Ano Zero

hat logo meneer b Ik was zeer laat op en kon nog slechts twee uur van het daglicht proeven. Veel meer dan koffie en sigaretten halen in de hoofdstraat wist ik niet te verzinnen. De zon hing laag, er was nauwelijks wind, het leek koud, bijna winter, winkeliers klaagden, al was het tien graden. De lucht was opwekkend rijk aan zuurstof. Later zag ik achter mijn slaapkamerraam het rood van de ondergaande zon in dialoog met het naderende duister de lucht turkoois kleuren. Er schitterde een planeet in een onbereikbare verte, misschien was het Jupiter. De betovering van de zich aquarellerende lucht duurde niet lang, aan de andere kant van het huis liet de bijna volle maan zich zien. Ik herinnerde me een foto op een inlegvel bij een grammofoonplatenhoes van Egberto Gismonti, 1979. Een beeld van waterige kringen hoog in een vale marmeren lucht, alsof een god een enorme steen in een kosmisch meer heeft gegooid. De foto was gekoppeld aan ‘Ano Zero’, een meditatief stuk voor solo piano, gespeeld door Egberto Gismonti zelf. Ik draaide deze muziek veel in mijn vorige flat, die ik acht jaar terug verliet. Ik heb er 16 jaar gewoond en geschreven. Sinds ik hier woon, schrijf ik nauwelijks fictie meer en ik weet niet of dat ook het geval zou zijn geweest als ik daar, in mijn witte flat met zwarte jaloezieën dichtbij het centraal station, was blijven wonen. Ik heb vaak heimwee naar die plek, niet vanwege de vrouwen maar het constante uitzicht op de lucht.

Sirenen

hat logo meneer b Mijn vriend had een vage uitnodiging op zak van een Nederlandse schilder die op drie kilometer van Sitía in de oostpunt van Kreta verbleef. Na het eten aan het haventje van Sitía wandelden we oostwaarts langs de ruwe kustweg. Het was laat in augustus, de avond was al gevallen toen we in het gehucht aankwamen. Ergens ging een raamluik open. Een oude vrouw met een zwarte hoofddoek liet ons weten dat de schilder er niet meer verbleef. De maan schitterde vol boven de zee, in de verte flikkerden de lichtjes van Sitía, de wandeling terug leek eindeloos. Ik dacht dat ik stemmen uit zee hoorde komen en vroeg mijn vriend om een bevestiging. Hij hoorde niets. Wat hij wel hoorde was een dierlijk gejank onder de massieve heuvelrug. Ik hoorde het ook, maar de stemmen uit zee waren sterker. Plotseling zagen we een schim ergens tussen schonkige bomen met een lantaarn slingeren. Mijn vriend vermoedde dat het om een maanziek persoon ging, die zich de nacht door huilde. De koorzang boven zee klonk hemels, ik wilde de weg verlaten en naar de kustlijn lopen. Mijn vriend hield me tegen en loodste me langs de maanzieke man, die ik jaren later zou terugvinden als hond in het gedicht ‘Spookje’ van J.C. van Schagen. Hij was de favoriete dichter van Christina, mijn levensgezellin, met wie ik Sitía opnieuw bezocht. Ik wilde haar de stemmen laten horen boven zee. We hoorden niets. Is ze er gaan dolen toen ze 12 jaar later stierf?

Het zwevende paard

logo alfred birney Ik was al vertrouwd met die kale sokkel op het Koningsplein, zo’n antieke Oost-Europese kolos waaronder je voortdurend het graf vermoedt van een of andere dictator. Prikkelend voor de fantasie, zo’n leeg wit voetstuk. Maar ons buurtbewoners was een standbeeld beloofd. Op de laatste dag van de hete zomer was het feest op het Koningsplein, heel aardig, al was het maar omdat je dan eens de gezichten ziet van je buren. Het stadsleven: je woont jarenlang tussen mensen die je nauwelijks ziet of spreekt, je weet niet eens wanneer ze doodgaan, enfin, dat weten we nu wel. En opeens wandel je tussen ze op een stoffig vernieuwd onverhard Koningsplein. Je kijkt wat naar elkaar. Eh… hallo… toerist hier?
Tijdens de matinee beklimt een actrice de sokkel voor een standbeeldact. Mooi, zo’n levend standbeeld. Maar dat wordt verkracht ’s nachts, niet? Of eigentijds van de sokkel geschoten.
Er is weinig treuriger dan de aanblik van een verlaten plein, dat kort geleden bevolkt werd door honderden mensen. Waar zijn ze heen, die mensen? Verdoen ze hun tijd met het stompzinnigste dat een mens in Nederland kan doen sinds 1951, namelijk televisie kijken? De kale sokkel is in elk geval mooi, vooral in de spotlights.
Dan, opeens staat er een doorschijnend paard op. Het schittert, nee het spookt in de middagzon. Hoe is het erop geklommen? Ik kijk onwillekeurig omhoog om te zien of er soms gieren boven het Koningsplein vliegen. Het dier ziet er uit als een kaalgevreten skelet. Het is zo plat als de tekening die als voorbeeld moet hebben gediend, zelfs de cryptische verwijstekens zijn door de artiest meegelast.
Maak een ommetje en nader het paard en front. Je ziet dan één lijn, zoals de zijkant van een muntstuk. Het paard als hellebaard, zoiets. Er zit niemand op zijn rug, niks geen Willem III, die zet je niet op een skelet, en al helemaal niet in Den Haag. Toch heeft het dier wel wat, het heeft heel veel eigenlijk, al is het maar omdat het er steeds anders uitziet in de vele schakeringen tussen licht en donker onder de Hollandse lucht. Spoken doet het van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Wedden dat het wakker is bij nacht?
Ik verlaat mijn huis bij volle maan en wandel naar het slapende Koningsplein.
‘Hé paard…’
‘Hé schrijver…’
‘Waarom vlieg je niet weg, paard? Dat kan makkelijk! Je zweeft immers al!’
‘Doe niet zo mal, man. Het zijn de spotlights beneden me. Mijn benen worden niet beschenen en daardoor lijk ik te zweven. Maar zie je dan niet dat ik het eeuwige leven heb? Dat moet jij nog maar zien te bereiken, sukkel.’

Haagsche Courant, vrijdag 12 september 2003

Zon

logo alfred birney Hoe zit dat nou met die zon als vitaminefactor? Ik zie waarachtig door de wolken de zon niet meer. Ooit heb ik me laten vertellen dat een mens minimaal 65 zonnedagen per jaar nodig heeft. Zonder zon geen geluk. Titels van popsongs spreken voor zich. Ain’t no sunshine when she’s gone (zon en liefde). Here comes the sun (zon na een lange eenzame winter). Sunny (de perfecte geliefde). Sundown brengt ellende. Sunrise brengt geluk. Maan en sterren worden ook bezongen, maar minder vaak dan de zon. Een wielerpet overigens beschermt een renner tegen de zon, maar een hoofddoekje heeft tegenwoordig een symbolische functie. In de jaren vijftig droeg zo’n beetje elke Hollandse huisvrouw een hoofddoekje (misschien iets voor een aflevering in Stadskind van Wim Willems?), maar die had een praktische functie. Een praktisch kledingstuk is niets om je aan te ergeren. Een hoofddoek op zich dus ook niet, tenzij zo’n hoofddeksel kennelijk ergens symbool voor staat. Sinds de islam tot volksvijand numero 1 is verklaard, is het hoofddoekje mikpunt geworden van kritiek. Thans worden islamitische vrouwen gemaand om wat vaker in de zon te gaan zitten, of hun mannen verzocht hun vrouwen eens wat vaker naar buiten te sturen. Krijgt een islamitische vrouw mét hoofddoek op het strand ook genoeg vitaminen? Niks over gelezen. Jonge autochtone meisjes die er uren liggen te zonnen wordt aangeraden het wat rustiger aan te doen en zich veelvuldig met zonnebrandolie in te smeren. Is een hoofddoekje niks voor ze? En liefde bij de maan?

Haagsche Courant, woensdag 17 juli 2002

Gekras van niks

logo alfred birney De boekenweek komt eraan, dus de Kraai kan zijn kooi weer even uit. Verleden jaar predikte de bedoelde directeur van de CPNB de mondialisering door met een universeel gebaar een Engelstalige megaster per UFO van Jupiter te laten overkomen. Tussen de tientallen auteurs van de Nederlandstalige etnische literatuur kon hij even niemand vinden. Dit jaar speelt-ie kleinschalig pingpong met de boekhandel. Die klaagt dat steeds meer Nederlanders dezelfde boeken lezen. De Kraai roept dat boekhandels naast hun bestsellertorens heus wel een kastje met minder populaire titels kunnen neerzetten. En krast dat ‘maar één op de zes boeken’ een bestseller is. Ik zou zingen: bij een gezond boekenaanbod één op de honderd titels. De Kraai haalde verleden jaar een stunt uit met scheepsladingen vol boeken van Salman Rushdie. Nu trillen zijn veren bij de kwellende gedachte aan speciale Harry Potterwinkels. Ja, Van Dis en Connie Palmen hebban effe gene vogala nestas, wat unbidan we nu, krast hij vertwijfeld. Mij dunkt is voor het referentiekader van deze meneer geen vogelnestje klein genoeg. Het Fonds voor de Letteren kan zonder problemen 200 schrijvers leveren die VD & P naar de maan schrijven. Maar ja, brengt geen poen in het laatje. Wat is literatuur tegenwoordig nog zonder televisie, hè? De rekenmeester had niet verwacht dat na Salman Rushdie alleen nog een tovenaarsleerling de mensen naar de boekhandel kon trekken. Anders had hij stellig J.K. Rowling voor dit jaar gepaaid en alsnog de N uit het banier van de CPNB geschrapt. Tenslotte is een boek maar een boek voor een kraai.

Haagsche Courant, woensdag 6 februari 2002

Een neus voor vliegen

De witte Jumbo van Singapore Airlines met het getal 1000 op zijn kop heeft een gaatje in zijn neus, veroorzaakt door een onduidelijke vogel met kamikazeneigingen. Ik ben terug op Schiphol, ditmaal om in oostelijke richting te vliegen. KLM zette me eerder niet op het gewenste vliegtuig naar Amerika omdat het bijna volle maan was en zijn zusje North West Airlines vloog niet op tijd terug naar Nederland omdat de piloot niet uit zijn nest kon komen.
     
Singapore Airlines blijkt nu ook last van kuren te hebben, maar verslaat KLM/NorthWest toch met klantenbinding. Hun baliepersoneel van mooie, fijngebouwde blonde meisjes biedt ons passagiers consumptiebonnen aan plus een snelcursus vliegtuigneuskunde. De meisjes in de lucht zijn ook mooi en fijngebouwd, maar bruin. Eigenaardig, die apartheid. Vinden de imagebuilders van Singapore Airlines die sarongs niet passen bij blanke meisjes?
     
Ik eet nootjes en drink cola van mijn consumptiebonnen aan een bar waar je toevallig mag roken in Schiphols huichelachtig rookvrije en schone labyrint. De barkeeper doet zijn best om zijn homoseksuele geaardheid met een soap act te etaleren en zegt dat er niks boven cybersex gaat. Leest hij Cyberney dan-nie? Zijn humor heeft een bittere ondertoon, misschien is hij eenzaam thuis, waar-ie aldoor over spreekt: zijn pc, zijn kabelmodem, zijn webcam.
     
Ik ga naar een land waar eenzaamheid niet lijkt te bestaan, ik ben er al 12 jaar niet meer geweest sinds ik er een bezoek bracht aan het graf van mijn peranakan-Chinese grootmoeder. Ik herinner me dat ik daar in Indonesië nooit alleen was. Eenzaamheid voelt anders daar, minder alleen. Toch is het leven er oneindig harder dan hier in Nederland.

Na het urenlange gehang aan de bar ga ik eens kijken naar hoe het met de neus van de witte Jumbo is gesteld. Een nieuwe neus was niet voorradig op het vliegveld en is ijlings uit de fabriek gekomen. Toch niet uit een speelgoedfabriek? De glanzende witte snoet scharniert als een deur op de toet van de plane en moet de radargevoelige elektronica beschermen.
     
De mecaniciens krijgen hem niet dicht. Is er al een rol plakband onderweg?
     
Ik sta aan de gate en monster mijn medepassagiers. Fronsen zij hun wenkbrauwen vanwege het nerveuse gestuntel van twee inderhaast opgetrommelde mecaniciens van Lufthansa, of vanwege de vertraging? Ik zal mijn aansluitende vlucht in Singapore missen, dat is zeker. De chauffeur van de secretaris van de Nederlandse ambassade zal mij in Jakarta tevergeefs opwachten.
     
We mogen al instappen. Nou dank u, gaat u gerust voor. De passagiers slenteren wat weifelend naar de slurf. Een klein groepje blijft bezorgd staan. Wie onderweg is, is onderweg en moet zich oefenen in niet daar willen zijn waar hij of zij niet is, nietwaar? Ach overgrootmoeder, was ik maar een wijze Chinees, een oude uit een antieke dynastie. Zet me met een penseel en rijstpapier aan de goudvissenvijver en laat mij luisteren naar het zingen van de hofdames van mijn heer, die me morgen de strot zal laten afsnijden omdat een haartje van mijn penseel in de inkt op het perkament is achtergebleven.
     
Zal ik ditmaal sterven, voorouders? Je moet toch ééns neerstorten. Hoe vaker je vliegt, hoe groter de kans, zeg mij maar dat het niet zo is.
     
Ik ga als een der laatsten aan boord. Wie bang is voor vliegen die toont moed door te vliegen. Wie niet bang is voor vliegen, die toont niets bijzonders door te vliegen.
     
Mijn stoel staat helemaal achterin, een plek van niks omdat je er je leuning maar half naar achteren zetten. Slapen wordt dan nóg lastiger dan het al is in zo’n ding. Nou blijft de staart meestal wel heel na een crash, dus jouw lijk kunnen ze er dan als eerste uithalen. Scheelt toch weer tijd, je ligt dan eerder in je kist, prettig voor je nabestaanden want die hebben het als iedereen druk-druk-druk of cultiveren een burned out, in elk geval tonen ze de wereld dat ze hier niet zijn om alleen maar boter-kaas-en-eieren te spelen.
     
Ik zit naast de nooduitgang. Prettig. Minder prettig is het dat het boordpersoneel die dikke deur niet dicht kan krijgen. De vliegtuigtrap is te ver omhooggeschoten en houdt de deur in de tang. Het ongetwijfeld intelligente personeel probeert nu trekkend en rukkend de loodzware deur over het trapbordes te trekken. Verkieslijker lijkt het me om het grondpersoneel de trap onder die deur te laten zakken, maar dat zal nog wel bezig zijn met het onontbeerlijke reukorgaan aan de andere kant.
     
Enige doorgewinterde luchtreizigers naast me beginnen te verhalen over de spannendste vliegreis uit hun logboek. Noodlanding op Timboektoe. Duizend verschroeide pinguïns na een tussenstopje op de Zuilpool. Vechtende krokodil en haai op de startbaan van Surabaya. Dat soort dingen.
     
‘Volgens mij staat het vliegtuig scheef.’
     
‘O ja?’
     
‘Ja, kijk maar, zie je die lijn? Ze hebben het vliegtuig helemaal verkeerd geladen.’
     
De take off is de onzekerste die ik ooit heb meegemaakt. Het lijk wel alsof deze Jumbo een ego heeft en helemaal de lucht niet in wil. Er staat een stevige wind, het toestel trekt zo traag en hortend op, dat ik bijna echt begin te bidden voor mijn nabestaanden.
     
‘Komt dat ding nog omhoog of hoe zit dat?’
     
‘Het is die lading, ze hebben het schip veel te erg volgestouwd.’
     
‘Het schip, hè?’
     
‘Straks wordt de lucht ijler en dan vliegen we.’
     
Die profetie wordt bewaarheid. We komen te vliegen. Zal me een lekkere landing worden met zo’n scheef geladen toestel. Enfin, dat is een zorg van 12 uur later.
     
Elke stoelleuning heeft een monitor in de rug, waarop je speelfilms kunt zien, Nintendo kunt spelen én de vluchtroute kunt volgen. Kan de KLM niet aan tippen. Bovendien wordt er champagne geschonken, wat ik niet lust, en aero-rijsttafel geserveerd, wat niet te vreten is. Nou hoef je je neus maar op te halen of een stewardess komt je vragen of je misschien iets anders wilt eten. Maar de sarongs en condé’s die ze dragen geven je ook weer het gevoel in een reclamespot te zitten en je zou toch weer bijna heimwee krijgen naar die tof-horkerige Hollandse KLM-meiden.
     
Ik zal 12 uur lang muziekzenders afzappen, van jazz via klassiek naar Asian Pop, terwijl ik me kinderlijk verbaas over de landen die we bijna hautain overvliegen.

Iemand in Tajikistan ziet in de heldere nacht een vliegtuig overkomen. Ze kan niet slapen, maakt haar zusje wakker en zegt: ‘Kijk, een vliegtuig! Waar zou dat heengaan?’
     
‘O,’ zegt het zusje slaperig, ‘naar Singapore.’
     
‘Hoe weet je dat?’
     
‘Nou, dat denk ik zo.’
     
‘Misschien zit de man van je dromen wel in dat vliegtuig en gaat-ie je zomaar voorbij.’
     
‘Ja… een schrijver.’

birney in vliegtuig

‘Ja, die Cyberney, die bruine desperado op klompen uit dat land waar alles kan en mag en waar ze penalty’s missen bij het voetbal omdat ze in de kleedkamer cocaïne snuiven.’
     
‘Stortte hij maar neer, dan kwam hij met de staart in onze tuin terecht en dan konden we hem oplappen en dan mochten we met hem mee naar Holland, waar het leven zo goed is en waar ze je niet meteen voor je kop schieten als je eens met de postbode neukt.’

Blij dat ik er even vandaan ben.
     
De landing op Singapore is een harde, het toestel lijkt even op één schaats te rijden.
     
Smokkelen de Singaporezen misschien een paar stuurse Hollandse BSE-koeien mee voor hun dierentuin?
     
Fijn dat het grondpersoneel te Singapore alles zo heeft geregeld dat je direct een alternatieve vlucht naar Jakarta kunt nemen. Aangenaam ook te ontdekken dat het land, waar men je kop bijkans in de strop legt als je een sigarettenpeuk op straat gooit, een rookkamer heeft op zijn luchthaven. Fransen, Duitsers, Zweden, Hollanders en vooral Singaporezen paffen er dat het een lust is. Zelfs mannen in uniform, die zodra ze de rookkamer hebben verlaten weer je grootste vijanden zijn en je vele Singaporese dollars laten dokken als ze je betrappen met een peuk op de wc.
     
De plees bieden de bezoeker liefst drie manieren om de kont te reinigen. Dat kan hier met wc-papier, met een klassiek mandi-emmertje én met een kraanslangetje.
     
Dames en heren architecten in Negri Belanda! Houdt bij het ontwerpen van uw sociale woningbouwprojecten voortaan niet alleen rekening met de behoeften van onze mohammedanen, die de wc niet naast de keuken willen! Denkt u ook aan het kraanslangetje, waarmee u de zwijgzaamste minderheid van Nederland gelukkig kunt maken! En leert u eens uw kont te spoelen, verdomme nog aan toe! Onze ouders uit de Gordel van Smaragd zijn hier niet alleen gekomen om jullie enkel saté te leren vreten en Tjalie Robinson te leren lezen! Neemt u eens iets over van andermans pleecultuur: kijk eens naar de multiple choice die de Singaporees u biedt bij het verblijf op de vrolijke vierkante meter!
     
Ziezo. Cyberney heeft gesproken, geschreeuwd. Nog één peuk en dan het volgende toestel in naar Jakarta. Een kleinere Boeing. Smooth flight.
     

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!

Op pad met Bunga en Boeaja

Ergens stroomt een rivier en de maan is bijna vol. Er hangt iets in de lucht, de mensen zijn gejaagd, nee ik verbeeld me niks. Het reisbureau van de literaire organisatie met de onmogelijkste afkorting die je maar kunt bedenken, het NLPVF, is vergeten mijn vliegticket klaar te leggen bij de balie. Dan heeft Marion Bloem het toch maar slimmer geregeld: zij heeft haar vliegticket naar haar huisadres laten sturen.
Ik ben nerveus, ik lijd aan vliegangst en krijg zin om eens lekker te gaan schelden op het meisje achter de balie van het reisbureau. Bloem maant me tot rust: het is de schuld van het meisje niet.
Mijn tweelingbroer George is ook ter plaatse. Hij vliegt als IT-er de wereld rond, komt me uitzwaaien en me van reisadviezen en dollars voorzien.
‘Ga ik niet neerstorten, George?’
‘Nee man, je stort niet neer.’
‘Maar het is mogelijk, niet?’
Bloem is ongeduldig en wil alvast gaan inchecken. Ze wil voorkomen ik naast haar kom te zitten, want ze wil ongestoord kunnen werken aan haar roman. Ze werkt met deadlines. Ik ook, maar niet in een vliegtuig.
Het baliepersoneel op Schiphol is wat geïrriteerd vandaag. Zo zijn er twee vliegtuigen niet teruggekeerd uit Minneapolis, vanwege slecht weer. Dat is nou precies de luchthaven waar ik en mijn collega moeten overstappen.
Ik bel mijn contactpersoon van het NLPVF, wachtwoord voor Nederlands Literair Productie- en Vertaalfonds. Heerlijk om zijn geruststellende stem te horen, het zal wel voor elkaar komen met de vliegticket.
Nou, met dat ticket wel, maar verder gelooft Bloem er helemaal niks van. Bij de incheckbalie hebben ze fijn een streep door haar vliegticket gehaald. Die krijg ik later ook.
‘Ik ga naar huis,’ zeg ik, ‘ik neem het vliegtuig morgen wel.’
‘Nee,’ zegt Bloem, ‘jij gaat mee. Anders moet je morgen wéér om zes uur je bed uit.’
George heeft goed nieuws. Ze hebben een Boeing 767 gecharterd, een toestel met twee motoren.
‘Twéé maar?’
‘Ja, twee motoren. Maak je geen zorgen, zo’n 767 die haalt het nét.’
‘Of net niet, huh?’
‘Joh, dat ding vliegt gewoon wat lager en langzamer. Misschien hebben ze er wel een extra tank aan gehangen.’
‘Het is bijna volle maan. Veel verkeersongelukken en zo.’
‘Die gebeuren ook bij andere maanstanden.’
‘Ja, maar vooral bij VOLLE maan, George.’
Ik wil naar huis, ik wens deze vlucht te cancelen, maar dan moet ik me toch eerst bij de gate melden, anders weiger ik de vlucht. Nou vooruit dan maar.
Voorbij de paspoortcontrole zwaai ik erg lang naar George. Dan kan hij, indien ik neerstort, als eenling de rest van zijn leven aan dit memorabele ogenblik terugdenken: dat zijn tweelingbroer het altijd heeft geweten dat hij eerder dan hem zou gaan.
Ik meld me bij de gate, waar zo’n 900 mensen op de 767 wachten, een toestel met een capaciteit voor 300 passagiers.
Ik ben Bloem kwijtgeraakt, ik weet niet waar ze uithangt. Tegen de tijd dat we aan de beurt zijn voegt zich bij me. Zodra ze hoort dat we niet met het toestel mee kunnen, begint ze stampei te maken, roepende dat hier twee schrijvers staan die moeten gaan voorlezen in Iowa, hier staan twee belangrijke schrijvers, de Bunga en de Boeaja van de Indische letteren, hoort u?
Wij lezen toevallig lekker Van Dis, zie ik de dames achter de balie denken: die heeft tenminste manieren.
Bunga wendt zich woedend af, ik sjouw achter haar aan en kom ergens in het labyrint van Schiphol oog in oog te staan met een kostschooldirectrice achter een KLM-balie. Ha! Een kostschooldirectrice, een kreng van een wijf, daar ben ik dol op!
Bunga niet. Die vergeet wat ze mij eerder adviseerde toen ik wilde gaan schelden omdat mijn ticket er niet lag. Nu begint zijzelf te schelden. De directrice verstrakt, er-rug mooi dat. Bunga verstrakt ook, ook er-rug mooi. Tijd dus voor me om haar een zitplaats te wijzen.
‘Ga jij daar nou even zitten,’ zeg ik, ‘dan regel ik dat wel hier.’
‘Ja, gaat u daar maar even zitten,’ echoot de kostschooldirectrice tegen de Bunga van de Indische letteren, ‘dan regel ik alles wel even met meneer. Het is al zo’n chaos vandaag, ziet u.’
Hm, ze zegt ‘meneer’ maar bedoelt natuurlijk ‘jongen’. Kostschooltantes zijn dol op me, herkennen instinctief de ex-tehuisjongen in me, maken me het leven zuur dan wel zoet, afhankelijk van hoe de planeten staan. Volle maan, mal sehen…
Het kreng biedt ons een alternatieve vlucht via Chicago. Klinkt een stuk spannender dan Minneapolis. Alhoewel, die Chicago Blues uit de Amerikaanse muziekcultuur zit wél vol ellende. I woke up this morning… en toen ging alles mis.
Lord have mercey dan maar.
Bunga heeft zich intussen over haar manuscript gebogen. Ik laat haar met rust, ga op zoek naar een toilet, naar een sigarettenboer en een bak koffie. Om 10 over 1 is het inchecken voor Chicago geblazen. Bunga is gevlogen, met mijn tassen, en zal dus vast wel bij de gate staan.
Ik loop erheen, ga zelfs de detectorpoortjes door, laat Bunga’s echte naam omroepen, lezers stoppen betrapt haastig hun Haasse-lectuur weg, ik ga weer terug de poortjes door, bel Bunga’s oude 06-nummer, krijg haar man ergens in Maleisië aan de telefoon, terwijl Bunga op dat ogenblik van ergens in het labyrint het NLPVF belt om daar mijn 06-nummer op te vragen, dat uiteraard in gesprek is omdat de Bunga de Boeaja zoekt op het moment dat de Boeaja de Bunga zoekt.
Maan al vol? Graag. Dan kan ze gaan afnemen.
Chagrijnig van het gesjouw met mijn tassen meldt Bunga zich plotseling bij de incheckbalie. Ze zegt dat ze het nou wel heeft gehad met die tassen van me. Alsof ik haar heb gevraagd met die tassen op sjouw te gaan.
Bunga maakt zich zorgen. Ze heeft haar koffer namelijk laten inchecken bij de vlucht naar Minneapolis, toen die vlucht nog onzeker was. Ze zullen vast wel zijn vergeten die koffer op de alternatieve vlucht te zetten.
We kunnen aan boord, onze reserveplaatsen gaan opzoeken. Kunnen we vertrekken? Nee, de piloot van de ‘Classic’ Jumbo 747 meldt dat er nog even een bandje verwisseld moet worden. Horen classics niet in een museum thuis?
Bunga zit een paar plaatsen verder schuin voor me en ik zie haar bezig met correcties in haar manuscript, dat onder de titel Games4Girls de boekenweek moet gaan opsieren. Watch out, mister Rushdie, we’re gonna sing our own Indies Blues for you. In Dutch, don’t worry.
Bunga maakt correcties in haar manuscript, kijkt zelfs niet op of om bij het opstijgen van de ‘Classic’ met zijn nieuwe bandje. Cool. Ik kan niks in een vliegtuig, alleen maar voor me uitstaren. Geen film deugt. Het hysterische rookverbod in vliegtuigen neemt internationale vormen aan terwijl die machines zelf tonnen verbrande kerosine het luchtruim in spuiten, goed voor duizenden kankerlijders die ver beneden op de aarde rondkuieren. De nicotinekauwgom die mijn verslaving moet gaande houden is niet te vreten. Valium is effectiever, bestrijdt tegelijkertijd je vliegangst. Dosering: 5 mg. Kleur: geel. Mother’s little helper, naar een hit van de Stones uit de jaren zestig. Ik wacht op de monitor die in de filmpauzes de vluchtroute weergeeft. We gaan onderdoor IJsland, Groenland, dan omlaag het Michiganmeer over. Heel snel, heel langzaam. Het is nog ver naar de rivier, waar de cowboys wachten.

alfred birney in iowa

Schiphol Airport is een labyrint, Chicago Airport een jungle. Hollandse douaniers zijn mellow, Amerikaanse tough. Bunga wil niet met mij in dezelfde rij staan. Twee Indo’s bijeen, dat valt te veel op. Merkwaardige actie van haar, zéér Indisch, maar dan wel zoals we waren in de jaren zestig.
De douanier die ik langs moet, is zo te zien een Vietnamees. Wat zal zo’n man moeilijk doen als-ie een half Aziatische smoel voor zich ziet?
Nou, hij roept met schrille stem in napalm-Engels uit dat ik mijn formulier niet volledig heb ingevuld. Weet ik veel dat dat formulier ook nog een achterkant heeft. Ik heb het verdomme tot drie keer toe overgedaan op aanraden van de steward aan boord van de ‘Classic’, want die had al eens moeilijkheden gekregen om een doorhalinkje.
De volgende klant duwt me bijkans van de balie weg en ik ga terug, braaf achteraan in de rij staan. Eenmaal weer aan de beurt zegt de Vietnamese douanier: ‘Hé joh, waarom ging je nou achteraan in de rij staan? Ik zei toch dat je dáár moest gaan staan. Nou heb je moeten wachten! Had niet gehoeven, brother.’
Huh? Adoeh, zo’n fèn, je zou hem toch beuken met dat petjoh-Engels van hem, niet?

Intussen ben ik Bunga alweer kwijt, die kennelijk lijdt aan een ontsnappingsneurose. Ik vind haar bij de lopende band, waar ze op haar koffer wacht. Ze weet dat ze er helemaal voor niks op haar koffer wacht, dat die koffer niet zal komen, en het wachten op haar koffer zal een thema worden dat voor haar de helft van de conferentietijd in Iowa zal beheersen.
     
Het moet gezegd: KLM kan niet garanderen dat uw koffer tegelijk met uzelf aankomt op de plaats van bestemming. Ze hebben het in de kranten laten zetten en ze houden woord. Ze kunnen trouwens ook niet garanderen dat zo’n ‘Classic’ niet neerstort.
Bunga is een ervaren reiziger en ik vertrouw op haar neus voor de juiste route naar de juiste gate vanwaar ons vliegtuig naar Cedar Rapids zal vertrekken. Ja! Bunga weet de weg in de Chicago Jungle, je zou haar hier bijna een inlands meisje noemen.
In de wirwar van onlogisch geplaatste bordjes weet ze de train te vinden, een robot die ons naar de gate rijdt.
We komen terecht in een wachtruimte waar je voor veel dollars een overjarige sandwich kunt krijgen met een enorme beker hot chocolate. Bunga belt onze afhaler, Wanda Boeke, vertaalster in captivity of the Iowa State te Midwest, en meldt dat wij ten tweede male vertraging hebben ondervonden omdat we de aansluitende vlucht net hebben gemist, etc. Okay, succes, tot straks.
Bunga gaat over tot de orde van de dag. Schrijven. Ze moet op mijn oplettendheid vertrouwen, maar ik op mijn beurt vertrouw weer op haar ervaring en ga half zitten slapen. Nu is het zo, dat: 1) wij direct naast de gate zitten; 2) en er op een gegeven ogenblik iets in een Midwestigs accent wordt omgeroepen en 3) ik voor de lol tegen Bunga zeg: ‘Ik weet niet precies wat ze zeggen, maar volgens mij is het géén Engels.’
‘Nee, dat heb ik vroeger op school ook anders geleerd,’ meesmuilt Bunga.
Wanneer ik later zie dat onze instaptijd alweer een poosje is verstreken, vraag ik Bunga: ‘Eh… zal dat vliegtuig naar Cedar Rapids niet onderhand vertrekken?’
Bunga kijkt naar buiten en ziet tussen de vele toestellen dat éne naar de startbaan taxiën. Ze wendt zich hels tot de mensen achter de incheckbalie, zwarte mensen die een onverstoorbare houding proberen te cultiveren. Bunga eist dat ze dat vliegtuig terugroepen om ons, schrijvers, wellicht de laatsten der Mohikanen in de Indische letteren, alsnog in de gelegenheid te stellen in te stappen.
‘Mem, gaat u maar achteraan staan, wij hebben klanten aan onze balie staan.’
‘Zo! Ben ik dan geen klant soms?’
Dat is genieten. Die Bunga gedraagt zich als een echte ster. En ze onderschrijft intussen ook nog en passant het cliché van het Indische meisje met de grote smoel. En ik dat van de Indische jongen met zijn soedah, al.

Twee uur vertraging extra, door eigen schuld. Hadden we maar geen grapjes moeten maken over dat rare monotone provinciale accentje van die lui daar. Terwijl Bunga onze afhaler de wederom veranderde aankomsttijd doorbelt, bedank ik het baliepersoneel op mijn allervriendelijkst en spreek daarbij mijn hoop uit dat wij, kunstenmakers uit Indostan, het volgende vliegtuig naar Cedar Rapids niet weer zullen missen. Waarop onze namen worden speciaal omgeroepen, maar niet voordat die lui ons eerst (expres, volgens Bunga) naar de verkeerde gate downstairs hebben gestuurd, alwaar men ons vijf minuten voor tijd vertelt dat de vlucht ge-rescheduled is en wij weer terug moeten naar waar we het vliegtuig eerder misten.

Wanneer ik het enorme Chicago in de nacht beneden me zie, vergeet ik van vermoeidheid aan vliegangst en claustrofobie te lijden in de Cityhopper van American Eagle. Ik repeteer het toverwoord re-schedule 1000 keer en sta dan opeens op Iowa City Airport, waar ik in een oogwenk Bunga alweer kwijtraak.
Goddank wacht Wanda Boeke me op. Ze spreekt vloeiend Nederlands, ze rookt, ze is wakker, zet me in haar auto en nodigt me uit om toch vooral te roken na zo’n rookvrije reis van bijna 24 uur. Vervolgens blijft ze een uurlang weg om met Bunga naar een koffer te zoeken die allang en breed in Minneapolis ligt. Maar wat is een uur op een mensenleven. Ik geniet van mijn sigaretje en verbaas me over de omgeving, die me zo bekend voorkomt. Amerika is net als op de film, zegt men.

Klopt.

* * *

Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!