in die Indische wereld zette. Ik had nog geen idee van de kleinzieligheid in de strijd der ego’s.
De slaapwandelaar
Mijn zoon heeft Neptunus in het eerste huis van zijn horoscoop en dat maakt hem wat dromerig. Hij is vergeetachtig, een eigenschap waar ik jaloers op nou moeten zijn met dat krankzinnige olifantengeheugen van me. Toen ik hem gisteravond per openbaar vervoer wegbracht naar zijn grootmoeder, bij wie hij zou overnachten, ontdekte hij halverwege de reis dat hij de oplader van zijn mobiele telefoon was vergeten. We stonden op het busplatform van Den Haag CS, in de omtrek waarvan ik ooit 16 jaar lang woonde en nu een labyrint van bouwputten de lucht vervuilen, in harmonie met de Utrechtse Baan, via welke dagelijks een paar honderdduizend auto’s de stad in- en weer uitgaan. Mijn zoon en ik maakten rechtsomkeert in zo’n afgrijselijk voertuig van Randstadrail, dat hopeloze project dat nog altijd kinderziektes vertoont, en haalden de oplader van zijn gsm op. Ik moest nog een vriend bezoeken en begeleidde hem naar de tramhalte, ik had geen tijd meer om hem naar zijn grootmoeder te brengen. Vanmiddag belde hij op vanuit Parijs, waar hij met zijn grootmoeder lekker op een terrasje aan de Seine zat. Hij belde me omdat hij naar zijn zeggen niet kon sms’en. Ik bevond me toevallig in zo’n telefoonwinkel en daar zeiden ze me dat met +31 voor elk Nederlands nummer het sms’en vanuit Parijs zou moeten gaan. Ik heb nog altijd geen sms gekregen, maar hij zal het wel goed maken met zijn Neptunus in het eerste huis. Ik bedoel: zulke mensen komen al dromend altijd wel op de goede plek terecht. Zijn grootmoeder kennende zal hij ook wel niet in een kinderachtig hotel verblijven. Lekker zappen in de avond op zijn hotelkamer, of lezen in het boek dat hij uit mijn kast heeft getrokken. Croissantjes in de ochtend als krachtvoer voor de vele culturele uitstapjes waar zijn grootmoeder hem op zal trakteren. De vrouw is een connaisseur. Ze zal hem vast heel veel vertellen en laten zien en hij zal ongetwijfeld heel veel vergeten. Op dat ene mooie meisje na, dat hem op zekere dag in een flits zal passeren.