Indisch Anders 2010

indisch-anders-2010 Stichting Tong Tong geeft drie bladen uit: De Pasarkrant, De Sobat en Indisch Anders. De Pasarkrant is het informatiebulletin van de Tong Tong Fair voorheen Pasar Malam Besar. De Sobat verschijnt driemaal per jaar voor donateurs. Indisch Anders is de gratis boekenkrant bij het Tong Tong Festival.

Waarom deze kranten niet in één jaarlijkse uitgave worden samengevoegd begrijp ik niet helemaal, al heb ik de ontwikkeling wel zien ontstaan. De naamsverandering van de Pasar Malam Besar in Tong Tong Fair is voor een belangrijk deel ingegeven door de wens om van het eetimago af te komen waarmee de Pasar Malam Besar jarenlang werd achtervolgd. Mij dunkt dat je dan juist een boekenkrant als Indisch Anders in de Pasarkrant stopt, om zo de aandacht te vestigen op het brede culturele aanbod van de Tong Tong Fair. Nu worden boekenlezers apart bediend, wat op zich zo slecht nog niet is, maar de Pasarkrant wordt er naar mijn smaak te mager van. Vrij Nederland werkte ooit zo: een weekkrant waarin een glossy werd geleverd en een boekenbijlage. Dat was wel handig: ik nam de boekenbijlage eruit en maakte met de rest de open haard aan. Toen Vrij Nederland later de boel ging samenvoegen ben ik de rest ook maar gaan lezen.

Indisch Anders is bedoeld voor lezers met belangstelling voor de koloniale en postkoloniale geschiedenis en literatuur. De gratis boekenkrant wordt in een oplage van liefst 50.000 exemplaren verspreid via boekwinkels, bibliotheken, theaters en musea door heel Nederland. De inhoud:

Siem Boon (hoofdredacteur) probeert voor de zoveelste maal wat ik en vele anderen ook hebben gedaan: de positie van mensen uit mengculturen toe te lichten. Een bijna hopeloze taak, maar wie weet gaat het uiteindelijk toch nog lukken… Edy Seriese (directeur IWI) gaat diep in op het boek The Inheritance of Loss, een bestseller van Kiran Desai… Rabin Baldewsingh (wethouder) schrijft een brief aan Tjalie Robinson, multiculturalist pur sang… Nicolette Smabers (schrijfster) publiceert een prozafragment uit een work in progress… Peter van Amstel (musicoloog) gaat in op boeken over Balinese dans en muziek… Sylvia Dornseiffer (directeur Amsterdams Fonds voor de Kunst), Hans Moll (redacteur NRC), Marion Bloem (schrijfster) en ik vormen een kwartet van ‘eminente veellezers’ die hun favoriete boeken van het afgelopen jaar mogen presenteren… Tineke Hellwig (wetenschapper) bespreekt een Maleise roman over Indonesische geschiedenis… Bert Paasman (wetenschapper) bekijkt kritisch de eregalerij van het Letterkundig Museum (waar Indische schrijvers ondervertegenwoordigd zijn)… Leslie Boon (publiciste) komt met een verslag rond het Monument Indië-Nederland in Amsterdam… Siem Boon schrijft een mooi In Memoriam voor Rudy Kousbroek… Eva van Geleuken (neerlandica) interviewt Pauline Slot naar aanleiding van haar boek over de eerste vrouw van Pablo Neruda: een Nederlandse met Indische wortels… Tot slot een oriëntalistische kijk van Pamela Pattynama (wetenschapper) op de film Avatar en verder aandacht voor veel nieuwe boeken…

Je zou wensen dat er geen apartheid heerste in de literaire kritiek en dat het multiculturele verleden van Nederland als vanzelfsprekend week in week uit de pers haalde. Maar nee. Daarom is Indisch Anders niet zomaar een uitgave naast de Pasarkrant en De Sobat van Tong Tong, maar een noodzaak. Of de teksten en besproken boeken ooit onder de ogen komen van het stelletje boerenkinkels dat de canon onnadenkend predikt met hun troeteldier Multatuli op de sokkel als antikoloniale schrijver (wat hij helemaal niet was), valt te hopen. Maar verwachten doe ik dat niet.

De (na)smaak van Indië

Op zondagmiddag a.s., 14 februari, 15:00 u, voer ik in Boekhandel van Pampus te Amsterdam met Lizzy van Leeuwen een tweegesprek over postkoloniaal Nederland, vanuit verschillende perspectieven. Leidraad vormen mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998), mijn postkoloniale polemische bundel Yournael van Cyberney (2001) en Lizzy van Leeuwens geschiedenis van zestig jaar Indisch Nederland: Ons Indisch erfgoed (2008).

Vanwege drukke werkzaamheden aan een nieuw boek heb ik wat laat mijn toezegging gedaan en mijn enige probleem van die dag zal waarschijnlijk dan ook zijn of ik wel op tijd mijn nest uit kan komen. Ik schrijf namelijk ’s nachts tot vroeg in de ochtend en slaap dan een gat in de dag, want de wintermaanden zijn voor mij toch het aanzien niet waard.



Grotere kaart weergeven

Ik sta dus (nog) niet aangekondigd op de site van Boekhandel van Pampus, waar als thema van de middag is gekozen de “Nasmaak van Indië”, naar aanleiding van de uitgave van de moderne vertaling van Multatuli’s Max Havelaar (maart 2010), overigens niet bepaald een van mijn favoriete literaire werken.

Lizzy van Leeuwen en ik zullen beginnen bij de koloniale literatuur en via Hella Haasses novelle Oeroeg (1948) en Tjalie Robinsons ongezouten kritiek op dat boek een link leggen naar de postkoloniale ontwikkelingen in Nederland. Uiteraard is er gelegenheid tot het stellen van vragen.

Aan Indisch 3.0 is gevraagd een korte bloemlezing te geven over wat de jongere generatie Indische Nederlanders bezighoudt. Ook zal Ed Caffin namens Indisch 3.0 een lezing geven.

Het programma is gevarieerd, met film, muziek, hapjes en signeersessies.

Programma

15.00 u Tweegesprek Lizzy van Leeuwen met Alfred Birney
16.30 u Film: Contractpensions – Djangan Loepah! Aansluitend een gesprek met regisseur Hetty Naaijkens-Retel Helmrich.
18.00 u Kalangkang, Sundanese muziek
18:30 u Bijdrage door Ed Caffin, van weblog Indisch 3.0
19.00u Einde

Nasmaak van Indië, 14 februari 2010, 15.00 – 19.00 uur.
Toegang, inclusief snacks: € 5.
Locatie: Boekhandel van Pampus, KNSM Laan 303, Amsterdam

Postkoloniaal naschrift

de-republikein-december-2009 Op het moment van dit schrijven vindt er een Oeroeg-hype plaats in de Modderpoel van West-Europa. De filmversie van het boek wordt op de televisie uitgezonden. Er vinden talloze lezingenavonden plaats met medewerking van wetenschappers die onnadenkend de literaire canon dichtmetselen tegen aanvallen van buitenaf. Als klap op de vuurpijl doedelzakt er een speciale voorleestrein op het traject Amsterdam – Den Haag vol BN’ers die geen idee hebben van de koloniale onnozelheid waarvan Oeroeg doortrokken is. Het hele circus schijnt bedoeld om een discussie aan te wakkeren. Maar obligaat gezemel houdt geen miljoen door de CPNB verspreide exemplaren van het beroerdste boek rond de vrijheidsstrijd van Indonesië tegen. Welk thema moet de discussie eigenlijk dienen? De tragiek in tijden van oorlog of het ‘tragische’ einde van Neerlands koloniale heerschappij?

De ‘tragiek’ volgens Hella Haasse in Oeroeg werd al in juni 1948 door Tjalie Robinson als volstrekt onwaarachtig afgedaan. Dat diens nog altijd actuele, scherpe kritiek de CPNB na zestig jaar nóg niet heeft gehaald is pijnlijk. En verwarrend, vooral voor Indo’s, die zich nauwelijks in dat boek herkennen. Nou is verwarring wel zo ongeveer synoniem aan Neerlands oorlogsjaren. Duurde die oorlog nou van 1940 tot 1945, tot 1949 of tot 1963, toen de VN Nieuw-Guinea aan Indonesië overdroeg?

Ik leerde ooit een ernstige snoet trekken bij deprimerend klokgelui op elke 4e meiavond. Mijn Nederlandse moeder vierde de 5e mei: de Duitse capitulatie in Nederland. Mijn Indo-vader vierde de 15e augustus: de Japanse capitulatie in Nederlands-Indië. Ik ben nooit bij die herdenking rond het Indisch Monument in Den Haag geweest. Ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorstin en Vaderland. En zij houden niet van mij: een ‘linkse Indo’ in hun ogen.

Er is nog altijd gedoe over de onafhankelijkheidsdatum van Indonesië. De Indonesiërs houden het op 17 augustus 1945, toen Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van de Republiek Indonesië uitriepen. Zestig jaar na dato accepteerde onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ alsnog de datum van 17 augustus 1945 als de dag van de onafhankelijkheid. Politieke onzin natuurlijk, want het gaat om een onafhankelijkheidsverklaring. Tussen die verklaring en de feitelijke soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949, ligt een poel van bloed, zweet en tranen.

Dat in geschiedenisboeken nog altijd eufemistisch over de Politionele Acties wordt gesproken is een ontkenning van de vieze oorlog die Nederland overzee voerde. Voor Indo’s was het een lange oorlog. Zij maken sindsdien een spagaat tussen beide landen en worden daar onderhand stram en stijf van. Elke oorlog eindigt op papier. En wordt uiteindelijk fictie. Oeroeg is pulpfictie. Dat de kritiek van Tjalie Robinson nooit gehoord werd is veel tragischer dan dat verhaal zelf.

© 2009 Alfred Birney – gastcolumn voor De Republikein winternr 2009/10 retroblogged 31 juli 2011

Nederland leest nog steeds niet

Afgelopen zomer verscheen volkomen onverwacht een goedkope herdruk van mijn beruchte bloemlezing Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998). Het kostte me enig gepieker over de beweegredenen van de uitgever. Ik bedacht dat de heruitgave wel te maken zou hebben met de komende gratis verspreiding van de novelle Oeroeg (1948) van Hella S. Haasse. Indië zal dan immers weer even en vogue zijn en elke moderne uitgever speelt daar natuurlijk alvast op in.

Ik had Oeroeg aanvankelijk buiten de opzet van mijn bloemlezing gehouden. Dat het er tóch in kwam, gebeurde op hevig aandringen van een redacteur wiens referentiekader weinig breder was dan de leeslijst die hem op de middelbare school onder de neus was geschoven. De bloemlezing wierp zoveel stof op dat ik me genoodzaakt zag een verweerschrift op te stellen in mijn postmodern Indisch jaarboek Yournael van Cyberney (2001). Naar aanleiding van een minder vleiende terzijde van me over Oeroeg werd ik door Hella Haasse en haar paladijn Rudy Kousbroek ter verantwoording geroepen op een podium in het toenmalig Indisch Huis aan de Javastraat te Den Haag. Dat was in 2002, ruim een halve eeuw na de verschijning van Oeroeg.

debat birney kousbroek haasse

Tijdens dat debat, of kruisverhoor, wierp de schrijfster mij voor de voeten dat ik haar een “trut” had genoemd in Yournael van Cyberney. Onzin, hoe treiterig ook Kousbroek, altijd in voor een rel, met zijn vinger op de gewraakte passage (p. 10) wees. Ik had gesproken over “dat tuttig Eurocentrisch romannetje Oeroeg”. Maar, zo redeneerde Haasse, als ik haar boek zo noemde, dan noemde ik haar óók zo: een trut, wat volgens haar hetzelfde was als een tut. Dat de schrijfster, overigens dol op dictees, weinig gevoel voor nuances had, dat was Tjalie Robinson ooit al opgevallen in zijn stuk Nogmaals Oeroeg, gepubliceerd in Oriëntatie, Jakarta, juni 1948.

Nog even en Nederland Leest editie numero 4 gaat van start. De Stichting CPNB, flink onder de loep genomen in Yournael van Cyberney, heeft voor de gelegenheid dus maar weer eens Oeroeg uit de kast gehaald. Deze koloniale troonopvolger van Orpheus in de Desa (1900) van Augusta de Wit is werkelijk niet van de Hollandse dijken af te meppen. Het boek, dat aan zijn 47e druk toe is en allang op elke Hollandse zolder ligt te verstoffen, vormt waarlijk het onomstotelijke bewijs dat de CPNB tot de minst fijnzinnigste leesclub ter wereld kan worden gerekend. Toch vrees ik dat aanstonds gans het Bataafse Koninkrijk de gratis distributie van Haasses beroerde klassieker even hard zal toejuichen als een doelpunt van Oranje tijdens een WK of EK, al is het vanuit buitenspelpositie gescoord.

Oeroeg verhaalt over de vriendschap tussen de ik-figuur, een Hollandse zoon van een administrateur op een theeonderneming in het Nederlands-Indië van voor de Tweede Wereldoorlog, en een Indonesische jongen. De Hollandse zoon gaat in Delft studeren en het tweetal groeit uit elkaar. Eenmaal terug in Nederlands-Indië, waar het koloniale tijdperk ten einde loopt, blijkt hun verwijdering een onoverbrugbare kloof geworden. Indo’s spelen een bijrol, zoals in de meeste boeken van blanke auteurs.

Belangrijk om te weten is dat het manuscript van Oeroeg onder motto was ingestuurd voor het Boekenweekgeschenk. Nederland, amper bekomen van de Duitse bezetting, vocht als een idioot overzee voor behoud van de kolonie. Indië was hot, het verhaal kwam als een geschenk uit de hemel vallen. Hella Haasse heeft haar eersteling tot op hoge leeftijd verdedigd tegen aanvallen van vooral Indo’s die het maar een boek van niks vonden. De bekendste was Tjalie Robinson, volgens Wim Willems in de vooraankondiging van zijn biografie “de enige echte Indo-schrijver van Nederland”, een stempel dat je nooit meer van het internet af krijgt en impliciet voor de niet-kenner uiteraard een diskwalificatie vormt voor de talloze overige zogenoemde echte Indo-schrijvers.

Het boek heet intussen Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008). Een interessante vraag bij de biografie van een schrijver is altijd in hoeverre deze werkelijk invloed heeft gehad op de Nederlandse literatuur. Biograaf Wim Willems wijdt één bladzijde aan Tjalie Robinsons aanval op Hella Haasses Oeroeg en schrijft onder meer:

Het kwam erop neer dat de criticus (=Tjalie Robinson – AB) alles wat hij las door en door vals vond. Dat ging ook op voor het karakter van de jeugdvriendschap tussen Oeroeg en de Hollandse ikfiguur, met zijn kleinerende opmerkingen over inlanders, die Tjalie als pure laster ervoer. Hij had genoeg Indonesische kameraden gehad, schreef hij, en hoewel er in de vooroorlogse koloniale wereld nooit echte broederschappen ontstonden, ook niet met Indische jongens, zou er pertinent geen scheidsmuur hebben bestaan, zoals Haasse suggereerde. Dat een vroegere schoolkameraad zich in die tijd van de politionele acties ineens ontpopte als een gezworen vijand, vond hij al even ondenkbaar. (p. 222,223)

Deze tamelijk afstandelijke samenvatting van de literaire perkara tussen Tjalie Robinson en Hella Haasse is wat kort door de bocht. Je zou bijna denken dat Willems in dezelfde valkuilen trapt als Haasse en dat hij beter een biografie aan háár had kunnen wijden.

In Nogmaals Oeroeg (herdrukt in de Pasarkrant, november 1993) komt Tjalie met een genuanceerde opsomming van onjuistheden, onwaarachtigheden en onnozelheden uit het proza van Haasse. Tjalie stelt dat het onderwerp in Oeroeg door zijn (politieke) actualiteit alle interesse van de pers heeft en dat daardoor de kritiek vrij gunstig is geweest. Hetzelfde zie je overigens een halve eeuw later terug met de overdreven positieve waardering van de pers voor soms zeer middelmatige boeken van zogeheten “allochtone” auteurs. Je zou kunnen zeggen dat de pers “goed fout” is door op die manier iets te willen bedekken dat zó diep geworteld in de samenleving is dat het lijkt alsof Nederland nooit racistisch was. Maar Tjalie dook diep in Oeroeg en wees op de talloze psychologische fouten en tekortkomingen in vooral het latere leven van Oeroeg en zijn vriend:

‘We hebben je op Pasar Baroe gezien met je djongos’ en ‘Ben je weer met je Inlander uit geweest’. Zulke dingen wèrden niet gedacht en wèrden niet gezegd. Dit is ergerlijke, hatelijke en onverdiende laster. Wij hadden allemaal onze Indonesische vriendjes, ook in soortgelijke dienstverhoudingen. Maar als kameraad waren ze kameraad, afgelopen. De smeerlap, die zoiets gezegd zou hebben, zelfs voor de grap, zou of van de aangesprokene, of van diens Indonesische vriend een pak ransel hebben opgelopen. Ja, we vochten gemakkelijk en veel in die tijd. Zeer zeker was er geen sprake van broederschap, daar waren we (aan beide zijden) te nuchter en te eerlijk voor. Maar er was pertinent ook geen scheidsmuur, waar Hella ons aan wil doen geloven.’

Misschien zou Tjalie beter zijn begrepen als hij had geschreven dat de schrijfster een politieke scheidsmuur verwarde met een koloniale, die veel ingewikkelder lag. En die een veel grotere tragiek kende. Díe tragiek kende Tjalie Robinson als geen ander en Hella Haasse kende die domweg niet. Dat proef je uit de verdere woorden van Tjalies polemische stuk Nogmaals Oeroeg:

Ik ben in de bersiaptijd ook vrienden van vroeger tegen het lijf gelopen […]. En op het moment dat je mekaar herkent, dan heb je spijt van je ‘vijands-uniform’ en hij van z’n rood-witte badge. Je zegt ‘Hallo John!’ en ‘Hallo Tjalie!’ en je geeft mekaar verlegen een hand. Dat is duizendmaal gebeurd hier. Zij in hun groep en ik in mijn groep zouden elkaar niet herkend hebben en verbitterd met elkaar zijn slaags geraakt, ja. Maar in de besloten confrontatie is dat pertinent niet mogelijk. Als er ooit vriendschap geweest is, verstaan? Zelfs toen ik mijn oog minachtend monsterend liet gaan over de neergehurkte krijgsgevangenen en alleen snipers zag, toen nog ontdekte mijn oude oog in een halfnaakte met gebogen hoofd zittende peloppor de schoolkameraad van mijn broertje, Wadjah. We hebben elkaar gesproken ‘net als toen’ en dat was ‘rot, rot en nog eens rot’.

Tjalie maakte dus onderscheid tussen kameraadschap en broederschap en tussen soorten van scheidsmuren. Dat onderscheid vond hij niet terug in Oeroeg. En ik ook niet. In Oeroeg hangt vriendschap kortom af van politieke omstandigheden zoals men die in het Westen kent. Tjalie schrijft:

Als je dan aan het slot van deze levensbeschrijving van twee jeugdvrienden leest: ‘(Zijn) diepte peilde ik nooit. Is het te laat?’, dan pas realiseer je je het gevaar van dit boek: als zelfs een Hollandse jongen, zo innig samen opgegroeid met een Indonesische jongen, niets dan onpeilbare diepte peilt en wanhopig uitroept: ‘Is het te laat?’, hoe dan alle andere Hollanders en Indonesiërs? Ja, als het werkelijk zo is, schei dan maar uit met peilen.

Nou Tjalie, ze zijn nog altijd bezig met peilen. En zij die uitgepeild zijn, hebben dat niet gedaan omdat ze het hebben begrepen, maar omdat er inmiddels andere “doelgroepen” rondlopen die zo nodig gepeild moeten worden. We leven hier in het laagland ver beneden de zeespiegel. Het peilen zit ze in het bloed, de Batavieren. Of de CPNB ooit jou nog aan de beurt laat komen, zou ik niet weten. De CPNB is simpelweg niet te peilen, Tjalie.

* * *

Ik kreeg veel e-mails van mensen die op een of andere manier niet de hand weten te leggen op het herfstnummer van Archipel Magazine. Opvallend veel mails waren afkomstig uit het buitenland. Daarom heb ik besloten het artikel online te zetten, op gevaar af van zure blikken van Archipel Magazines hoofdredacteur. Enfin, doe er uw voordeel mee. For the sake of the Indo, zal ik maar zeggen.

Bronnen: Alfred Birney: Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren (1998, herdruk 2009); Alfred Birney: Yournael van Cyberney (2001); Siem Boons weblog Fotografie & Schrijverij (met de volledige tekst van Tjalies nogmaals oeroeg en de volledige achtergrondgeschiedenis van Kousbroek & Haasse versus Tjalie Robinson zaliger); Hella S. Haasse: Oeroeg (1948); Tjalie Robinson: Nogmaals Oeroeg. Oriëntatie, Jakarta, juni 1948; herdrukt in de Pasarkrant, november 1993; Wim Willems: Tjalie Robinson; biografie van een Indo-schrijver (2008); Augusta de Wit: Orpheus in de desa (1900).


© 2009 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfst 2009

Oeroeg hysterie

Schrijven heeft geen zin. Althans niet wanneer je de intentie hebt de literaire canon te kritiseren. In navolging van Tjalie Robinson publiceerde ik een polemisch stuk in Archipel Magazine tegen een van de slechtste romans uit de koloniale literatuur, maar er is niemand die erop reageert, of er ook maar met sterke argumenten op kan reageren. Nou kun je zeggen dat ik mijn artikel dan maar naar een van de landelijke kranten had moeten sturen, maar nee, daar zitten mensen die er helemaal niets van begrijpen. Ook de NRC heeft het doodleuk over Oeroeg als actuele leidraad. Nou, hou dan maar op, want de hele NRC-kudde, die zichzelf tot het denkende deel van de Nederlandse bevolking rekent, rent suf en slaafs achter die krant aan.

De afgelopen weken ben ik van verschillende kanten gevraagd of ik vandaag ook gezellig van 19.30 uur tot 22.30 uur aanwezig zal zijn in de Centrale Openbare Bibliotheek van Amsterdam, waar men naar aanleiding van Nederland Leest het een of andere stompzinnige debat organiseert met de verkeerde mensen. Ik ben gevraagd door mensen die nota bene mijn artikel tegen de CPNB-Oeroeg-Maffia hadden gelezen. En daarom zeg ik: schrijven heeft geen zin. Schrijven is verworden tot geldjagerij van lui die louter willen amuseren. Ik zeg niet dat zoiets verkeerd is. Maar de werkelijk goede boeken en schrijvers vormen aldoor meer een subcultuurtje, waarin men artikelen voor elkaar schrijft, boeken ruilt en zich moed inpraat dat het allemaal wel goed zal komen.

Maar het zal niet meer goed komen. Als Tjalie Robinson dat romannetje van niks al niet van de boekenlijsten af wist te meppen, dan kan ik het ook niet. Wie mijn artikel Nederland Leest Niet niet gelezen heeft, die gaat terug naar de bron op de website van Siem Boon.

Programmawijziging Indische schrijversavond

gekko Tot zijn, en onze, spijt heeft Ernst zojuist moeten afzeggen voor aanstaande woensdag vanwege een techniekrepetitie in Lochum. Hij had het heel leuk gevonden erbij te zij, al was het maar vanwege de viering van zijn nieuwe editie van De Overkant + cd + dvd. Misschien wordt zijn plaats vervangen door een ander, hoe dan ook: volgens de organisatoren wordt het toch een geweldige avond met zoveel kwaliteit in huis!

Mijn collega’s en ik melden ons om 18.00 uur in het Mondiaal Centrum Haarlem om gezamenlijk Chinees te eten. Chinees eten op een “Indische” avond is wel lollig, in Indonesië eten ze ook vaak Chinees voor of na literaire avonden. Mijn vader, ooit, at alleen maar Chinees buiten de deur in Surabaya, Indisch eten dat deed je immers thuis.

Na het eten spreken we het programma vooraf door en worden er soundchecks gedaan. Het is de bedoeling dat we tijdens ons optreden rond de tafel zitten en dat tijdens het gesprek elke auteur “iets doet”. Mocht Archipel Magazine verschenen zijn, dan lees ik mijn polemisch stuk voor als tegenstem voor het op handen zijnde idiote CPNB-feestje “Nederland leest”.

Natuurlijk komt mijn novelle Rivier de Lossie ook aan bod, wellicht in een interviewvorm met Peter de Rijk. Verder worden er fragmenten vertoond uit de televisieontmoeting tussen Ernst Jansz en Frans Lopulalan anno 1986.

Van Peter van Dongen is beeldmateriaal zien uit zijn strips en hij wordt geïnterviewd de ontstaansgeschiedenis van zijn werk, dat ook in Indonesië bekend is, net als mijn romans Vogels rond een vrouw en De onschuld van een vis.

Glenn Pennock, terug van lang weggeweest, werkt aan nieuwe roman en vertelt erover en leest enkele fragmenten voor. Als entre act speelt hij een of twee nummers op de gitaar. Er staan een paar nummers van Glenn Pennock online, waaronder een nummer samen met de jonge Indo-mondharmonikaspeelster Iris Frikke. In principe wordt de hele avond opgenomen, in elk geval in geluid. In beeld, dat weet ik niet.

Waar werk je aan?

Iemand mailde me laatst met de vraag waar ik momenteel aan werk. Ik dacht een ogenblik dat ik helemaal niets te doen had, ik zat immers veelvuldig op mijn balcon in de zon. Maar nu ik alles even op een rijtje zet, krijg je dit:

1. Schrijven aan een novelle (deadline 1 november)
2. Werken een een artikel voor een tijdschrift (deadline 1 augustus)
3. Afronden van een verhaal voor in een reisgids (deadline 1 augustus)

Er gebeuren natuurlijk ook allerlei dingen omheen in de – zo noemt men dat – privésfeer. Fun & Stress. Verder ben ik druk bezig achterstallige administratie weg te werken. En al e-mail ik gemiddeld twee uur per dag, toch loop ik daarmee achter, het zijn slechts enkele dagen maar toch… Soms besluit ik om enkele mails maar helemaal niet beantwoorden, zo erg is dat niet, het overkomt mij ook weleens dat ik geen antwoord krijg, vooral wanneer iemand mij iets schuldig is of iets idioots onderneemt.

Ik voer ook nog een huishouden. Als ik een beroemd schrijver was, dan had ik uiteraard een secretaresse, een literair agent, een kok en een huishoudster die alle zooi van me overnamen. Ik zou contracten ondertekenen en vette voorschotten innen op boeken die ik beloof te zullen schrijven maar die nooit zullen komen.

Enfin, het artikel… Dat zal gaan over Nederland leest, editie 4. Boven mijn stuk staat geschreven: Nederland leest niet. Got it?

Doch er is een drawback – 3

Gelukkig hebben we de brief nog als lapmiddel tussen fictie en non-fictie. Rabina bracht de dames Anne Busken Huet en Sophie Potgieter in elk geval voldoende gesprekstof, waaraan een ‘geheime’ brief voorafging. Maar hoe kwam het dat deze dames uit literaire kringen zich verlaagden om ook maar met één woord te reppen over zo’n eenvoudige vrouw uit Oost-Java? Om antwoord te geven op de vraag hoe Rabina in Europese kringen verzeild was geraakt, moet ik terug naar de 12e oktober 1852, toen mijn overgrootvader George Birnie uitzeilde richting Nederlands-Indië, via Kaap de Goede Hoop.

George Birnie’s eigen overgrootvader was halverwege de achttiende eeuw via een Schots regiment in Nederland aan komen waaien en het leger ontvlucht door een Nederlands meisje te huwen. Hun enige zoon was een ondernemende geest, nam in Deventer een dweilenfabriek over van een Zwitser en breidde die uit met de productie van tapijten, zeildoek en andere ‘nuttige bekleding’. Ook hij huwde een Nederlands meisje, Aleida, bij wie hij drie zonen verwekte.

De eerstgeborene Gerhard David kwam bij zijn vader in de Deventer fabriek te werken. Op een dag vroeg de raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpennick hem zijn Smyrnatapijt te repareren. Moeder Aleida is toen net zo lang op het tapijt gaan zitten puzzelen tot ze de manier van knopen had gevonden. Naar haar bevindingen construeerde de jonge Gerhard David een getouw en ontwikkelde een product dat onder de naam ‘Deventer handgeknoopt tapijt’ de wereld zou gaan veroveren. Hij legde zich toe op het ontwerpen van tapijten, maar kwam te sterven toen hij pas 20 was.

De jongste zoon, Johan Willem, zou na het overlijden van de vader in 1830 de fabriek voortzetten. Eén van zijn eerste daden was het dagloon niet meer op de zaterdag maar op de donderdag uit te betalen, één dag voor de belangrijkste marktdag. De arbeiders konden nu niet meer direct de kroeg in duiken en na een weekendje doorzakken de maandag verstek laten gaan, zodat er na de dinsdag geen geld meer was om vrouw en kinderen te eten te geven. Ook begon hij met het heffen van premie, waarmee ziekte- en begrafeniskosten konden worden betaald. Verder werden sterke drank uit de fabriek geweerd, een portier aangesteld en geldboetes geheven op te laat komen, waarvan kleding en brandstof werden gekocht, die weer onder de 300 werklieden werden verloot. Johan Willem spoorde de arbeiders aan om lid te worden van de godsdienstige gemeente waartoe zij behoorden, charterde een verwarmde zaal en een dominee om hen godsdienstonderwijs te laten volgen en stelde, in de Schotse traditie, de zaal tevens ter beschikking aan leden van andere ‘gezindheden’.

Al deze maatregelen brachten een redelijke orde in de fabriek, waar allengs minder werd gezopen, gevloekt, geboerd en scheten gelaten en zo geviel het dat onze Johan Willem werd gelauwerd met ridderkruizen, want Koning Willem III was er als de kippen bij om aandelen te kopen toen de fabriek werd omgezet in een maatschappij.

Maar God had de brave man nodig. Hij stuurde in 1848 een donkere wolk uit Schotland naar de Koninklijke Fabriek van Smirnasche & Andere Tapijten en liet hem daar een poosje hangen. Orders bleven uit. Johan Willem kon ze niet meer in de ogen kijken, de werklieden die nog altijd zo braaf zonder de jeneverfles onder de oksel op tijd kwamen en zondags psalmen en gezangen uit de minder schorre strotten lieten komen in het vrome zaaltje met het preekgestoelte, de gasverlichting en de warme oliekachel. De fabriek draaide zo slecht, dat hij deze enigszins opgevoede lui nu niet eens meer regelmatig kon betalen.

De gekwelde Johan Willem, terneergeslagen door de tegenvallende opbrengsten van zijn fabriek, ontvluchtte de stad, stak de grens over naar een plas bij Bentheim in Duitsland en verzoop zich er in het koude water. Ironischerwijs verdween direct daarop de donkere wolk boven de fabriek en begonnen de orders weer binnen te stromen.

Johan Willem liet negen kinderen na, bij twee vrouwen. Onder hen zat mijn overgrootvader George. Hij was 17 en leek geenszins van plan de fabriek voort te zetten, zelfs niet toen de fabriek beter liep dan ooit tevoren. Hij volgde een opleiding aan de bestuursacademie te Delft, zoals indertijd velen deden met oog op een loopbaan in Nederlands-Indië, en was 21 jaar oud toen hij uitzeilde om in de kolonie aan de slag te gaan.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Doch er is een drawback – 1

Wie in zijn familiegeschiedenis duikt, komt vroeg of laat wel ergens een wapenschild of beroemdheid tegen. Op een dag keek ik terug op wat ik geschreven had en welke familieleden model in mijn romans hadden gestaan. Dat waren mijn vader en mijn grootmoeder. Er restte nog één figuur die ik moest ontdekken langs de Indische lijn in mijn familie: mijn overgrootmoeder. Onderzoek plegen hoefde niet, gegevens over haar werden me mettertijd ongevraagd aangereikt door historici en literatuurwetenschappers die mijn schrijverspad kruisten en verdwenen ongelezen in mijn lade. Die hoefde ik slechts open te trekken toen ik aan een novelle begon te werken en haar – dit klinkt oneerbiedig – als bijfiguur nodig had.

Rabina heette ze, geboren ergens op Oost-Java, zonder achternaam. Niet direct iemand die je in de negentiende eeuw ergens in Overijssel zou tegenkomen, dacht ik. En zo dachten indertijd Anne Busken Huet en Sophie Potgieter ook. Anne was de vrouw van de schrijver, criticus en journalist Conrad Busken Huet, die zijn heil in Batavia was gaan zoeken. Sophie was de zuster van E. J. Potgieter, mede oprichter van het tijdschrift waar u nu in leest: De Gids.

Wie een beetje thuis is in de Indische bellettrie, weet dat schandalen bij voorkeur in de kolonie werden gesitueerd en dat de beschaving begon en eindigde in Nederland. Je ziet het in de werken van Couperus en Multatuli, maar de echte liefhebber haalt zijn informatie uit de boeken van niet gecanoniseerde schrijvers.

De naam Dé-lilah zal alleen de ingewijde iets zeggen. Haar verbeelde werkelijkheid van onverschillig Hollanders, Chinezen of Indo’s was meedogenlozer dan die van haar voorgangers, al dweepte zij als Indo-Europees kind van haar tijd enorm met het beeld van ‘de aristocratische westerling’. Dit zal haar literaire positie in de ogen van diezelfde westerling ironischerwijs wel hebben verzwakt, als er al een kans was dat de smaakmakers van de Nederlandstalige literatuur haar boeken opensloegen.

Dé-lilah geboortejaar wordt door haar ontdekker Joop van den Berg rond 1850 geschat. Zekerheid over haar ware naam is er niet. Maar ze heeft tenminste een pseudoniem én een hilarische wijze van zichzelf aan de lezer voorstellen.

In het verhaal Een zuinige huisvrouw uit de bundel Een Indisch dozijntje (1898) gaat ze met haar vriendin naar de markt, een verschrikkelijke onderneming voor iemand zo ongeschikt voor het huishouden als Dé-lilah. Het verhaal is in zoverre interessant, dat de schrijfster een coming out inlast, tamelijk uniek voor die tijd:

Hanna, mijne vriendin is een aardig indisch vrouwtje, precies zooals ik, dat wil zeggen, dat ik ook een indiesche ben, of ik aardig ben daarover zullen we maar zwijgen.

Deze zin luidt een boosaardige scène in, die zich later op de markt afspeelt:

Vol afschuw sloegen we een ander paadje in, dat nog voller was dan al de andere wegen. Ik ergerde me vreeselijk. Ik was al uit mijn humeur over hetgeen ik gezien had en nu overkwam mij weêr de ergernis, als een pilaar vastgemetseld te moeten blijven staan en me niet te kunnen bewegen door deze foule van menschen. En wat voor menschen? Armoedige, vuile, magere inlanders, menschen met huid- en andere ziekten, vrouwen met ongekamde haren en natuurlijk het noodige gezelschap bij zich, of met een enkele sarong aan, met ontbloot bovenlijf; mannen, vuil en verwilderd, waaronder echte galgentronies.

Ik werkte geducht met mijn ellebogen, maar ’t hielp niet veel. Daar staat een Soendanees naast me met een rits, nog levende, spartelende goudvischjes aan een touwtje, en ik merk tot mijn ontzetting, dat hij dat zoodje tegen het aardbeien satijn mijner kabaija houdt en dat daar een leelijke vies ruikende vlek op gekomen is.

In mijn boosheid stoot ik met de punt van mijn parasol in zijn ribbenkast. Het schijnt aangekomen te zijn, want de kerel valt achterover, precies op een oude vrouw, die zwarte boeboer ketan verkoopt en hij trapt met zijn eene voet in de pan kokende toeboer. De vrouw schreeuwt en scheldt vreeselijk, maar de consternatie wordt nog grooter, wanneer diezelfde man, die van pijn brult, al strompelende terecht komt in een hoop katjang. Gelukkig is er nu ruimte gekomen en kan ik verder gaan

Dé-lilah is waarschijnlijk de allereerste overduidelijke Indo-Europese vrouw die zich aan verhalend proza wijdde. Ze kende het plantersmilieu goed, vooral in de uithoek Deli (Dé-lilah) aan de Oostkust in het Noorden van Sumatra, dat indertijd als een staat in een staat functioneerde. Daar gaf de zogenaamde ‘Koelie-ordonnantie’ planters de vrijheid hun arbeiders naar eigen goeddunken te berechtigen. Een dergelijke bizarre autocratische samenleving kende men op Java niet.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

Een vergeten schrijver

jo otten bed en wereld.jpg Of een vergeten boek, dat weet ik even niet. Als je zoekt naar informatie over de schrijver Jo Otten (1901 – 1940), dan valt direct de behoorlijke lijst van boektitels op. Het zijn er een stuk of twintig. Zijn novelle Bed en wereld verscheen in 1932 en was een klein succes, ook wel wat geruchtmakend, waarschijnlijk door de vrijmoedigheid waarmee de schrijver seksualiteit thematiseerde. Nou was dat helemaal niets vergeleken met de meer scabreuze Indische pulpfictie van dertig, veertig jaar eerder, maar goed: Nederland is er altijd een kampioen in geweest schandaaltjes in de koloniën te situeren en ze daar ook te laten, zelfs meer dan een halve eeuw na de dekolonisatie van Indonesië. Plus, het moet gezegd, er was waarschijnlijk geen hond in de koloniën die zo goed schreef als Jo Otten. Des te opvallender is het dat Jo Otten nooit opviel in de officiële canon van de Nederlandstalige literatuur. Hij debuteerde op de perfecte leeftijd van 27 jaar, daar kan het niet aan hebben gelegen. Met méér dan boektitel per jaar kon hij ook moeilijk een luiwammes worden genoemd. Hing hij misschien te veel rond in Den Haag en Parijs en meed hij Amsterdam te veel naar de smaak van de literaire smaakmakers? Who knows. Hij zou de eerste niet zijn. Louis Couperus had ook een broertje dood aan Amsterdam, zijn roem kreeg pas werkelijk gestalte na zijn dood.

Terug naar Jo Otten. Kan een schrijver op grond van één boektitel worden bijgezet in de eregalerij van literatoren? Zeker. Wat te denken van Marcellus Emants met zijn Een nagelaten bekentenis. Gerard Reve met De avonden. Ik zie de revianen al van protest de tanden knarsen, maar geloof me: de rest van Reves werk zal echt worden vergeten. Het overkomt wel meer schrijvers, ze mogen nog van geluk spreken als er maar één werk in de herinnering van toekomstige generaties blijft hangen. Een groter compliment dan een personage scheppen die boven jezelf uitstijgt, sterker, die jouw naam doet verbleken, is er gewoon niet. Moby Dick, Robinson Crusoe, Don Quichot enzovoort. Helaas zien we dergelijke bijkans onsterfelijken nauwelijks terug in de Nederlandstalige letteren. Nou goed, Max Havelaar dan, ik zeg het met tegenzin want ik heb een hekel aan Multatuli. Vraag me nu niet waarom. Wie me kent, die weet het. Multatuli, u is groot! Wat u presteerde, daar kon Jo Otten nauwelijks van dromen! Die Otten was nog te beroerd om ook maar een verzonnen personage in elkaar te flansen in zijn novelle Bed en wereld. Of was hij gewoon wat bescheidener dan u?

De ik-figuur in de fraai uitgevoerde novelle ligt in zijn bed, kan de slaap niet vatten en maakt in gedachten een reis door heel Europa. Hij heeft weinig op met de Amerikanen met hun afschuwelijke elektrische stoel, geilt op mulattinnen, gaat café in en café uit, moppert op apothekers omdat ze verdommen hem voldoende slaappillen te geven, dat moet allemaal op recept, ja ook toen al. Jo Otten beschrijft het leven als een hel waarin hij zich niettemin kan overgeven aan hemelse verlangens, die uiteraard niet worden ingelost, want de ik-figuur ligt op bed, blijft op bed liggen en de lezer zal hem niet zien opstaan. Bijzonder aan de novelle is, dat het maar enkele alinea’s kent. Ze is jonger dan James Joyce’s Ulysses, dus het kan zijn dat Jo Otten de monoloog interieur van zijn Ierse tijdgenoot heeft afgekeken, of misschien toch van Marcel Proust, van wie de ik-figuur weinig moet hebben. Jo Otten hanteert mijn geliefde associatieve manier van schrijven die mij dunkt wel als voorbeeld kan dienen voor wie met schrijversaspiraties rondloopt. Een sterke beeldende kracht toont Jo Otten ook, hij, de gekwelde, die er niet aan denken moest om zijn aantrekkelijkheid te verliezen, ziek te worden en weg te moeten teren tot die afschuwelijke dood hem kwam halen. Zijn wens werd ingewilligd, in real life. Een verdwaalde Duitse bom trof zijn huis en de 39-jarige schrijver lag begraven onder het puin. Sommige critici noemen hem daarom een ongeluksvogel. U ziet het: ze snappen er weer geen jota van. Veel leesplezier!