Den Haag heeft geen groot ego

logo alfred birney weblog Wanneer CNN het over Nederland heeft, dan wordt de camera op Den Haag gericht. The Hague. Dat is logisch, want Den Haag is, na New York, de tweede VN-stad. Amsterdam en Rotterdam zijn het Sodom en Gomorra van de Lage Landen, men vindt er graag opnieuw het wiel uit in varianten die Den Haag blasé maken. In Den Haag zetelt het juridische geweten van de wereld en aangezien de mensheid naar gewetenloosheid neigt, moeten talloze zaken in de Hofstad worden besproken. Wanneer in de landelijk politiek een schandaal uitbreekt, wijst men met de beschuldigende vinger naar de Residentie en wordt Den Haag een scheldnaam. Dat is geen probleem voor de Hagenaar. Die zet eenvoudig de naam ’s-Gravenhage in de kop van zijn brief en haalt opgelucht adem wanneer ministers en kamerleden de stad weer hebben verlaten in hun bolides, heli’s of pantserwagens.

Nu u al vijf namen voor de stad achter de duinen bent tegengekomen ziet u dat de stad zich lastig laat afficheren. Ooit strekte de beschaafde wereld zich uit van het Scheveningse strand tot aan Huis ten Bosch. Alles wat daar buiten viel heette La Province. Een andere verdeling had letterlijk en figuurlijk meer grond. In de zeventiende eeuw woonden de beter gesitueerden op zandgrond, grofweg van de kust tot aan de Laan van Meerdervoort, overigens de langste laan van West-Europa, terwijl het gewone volk zich op het vochtige veen ophield.

Op het Haagse zand sloeg het de mensen in Benoordenhout flink in de bol: daar moesten halve onsjes vleeswaren onder de deur door worden geschoven en hadden auto’s wel antennes maar geen radio. Mensen met kapsones en verder niks. Schrijvers zaten in Bezuidenhout, een zelfmoordwijk die om schrijven vraagt, en anders wel om schilderen: Vincent van Gogh werkte er, maar stierf er niet. In het centrum ligt, net als in Brussel, een politieke enclave: het zelfbesloten dorp het Binnenhof. Helaas gaat de grootste aandacht van Nederland daarnaar uit. Is dat niet ordinair?

Is het niet belangrijker een televisiewagen naar het Louis Couperus Museum te sturen wanneer de voordeur opnieuw is geschilderd? De Haagse romans van deze schrijver konden alleen bestaan dankzij het kolonialisme, dat honderden Haagse families puissant rijk en de bouw van het Concertgebouw in Amsterdam mogelijk maakte, om maar iets te noemen wat geen sterveling zich meer herinnert. Daarover nadenken geeft een mens inzicht in de geschiedenis.

Goede schrijvers beschikken over historische kennis. Slechte schrijvers niet. Ze zijn slaven van de hype, het snelle geld en kampen al gauw met een writer’s block. Veel schrijvers hebben iets met Den Haag, al is het maar omdat de stad soms wel op een grafzerk lijkt en bijkans schreeuwt om literatuur, kunst en muziek. Elke geboren en getogen Hagenaar heeft een haat-liefdeverhouding met de stad, er woont geen hond die zijn stad met vuur zou verdedigen. Den Haag heeft namelijk geen groot ego. Dat maakt de stad zo transparant, zo invulbaar, zo open voor zelfs zoiets als een tramtunnel, ontsproten aan het brein van een zoon van een schrijver, wat dacht u anders.

Den Haag heeft geen centrum maar kent meerdere centra. Men komt elkaar niet makkelijk tegen, men moet elkaar zoeken. Er zijn geen wandelgangen, de grachten zijn gedempt, er floreren vele subculturen. Kortom, de stad is een anarchie rond een koninklijk paleis dat eigenlijk in Amsterdam had moeten staan. Den Haag is een permanente bouwput, letterlijk en figuurlijk, waar het een komen en gaan is, al heel lang, met aldoor wisselende nationaliteiten, ook al heel lang, terwijl velen denken dat immigratie iets van de laatste tijd is. Daarom wordt onterecht gesproken in termen als de Nederlandse in plaats van de Nederlandstalige literatuur. Den Haag heeft sedert 2005 geen eigen dagblad meer. En ook geen duidelijk literair podium. Inmiddels schrijven alle landelijke dag- en weekbladen over Den Haag, nota bene de derde grootste stad van Nederland. Het is niet chic om je vuile werk door andere steden te laten opknappen, het getuigt veeleer van onverschilligheid. Een trotse stad met de Koninklijke Bibliotheek en het Meermanno Museum maar zonder een literair tijdschrift is al net zo ondenkbaar. Daarvoor kent Den Haag een veel te lange en te rijke literaire traditie. En toch hebben we er geen.

Aanbevolen door de kenners

Sinds mijn terugkeer als schrijver van verhalend proza kan ik even geen koloniale en postkoloniale literatuur meer lezen. Ze staat eenvoudig te dichtbij, vooral de Indische. Ver van mijn bed staat de Japanse literatuur. Daar kan ik bij wegdromen, het boeit me maar raakt me niet te diep. Op gevaar af om op pil numero elf-lempers te worden getrakteerd, zal ik maar gauw vermelden dat het boek Eeuwige reizigers; een bloemlezing uit de klassieke Japanse literatuur van Jos Vos (Arbeiderspers, 2008) in de achtste eeuw begint en eindigt in de negentiende. Dus vóór Van den Vos Reynaerde en vóór de Max Havelaar. Een enorme verzameling van vertellingen, poëzie, dagboekfragmenten, memoires en zelfs sprookjes. Als je iets van de Japanse cultuur wilt begrijpen, uit fascinatie voor de vijand van je (voor-)ouders bijvoorbeeld, dan is deze bloemlezing een aanrader. Opvallend is het aantal schrijfsters, net als in de Indische bellettrie, met één van mijn grote idolen: de hofdame Sei Shōnagon, die zo’n 1000 jaar terug leefde en ons haar wereldberoemd Hoofdkussenboek naliet. Interessant is verder dat schrijvers en schrijfsters net zo makkelijk aandacht aan zowel mannen als vrouwen schenken. Beide seksen kunnen niet zonder elkaar. De liefde en de dood spelen de hoofdrol in de meeste geschriften; het overige doet er weinig toe. De liefde vormt wel vaak een probleem, dat bloeit met fraaie poëzie en eindigt vaak in scheiding en de weg naar non of monnik. De dood is niet zo’n probleem, reïncarnatie regeert. De Japanse literatuur als oase van overzichtelijkheid. Neem vooral de tijd voor deze teksten. Zoals de auteurs en de mensen dat toen deden. Hoed af voor de samensteller en vertaler Jos Vos.

De achternaam Vos komt veel voor in Nederland, dus u gelooft me vast wel als ik zeg dat ik nu niet opzettelijk met de naam Felicita Vos aan kom zetten. Haar boek Blauwe haren zwarte ogen; de Roma-cultuur van binnenuit (Meulenhoff, 2008) is een must read. Terwijl wij, Indo’s en Indischen, de grootste minderheid in Nederland vormen, zijn zij, de Roma (zigeuners), de grootste minderheid van Europa. Een slordige 15 miljoen zielen. De Roma vormen een minderheid mét een volkenrechtelijke status, maar zónder land. Na de Joegoslavië-oorlog werd dit besluit erkend voor de VN en de Raad van Europa met nota bene Duitsland die als enige lidstaat er niet mee instemde. Felicita Vos biedt in haar boek een keur aan portretten van beroemde Roma. De bekendste zijn wel Het Rosenberg Trio, Sylvia Tóth en Tata Mirando. De schrijfster heeft alleen Roma gekozen die het ver schopten in de zakenwereld, de muziek, de politiek of op het danspodium. Dat maakt het tot een trots boek. Ellendige verhalen, met de vergassing van ‘zigeuners’ in het zogenoemde ‘Zigeunerlager’ in Birkenau, heeft de schrijfster er subtiel en toch indringend doorheen gevlochten. Net als het verhaal van haarzelf en haar vader. Wat mij zo intrigeerde zijn de treffende overeenkomsten met de Indische opvoeding in de jaren vijftig. Roma vaders die eisen dat hun kinderen later zullen slagen in de maatschappij. De niet aflatende drang tot muziek maken. Jezelf zo onzichtbaar mogelijk maken. Ervoor zorgen dat ze niet merken dat je Roma bent. ‘Doe niet zo Indisch!’ Remember? Ik in elk geval wel. En dat net in een periode waarin ik even geen Indische literatuur lees. Komt er een Roma-schrijfster voorbij…

Verschenen in Indisch Anders, boekenkrant Tong Tong Fair: 2010

Donald Duck en Max Havelaar

radio-antenne Dit jaar is het 150 jaar geleden dat het overgewaardeerde boek Max Havelaar van Multatuli verscheen. E.M. Beekman schonk overdreven veel literatuurhistorische aandacht aan dat boek in zijn Paradijzen van weleer. Koloniale literatuur uit Nederlands-Indië, 1600-1950 (een stompzinnige neokoloniale vertaling van Troubled Pleasures. Dutch Colonial Literature from the East Indies, 1600-1950). Tevens is het 100 jaar geleden dat het Multatuli Genootschap werd opgericht. Naar aanleiding hiervan organiseert het Genootschap dit jaar vele activiteiten, zowel in Nederland als in België.

De hertaling voor analfabeten van DE Max Havelaar door Gijsbert van Es is inmiddels in iedere goede boekhandel verkrijgbaar en in enkele kranten fijn afgekraakt. Het is een paperback, 319 pagina’s en de prijs is € 10,00.

Bovendien wordt ter gelegenheid van 150 jaar Max Havelaar een bijzondere munt geslagen, die half mei in omloop zal worden gebracht. Er komt een verzilverde munt van € 5,00 die via de postkantoren en de agentschappen verkrijgbaar zal zijn. Voor de verzamelaars komt er een zilveren munt van € 5,00 in cassette ad € 32,95. Tenslotte komt er een gouden munt van € 10,00, die in een cassette € 277,95 moet gaan kosten.

Hier krijg ik toch even meêlij met Eduard Douwes Dekker, die zo arm was als de hel maar aan wie uitgevers miljoenen hebben verdiend.

2010 wordt een bijzonder jaar, nog afschuwelijker dan het Mozart-jaar, gerelateerd aan een afschuwelijk boek van een hysterische en narcistische schrijver. Als u nodig meer informatie wilt, dan verwijs ik u ongraag naar de website multatuli right now. Donald Duck heeft evenwel ook een eigen domein.

De (na)smaak van Indië

Op zondagmiddag a.s., 14 februari, 15:00 u, voer ik in Boekhandel van Pampus te Amsterdam met Lizzy van Leeuwen een tweegesprek over postkoloniaal Nederland, vanuit verschillende perspectieven. Leidraad vormen mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998), mijn postkoloniale polemische bundel Yournael van Cyberney (2001) en Lizzy van Leeuwens geschiedenis van zestig jaar Indisch Nederland: Ons Indisch erfgoed (2008).

Vanwege drukke werkzaamheden aan een nieuw boek heb ik wat laat mijn toezegging gedaan en mijn enige probleem van die dag zal waarschijnlijk dan ook zijn of ik wel op tijd mijn nest uit kan komen. Ik schrijf namelijk ’s nachts tot vroeg in de ochtend en slaap dan een gat in de dag, want de wintermaanden zijn voor mij toch het aanzien niet waard.



Grotere kaart weergeven

Ik sta dus (nog) niet aangekondigd op de site van Boekhandel van Pampus, waar als thema van de middag is gekozen de “Nasmaak van Indië”, naar aanleiding van de uitgave van de moderne vertaling van Multatuli’s Max Havelaar (maart 2010), overigens niet bepaald een van mijn favoriete literaire werken.

Lizzy van Leeuwen en ik zullen beginnen bij de koloniale literatuur en via Hella Haasses novelle Oeroeg (1948) en Tjalie Robinsons ongezouten kritiek op dat boek een link leggen naar de postkoloniale ontwikkelingen in Nederland. Uiteraard is er gelegenheid tot het stellen van vragen.

Aan Indisch 3.0 is gevraagd een korte bloemlezing te geven over wat de jongere generatie Indische Nederlanders bezighoudt. Ook zal Ed Caffin namens Indisch 3.0 een lezing geven.

Het programma is gevarieerd, met film, muziek, hapjes en signeersessies.

Programma

15.00 u Tweegesprek Lizzy van Leeuwen met Alfred Birney
16.30 u Film: Contractpensions – Djangan Loepah! Aansluitend een gesprek met regisseur Hetty Naaijkens-Retel Helmrich.
18.00 u Kalangkang, Sundanese muziek
18:30 u Bijdrage door Ed Caffin, van weblog Indisch 3.0
19.00u Einde

Nasmaak van Indië, 14 februari 2010, 15.00 – 19.00 uur.
Toegang, inclusief snacks: € 5.
Locatie: Boekhandel van Pampus, KNSM Laan 303, Amsterdam

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

Hoezo enfant terrible?

alfred birney amsterdam podium felix merites 2007

Ze beginnen me het ‘enfant terrible’ van de hedendaagse Indische literatuur [link verdwenen] te noemen. Hoezo dan? Ik weet nou eenmaal alles beter. Dat dat zootje ongeregeld van Indische clubjes mijn adviezen in de wind slaat, doet denken aan een kinderdagverblijf met een peloton enfants terribles.

Nominatie beste literatuurblog

Bij toeval (ja, dat bestaat, en als het niet bestaat dan noem je het maar anders en dan bestaat het toch) zag ik op aboutblank dat mijn blog is genomineerd voor de beste literatuurblog van 2009. Geen idee wie me heeft voorgedragen. Deze grootste weblogverkiezing van Nederland vindt plaats onder auspiciën van Dutch Bloggies. Ik zie zo snel geen vriendjes of vriendinnetjes in de jury zitten, dus ik sta niet toevallig bij de laatste tien onder de noemer Beste Literatuur Weblog. Ik bevind me in aardig gezelschap, al is het me niet helemaal duidelijk waaraan een Literatuur Weblog nou eigenlijk moet voldoen. De een leest en recenseert zich suf, de ander houdt als een idioot het laatste nieuws bij en ik, eh… mijn laatste wapenfeit is mijn gemopper op dat Nederland Leest-gedoe rond een van de slechtste koloniale novellen die ons taalgebied ooit heeft voortgebracht.

Enfin, een plekje op de longlist heeft wel iets. Ik bedoel: ik liep net rond met het idee om maar met dat geblog te stoppen. Moet ik nou doorgaan, alleen maar omdat een stel mensen met smaak mijn weblog volgen? Weet je wat wél een gedoe is? Je moet naar het Paard in Den Haag om te horen of je bij de laatste vijf zit. En dan moet je weer wachten op de bekendmaking van de winnaar in jouw categorie. Dat betekent dus opdraven en in zo’n zaal gaan zitten wachten. Nog erger: je wint de prijs! Dan moet je het podium op en iets bloggenderwijs gaan zeggen. En als je nou net de MexGriep hebt? Moet het dan hoestenderwijs? Nou wist ik al dat het leven van een schrijver niet over rozen ging, maar ik heb nooit geweten dat dat ook voor bloggers op zou gaan. Moeten bloggers uit cyberspace nu ook al hun snoet in real life laten zien? Ik wist trouwens niet eens dat ik een blogger was. De grenzen tussen schrijven en bloggen vervagen. Dát is zeker. Zelfs bij de oude media krijgen ze dat in de gaten. Snelle jongens daar. Wat moet je ook anders verwachten met dat ge-Oeroeg van ze.

Oeroeg hysterie

Schrijven heeft geen zin. Althans niet wanneer je de intentie hebt de literaire canon te kritiseren. In navolging van Tjalie Robinson publiceerde ik een polemisch stuk in Archipel Magazine tegen een van de slechtste romans uit de koloniale literatuur, maar er is niemand die erop reageert, of er ook maar met sterke argumenten op kan reageren. Nou kun je zeggen dat ik mijn artikel dan maar naar een van de landelijke kranten had moeten sturen, maar nee, daar zitten mensen die er helemaal niets van begrijpen. Ook de NRC heeft het doodleuk over Oeroeg als actuele leidraad. Nou, hou dan maar op, want de hele NRC-kudde, die zichzelf tot het denkende deel van de Nederlandse bevolking rekent, rent suf en slaafs achter die krant aan.

De afgelopen weken ben ik van verschillende kanten gevraagd of ik vandaag ook gezellig van 19.30 uur tot 22.30 uur aanwezig zal zijn in de Centrale Openbare Bibliotheek van Amsterdam, waar men naar aanleiding van Nederland Leest het een of andere stompzinnige debat organiseert met de verkeerde mensen. Ik ben gevraagd door mensen die nota bene mijn artikel tegen de CPNB-Oeroeg-Maffia hadden gelezen. En daarom zeg ik: schrijven heeft geen zin. Schrijven is verworden tot geldjagerij van lui die louter willen amuseren. Ik zeg niet dat zoiets verkeerd is. Maar de werkelijk goede boeken en schrijvers vormen aldoor meer een subcultuurtje, waarin men artikelen voor elkaar schrijft, boeken ruilt en zich moed inpraat dat het allemaal wel goed zal komen.

Maar het zal niet meer goed komen. Als Tjalie Robinson dat romannetje van niks al niet van de boekenlijsten af wist te meppen, dan kan ik het ook niet. Wie mijn artikel Nederland Leest Niet niet gelezen heeft, die gaat terug naar de bron op de website van Siem Boon.

Ik zie ik zie wat jij niet ziet (definitieve programmering)

Ik zie, ik zie wat jij niet ziet.
Indische Letteren door Indische ogen

Vrijdag 11 september 2009
Plaats: Universiteit Leiden, gebouw Lipsius, zaal 003
Cleveringaplaats 1 Leiden
Toegang: gratis.
Tijd: 14.00 uur – 17.00 uur

In Een Indische jeugd of een jeugd in Indië (Indische Letteren maart 2009) gaat Ingrid Dümpel in op het ontbreken van jeugdboeken waarin zij zich als Indisch kind kon herkennen. Ook stelt zij dat er Indische literatuur is die alleen door Indo’s geschreven, verteld en begrepen kan worden. Ingrid Dümpel vroeg de redactie van Indische Letteren om een Indische blik en Indische thema’s. Na een korte inleiding van Ingrid Dümpel gaan de sprekers op onderzoek in de vorm van gesproken columns van maximaal 10 minuten. Zij gaan hierover met elkaar en publiek in discussie onder leiding van Sylvia Dornseiffer. Omstreeks 15.00 uur presenteert Marion Bloem haar nieuwe roman Vervlochten grenzen. In de pauze is er gelegenheid het boek te kopen en te laten signeren.

PROGRAMMA
14.00 uur

Ingrid Dümpel: Hoe het begon, een inleiding

Ricci Scheldwacht: Maar wij zijn Indisch! Op zoek naar blikken van herkenning in recente Indische literatuur en eigen ervaringen

Pamela Pattynama: Jouw verhalen zijn de mijne niet, of: lezen als een Indo

Edy Seriese: Het Pak van Sjaalman als attitude voor de benadering van het Indische

Marion Bloem: Vervlochten grenzen……………………………….

PAUZE
15.45 uur

Kirsten Vos: Mijn Indische vader. In hoeverre is het agressieve karakter van vaders die figureren in de boeken van Van Dis, Holman en Birney eigenlijk Indisch?

Gustaaf Peek: Faster than a speeding bullit. Een mens heeft zijn helden nodig. Maar de populaire verbeelding van helden is conservatief en eenzijdig. Westers. Peek leest en zoekt. Zal het hem lukken een Indische held te vinden.

Marjolein van Asdonck: Truth is stranger than fiction, over literatuur in Indische mensen en Indische mensen in literatuur

Alfred Birney: De Indische kampong uit!

17.00 uur Afsluiting

Over de sprekers:

Marjolein van Asdonck (1972) hoofdredacteur van Moesson en bezorgde onlangs het journalistieke werk van Lilian Ducelle in Doe maar gewoon, dan doe je Indisch genoeg.

Alfred Birney (1951) auteur van romans, korte verhalen, artikelen en columns. Zijn laatste boek Rivier de Lossie verscheen in mei 2009.

Inge Dümpel is journaliste en verwerkt haar Indische achtergrond in kinderboeken, theater en programma’s. Zij is nauw betrokken bij de culturele programma’s van de TongTongFair.

Pamela Pattynama is bijzonder hoogleraar koloniale literatuur-en cultuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.

Gustaaf Peek (1975) fotograaf , dichter en schrijver van de romans Armin (2006) en Dover (2008).

Ricci Scheldwacht (1965) neerlandicus en journalist. Werkzaam geweest als redacteur en filmmedewerker bij HP/De Tijd. Speelt Theodor Holman in Familiefeest, gebaseerd op Holmans gelijknamige roman en acteert in Marion Bloems film Ver van familie.

Edy Seriese is literatuursocioloog en directeur van het Indische Wetenschappelijk Instituut.

Kirsten Vos (1977) studeerde Media en Journalistiek, is communicatie-adviseur en blogger op Indisch 03.

tekst: Sylvia Dornseiffer (organisator)

Nederland leest niet

Zo luidt de titel van een polemisch stuk dat nu wel zo ongeveer per elektronische post naar de redactie van Archipel Magazine kan. Vijf dagen werken aan een stuk van 1.500 woorden geeft mij het groene licht. Ja, het kan ook in een dag, een middag, desnoods in een uur, maar ik moet geen onzin gaan verkopen als ik de CPNB maar weer eens ga aanvallen (ik deed het eerder in Yournael van Cyberney en in diverse krantencolumns). Echt helpen doet het niet, ze leren toch nooit verder kijken dan hun neus lang is, maar voor de boekenlezer kan het geen kwaad eens te lezen wat er hier en daar op de achtergrond speelt in het boekenvak en in de canonisering van de Nederlandstalige literatuur. Zaten er bij de CPNB mensen die werkelijk ingevoerd waren in de materie van de koloniale literatuur, dan hadden ze het nooit in hun botte hoofd gehaald om ter gelegenheid van Nederland Leest editie 4 een fout boek als Oeroeg gratis te gaan verspreiden. Wie wil weten wat er dan zo fout aan is, die koopt straks het herfstnummer van Archipel Magazine en leze mijn stuk. Siem Boon, meer dan welingelicht, heeft overigens haar verhaal van Kousbroek & Haasse versus Tjalie Robinson inzake Oeroeg online staan.