Het verloren lied 15

radio-antenne

Toen grootmoeder vertrokken was, kwam het licht terug in onze woning. En in de hoofden en benen van mijn ouders. Ze konden dansen, die twee, op lakschoenen en in pantalon met krijtstreep, op hoge hakken en in kousen met een naad, zomaar in de huiskamer of in de gang op een liedje uit de radio:

Que Sera Sera
Whatever will be will be
The future’s not ours to see
Que Sera Sera
What will be will be…

Meer lezen over de jaren zestig volgens Alfred Birney?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek hier
.

Het verloren lied 12

radio-antenne Ik lig avonden lang te staren naar het lichtspleetje tussen de gordijnen. Voordat de slaap me vindt, zie ik de grote oceaanstomer met al zijn lichtjes, een fonkelende parelketting in de donkere zee. Mijn grootvader zit ergens verstopt in de grote buik van de danszaal, waar hij speelt voor de mensen in avondkleding. Hij reisde de liedjes na die de wind voor het schip uit blies, de noten dansten boven de golvende ruggen van dolfijnen. Toen verdween hij. Waar is hij gebleven? Als er ¡emand was die me kon helpen het lied van toen op te sporen, dan was hij het.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Het verloren lied 9

radio-antenne Mevrouw Langenacht-Van Straeten bleef een maand logeren. Ze at nauwelijks van de speciale maaltijden die mijn moeder in een zeldzame bevlieging van kookkunst bereidde. Ze staarde over tafel uit het raam, waarachter de bomen van het Zuiderpark aarzelend begonnen te bloeien. Ze zweeg. Ze zwegen alledrie aan de ronde tafel. Ik wilde vragen over grootvader, maar dat werd me verboden. Toen vertelde ik hun van het lied dat ik hoorde die avond in het lege huis. Ik neuriede wat, zong meer met mijn handen. Er kwam geen reactie. Vonden ze het ongepast of onmuzikaal?

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Het verloren lied 6

radio-antenne Op een avond in het voorjaar werd ik wakker van de deurbel. Er waren boodschappers aan de deur, ze klonken bezorgd. Ik hoorde mijn ouders haastig vertrekken, ze vergaten zelfs een blik in mijn kamer te werpen om te kijken of ik wel sliep. Ik ging uit bed en gluurde door de gordijnen naar beneden. Grootvader had een zwarte Citroën, een Traction Avant, maar hij zat niet achter het stuur. Vreemd: twee mannen met witte hoeden lieten mijn ouders alleen voorin stappen en spraken ze nog even toe door de raampjes. Het zag er geheimzinnig uit.

De mannen namen hun witte hoeden af en keken de zwarte Citroën na, die zij eerder hadden bestuurd. Het drong tot me door dat het de leden van grootvaders trio waren. Ik herkende ze opeens van de showfoto bij mijn grootmoeder thuis op het dressoir.

Ze staken de weg over naar de telefooncel bij de kruising. De wind speelde met hun open regenjassen. Ze droegen hun artiestenkostuums, zo te zien. De eerste, een blonde man, ging de telefooncel binnen. De tweede, een donkere man met een snor, bleef buiten wachten en ik zag hem aldoor turen in de richting van ons huiskamerraam. Zag hij mij gluren?

Toen de blonde man weer naar buiten kwam zochten ze een plek uit de wind. Ze zetten hun hoeden weer op, plantten elk een schouder tegen de glazen zijwand en rookten een sigaret in het vale licht van de telefooncel, de hoofden samenzweerderig gebogen bijeen. Even later reden ze weg in een taxi, die hen kwam oppikken, een zwarte Mercedes.

Ik kroop terug in bed en maakte me klein, gespitst op de radio in de huiskamer. Ik dacht geruis te horen, de klank van een verlaten radioweg ergens in de lucht.

Terwijl het grote gordijnoog me aan bed gekluisterd hield, liet de druppelende kraan in de keuken de tijd met een verlammende traagheid verstrijken. De avond liet mijn kamer stilaan uitdijen, de gang werd een lange tunnel met de huiskamer oneindig ver weg. Het huis, al te lang verlaten, vulde zich met de onzichtbaren van de nacht. Toen begon onverwachts de radio te spelen.

Er klonk een knarsend intro van violen en zachte blazers, een klein dwalend orkest dat eindelijk een halte had gevonden. Het bracht een zangeres met een lied, haar stem klonk hoopvol en droevig tegelijk. Ze klonk zo alleen, toch was haar lied oneindig mooier dan een psalm of gezang uit de zuivere kelen van een voltallig kerkkoor. Ik vouwde mijn handen en sloot mijn ogen om me te laten vertellen dat alles goed was. Ergens anders was het goed.

Maar iets deed haar stem beven en ze werd weggetrokken door een machtige hand, heel diep de radio in. Een zenuwachtig morsesignaal probeerde de muziek te verjagen en het lied dreigde helemaal weg te golven in een zee van ruis. De stem werd weggedrongen, het begeleidingsorkest stribbelde tegen en kwam sterk naar voren. Er waren uithalen van zachte blazers hoorbaar, de stem kwam terug maar zonder te willen strijden, gelaten voor wie of wat haar wilde wegjagen. En plotseling was ze helemaal terug, zo helder alsof ze in levenden lijve in de huiskamer stond te zingen.

Ik sprong uit bed en snelde de gang door naar de radio. Ik legde mijn oor tegen de luidspreker en moest aldoor mijn hand aan de zenderknop houden om het lied niet te laten ontsnappen. Zolang de zangeres er was kon mij niets gebeuren, want ze omsloot alles om me heen, het huis, de straat, het park, de hele wereld, alles wat ver en tegelijk zo dichtbij was en zich niet liet grijpen in de zwaarte van de nacht.

Het lied verdween, tegelijk met de dwaalzender. De radio liet weer een zacht geruis horen. De zenderplaat met al die toverachtige namen van buitenlandse radiostations verspreidde zijn warme gele licht. De afstemwijzer hing in de buurt van Radio Monte Carlo. Ik liet hem daar en bleef ineengedoken in grootvaders lievelingsstoel zitten wachten op de thuiskomst van mijn ouders.

Ik staarde naar buiten, over de boomtoppen van het Zuiderpark, en stelde me de zangeres voor op een wolk. Ze stond er met uitgebreide armen, haar voeten in de iriserende randen, de kin geheven naar het oneindige. Eén, twee frasen had ik onthouden en als ik ze neuriede kreeg ik heimwee, niet naar het lied van die oudejaarsavond maar naar dat andere op de bodem van mijn herinnering.

Ik neuriede voor me uit tot ik grootvaders zwarte Citroën terug zag komen. Mijn vader zat achter het stuur, mijn moeder had plaats moeten maken naast hem voor grootmoeder. De zwarte Citroën werd beneden geparkeerd en zou er nog heel lang blijven staan.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Het verloren lied 4

radio-antenne Een naoorlogse laan met jonge bomen langs grauwe huizenblokken tegenover het Zuiderpark. Een kleine driekamerwoning boven een donker portiek. Het is niet ons eerste, niet ons laatste huis. De buren klagen over de saxofoon, de accordeon en de piano. Misschien vragen ze zich af wat mijn ouders doen voor de kost. Leunend met mijn ellebogen op de vensterbank in mijn kamer speel ik voor en na schooltijd op een oude mondharmonica van mijn grootvader terwijl ik omlaag kijk naar het verkeer. Plaveisel van klinkers. ‘s Morgens vroeg gaan de mensen massaal op de fiets of de bromfiets naar hun werk, tegen de avond keren ze terug, hun lege broodtrommeltje onder de snelbinders op de bagagedragers. Huisvrouwen dragen hoofddoeken. Er zijn weinig auto’s. Zij die er een bezitten worden met bewondering vanachter de vitrages nagekeken. Je herkent ze van ver, ze lijken op vogels, dieren of insecten: Opel Captain, Renault Dauphine, Volkswagen Kever. Ik kijk mijn favoriet, de zwarte Citroën met spatborden die golven naar de treden onder de portiers, na zolang ik kan en breng dan weer de mondharmonica naar mijn mond. Als ik maar lang genoeg in het wilde weg speelde, dan zou er vast eens een frase in me opkomen die me dichter bij het lied kon brengen. Of zou ik er juist steeds verder van afdwalen?

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Het verloren lied 3

radio-antenne Het is een tijd waarin de radio dagelijks marsen, walsen en hoorspelen uitzendt en het laatste nieuws besluit met het volkslied. Als de radio in de huiskamer zwijgt, wordt de avond intens, vol van schaduwen, en staar ik uit mijn bed naar het lichtspleetje dat de straatlantaarn tussen de gordijnen tovert. Het kan zich verwijden en verdichten, glimlachen en vals kijken, naar gelang de wind waait. Bij windstilte is ook het gordijnoog stil, zonder enig wenken, en ik staar naar het grote oog van de wereld buiten. Ik durf niet met mijn ogen te knipperen, tel de stofdeeltjes die op mijn netvlies neerdalen en hoop dat ze zijn vergeten de radio in de huiskamer uit te zetten. Dan kan een zwerfzender zich opeens laten horen, eentje die ‘s nachts pas de lucht in gaat aan de andere kant van de aarde.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Het verloren lied 2

radio-antenne

Ze hadden al vroeg in mijn bestaan de radio aangezet als ze ‘s avonds uitgingen. Een vriend die zachtjes spelend de geluiden in en rond het huis verjoeg. Hij klonk ver weg en ik was nog te onbewust om te weten wat hij precies uitzond. Toch waakte hij over me, want als hij zweeg, dan wilde ik roepen. Ik denk niet dat ik ooit om iemand heb geroepen. Met koorts misschien, maar alleen dan.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Het verloren lied 1

radio-antenne Ik hoorde ooit een lied en ben het altijd blijven zoeken. Misschien hoorde ik het op een van die avonden nadat mijn grootvader was vertrokken, ik weet het niet. De laatste keer dat hij scheep ging was aan de vooravond van 1960, in een vreemd huis ergens in de buurt van de haven. We logeerden er rond de jaarwisseling, maar mijn ouders waren uitgegaan. Mijn grootouders hielden de gastheer en gastvrouw beneden gezelschap en ik lag onder een wollen deken op een divan in een halfduistere kamer met om me heen de spookachtige silhouetten van voorwerpen die bij oude mensen hoorden.
     
Een buizenradio verspreidde zijn zachte gele licht. Zijn geruis herinnerde aan een Nederlandse zender die met een sluitingsmelodie van verontrustend eentonige carillonklanken de ether had verlaten. De glazen zenderplaat met zijn toverachtige muizentrappen vol namen van grote radiostations lokte me, maar ik durfde de divan niet af in de vreemde kamer. Ten slotte kwam mijn grootvader boven kijken en zag dat ik nog wakker lag.
     
De man reikte me zijn oude, gebruinde hand en leidde me naar een rookstoel bij het raam. Hij ontstak het schemerlampje op de radio en liet me bij zich op de brede stoelleuning zitten. Achterover geleund fluisterde hij dat ik de laatste uren voor middernacht beslist wakend moest meemaken.
     
Het licht van de radio legde de groeven in zijn gezicht bloot. Men zei dat je kon zien dat hij vaak in de tropen was geweest. De pianist was aan wal geweest, had thuis in Den Haag verlof gevierd, maar hij miste de deining alweer van de zee, de geur van de danszalen op de schepen, het applaus van de passagiers en misschien miste hij nog meer, heel ver overzee.
     
Hij neuriede wat en begon met de knoppen en de toetsen in de grote houten lijst van het radiotoestel te spelen. Ik volgde de kalme bewegingen van zijn tanige vingers. Zijn vingertoppen streelden de ivoren toetsen van de golfbanden met hun confetti van namen en getallen, en hij begon zachtjes te praten. De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het `s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek. De Nederlandse zenders moest ik overslaan, de buitenlandse waren beter. Als mijn vader eens een wereldontvanger op de kop tikte, wie weet vond ik dan ooit een zender uit een land waar hij, grootvader, toevallig verbleef.
     
Hij zou teruggaan naar Indonesië, voor de laatste keer, al was het land niet meer als toen. Sinds de oorlog was het Indië niet meer, zei hij, de mensen waren niet meer zo gastvrij. Maar hij zou nog één keer gaan, op uitnodiging, en dan nooit meer. Als hij terugkwam zou hij zijn oude koffer vol bladmuziek met tango’s openmaken en er Scheveningen mee gaan veroveren.
     
Hij, grootvader Langenacht, hield van Indië maar droomde van Argentinië. Mocht ik eens een tango op de radio horen, dan moest ik maar aan hem denken.
     
Ik knikte.
     
En wilde ik hem beloven later piano te gaan spelen?
     
Ik knikte weer maar voelde me vreemd ongerust.
     
‘Maak je geen zorgen,’ zei hij, ‘als muzikant ben je nooit alleen, zul jij nooit alleen zijn later. Maar bij de radio kan een mens beter wel alleen zijn.’
     
Hij kwam uit de rookstoel en deed iets wat hij nooit gedaan had: hij kuste me op mijn voorhoofd. Toen ging hij weer naar beneden.
     
Ik voelde me een ingewijde en begon omzichtig met de toetsen te spelen, liet bijna vroom de zenderstaaf dwalen langs de zenderschaal. Soms, tussen twee grote zenders weggedrukt, klonk een lied vol heimwee. Dan bewoog ik de afstemwijzer zachtjes heen en weer om te voorkomen dat de muziek wegstierf en vroeg me af hoe dat lied van toen ook weer had geklonken.
     
Ik was het liefst de hele nacht in de rookstoel blijven zitten, met de geur van grootvader om me heen, maar ik werd weggeroepen van de radio door mijn teruggekeerde ouders van beneden aan de trap.
     
Het grote licht in de huiskamer deed me pijn aan de ogen. Mijn ouders, grootmoeder en de heer en mevrouw des huizes vormden een kring rond de salontafel om te proosten op het nieuwe decennium, de jaren zestig, een getal dat een geheimzinnig aanlokkende klank voor me had.
     
De klok sloeg twaalf en de lucht werd versierd boven de daken van IJmuiden. Een lichtkogel trok een streep tussen de kleurige anemonen en hoepelrokken hoog boven de haven.
     
Ze vroegen me of ik het mooi vond, het geknal en gekanonneer in de verte. Ik knikte maar vroeg me aldoor af of grootvader werkelijk naar bed was gegaan, zoals ze hadden gezegd. Misschien zat hij met zijn oor bij de radio en zou hij dat de hele nacht blijven doen.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

These days, de dagen, ja

Iemand maakte dit filmpje in Berlijn bij het nummer These Days , zoals vertolkt door Nico met de Velvet Underground. Het weer van vandaag, de eerste dag van die afschuwelijke wintertijd, deed me eraan denken. Het lied wordt hier niet uitgezongen, daarvoor kun je het best Jackson Brown beluisteren. Hij schreef het nummer op zijn zestiende. Ongelooflijk, niet? Ik speelde en zong het in januari op de begrafenis van een vriend, wiens lijflied het was. Het was dertig jaar terug dat ik op een podium had staan spelen. Ging goed, met een geleende gitaar. Ik sta nog altijd liever met een gitaar op het podium dan met een boek. Dat blijf ik iets bezopens vinden.

Teruggevonden

Dit lied van Richie Havens stond aan het eind van een mziekcasette dat Craig altijd draaide in zijn Volkswagenbusje. Craig was een uit het Amerikaanse leger ontslagen dienstplichtige, die voor een tijdje zijn toevlucht in Nederland had gezocht. Zijn standplaats was ergens in Duitsland geweest. Hij beweerde dat hij er achter DE KNOP had gezeten, waarmee WO-III kon worden ontketend. Dag in dag uit had hij dat éne telefoontje van zijn commandant gevreesd. Craig droeg een baard, net als Richie Havens. Hij reed nooit harder dan 80 kilometer per uur over de Nederlandse snelwegen. Het waren vaak doelloze ritten die we maakten. Martin was erbij. Hij en Craig discussieerden meestal over de zin van het leven. Begin jaren zeventig. We hadden alleen die ene muziekcasette en als Follow was geweest sloeg de recorder af en staarden we zwijgend naar het asfalt dat onder de wielen voortgleed.