Schrijvers vanuit de verdediging

letterenhuis Verleden week vierde het Letterenhuis zijn nieuwe onderkomen met een bescheiden feestje voor het team, schrijvers en nog zo wat lui die eromheen hangen. Het is soms wel aardig om een troep van je collega’s bijeen te zien: nieuwkomers en oudgedienden. Ik herinner me te hebben staan babbelen met Anja Sicking, Mohana van den Kroonenberg, Marian Boyer, Kester Freriks en Nicolaas Matsier. Mijn redacteur liep er ook rond en hij gaf me het advies om vooral de ruimte te nemen in mijn roman-in-wording, omdat ik toch al geserreerd kan schrijven. Alsof hij mijn gedachten las. Gepriegel in novellen, waarin geen enkele zwakke bladzijde mag staan, is een geweldige uitdaging, maar als het verhaal vraagt om een roman dan moet dat maar. Het is lang geleden dat ik aan zo’n omvangrijke klus werkte: Het verloren lied.

In het huidige politieke klimaat krijgen kunstenaars de wind van voren. Het grote publiek denkt inmiddels dat kunstenaars vele miljoenen opslurpen uit de subsidiepot zonder er daadwerkelijk iets tegenover te stellen. Ook schrijvers worden intussen gevonden door subsidiespeurders die met de verbetenheid van wolven achter hun gesubsidieerde werkplekken de jachthoorn blazen. Het jongste tijdschrift van het Nederlands Letterenfonds, een jonge fusie van het Fonds voor de Letteren en het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds, slaat dan ook een verdedigende toon aan. Stukken van allerlei schrijvers moeten de onwetenden duidelijk maken waar een schrijver staat, wat een schrijver doet en wat een schrijver betekent voor het land en de taal waarin hij of zij schrijft. Het heeft iets weg van roepen in een woestijn, want welke onverlaat leest zoiets als drukwerk van het Nederlands Letterenfonds? Quotes van buitenlandse uitgevers en schrijvers staan op het omslag, dat wordt gesierd door een oude boom, die zich in tweeën splitst:

“De wereld van het woord en dus de boekenmarkt verandert volop. Veel uitgeverijen van nu produceren en gedragen zich alsof ze deel uitmaken van de ‘entertainmentindustrie’ en niet van de markt van ideeën.” – André Schiffrin.

Mwah, niet bijster fraai neergepend, tamelijk onvolledig ook, maar het is een redelijk statement.

“Ik geloof niet dat de digitale technologie de functie van de uitgever radicaal zal veranderen de komende jaren. De selectieve functie is het hart van ons vak. Ik denk dat het papieren boek en het e-book gedurende een heel lange tijd naast elkaar zullen blijven bestaan, en ik geloof niet dat het papieren boek ooit totaal zal verdwijnen.” Jean Mattern.

Hier is de tweede zin het sterkst. Die gaat over het scheiden van het kaf van het koren. Over de rest valt te discussiëren en of het papieren boek nooit zal verdwijnen, daar heb ik mijn twijfels over. Maar dat heeft natuurlijk niets te maken met de creativiteit van de schrijver.

De mooiste quotes staan binnen in het blad. Arnon Grünberg vraagt zelden direct subsidie aan, maar is collegiaal en slim genoeg om zijn broeders en zusters niet af te vallen, zoals Boudewijn Büch gewoon was te doen. Ook grijpt Arnon Grünberg weer eens zijn kans om Nederland met Duitsland te vergelijken. Dat lijkt een olijke hobby van hem. Op zijn weblog liet hij eens weten dat Duitsers Nederlanders in beleefdheid verre overtreffen. Nou is dat natuurlijk al zo sinds de VOC, sla er de scheepsjournalen van Duitse lieden maar op na. Maar toch een enorme sneer voor de goede verstaander.

Iemand als Cees Nooteboom verbaasde zich eens over het respect die de Amerikanen voor schrijvers tonen: in New York rolden ze een rode loper voor hem uit toen hij eens een literaire prijs kwam ophalen. Hopelijk is hij niet door dat ene voorval zo verschrikkelijk naast zijn schoenen gaan lopen, maar dit terzijde. Gauw terug naar Arnon Grünberg:

“Dit kabinet is in het zadel geholpen door kiezers die zich er niet voor schamen dat ze meer van hun auto houden dan van Goethe. Een Nederlands verschijnsel trouwens, soortgelijke geluiden hoor je zelden in Duitsland. Dat zo veel Nederlanders deze voorkeur hebben, valt te betreuren, maar het is de realiteit. Om Brecht te parafraseren: je kunt het volk wel afschaffen, al zal dat ook in 2011 niet zonder bloedvergieten gaan.”

Nogal gammel geformuleerd, maar de parafrase mag er zijn.

De mooiste quote komt van Marjolijn Februari:

“Nederland hecht een groot belang, een publiek belang, aan schrijvers. Het enige probleem is dat niemand ze wil betalen.”

Uiteindelijk kom je uit op het begrip kwaliteit. Wat is kwaliteit? Wie bepaalt het? Het vervelende is, dat kwaliteit een beleving veroorzaakt die direct met taalgevoel verband houdt. En gevoel is een fenomeen zo ongrijpbaar voor de meeste mensen, dat ze het verwarren met emotie.

vrijdag 23 september 2011

Het Indische meisje in de Nederlandstalige populaire muziek

In de jaren vijftig en zestig was het Engels nog niet zo dominant als nu in de populaire muziek. Het was heel gewoon dat artiesten hun liedjes in verschillende talen zongen. Ook werden er veel liedjes vertaald. Muziekuitgevers floreerden met het uitgeven van bundels voor orkestjes die in de weekends in allerlei gelegenheden speelden. Kopieerapparaten waren onbekend, muziek werd levend gebracht en de jukebox was voor ranzige cafés, waar het nette publiek niet kwam.

Jaren geleden gaf een muziekleraar de brui aan zijn beroep en liet me zijn enorme verzameling bladmuziek na. Het was zo’n ouderwetse muziekleraar, die les gaf in verschillende instrumenten: gitaar, piano, accordeon, viool, saxofoon etc.

De stapels bladmuziek waren vergeeld, het doorspelen van de partituren zou me jaren kosten en me al net zo lang de ene na de andere aha-ervaring geven. Want als kind zat ik veel bij de radio – ik schreef er Het verloren lied over – nauwelijks in staat al die teksten te verstaan, terwijl de melodieën zich diep in mijn herinnering nestelden.

Het liedje van de Zangeres Zonder Naam in de vorige post – Hij was maar een neger – was een origineel Hollands product dat ik, tot voor kort, nog nooit had gehoord. Ik herinnerde me vaag een dergelijk nummer over een Indisch meisje en vond het terug in de stapel antieke bladmuziek van de oude muziekleraar. Het nummer heet Klein Indisch meisje en staat in een bundel met het volgende opschrift:

MOLEN MUZIEK HOLLAND
PRESENTEERT:

De Grote Successen

1 Kus-kus-polka
2 Als vreemde klokken luiden
3 Waar ga je heen, clochard?
4 Klein Indisch meisje
5 Tabé ouwe reus
6 Moeders mooiste (ben je niet)
7 Ze hebben van de week (m’n hoed gegapt)
8 Paramaribo-wals
9 Geef mij een liedje en een lach
10 Evelien-Josefien-Carolien
11 Geef mij een knipoog (vertaling)
12 Een liedje uit Cuba (vertaling)
13 Laat het geld maar rollen

Nou, kostelijke titels uit een wat minder haastige tijd, waaruit toch vooral een openheid spreekt voor andere culturen en verschoppelingen of pechvogels. Muziek uit Amerika was wel sterk in opkomst, maar de molenmuziek hield nog stand.

Indertijd woonden er nog altijd Indische Nederlanders in het onafhankelijk geworden Indonesië. Maar op 5 december 1957, ook wel bekend als Zwarte Sinterklaas, verklaarde de Indonesische regering alle Nederlanders staatsgevaarlijk. Er zat al een grote groep Indische Nederlanders in Holland en de overheid was er niet onverdeeld blij mee. Uiteraard waren er mensen die zich het lot van die groep aantrokken. Dat moest natuurlijk worden bezongen.

oude bladmuziek klein indisch meisje

Click op het plaatje voor een vergroting en je ziet aan het begin van de partituur staan: Krontjong tango. Nou weet ik wel het een en ander van muziek, maar van een krontjong tango heb ik nog nooit gehoord. Ik moet er dan ook wel erg om lachen. Het lied is een origineel Hollands product – hoe kan het ook anders wanneer het om een Indisch meisje gaat – en is geschreven door het inmiddels vergeten duo Aat Daale (tekst) en Pierre Biersma (muziek).

Als we de muziek even laten voor wat het was en de tekst doorlezen, dan zien we behoorlijke verschillen met de tekst van Hij was maar een neger.

Klein Indisch meisje

Er kwam weer een schip uit de tropen vandaan,
Een meisje dat staart voor zich heen.
Ik zie in haar donkere ogen een traan,
Zij voelt zich hier vreemd en alleen.

Klein Indisch meisje, ik zie je daar staan,
Hunk’rend naar liefde en troost.
’t Is je zo vreemd dat je weg bent gegaan,
Ginds uit dat land in de oost.
Daar was het warm en scheen altijd de zon,
Daar stond je ouderlijk huis.
Klein Indisch meisje, toe wees niet bedroefd,
Ook hier is voor jou weer een thuis!

Het lot bracht je hier in dit drassige land,
Met sneeuw en met regen en kou.
Maar hier is het veilig en vind je de band
Die ’t vaderland ook heeft met jou!

Klein Indisch meisje… (etc)

© World-Copyright 1958 by “MOLEN-MUZIEK-HOLLAND” Amsterdam
Voor België, Koloniën en Luxemburg “METROPOLIS” Antwerpen

*Let even op de “Koloniën” in de copyrights notice. Dit is, om zo te zeggen, ‘historisch materiaal’.

Het liedje verscheen zeven jaar voor Hij was maar een neger. Je zou makkelijk kunnen denken dat in die zeven jaar Holland racistischer is geworden. Dat lijkt me niet, al is het wel zo dat binnen het kader van racisme en seksisme voortdurend accentverschuivingen plaatsvinden. Het maakte nogal verschil of je een ‘Indisch meisje’ was of een ‘neger’. Over beiden werden wilde verhalen rond gefluisterd. Indische meisjes zouden gewilliger en lekkerder zijn dan Hollandse meisjes. En negers zouden topsporters zijn bij het liefdesspel. Het is niet moeilijk te raden wie de aantrekkelijkste was en voor wie werd gevreesd.

Racisme en de Zangeres Zonder Naam

Het internet heeft geen plaats voor ironie. Ik weet niet waar dat aan ligt. Er zou geen verschil moeten zijn tussen een tekst op papier en een tekst in een blog die je op je beeldscherm leest. Maar dat verschil diende zich al snel aan toen het e-mailen rond de eeuwwisseling een enorme vlucht nam. Je moest leren schrijven met emoticons, wilde je goed begrepen worden. De smiley is het bekendste voorbeeld. Vergeet je die achter een ironische zin te plaatsen, dan kan je in de problemen komen en soms woedende reacties oproepen. Overigens is ironie in boeken of aan de kletstafel al veel langer een struikelblok voor minder fijnzinnige geesten.

Onlangs hing ik rond op Facebook. Uit balorigheid begon ik oude Hollandse liedjes te posten. Zuiderzeeballade van Sylvain Poons. Cimeroni van Anneke Grönloh. Kleine schooier van De Trekvogels. Twee reebruine ogen van De Selvera’s. Melige liedjes van Rijk de Gooyer. Surfend op YouTube stuitte ik op een oud liedje van de Zangeres Zonder Naam. De titel:

Hij was maar een neger

Het bleek dat weinig mensen mijn balorigheid in de gaten hadden. Dat was zo erg niet. Maar toen ik met dit nummer kwam, was de boot aan. Terwijl ik in een deuk lag van het lachen om de tijdgeest van de jaren zestig, raakten enkele mensen echt in verwarring. De tekst van het lied luidt:

‘t Liep tegen Kerstmis, hij zocht in de stad
Of iemand voor hem soms een kamer nog had
Maar waar hij ook kwam, even keek men hem aan
Dan schudde men ‘nee’, en dan kon-ie weer gaan

Hij was maar ‘n neger, zo’n zwarte
Zoiets haal je niet in je huis
Omdat je ‘t noodlot dan tartte
Want die zwarten zijn immers niet pluis

Hij zag door de ramen de kerstbomen staan
Met glinst’rende bellen en lichtjes eraan
Hij hoorde gezang, ozo vroom en devoot
Terwijl men voor hem alle deuren goed sloot

Hij was maar ‘n neger, zo’n zwarte (etc)

In ‘t kerkje dat noodde, daar knielde hij neer
Bij ‘t ruw-houten kribje, van ons Lieve Heer
Toen vroeg-ie zich af of dat kindje zo klein
Alleen maar voor blanken geboren zou zijn

Hij was maar ‘n neger, zo’n zwarte (etc)

Gesneden koek voor mij. Immers in de jaren zestig werd ons geleerd om medelijden met ‘negers’ te hebben. Vooral die in Amerika hadden het zwaar. Tijdschriften als De Panorama stonden bol van fotoreportages van ‘negers’ die in getto’s door politieagenten overhoop werden geschoten. Martin Luther King was een man voor wie je ontzag moest hebben.

Intussen liepen er in Nederland nauwelijks ‘negers’ op straat. Je zag voornamelijk Hollanders, wat Indo’s, een paar Ambonezen, Italianen en dat was het dan wel zo’n beetje. De ‘neger’ dook pas op na de onafhankelijkheid van Suriname, toen de helft van Paramaribo het vliegtuig nam naar Holland. Dat was tien jaar na verschijning van het lied Hij was maar een neger, geschreven door Johnny Hoes in 1965.

Het lied had een provocerende boodschap, want het werd gebracht rond de kerst. De tekst is een variant op Jozef en Maria, die rond de kerst ook nergens welkom waren. Zo beschrijft de tekstdichter in het derde couplet het lot van de neger die van deelneming aan het kerstfeest wordt uitgesloten.

Als jochie van 14 begreep ik die tekst onmiddellijk, en ik zou tien jaar later zelfs persoonlijk in dergelijke situaties verzeild raken bij het zoeken naar kamers. Maar nu, in een tijd waarin racisme niet meer wordt verhuld door schijnheiligheid, is dit liedje voer voor veel onbegrip.

Iemand op Facebook schreef: “Toen ik dit lied voor ‘t eerst hoorde kon ik het ook niet plaatsen…heel raar lied…” Een ander schreef: “Volgens mij komt dit uit de hoed van Robbie Muntz.” Weer een ander: “Ik denk dat het rare van dit lied is, dat het niet overkomt als ‘aanklacht’, je weet dat ze wil aantonen hoe jan-en-alleman denkt, maar je wordt toch in vertwijfeling gebracht…”

Inderdaad. Die Robbie Muntz nam het nummer in 1998 opnieuw op; het werd op een cd gratis verspreid bij de VPRO-Gids. Het plaatje werd door vrijwel alle radiostations geboycot, kennelijk Muntz’ bedoeling. Zijn kompaan Paul Jan de Wint lichtte toe in Muziekmagazine FRET, maart/april 2010: “Het nummer werd in de jaren zestig niet verkeerd begrepen, maar in de jaren negentig dus wel. Uiteindelijk had het goede bedoelingen en konden we heel goed aantonen hoe verward de tijd was waarin we dit nummer opnieuw uitbrachten.”

Als je wilt weten hoeveel verwarring er nu nog rond dat liedje bestaat, moet je het internet maar eens afzoeken. De ene blogger brengt het als een schandaal, de andere blogger legt de boel fijntjes uit, de schreeuwende racisten laat ik maar even voor wie ze zijn.

De Zangeres Zonder Naam nam het in haar levensliederen altijd op voor de underdog, ik dacht toch dat dat bekend was onder het volk: reden waarom ze aan het eind van haar carrière zo populair was in gay-kringen.

Racisme leefde een halve eeuw terug niet minder dan nu. In het huidige tijdsgewricht is het, vooral door de digitale revolutie, alleen maar duidelijk aan de oppervlakte gekomen. Racisme was in de jaren zestig iets wat Nederland niet direct raakte. Met een sociale woningbeleid van één Indische familie in elke straat en ‘negers’ die ver weg in Amerika of in Suriname zaten, kon racisme hier in Nederland eenvoudig worden ontkend. Nu is het een probleem waar de gemiddelde Hollander direct mee te maken heeft en moeilijk raad mee weet. Zelfs de Zangeres Zonder Naam, met haar eenvoudige teksten, wordt opeens door sommigen als dubieus beschouwt. Je zou bijna gaan denken dat ze bang zijn voor hun eigen onderbuikgevoelens.

Racisme is een ervaring. Ik zeg niet dat je het dan zult begrijpen. Racisme is een levenslang thema voor me, maar ik snap er nog altijd helemaal niets van.

Belgisch publiek

ernst-jansz-antwerpen.jpg Mijn uitgever pikte me tegen de avond op voor een ritje naar Antwerpen, district Borgerhout. Theater De Roma stamt uit 1928, in Antwerpen breken ze de boel niet zo snel af als in Den Haag.

Het publiek kwam bedaard aangelopen voor een voorstelling van Ernst Jansz in het kader van zijn Bob Dylan-tournee. Iemand sprak van een typisch Dylan-publiek, maar het was niet zo dat je alleen maar oude hippies zag. Ook mensen die nog geboren moesten worden toen Dylan The Times They Are A-Changing zong waren aanwezig. Ik ving gesprekken op over antizwaartekracht en zwarte gaten, onderwerpen die Dylan volgens mij tot nog toe altijd links heeft laten liggen. Enfin, het was in elk geval geen publiek dat zich dagelijks vermaakt met televisie kijken, chatten op MSN en meer van dat. De dames zagen er goed Belgisch uit, iets tussen Amsterdam en Parijs in. Jansz betrad kalm het podium, een tikje blasé gewend als hij is aan de enorme aandacht die hem in zijn muzikantenbestaan ten deel is gevallen. Hij lichtte zijn vertalingen van Dylan’s songteksten toe en werd bijgestaan door Guus Paat, een goede slide- en hawaiian-muzikant. Opvallend was de keuze van de liedjes.

Mijn voorkeur gaat uit naar Dylan’s verhalen, zoals Tangled up in blue en Lily, Rosemary And The Jack Of Hearts. Jansz heeft een voorliefde voor Dylan’s liefdesliedjes, zoals Tomorrow Is A Long Time en Just Like A Woman. Uitstapjes naar zijn eigen leven laten zien dat hij in zijn nieuwsgierigheid naar Dylan’s liefdesleven ook op zoek is naar zichzelf.

Het publiek was muisstil, zo anders dan in Nederland. Ik sprak daarover met een vrouw achter het buffet. Ze was het ermee eens dat het Belgische publiek beschaafder is dan het Nederlandse. Maar, zo zei ze, Hollanders kunnen zich meer laten gaan en enthousiasme tentoonspreiden. Dat vond ze ook wel wat hebben. Onderweg terug naar Nederland zei mijn uitgever ook zoiets. Belgen applaudisseren beschaafd, fluiten je niet uit als ze je optreden niet goed vinden. Maar een artiest terugklappen doen ze ook niet zo snel en staande ovaties krijg je toch eerder in Nederland dan in België.

Misschien zouden Nederlanders wel wat Vlaamser willen zijn en Vlamingen wat Nederlandser. Een dergelijk ideaalbeeld van elkaar, naast het gebruikelijke gezeur, is nog altijd beter dan complete bevolkingsgroepen stigmatiseren of zelfs de grens zetten.

Frankrijk zet Roma over de grens, Finland volgt… Houden ze niet van Roma-muziek of zo?

Ik ga nog even terug naar de gezellige straat waaraan het theater De Roma ligt. Het was rond middernacht. Ernst Jansz stond nog wat boeken te signeren en mijn uitgever laadde de bus met al wat een standhouder nodig heeft. Ik had het koud, had nauwelijks gegeten en zag aan de overkant een snackbar van Noord-Afrikanen. Ik stak over en ging er naar binnen. In de vitrine lagen niet alleen de gebruikelijk kip en shoarma, nee de helft was gevuld met zeebaars, sardines, garnalen, zwaardvis en wonderlijke groenten. Ik bestelde een broodje met vis en kreeg een enorme gevulde kano met de lengte van een ovalen dekschaal voorgezet. Frites erbij, saus en sla en een glas muntthee voor nog geen 5 euro. Ik vroeg aan de barjongens of ze uit Tunesië kwamen. Nee, het waren Marokkanen. Toen ze hoorden dat ik uit Den Haag kwam, vroegen ze of er Marokkanen in Den Haag zaten. Ja, zei ik, 30.000. Ze keken me verbaasd aan. Zóveel? Ik moest lachen, ze dachten dat ik ze in de maling nam. Gelukkig begonnen we niet over racisme, dat is onderhand zo’n heilloos gedoe. Intussen zag ik alleen maar Noord-Afrikanen de zaak binnenkomen. Geen Belg te bekennen.

Vier, vijf snaren

Op gevoel (6) Vier, vijf snaren

davey Mijn vader was geen gitarist, mijn vader was een drummer, zijn muziek een ritmisch gehamer tegen de papierrol van zijn Remington-schrijfmachine. Bezongen werd de oorlog op Java, tot in detail beschreven. Zijn paranoia nam groteske vormen aan, er viel niet langer met hem samen te leven, de kinderbescherming haalde mij en mijn broertjes en zusjes weg en we zagen hem nog maar om de paar weken op de zondagmiddag tijdens het bezoekuur in een Voorschotens tehuis waar wij waren ondergebracht. De overige zondagmiddagen waren voor onze Brabantse moeder, die in haar vroegste huwelijksjaren als ‘hoer van een Indischman’ was nageroepen wanneer zij met ons over straat ging, en nooit meer over die schaamte heen zou komen.

Op mijn vijftiende verjaardag zag ik mijn vader het hek komen binnenwandelen met een kartonnen gitaardoos onder zijn arm. Het instrument was rood gespoten met een zwarte rand. De hoogste snaar knapte al in de eerste week en ik moest wekenlang sparen voor ik een reservesnaar bij een achterafzaak in een regenachtig straatje in Leiden kon kopen.

Ik was verplicht mijn gitaar aan de muur boven mijn bed in de slaapzaal te hangen, wilde het instrument niet steeds door de barbaarse tengels van mijn groepsgenoten in de dagzaal gaan. Gitaren horen niet aan de muur, ze verwelken, drogen uit, ze lijken op castraten wie de tong is uitgerukt. Maar de huisregels waren zó streng dat ik niet dagelijks op mijn jeugddroom kon spelen.

Op een dag kregen wij bezoek van Davey, een jongen uit het dorp, een Indo met lange haren, een gerafelde spijkerbroek en een spijkerjack waarop een Engelse vlag was genaaid. Zijn bezoek was bijzonder. Ten eerste kwamen er nauwelijks jongens of meisjes uit het dorp naar ons tehuis, omdat veel ouders dachten dat wij er zaten omdat we niet deugden. Ten tweede speelde Davey buitengewoon goed gitaar, zo goed dat zelfs de leiding van het tehuis naar zijn gitaarspel kwam luisteren.

Davey zong ook. Hij kende complete teksten van Bob Dylan van buiten, speelde de liedjes van The Beatles beter dan zijzelf en haalde zelfs muziek uit mijn gitaar als er twee snaren waren gesprongen. Was hij langs geweest, dan klonk mijn gitaar als een harp. Davey was mijn held, hij was groter dan welke popster ter wereld ook.

Toen ik hem vroeg hoe hij op vier snaren kon spelen, zei hij dat het een kwestie van stemming was. Hij draaide wat aan de stemmechanieken en zette de gitaar in een krontjong- of Hawaiian-stemming.

‘Je weet toch wel wat krontjong is, hè?’ vroeg hij me met een lachje, guitig, omdat die muziek allang uit de mode was.

Ik vroeg hem of hij Indorock kon spelen.

‘Ja,’ zei hij, ‘die spelen zó… Maar wij, wij spelen tegenwoordig zó…’

Wie waren ‘wij’? Bedoelde hij onze hele generatie of de tweede generatie Indo’s?

Er was geen tijd voor zulke vragen. Davey communiceerde bij voorkeur via de gitaar. Hij was pas vijftien toen zijn band een plaat opnam en de plaatselijke kranten haalde. Maar zijn band, met twee Indo’s en twee Hollanders, redde het niet tegen de overmacht van Haagse bands als The Golden Earrings, Shocking Blue, Q 65, The Motions of zelfs maar The Incrowd.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Hey, speel jij gitaar?

Op gevoel (3) Hey, speel jij gitaar?

melis stokelaan 1951 Den Haag Zuid-West, jaren vijftig. Lange lanen, eindeloze portiekwoningen, men plant rijtjes jonge bomen die zielig zijn vergeleken met de rimboe waarover mijn vader spreekt. Hier geen tijgers in de struiken rond onze nieuwbouwwoning, geen krokodillen in de zeven sloten die ons huizenblok van Loosduinen scheiden, zelfs geen vleermuizen die je met een jachtgeweer onder het dak vandaan kunt schieten. Wij kinderen doorkruisen een baksteenjungle, we spelen tikkertje en verstoppertje in de zijstraten. Op de lanen kom je elkaar snel tegen. Hollanders zijn groot en sterk maar niet gevaarlijk, ze kunnen me niet inhalen wanneer ze jacht op me maken. Indo’s zijn vaak kleiner maar gevaarlijk, ze kunnen allemaal vechten. Nog erger is dat ze allemaal gitaarspelen. Er ligt bij hen immer die ene borende vraag op de lippen: ‘Hey, speel jij gitaar?’

De een of andere vreemde Indo uit een zijstraat monstert me nadat hij mij de gevreesde vraag heeft gesteld.

‘Tuurlijk,’ antwoord ik.

Hij kijkt onderzoekend naar mijn vingers. ‘Hoeveel liedjes kun jij al spelen? Speel jij Hello Mary Lou?’

‘Nee, nog niet.’

‘Je moet spelen A D E. Weet je?’

‘Ja.’

‘Maar mijn oom, hij speelt C F G, dat is moeilijk, met barré. Hij zit in een band. Zeg, zit jouw vader in een band?’

‘Nee, hij speelt alleen.’

‘Waarom alleen? Zeg, ik woon in de Zwartsluisstraat, kom langs op woensdagmiddag en neem je gitaar mee, ja? Nummer 9.’

Hij wandelt rustig verder, ik kijk hem na, ik zie aan zijn houding dat hij echt gitaar kan spelen. Dát moet mijn lichaam ook gaan zeggen, zó moet ik voortaan over straat lopen.

Eerst snel naar huis rennen, waar mijn moeder opendoet en me toesnauwt dat ik buiten hoor te spelen met dat mooie weer. Ik verzin een smoes, wacht mijn kans af en sluip de verboden slaapkamer in. Ik onderzoek de toets met de positiestippen op de hals van de gitaar en vraag me af hoe lang het zou duren voordat je die snaren ingedrukt kunt houden zonder pijn te krijgen aan je vingertoppen.

‘Ga weg bij die gitaar! Die vader van je vermoordt je nog!’

De Zwartsluisstraat… Die moet ik mijden. Straks roept die Indo me nog naar binnen. Ik moet elke Indo mijden totdat ik op zijn minst Hello Mary Lou kan spelen.

Geen ontsnapping mogelijk. Op een zondagmiddag neemt mijn vader me mee naar ‘Indische kennissen’ aan de Erasmusweg. Het huis ruikt naar gebakken tahoe en ikan teri, de speelkaarten op de salontafel zijn vet. Ik denk dat ik geluk heb wanneer mijn vader me naar de slaapkamer stuurt, naar de kinderen van de familie. Ze zitten er bijeengehokt op een stapelbed. Een van hen heeft een gitaar op schoot. Een lied komt driestemmig uit hun monden en ik kijk steels naar de vingers van het meisje dat de troep begeleidt.

Na het slotakkoord reikt het meisje mij haar gitaar aan: ‘Nu jij.’

Ik grijns en maak een verontschuldigend, afwerend gebaar.

Iemand roept: ‘Wah! Hij kèn niet!’

‘Hij ken wel,’ zegt het meisje, ‘elke Indo ken. Itoe maloe, hij is verlegen.’

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Het verloren lied 20

radio-antenne We verhuisden midden in de zomervakantie, ik was negen geworden, we vertrokken geloof ik met huurschuld, misschien omdat grootvaders toelage weg was gevallen, er werd geheimzinnig over gedaan.

Ons nieuwe huis lag in een blok naoorlogse portiekwoningen aan een asfaltweg met uitzicht op weilanden. In de verte de rotte onderkaak van Loosduinen onder een wispelturige hemel. Op de weilanden graasden paarden, geen koeien. Tussen de asfaltweg en het grasland liep een brede, modderige strook waar een reusachtige onzichtbare hand een lawine van enorme keien had doen neerkomen, ooit. Ze strekten zich uit zo ver mijn oog links en rechts reikte vanachter mijn slaapkamerraam. De jongens uit de straat noemden ze `de rotsen’, ik hoorde hun stemmen door mijn open raam komen terwijl ik speelde op mijn mondharmonica.

Meer lezen over de jaren zestig volgens Alfred Birney? Het boek telt 248 fragmenten over 320 bladzijden. Bestel het bij: BolCom

Het verloren lied 18

radio-antenne

Op een keer liet ik Maria de noten horen die misschien in de buurt kwamen van het lied dat ik ooit hoorde. Ik verzon er iets achteraan en vroeg of ze het mooi vond.
Ze knikte.
Ik maakte er een raadseltje van in de ijdele hoop dat ze met de oplossing kon komen.
`Jij hebt niks lekkers te verloten,’ zei ze, `dus ik zeg niks.’
`Maar weet je het dan wel?’
Ze zweeg en keek een poosje strak naar de portiekdeur.
`Zeg het me nou!’
`Dus je weet het zelf niet eens!’
`Natuurlijk wel,’ zei ik en ik noemde zomaar de naam van Edith Piaf.
Ze kende de zangeres niet. Mijn moeder had die naam genoemd: die zou het kunnen zijn geweest de avond waarop ze grootvaders verdwijning kwamen aanzeggen. Als dat zo was, kende grootvader die zangeres dan? Dat wist ze niet, hoe moest zij dat nou weten.

Meer lezen over de jaren zestig volgens Alfred Birney?
Bestel het boek bij: BolCom

Het verloren lied 17

radio-antenne We hadden ons plekje op de onderste trappen in de portiek. We zaten er na schooltijd, de voordeur van Maria in onze rug, totdat ze door haar moeder naar binnen werd geroepen. Maria zei nooit veel, scheen me soms zelfs niet eens te horen, maar ze luisterde naar mijn mondharmonica. Verder deed ze weinig anders dan van tijd tot tijd haar kniekousen optrekken. Ze waren wit op de zondag, gebloemd door de week. Ze zat stijf rechtop, onder brave eerbied voor haar weerbarstige moeder, strik in het haar op de zondag, speldjes met vlindertjes door de week. Met haar handen vormde ze een kommetje in haar schoot en waakte stil over haar buideltje met snoepjes, waarvan ze me er steeds een gaf voor elk liedje dat ik op mijn mondharmonica speelde. Ze was streng, keurde uitvoeringen af als de noten niet helemaal leken. Soms was ze geraffineerd, afhankelijk van haar voorraad snoepjes. Dan vroeg ze om iets als Olé Guapa, een beroemde tango die zelfs mijn moeder niet op de accordeon kon spelen. Maar met Island in the sun of Catch a falling star verdiende ik moeiteloos mijn snoepjes. We kregen wel eens ruzie, als mijn mondharmonica onder de snoepkruimels zat en vals begon te klinken. Dan sliep ik niet eerder voor ik met een breinaald alle kruimels uit de klankpoorten had gepeuterd.

Meer lezen over de jaren zestig volgens Alfred Birney?
Bestel het boek bij: BolCom

Runnin gag in Rivier de Lossie

Dit is de runnin’gag in mijn recente novelle Rivier de Lossie. Het nummer is opgenomen in 1966 en op een bootleg (illegale LP) verspreid. Er was één exemplaar verkrijgbaar in Den Haag. Ik kocht het op 1 september 1973 (ik noteerde destijds datums aan de binnenkant van grammofoonplatenhoezen. Het nummer The Ferryman’s Daughter is het enige dat de moeite waard was op de hele langspeelplaat. Het bleef mij in elk geval zo lang bij dat het lied een plaats kreeg in een boek van me.