Laatste loodjes werken aan een essay

koloniaal In 2003 ontving ik van het Letterenfonds een subsidie voor het schrijven van een essay over koloniale literatuur. Vanwege ziekte in de periode 2006 – 2009 liep de voortgang van het boek ernstige vertraging op. Thans leg ik de laatste loodjes aan het boek, dat vele stadia heeft afgelegd. Boven het manuscript staat “9e versie”, dus dat zegt al genoeg. Ik heb er een slordige vijf jaar aan gewerkt. Laatst ben ik speciaal van Facebook afgegaan om ongestoord te kunnen werken, want, zoals u weet, social media leiden schrijvers van hun werk af. De commentaren van redacteur Jim Rotteveel, duizendpoot Esther Wils, Tjalie-biograaf Wim Willems en redacteur Koos van den Kerkhof heb ik in etappes verwerkt. Ik ben nu bijna zo ver dat ik het uiteindelijke manuscript, tellende ruim 58.000 woorden, kan inleveren en even kan gaan uitrusten. Nog een laatste check en het boek kan in productie. Als het productieschema geen tegenwind te verduren krijgt, zal het boek in april op de markt verschijnen. rss button Wilt u op de hoogte worden gehouden, abonneert u zich dan op dit weblog door op het rss-icoon (voorbeeld hiernaast) te clicken bovenin uw browser.

De onbekende moeder

logo alfred birney Papier is het veiligst. Het enige gevaar is een flinke brand, dan ben je alles kwijt. Maar je hebt geen last van computervirussen, vergissingen met het opslaan van je gegevens en diefstal als je online werkt, zoals in the cloud. Als ik er niet meer ben, zal alles in the cloud plaatsvinden en de roman zal deels door robots vervaardigd worden.

Gisteren vond ik een klein manuscript terug van 49 bladzijden. Het is uitgetypt op een Olympia Traveller de Luxe en gedateerd 8/9 maart 1986. De tekst is dus nog van voor mijn debuut Tamara’s lunapark. Het is het verhaal van mijn moeder tijdens de oorlogsjaren in Brabant, hoe ze met mijn vader op Java is gaan corresponderen, hoe ze hem in 1950 ontmoette en wat er allemaal plaatsvond tijdens de maanden voor mijn geboorte in Den Haag.

Ik herinner me dat ik op een weekend met een cassetterecorder naar Helmond afreisde om haar een interview af te nemen. De cassettebandjes zal ik ook nog wel ergens hebben liggen. Maar het belangrijkste zal ik er toen wel al hebben uitgehaald. Bovendien wordt de boel gefictionaliseerd, want wat heeft de lezer nou aan droge feiten.

De vondst komt me goed uit. Mijn moeder speelt zelden een rol in mijn werk tot nu toe, maar als kindvrouw kan ze een aardig tegenwicht bieden tegen de vaderfiguur, aan wie ik voor het laatst aandacht zal schenken in een roman (waar ik net aan ben begonnen) en daarna nooit meer.

Ik ben begonnen met schrijven na een periode van enorme verveling. Ik ruimde mijn pc op, gooide kladjes weg, foto’s, muziekbestanden, films, overbodige programma’s – ik overwoog zelfs om weer terug te gaan naar pen en papier. Misschien dat ik dat alsnog doe.

Geen idee wanneer dit boek klaar zal zijn. Met de enorme berg aantekeningen van mijn vader en fragmenten van eigen hand zou het best een dikke pil kunnen worden. Toen ik de Rivieren-novellen schreef, dacht ik dat ik met dat genre nog wel een poosje uit de voeten kon. Alsmaar schrappen van overbodige tekst is me gaan vervelen, zoals alles gaat vervelen. Schrappen begon bijna een neurose te worden. Spreektaal begint nu mijn aandacht te krijgen. Ik gebruikte het al eens in verhalen uit de bundel Fantasia.

Eerste correcties Rivier de IJssel

De eerste correcties van mijn nieuwe novelle Rivier de IJssel heb ik verwerkt. Het manuscript gaat komende week naar een tweede corrector. Als alles meezit – gezondheid, geen gedoe aan mijn hoofd, onvoorziene toestanden rond uitgever en drukker – moet het boek half maart in productie kunnen. Presentaties beginnen dan een maand later: medio april. Locaties zijn nog niet bekend. Ik denk aan Amsterdam, Deventer en Den Haag.

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

De nieuwe Handelsregisterwet jaagt schrijvers het internet af

Het begon een poos geleden al met de een of andere staatssecretaris die vond dat schrijvers zich voortaan als ondernemers moesten gedragen. Dat hebben we natuurlijk een tijdje tegen kunnen houden, maar de nieuwe lichting komt inderdaad met bedrijfsplannen, dat zie je ook aan hun boeken. In het eerste hoofdstuk gaat de hoofdpersoon – een schrijfster – een kantoor binnen en overhandigt de een of andere malloot een visitekaartje waarop enkele trefwoorden staan. Seks. Religieuze stroming. Religieuze uiting. Relatie. Verkrachting. Ontvoering. Therapie. Botsing van culturen. Of wenst u een whodunit? Ik kan halfbloot op de cover. De uitgever pijpen? Geen bezwaar. Deadline? Weekendje Rome en ik heb het manuscript klaar. De redacteur gaat mee. Maar in Rome aangekomen blijkt de schrijfster banden te hebben met Al Qaida. De redacteur is echter al helemaal in haar ban geraakt en aarzelt: zal ook hij de wapens opnemen tegen een stel Americanos waaronder zich toevallig zijn schoonouders bevinden, van wie de dochter, zijn echtgenote dus, een jaar terug onder raadselachtige omstandigheden spoorloos is verdwenen? Geeft u maar snel een standaardcontract voordat feiten en fictie door elkaar gaan lopen. Ik moet overigens dringend naar een vergadering.

Ik gun dat soort schrijvers alle bestaansrecht, alle hitlijsten, een miljoenenverkoop en wat al niet meer, maar laat mij alsjeblieft de kunstenaar uithangen. Ja, ik weet het: het is een scheldwoord. Nou ben ik mijn hele leven al uitgescholden, dus dat kan ik wel hebben. Maar ik heb echt geen zin in gedoe met BTW en bedrijfsplannen en hoe ik mezelf in de markt denk te gaan zetten. Hou op man, ik ben geen ondernemer, ik ben een kunstenaar, ik ben luimig, om niet te zeggen manisch-depressief, onvoorspelbaar, ik heb geen idee wat ik morgen zal gaan doen en dat boeit me ook helemaal niet. Toch krijg ik het toch maar mooi voor elkaar steeds weer met een verhaal, een artikel of een boek te komen. Ik dien de cultuur, stelletje idioten!

Maarrr… ze blijven me voor een ondernemer houden. Zoals ze me voor een Indiaan houden, of een Indonesiër, of een Eskimo, in elk geval niet voor een Nederlander. Ooit moest je naar de Kamer van Koophandel toe – als je dat al wilde – nu komt de Kamer naar jou. Want op de eerste juli van het vorige jaar heeft de overheid – u weet wel: dat stelletje boekhouders daar aan het Binnenhof – de nieuwe Handelswet ingevoerd. Op 1 juli, die gluiperds, toen iedereen op het strand lag! Ik ga u niet vertellen wat die nieuwe Handelswet behelst. In het kort komt het er voor mij op neer dat ik me moet laten inschrijven bij het Handelsregister. De Kamer van Koophandel is intussen gemoderniseerd, dat zie je aan de wervende koppen in hun brief:

Uw inschrijving is zo geregeld.

Wat moet u doen?

Meer weten?

Enzovoort.

Over de kosten ga ik niet leuteren. Nee, het gaat hierom:

Het Handelsregisternummer van uw onderneming moet u op uw briefpapier, offertes, facturen, websites en e-mailberichten vermelden.

Ja, u leest het goed! Probeert u nou eens voor de lol via domaintools achter mijn verblijfplaats te komen. U krijgt hooguit te lezen waar de host van deze website zit. In Amerika lopen ze jaren op Nederland voor. Daar hebben ze natuurlijk al lang narigheid gehad met allerlei bekende mensen die werden lastiggevallen omdat hun gegevens zomaar opvraagbaar waren. Als je je website onderbrengt bij mijn host, dan kan je aanvinken of je je privé-gegevens buiten beeld wilt hebben. Dat kost niets extra. Voordelen: geen stalkers aan de telefoon, geen idioten aan de deur, geen ongevraagde manuscripten en overige post en ga zo maar door. Over bommeldingen zal ik het nog maar niet hebben. Dat is de goden verzoeken, niet?

Aanstonds is mijn bewuste keuze voor een Amerikaanse host totaal zinloos geworden. Want met je Handelsregisternummer op je website ben je in no time op te sporen. Alles ligt voor het grijpen, tot en met je telefoonnummer. En geloof me: ik heb in het verleden heel veel last gehad van onverbeterlijke stalkers aan de telefoon. Dag en nacht. Opgeschoten meiden, oorlogsslachtoffers, schrijvers-in-spe, ex-tehuisklanten, mensen die hun verhaal wilden verkopen, lezers, fans, mensen van vroeger, hijgers etc. Week in week uit. Totdat ik wel een geheim nummer moést nemen. Maar dan… De een of andere radio-omroep laat je nummer lekken en van lieverlede neem je een 06-nummer. En dan nu dit. Hallo daar, mijn naam is Alfred Birney en u bent hierbij uitgenodigd mij dag en nacht te komen lastigvallen.

Dit snappen zelfs de Amerikanen niet met hun paranoïde nieuwsgierigheid naar je profiel en de daaruit voortvloeiende eis dat je allerlei persoonlijke informatie via het internet moet opgeven voor je een visum gaat aanvragen. Ik zal een schrijverscollectief of iets dergelijks in het leven moeten roepen om onzichtbaar te kunnen blijven. Nee, de schrijversvakbond daar was ik al uitgestapt. Die bekijkt de zaak nog eens van alle kanten, zal de boel aankaarten als het allang niet meer hoeft, loopt hopeloos en chronisch achter op de ontwikkelingen op het internet, publiceert verhalen in dat muffe kwartaalblaadje van suffe schrijvers die nog maar net een website hebben gelanceerd – met frames, ook dat nog – en dat dan ook hoog van de toren blazen. Terwijl het onderhand toch tijd wordt om als schrijver juist het internet vaarwel te zeggen.

Correcties

logo alfred birney weblog Ik ben een week of twee bezig geweest met de laatste correcties aan mijn boek. Dat wil zeggen: ik heb wat zinnen verbeterd en voor de rest ben ik gaan zitten piekeren over zaken waarmee ik u maar niet lastig zal vallen. Ik ben slecht in keuzes maken. Nou zegt men dat het niet maken van keuzes ook een keuze is, maar met die onzin kom je niet ver als je een definitieve versie van je manuscript moet inleveren. Ik treuzelde enorm, totdat afgelopen zondag – ja de zevende dag – mijn uitgever opeens vroeg of ik de tekst nog die avond wilde inleveren. Dan kon de persklaarmaker er de volgende dag mee aan de gang. Ik beloofde het manuscript uiterlijk middernacht per e-mail in te leveren en ging als een gek aan de slag.

Om tien over half twaalf zag ik dat ik het nooit zou redden. Ik verklaarde 00:00 uur als zijnde een ontijd en pakte er nog maar wat uurtjes bij. Ik was die middag namelijk op het zotte idee gekomen om nog wat te gaan schuiven met twee hoofdstukken, zodat er een soort van parallelle vertelling door het verhaal kon gaan stromen, als u begrijpt wat ik bedoel. Maar de tekst was al zo gelaagd, al zie je dat er niet direct aan af (en zo hoort het ook). Ten leste besloot ik om de twee hoofdstukken eenvoudig weg te gooien, te deleten, te ditchen, te dumpen, te wissen – wat is het heerlijk om daar allerlei werkwoorden voor te zoeken. Pas toen dat eenmaal gebeurd was, voelde ik dat het goed was. Dat het die twee hoofdstukken waren die me de afgelopen twee weken zo in de weg hadden gezeten. Niet omdat ik ze steeds tegenkwam, maar vanwege hun simpele bestaan. Ze hadden geen bestaansrecht in mijn verhaal, ze voegden er niets aan toe, maakten de boel nodeloos gecompliceerd.

Vraag me niet waarom een schrijver zoiets niet eerder ziet. Het is als het optrekken met een stel vrienden, onder wie er een paar zitten die niet helemaal deugen. Ik zal maar niet met een analogie met liefdesrelaties komen.

De correctieronde van mijn nieuwe boek

logo alfred birney weblog Ziezo, de correcties van mijn manuscript vielen gisteren zowaar in mijn brievenbus. De uitgever had ze al op vrijdag gepost, maar sinds de industriële revolutie rond 1900 is de snelheid van de post niet meer toegenomen, integendeel. Een envelop met een stapel A4-tjes doet vier volle dagen over een afstand van 60 kilometer. Dat is 15 kilometer per dag en gemakkelijk te lopen. De PTT / TPG / TNT kan de bestelbusjes dus in de plomp gooien en Nordic-wandelaars met rugzakken op pad sturen. En passant voer je de verhoging in van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 naar 67 jaar. Maar ik was niet van plan te gaan klagen, schelden, grommen, mopperen of katten. Ik ben blij mijn manuscript terug te zien, vol met op- en aanmerkingen in rode inkt en potlood. Rood moet, potlood mag. Ik ben redelijk braaf, maar Indo met een kleine letter i gaat er bij mij echt niet in. Indo met een hoofdletter is namelijk een statement.

Eigennamen krijgen bij mij altijd komma + s. Ik houd niet van geplak van s’en aan namen. Het is bij mij niet Donovans ballade, maar Donovan’s ballade. Ze mogen blij zijn dat ik me aan die bezopen spelling houd. De uitgever had me al gewaarschuwd: ik zou ditmaal een echte muggenzifter krijgen. De stijl van deze corrector lijkt een beetje op die Sonatine voor zes vrouwen (1996) deed. Ik dacht dat dit soort correctoren uitgestorven was, of tenminste wegbezuinigd, maar gelukkig liggen ze nog niet allemaal in hun graf. Wie weet komen ze zelfs weer terug, want we hebben het managerstijdperk nu wel achter ons, dat gedoe van mensen ontslaan en er zelf met de kostenbesparingen vandoor gaan. In het circus van smijten met geld en pletten van personeel is het oog voor zoiets als kwaliteit wat vertroebeld geraakt. Ik heb zelfs gehoord over uitgevers die werkstudenten manuscripten persklaar lieten maken en allerlei turbotaal voorstelden in het proza van een honderdjarige. Nou ja, goed, laat de auteur dan 50 zijn geweest.

De dood van zijn vrouw drukte zwaar op zijn gemoed. Hij baalde er onwijs van dat zijn vrouw de pijp uit was.

Ik verzin maar even een voorbeeld.

Nog eentje? Goed:

Ze gedroeg zich nogal aanminnig die avond bij de Karstens. Ze hing echt de slettebak uit die avond bij de Karstens (ja doei andere naam verzinnen graag, lijkt wel terug naar de vijftiger jaren).

Ja, goed gezien: “vijftiger jaren” is fout. Moet zijn: jaren vijftig.

Enfin, het boek dat twee jaar terug al werd aangekondigd maar door allerlei oorzaken niet verscheen, gaat in productie. De titel luidt nog steeds Rivier de Lossie. Een voorpublicatie in Archipel Magazine is wat gedateerd, de heleboel is herschreven. Als alles meezit, komt het uit in april. In de komende twee jaren komen er, crisis of niet, nog twee boeken achteraan, dus dan weet u dat alvast (smile).

Het is zegge en schrijven negen jaar geleden dat ik met fictie in boekvorm kwam. In de tussenliggende periode heb ik mij bezondigd aan het schrijven van columns, recensies, verhalen, essays en artikelen. Zelfs de journalistiek heb ik niet gemeden met interviews, editing en redactiewerk. Nou viel die periode mooi samen met het opgroeien van mijn zoon. Hij is nu zestien en heeft dus niet zoiets als een afwezige papa gehad, integendeel. Hij gaat me minder nodig hebben en dat is even wennen voor me – ik ben namelijk nogal zorgzaam – maar er komt nu zoveel tijd vrij dat ik wel weer aan een tweede schrijversleven kan gaan beginnen.

Er is veel veranderd in het literaire klimaat, maar ondanks de digitale revolutie zijn sommige zaken hetzelfde gebleven. Zoals het handmatig corrigeren van een manuscript. Er is geen hond die dat op een computer kan, het moet echt met pen of potlood. Papier brengt fouten aan het licht, beeldschermen doen teksten alleen maar mooi schijnen. Ik meen zelfs de geur van tabaksrook van de A4-tjes te ruiken. Volgens mij zijn het sigaren die de corrector rookt. Een vluchtige blik op de graffiti die hij over mijn proza heeft uitgestrooid, doet vermoeden dat hij erg goed is. Toch lijkt een parfumgeur me de volgende keer ook niet gek.

Zeg, kun je me haar telefoonnummer niet even geven? Ik kan haar handschrift niet goed lezen. Hey hallo, aangenaam, even afspreken ergens? Weekje Canarische Eilanden samen? We doen die correcties dan wel ’s morgens bij het ontbijt. Life is a piece of cake, ain’t it baby?

Spelen met deadlines

Ooit was een deadline een deadline: een tijdslimiet, de laatste datum waarop iets afgewerkt of ingeleverd moest zijn. De uiterste deadline bestond niet, alleen als pleonasme. Bij mijn debuut in 1987 werd al met de deadline gesjoemeld. De uitgever liet je je manuscript gewoon een maand eerder inleveren. Voor de zekerheid. Nu is het geloof ik twee maanden eerder. Een boek kan in no time gefabriceerd worden, dus wat stelt zo’n deadline nou helemaal voor? Je braaf aan de deadline van een uitgever houden is hem wat lucht geven in zijn stressleven, waarin voor alles plaats is behalve het lezen van manuscripten.

Dagbladen kennen nog wel deadlines, daar is weinig voorstellingsvermogen voor nodig. Ik bevind me in de gelukkige omstandigheid dat ik niet meer dagelijks met kranten te maken heb. En als ik eens iets moet schrijven dan is dat voor een cultuurbijlage die pas twee weken later moet verschijnen en in werkelijkheid vier weken later verschijnt.

Met een magazine ligt het anders. Nou heb je week-, maand- en kwartaalbladen. Ik heb morgen, dat is woensdag de vierde februari 2009, als deadline staan voor een bijdrage in een kwartaalblad. Ik kreeg de deadline te horen op de achttiende december van het afgelopen jaar. Ik heb nog geen woord geschreven. Niet omdat ik de redacteur wil plagen, de tijd vloog en ik ben nog maar net bekomen van de griep (ondanks de griepprik, die ik braaf elk jaar haal en die op zijn beurt te braaf is voor de griep).

Misschien heb ik nog wel iets in mijn lade liggen. Er lag altijd nog wel ergens een tekst die ik right away kan opsturen. Dat waren mijn deadline killers. Ik hoefde er alleen maar naar te zoeken. Helaas heeft een crash van mijn pc negentig procent van mijn deadline killers te grazen genomen, maar dat moet ik nu, na een jaar of drie, maar eens gaan vergeten. Trouwens, als ik nu niets instuur, dan krijg ik over vier weken toch wel een mailtje met een, ja daar komt ie: uiterste deadline.

Problem solved. Next one.

Eén uit een miljoen aspirant-schrijvers

Ik ontving een e-mail van een lezer die op zoek was naar een collega-schrijver van me. Of ik wist waar hij uithing. Ik mailde terug dat ik dat wist, ja. De lezer beloofde me een boek van me te zullen kopen als ik hem vertelde waar mijn collega uithing. Nou leek de persoon me niet direct lid van een terreurgroep, gestoord of buitengewoon onnozel, toch gaf ik de verblijfplaats van mijn collega niet. Natuurlijk niet! Probeer maar eens een uitgever te vragen naar de adresgegevens van een schrijver. Je wordt, als het goed is, met een kluitje in het riet gestuurd. Maar er zijn trucs te verzinnen. Je geeft je uit voor een programmamaker van de een of andere literaire club en je bent al een stuk verder. De rest is een kwestie van talent. Bent u brutaal? Kunt u liegen? Dat soort eigenschappen gaat dan tellen. Ik heb mijn collega overigens op de hoogte gebracht van de fan in kwestie. Was de persoon een jonge dame geweest, dan was mijn collega me om de hals gevlogen. Helaas. Het gaat om een copywriter van middelbare leeftijd. Onlangs meldde hij zich weer. Ditmaal met een manuscript. Nou heb ik het land aan al die mensen die me met hun manuscripten om de oren slaan, maar de eerste bladzijde was goed, de tweede ook, de tiende enzovoort. Bijzonder geestig proza over, zeg, de Nederlandse identiteit. Ik heb hem gelukgewenst met het zoeken naar een uitgever. En bij dezen elke Nederlander die een boek schrijft, gaat schrijven of heeft geschreven.

Krassen in een manuscript

Mensen vragen geregeld aan me of ik nog wel aan het schrijven ben. Ja, ik werk onder andere aan een roman. Ik heb onlangs een nieuwe versie uitgeprint en ga dan met mijn voeten op de verwarming in de keuken lekker met een pen door mijn tekst zitten krassen. Is dat eenmaal gedaan, dan voer ik de boel in op de pc, waarbij het vaak een gedoe blijkt mijn eigen handschrift te ontcijferen. In de helft van de gevallen ben ik het niet meer eens met de door mijzelf voorgestelde veranderingen en ram dan nieuwe fragmenten uit mijn toetsenbord. Creativiteit stroomt, right? Hier een plaatje van hoe de boel er uitziet. Click erop en lees maar even mee.

alfred birney fragment uit manuscript