Mijn naam is Meneer B. en hoe ouder ik word, hoe meer klonen van mensen ik om me heen ga zien. Marcel Proust had het in zijn À la recherche du temps perdu (Op zoek naar de verloren tijd) al over mensentypen als terugkerend verschijnsel. Nou heb ik meer óver zijn persoon en werk dan proza van hemzelf gelezen. Voor zover ik weet staat er iets over menstypen in de delen getiteld In de schaduw van de bloeiende meisjes, – enigszins vergelijkbaar met de archetypes van Jung, waarop veel varianten groeien. Dit hiaat in mijn belezenheid neemt niet weg dat ik vanmiddag een jonge vrouw, of ouder meisje in de rij bij de kassa zag staan. Ze had iets weg van de jonge Françoise Hardy in de jaren zestig. Brunette met een dikke pony, lang sluik haar, artistiek voorkomen, wat dromerig. Op elke middelbare school liep er wel een kloon rond, een halve eeuw terug. Niet als lustobject, eerder als onbereikbaar ideaal dat al was vergeven aan de beste gitarist uit de buurt. Op de fiets naar huis werd ik door een jongen van een jaar of twintig vanuit een abri nagekeken. Hij had veel weg van die burgerhippies van weleer. Is het zo dat deze jonge mensen zich graag spiegelen aan onze generatie? Is het mensentype simpelweg onderhevig aan zoiets als mode? Charles Bukowski zei eens in een televisie-interview dat het leven herhaling is. Uiteraard was hij niet de eerste die dat opmerkte. Maar hij zei het omdat hij al wat moe was van het leven.
Tagarchief: meisje
Het Indische meisje in de Nederlandstalige populaire muziek
In de jaren vijftig en zestig was het Engels nog niet zo dominant als nu in de populaire muziek. Het was heel gewoon dat artiesten hun liedjes in verschillende talen zongen. Ook werden er veel liedjes vertaald. Muziekuitgevers floreerden met het uitgeven van bundels voor orkestjes die in de weekends in allerlei gelegenheden speelden. Kopieerapparaten waren onbekend, muziek werd levend gebracht en de jukebox was voor ranzige cafés, waar het nette publiek niet kwam.
Jaren geleden gaf een muziekleraar de brui aan zijn beroep en liet me zijn enorme verzameling bladmuziek na. Het was zo’n ouderwetse muziekleraar, die les gaf in verschillende instrumenten: gitaar, piano, accordeon, viool, saxofoon etc.
De stapels bladmuziek waren vergeeld, het doorspelen van de partituren zou me jaren kosten en me al net zo lang de ene na de andere aha-ervaring geven. Want als kind zat ik veel bij de radio – ik schreef er Het verloren lied over – nauwelijks in staat al die teksten te verstaan, terwijl de melodieën zich diep in mijn herinnering nestelden.
Het liedje van de Zangeres Zonder Naam in de vorige post – Hij was maar een neger – was een origineel Hollands product dat ik, tot voor kort, nog nooit had gehoord. Ik herinnerde me vaag een dergelijk nummer over een Indisch meisje en vond het terug in de stapel antieke bladmuziek van de oude muziekleraar. Het nummer heet Klein Indisch meisje en staat in een bundel met het volgende opschrift:
MOLEN MUZIEK HOLLAND
PRESENTEERT:
De Grote Successen
1 Kus-kus-polka
2 Als vreemde klokken luiden
3 Waar ga je heen, clochard?
4 Klein Indisch meisje
5 Tabé ouwe reus
6 Moeders mooiste (ben je niet)
7 Ze hebben van de week (m’n hoed gegapt)
8 Paramaribo-wals
9 Geef mij een liedje en een lach
10 Evelien-Josefien-Carolien
11 Geef mij een knipoog (vertaling)
12 Een liedje uit Cuba (vertaling)
13 Laat het geld maar rollen
Nou, kostelijke titels uit een wat minder haastige tijd, waaruit toch vooral een openheid spreekt voor andere culturen en verschoppelingen of pechvogels. Muziek uit Amerika was wel sterk in opkomst, maar de molenmuziek hield nog stand.
Indertijd woonden er nog altijd Indische Nederlanders in het onafhankelijk geworden Indonesië. Maar op 5 december 1957, ook wel bekend als Zwarte Sinterklaas, verklaarde de Indonesische regering alle Nederlanders staatsgevaarlijk. Er zat al een grote groep Indische Nederlanders in Holland en de overheid was er niet onverdeeld blij mee. Uiteraard waren er mensen die zich het lot van die groep aantrokken. Dat moest natuurlijk worden bezongen.
Click op het plaatje voor een vergroting en je ziet aan het begin van de partituur staan: Krontjong tango. Nou weet ik wel het een en ander van muziek, maar van een krontjong tango heb ik nog nooit gehoord. Ik moet er dan ook wel erg om lachen. Het lied is een origineel Hollands product – hoe kan het ook anders wanneer het om een Indisch meisje gaat – en is geschreven door het inmiddels vergeten duo Aat Daale (tekst) en Pierre Biersma (muziek).
Als we de muziek even laten voor wat het was en de tekst doorlezen, dan zien we behoorlijke verschillen met de tekst van Hij was maar een neger.
Klein Indisch meisje
Er kwam weer een schip uit de tropen vandaan,
Een meisje dat staart voor zich heen.
Ik zie in haar donkere ogen een traan,
Zij voelt zich hier vreemd en alleen.
Klein Indisch meisje, ik zie je daar staan,
Hunk’rend naar liefde en troost.
’t Is je zo vreemd dat je weg bent gegaan,
Ginds uit dat land in de oost.
Daar was het warm en scheen altijd de zon,
Daar stond je ouderlijk huis.
Klein Indisch meisje, toe wees niet bedroefd,
Ook hier is voor jou weer een thuis!
Het lot bracht je hier in dit drassige land,
Met sneeuw en met regen en kou.
Maar hier is het veilig en vind je de band
Die ’t vaderland ook heeft met jou!
Klein Indisch meisje… (etc)
© World-Copyright 1958 by “MOLEN-MUZIEK-HOLLAND” Amsterdam
Voor België, Koloniën en Luxemburg “METROPOLIS” Antwerpen
*Let even op de “Koloniën” in de copyrights notice. Dit is, om zo te zeggen, ‘historisch materiaal’.
Het liedje verscheen zeven jaar voor Hij was maar een neger. Je zou makkelijk kunnen denken dat in die zeven jaar Holland racistischer is geworden. Dat lijkt me niet, al is het wel zo dat binnen het kader van racisme en seksisme voortdurend accentverschuivingen plaatsvinden. Het maakte nogal verschil of je een ‘Indisch meisje’ was of een ‘neger’. Over beiden werden wilde verhalen rond gefluisterd. Indische meisjes zouden gewilliger en lekkerder zijn dan Hollandse meisjes. En negers zouden topsporters zijn bij het liefdesspel. Het is niet moeilijk te raden wie de aantrekkelijkste was en voor wie werd gevreesd.
Pasen is koud in Den Haag
Pasen is koud in Den Haag. Het algemene weerbericht is zelden van toepassing op de plaatsen direct aan de kust. Een vriend sms’t me dat het in Utrecht stralend weer is. Tweede Paasdag is al net zo saai als de Tweede Kerstdag. Gelukkig woon ik in een multiculturele buurt. Multiculturele samenlevingen zijn een zegen. Kijk maar over duizend jaar, dan is de hele wereld multicultureel. Turkse moslims hebben vandaag hun winkels open. Ze lijken op de Hollandse kruideniers uit de zestig. In een zelfbedieningszaak spreken klanten Engels, Duits, Pools, Hongaars, Turks, Nederlands en nog wat, Servokroatisch of zo. Oost-Europese vrouwen dragen petjes en lange getailleerde jassen, ze zijn vaak wat fragieler dan Hollandse vrouwen. Ze durven nog steeds niet naar andere mannen te kijken, zijn verlegen. Een Indonesisch meisje vroeg me in het Engels of ik haar wilde helpen met het uitkiezen van bloem. Ze zocht gewone bloem. Voor cake, roti kukus iets. Haar vriend was blank, lang, misschien Zweeds.
Hetze slaap- en kalmeringspillen geeft stress
Met ingang van 1 januari 2009 worden benzodiazepines ofwel slaap- en kalmeringsmiddelen niet meer vergoed uit het basisziekenfondspakket. Ik weet niet aan welk ongevoelig brein deze maatregel ontsproten is, maar een zenuwenlijder zal het wel niet geweest zijn. Er wordt voortaan onderscheid gemaakt tussen mensen die “gewoon gestresst” zijn en mensen die lijden aan epilepsie, angststoornissen en overige psychiatrische aandoeningen. Nou lijkt mij niet dat zware gevallen verlegen zitten om een valiumpje of slaappilletje. Deze lichte pilletjes zijn nu juist bestemd voor mensen die voor kortere of langere tijd in de stress zitten maar verder redelijk tot goed functioneren. Dus dat meisje bij mij aan de overkant dat bijna elke nacht wakker wordt, een uurtje door haar kamer gaat ijsberen, wat televisie kijkt en dan weer teruggaat naar bed. Zo iemand kan denk ik wel een slaappil gebruiken, daar gaat ze echt niet dood van.
Alsof de nieuwe overheidsmaatregel nog niet genoeg is worden huisartsen ook gemaand om vooral tegen hun patiënten ontmoedigend te gaan zeuren over benzodiazapines. Nou, dat levert onze huisartsen natuurlijk extra werkdruk op, met als gevolg dat de kalmeringsmiddelen niet meer de richting van de patiënt opgaan maar de andere kant, die van de spreektafel: richting huisarts. Ook bepaalde medicijnen voor hartpatiënten komen op de lijst te staan. Dus moet u ter voorkoming van een hartinfarct bijvoorbeeld een cholesterolverlagend middel slikken, dan kan het zijn dat uw apotheker u de volgende keer een B-middel in de maag splitst, made in China of daaromtrent, compleet met bijwerkingen als jeuk, haaruitval and what have you.
Ik moest aan al deze zotte maatregelen denken toen mijn buurvrouw gisteravond met een hartaanval per ambulance werd afgevoerd. Haar man was zo overstuur dat hij wel een kalmeringsmiddeltje had kunnen gebruiken. Maar voor zoiets moet eerst een psychiatrisch rapport voorhanden zijn, waarin staat dat hij een gevaar vormt voor de samenleving, met schoenen gooit naar de koningin en hatemails stuurt naar eh… schrijvers van boeken zoals ik die schrijf en niemand anders. Ik ben benieuwd wanneer men in Nederland het roken op straat gaat verbieden, terwijl het blowen gewoon gedoogd blijft.
Het schijnt dat de landen om ons heen, zoals Frankrijk en Duitsland, helemaal niets maar dan ook niets van ons land begrijpen. Maakt ons dat tot een intelligent volk? Nee, we snappen het zelf ook niet. We doen maar wat. Dat was de boodschap altijd van Willem Frederik Hermans. Ik vond het een armzalige boodschap, mijn gedachten zweefden op een zogezegd hoger niveau. Dat het ordinaire nog ordinairder zou worden dan het al was, dat hadden mijn angstigste dromen nooit durven voorspellen. Dat kwam natuurlijk door die lekkere slaappillen die ik slikte in tijden van nachtmerries.
Oppositie voor de saaie Os
Het Chinese jaar van de Os is nog maar tien dagen verstreken en de Bijenkorf komt al steigerend je brievenbus van een kleurrijke folder voorzien. De Bijenkorf is opgericht in 1870 en als we aannemen dat dat geschiedde na de tweede nieuwe maan gerekend vanaf de winterwende, dan valt het warenhuis onder het Chinese teken van het Paard. Wat de Bijenkorf betreft niks geen soberheid in het jaar van de Os. Touched by Colour. Dát is het credo. Sla maar open en je ziet drie Benetton-meisjes in hetzij roze-geel-blauw, hetzij paars-geel-blauw dan wel lichtblauw-paars-blauw. (Dat blauw is de spijkerbroek die ze alle drie dragen.) O, ze hebben alle drie de lippen Marilyn Monroe-rood, dus dat gaat nog wel, al heeft de Os natuurlijk liever helemaal géén lipstick. De Cavallini panties zijn er in werkelijk alle kleuren plus zebrastrepen voor mocht je je benen wat dikker laten lijken. Een Creenstone-meisje houdt het wél Ossig met een grijze broek, maar pakt dan toch uit met een vuurrood jasje. Wolford houdt zich wel aan wat de Os voorschrijft, gewoon wit, maar de netkousen passen toch beter in het jaar van de Haan. BZR toont een meisje in een deels grijs-paars overgooierig jurkje, maar haar rechterkous moet weer zo nodig een felrode band hebben en het tasje dat ze vasthoudt moet ook al tweekleurig. Overdone voor de Os. Nou ziet de folder wel heel erg rood, dat werkt natuurlijk agressie op bij de Os. Misschien komt daarom ook groen sterk voor de dag? Met oranje petjes krijg je dan een soort stoplichtmode. Een jongen draagt over zijn saaie lichte broek een groen shirt, een grijs jasje en een vaagblauw sjaaltje. Nah, gaat nogal. Is van Inwear. Guess schoudertassen kan de dubbelkleurigheid ook al niet laten, het is grijs met groen, grijs met blauw of grijs met rood – alles overdreven in de ogen van de saaie Os. De Bijenkorf zelf komt met een overdreven variëteit aan riemen, niet alleen alle kleuren van de regenboog worden van stal gehaald, ook slangmotieven worden getoond in diverse dessins en kleuren. Nou harmonieert de Slang toevallig met de Os, maar ons is door Chinese astrologen voorgehouden dat het jaar van de Os een sobere mode zou laten zien. De Bijenkorf heeft daar vooralsnog géén zin in. Maar de kleurenactie Touched by Colour duurt ook niet langer dan een maand. De Os kan dit natuurlijk niet langer verdragen, dat weet het Paard ook wel. Toch benieuwd hoe men er straks in de lente bij loopt. Of is de Os helemaal niet van plan ons een mooie lente te bezorgen? Crisis… dat is kou, ijs, sneeuw, regen, bewolking, hard werken voor een habbekrats, chagrijn.
Brand bij nacht
Op het moment van dit schrijven staat een van de statige herenhuizen tegenover de noordkant van mijn huis in brand. Het is een in drie etages en een parterre opgesplitste woning, waar de bewoners ongetwijfeld veel te veel huur betalen aan de een of andere huisjesmelker die momenteel overwintert in Thailand of op Bali. Ik hoorde eerst de sirene van de brandweer loeien, toen zag ik vanuit mijn keuken rookwolken uit de tweede etage komen. De wind sloeg de balkondeuren aldoor open en dicht, de bewoners – denkelijk Polen – waren het huis ontvlucht. Opeens begon de boel er te branden en toen zag ik ook de keuken op de eerste etage in lichterlaaie staan. De bewoonster, type wachtende vrouw, had bezoek gehad van haar minnaar, met wie ze de hele dag in bed lag, en was, neem ik aan, met hem mee naar zijn huis gegaan. Heeft ze haar laatste sigaret misschien slechts halfdood in de vuilnisbak gegooid, zodat ze voorlopig, zo niet voorgoed bij haar minnaar kan blijven wonen? Flitsende zaklantaarns van brandweerlieden, dovend vuur, de etage wordt uitgekamd en dan ontploft er iets in haar keuken. Fijne techniek van blussen hebben die brandweerlieden. Later bestormen ze de bovenste etage, waar elke dag een meisje staat te dansen, soms naakt, misschien vindt ze het opwindend om zo gezien te worden. Waar zullen ze uithangen, die bewoners, met wie je nooit een woord wisselt, al wonen ze jaren tegenover je? Zullen ze nog terugkeren in dat geteisterde herenhuis, dat al ouder is dan honderd jaar? Op de tweede etage, waar het Poolse stel woont, brandt het licht weer. Brandweerlieden met helmen struinen met zaklampen door het gebouw op zoek naar brandhaarden. Ik maakte drie branden mee in mijn leven. De tweede verwoestte vrijwel alles wat ik had. Zomer, anno 1975. Ik voelde me bevrijd. Soms is het een zegen om helemaal niets te bezitten, niets meer dan jezelf. Maar dan moet wel de zon schijnen.
Freeze your darlings
Het leven is afscheid nemen en voor de verandering ging dat gisteren op een feest en niet op een begrafenis. Ja, ik heb drie maanden niets van me laten horen, nou dan weet u het wel ongeveer. Ongeveer, hè? Ik bedoel het is niet elke dag begrafenis. Wij zwaaiden uit in een bibliotheek aan een Amsterdamse kade de directeur van een befaamd literair mecenaat, een instantie die het schrijverspeloton bijeenhoudt. Die is nodig om te voorkomen dat er voortaan maar een stuk of tien literaire schrijvers in de boekhandel liggen. Vergelijk het met kijken naar een wielerronde met maar tien renners. Het programma bestond uit verschillende onderdelen. Het lopend buffet met nazit en dans was uiteraard het leukst. De receptie had ik overgeslagen, want zo’n tocht naar Amsterdam ervaar ik als een hele onderneming, zwaarder dan een vliegreis van zestien uur naar Jakarta, om maar wat te noemen. Ik kon vrijwel direct het theater in. Het onderhoudendst was de een of andere Vlaamse schrijver, die zich als enige aan de toegemeten tijd van zeven minuten hield. Hij slingerde een geweldige tekst de zaal in, vol virtuose kwinkslagen die niet door iedereen werd begrepen en gewaardeerd, want ook onder literatoren bevinden zich stupide personen. Later zag ik nog een meisje – ik bedoel een jonge vrouw – heel aardig dansen, een tikje bestudeerd. Ze herinnerde me aan de tijd waarin ik nog kon woekeren met mijn energie. Als aandenken kregen we mee een boekje getiteld: Kill your darlings. Het mecenaat was nieuwsgierig naar ons werk-in-uitvoering, de rotzooi die achterblijft tijdens het proces van schrappen, waarover ooit ene Sir Arthur Quiller-Couch een kleine eeuw geleden schreef: “Whenever you feel an impulse to perpetrate a piece of exceptionally fine writing, obey it – whole-heartedly – and delete it before sending your manuscript to press. Murder your darlings.” Eén van de gevraagde auteurs voor het boekje had deze boodschap écht begrepen en zijn computers met darlings aan de straat gezet. Anderen hadden hun geschrapte teksten ingevroren. Ik las hun kruideniersproza in de stoptrein bij nacht huiswaarts. De afgedankte teksten lieten het beste proza van webloggers met schrijfaspiraties ver achter zich. Helaas zegt dat niets meer in een tijd dat het om hele andere dingen gaat dan zoiets als kwaliteit. Dansende meisjes? Nou, vooruit dan.
De slaapwandelaar
Mijn zoon heeft Neptunus in het eerste huis van zijn horoscoop en dat maakt hem wat dromerig. Hij is vergeetachtig, een eigenschap waar ik jaloers op nou moeten zijn met dat krankzinnige olifantengeheugen van me. Toen ik hem gisteravond per openbaar vervoer wegbracht naar zijn grootmoeder, bij wie hij zou overnachten, ontdekte hij halverwege de reis dat hij de oplader van zijn mobiele telefoon was vergeten. We stonden op het busplatform van Den Haag CS, in de omtrek waarvan ik ooit 16 jaar lang woonde en nu een labyrint van bouwputten de lucht vervuilen, in harmonie met de Utrechtse Baan, via welke dagelijks een paar honderdduizend auto’s de stad in- en weer uitgaan. Mijn zoon en ik maakten rechtsomkeert in zo’n afgrijselijk voertuig van Randstadrail, dat hopeloze project dat nog altijd kinderziektes vertoont, en haalden de oplader van zijn gsm op. Ik moest nog een vriend bezoeken en begeleidde hem naar de tramhalte, ik had geen tijd meer om hem naar zijn grootmoeder te brengen. Vanmiddag belde hij op vanuit Parijs, waar hij met zijn grootmoeder lekker op een terrasje aan de Seine zat. Hij belde me omdat hij naar zijn zeggen niet kon sms’en. Ik bevond me toevallig in zo’n telefoonwinkel en daar zeiden ze me dat met +31 voor elk Nederlands nummer het sms’en vanuit Parijs zou moeten gaan. Ik heb nog altijd geen sms gekregen, maar hij zal het wel goed maken met zijn Neptunus in het eerste huis. Ik bedoel: zulke mensen komen al dromend altijd wel op de goede plek terecht. Zijn grootmoeder kennende zal hij ook wel niet in een kinderachtig hotel verblijven. Lekker zappen in de avond op zijn hotelkamer, of lezen in het boek dat hij uit mijn kast heeft getrokken. Croissantjes in de ochtend als krachtvoer voor de vele culturele uitstapjes waar zijn grootmoeder hem op zal trakteren. De vrouw is een connaisseur. Ze zal hem vast heel veel vertellen en laten zien en hij zal ongetwijfeld heel veel vergeten. Op dat ene mooie meisje na, dat hem op zekere dag in een flits zal passeren.
Voorpublicatie in Archipel
In het zomernummer van Archipel Magazine veel aandacht voor Bali, zoals ecotoerisme, een fenomeen dat mijn wenkbrauwen doet fronsen. Van Step Vaessen krijgen we het verhaal van haar als meisje uit Limburg tot onverschrokken dame in Jakarta, eerst als correspondent voor de NOS en nu ook voor Al Jazeera. Ze heeft geen huis meer in Nederland, is ook niet nodig, ze voelt zich Jakartaanse en haar zoontje al helemaal. Bog-Bog Magazine is de naam van Bali’s Cartoon Tijdschrift. De hoofdredacteur is vier jaar geleden met het tijdschrift begonnen en krijgt inmiddels – en zeker na de rel om de Deense cartoons – aanbiedingen van talloze cartoonisten van over de hele wereld. Hans Vervoort kijkt nog even terug op die mallotige uitspraak van onze minister-president, die zei dat we weer terug moesten naar de VOC-mentaliteit. Aanvankelijk moest ook Hans Vervoort lachen, maar nu bekijkt hij de zaken wat genuanceerder. Verschil tussen hem en Jan Peter Balkenende is helaas dat hij de overzeese geschiedenis van Nederland kent en onze minister-president wat dat betreft een sukkel is. Frans Lopulalan zet zijn column over de beroemdste gorilla ter wereld en diens Rotterdamse aanbidster in koloniaal perspectief. Hij zal ongetwijfeld wel weer een lading boze brieven over zich heen krijgen. Er staat te veel in Archipel om op te noemen. Ikzelf mag het doen met voorpret, en heel graag! Een voorpublicatie van mijn komende boek staat fraai achterin afgedrukt.
Telefictie
Televisie is het leukst als het live gaat, maar dat durft men zelden aan, er kan veel fout gaan. Ook voorgebakken uitzendingen zijn zelden vlekkeloos, je ziet het al aankomen wanneer je je gaat melden op de plaats van afspraak. In mijn geval was dat heden middag om 16:45 uur bij Toko Toet aan de Beeklaan numero 376A te Den Haag. Met mijn geweldige timing kwam ik precies om kwart voor vijf aan fietsen. Dan moet, vind ik, de televisieploeg van de betreffende lokale zender natuurlijk meteen een shot nemen van hoe de schrijver aan komt fietsen op zijn blauwe Union en in zijn linnen jasje. Ik bedoel: als je zo te werk gaat, dan bespaar je tijd en kun je weer snel naar huis, of lekker naar de zee. (Ja, ik was liever naar de zee gegaan.)
Er stond natuurlijk helemaal geen filmploeg op me te wachten. Die televisielui werken net als uitgevers. Dit wil zeggen dat zij zichzelf een ruime vrijheid veroorloven in het overschrijden van tijdslimieten. Meantime moet jij natuurlijk wél op tijd zijn, anders kunnen zij de tijdlimiet niet overschrijden. Is that clear? Onthoud dit nou goed voor later, voor als u ook eens op de televisie moet. Enfin, ik sta daar zo’n beetje te hangen in de deuropening. Zegt een ander, hangende tegen een muurtje verderop (het was lekker warm buiten): ‘Zeg, ben je van TV West?’ Ik zeg: ‘Ja, maar voor heel even.’ De man kijkt me aan alsof hij kiespijn heeft en inderdaad, wanneer we aan de praat zijn geraakt blijkt hij onder een enorme kiespijn gebukt te gaan. Mijn gsm gaat af en de joviale meid die mij enkele malen eerder in de week van mijn fiets belde (ja dat kan, wordt straks duidelijk) meldde dat het team later zou komen.
‘O, maar waar ben jij dan?’ vraag ik.
‘Ik zit op kantoor,’ zegt ze.
‘O, dus wij zien elkaar helemaal niet!’ roep ik eh… teleurgesteld uit.
‘Nee!’
‘Ja, maar ik kom voor jou! Je denkt toch niet dat ik hier voor die sukkels met dat cameraatje ben gekomen.’
‘Ja nee ja eh ha ha ha! Zeg, maar ze komen er aan hoor, over een kwartiertje zijn ze er!’
‘Nou, dat wordt dan drie kwartier.’
‘Nee hoor, ze rijden net weg.’
‘Weet je het zeker? Rijden ze net weg?’
‘Ja, ze zeiden dat ze net weg reden.’
‘Ja, kijk, dat bedoel ik dus: ze zeiden dat…’
‘Okay, ja maar…’
‘Hoorde jij dat ze de wagen startten dan?’
‘Nee, het is een fluisterstille wagen.’
‘En waar stonden ze toen ze wegreden? Stonden ze in de parkeergarage, reden ze net de parkeergarage uit of tuften ze net de weg op?’
‘Ik neem aan dat ze net de weg op reden.’
‘Nou, dat wordt dan veertig minuten, maar dat maakt niet uit joh. Waar moeten ze vandaan komen?’
‘Van de Pasar Malam, daar hebben ze net met Siem Boon gesproken.’
‘O, ik dacht dat ze hier zouden beginnen en dan naar de Pasar Malam zouden gaan. Het is dus andersom! Wise people, het eten is veel beter hier.’
De man met kiespijn stelt me voor aan een man zonder kiespijn maar met zorgen aan zijn hoofd. Toko Toet is namelijk van hem. Hij zit nog net niet tegen een burn out aan, maar hij is wel erg capeh, moe dus, erg moe, hij is zo verschrikkelijk moe, hij zou wel eh… niet moe willen zijn. Ik geef hem een aantal tips, maar in korte vakanties gelooft hij niet. Het lijkt hem het beste om maar te gaan sporten. Dat vind ik ook en eh, zeg nu ik jou toch spreek: Toko Toet lag vroeger toch aan de Leyweg, is het niet zo? Ik moet dat weten, anders kraam ik straks allerlei onzin uit op de televisie. En je weet hoe Indische mensen zijn: die pakken dan pen en papier en sturen je ellenlange epistels met hoe het volgens hun ooit was. In koloniaal handschrift, je weet wel: met veel krullen en tierelantijnen.
Terwijl de vermoeide man me vertelt hoe het allemaal zat, gaat mijn gsm weer af.
‘Halloooooooooooo!’
‘Hey, hi there, hallo, hoe gaat ie achter je peeceetje?’
‘O goed hoor, zeg je begrijpt het wel hè?’
‘Yo ya hoor ik begrijp het, zeg hoe lang moet jij nog (hoe oud ben je, wat ga je vanavond doen, heb je een vriend, gaat ie vreemd die klootzak, hey ben je lekker) eigenlijk?’
‘Pffffff ik zit hier nog de hele avond joh, teevee hè? Maar ze komen eraan hoor, over een kwartiertje.’
‘Okay, over een kwartiertje, maar dat zei je net ook al (baby).’
‘Ja, ik bedoel ze komen over tien minuten, echt, tien minuten, nou goed laten het er elf zijn dan.’
‘All right (baby), don’t worry (baby), ik sta hier lekker te keuvelen met (een paar lekkere babes, ben je nou jaloers?) eh…’
‘Nou joh, anders neem je toch alvast wat.’
‘Welja joh, mooi weer toch?’
‘Ja, nou ik zit hier wel te puffen achter die pc maar ik mag niet klagen hoor, voor hetzelfde geld eh…’
‘Nou?’
‘Eh, o niks joh, ha ha ha! Het is goed joh, hey en zij is ook aardig hoor, echt ze is heel aardig, sorry dat ik er niet bij kan zijn, maar ze is echt aardig hoor.’
‘En wie zijn er nog meer bij dan?’
‘Nou zij dus, en dan de cameraman en Wim Willems.’
‘Okay, en wat doet Wim Willems?’
‘Wim Willems doet de presentatie.’
‘En zij dan?’
‘Zij voert de regie.’
‘En jij?’
‘Ik? Ik bel de hele dag in het rond, wel leuk hoor, ik had net nog een boer aan de lijn die ik niet, dus helemaal niet verstond, ha ha!’
‘Zat ie op de tractor of zo? Zoals ik steeds op de fiets zat als je belde?’
‘Nou, het was wél een soort tractorgeluid maar dat kwam toch écht uit zijn mond, ha ha.’
‘Hey, leuk baantje heb je (baby, zeg ik kap er nou mee hoor, melig gedoe, leidt toch nergens toe, je bent ook veel te jong voor me joh, ik wil trouwens onderhand wel het klooster in, er schijnen aardige in Thailand te staan, met massagekamers en zo, huh huh), echt, leuk baantje heb je, hey keep going hè, toedeloe!’
‘Joehoe! Toedels!’
Drie kwartier na het afgesproken tijdstip komt een busje aangereden. Iemand van de crew slingert zonder te kijken het portier open en een fietser weet het nog maar net te ontwijken. De fietser heeft geen zin om te stoppen om zijn verhaal te gaan halen, hij is wijs en ongetwijfeld blij dat hij nog leeft. Het drietal dat uit het busje komt gestrompeld, ziet eruit alsof ze door de gehaktmolen van de AIVD gehaald is, en anders wel onder een stapel flauwgevallen bejaarde Indo’s uit Australië op de Pasar Malam Besar vandaan heeft moeten kruipen. Moet dát mij komen interviewen? Is ick soo ende diep gesonck?
Nu komt het, let vooral op, in het bijzonder als u wel eens, of vaak, of altijd, televisie kijkt. Ik ga niet zeggen dat de televisie liegt, ik zeg alleen dat de dingen die u op de buis ziet niet altijd de dingen zijn zoals ze zijn. Dat wist u ongetwijfeld al en daarom kijkt u televisie, gewoon omdat u van fictie houdt. Okay, dus u begrijpt dat het mogelijk is dat straks op de televisie de presentator op MIJN fiets aan komt rijden terwijl IK in de toko zit te wachten. Dat shotje moest trouwens één of twee keer over. Wim Willems deed mijn fietsslot niet handig genoeg op slot, het was hem, kortom, aan te zien dat hij al een jaar of twintig niet op een fiets had gezeten. Zijn introbabbel was ook niet al te sterk, uitgeknepen als ie al was van een rondje over de Pasar Malam Besar. Ik vond zijn tweede opkomst sterk genoeg, voor zo ver ik dat kon beoordelen, ik zat namelijk binnen, maar wel dicht bij de open deur. Bij het mislukte shot was ik nog blijven zitten toen hij de toko binnenkwam en wij elkaar begroetten, maar nu dacht ik: kom ik sta eens op, dan maken we er even een real nice entrance van en dan kan die regisseur niet meer zeuren.
Ze bleek geen zeur en ondanks haar vermoeidheid was ze nog alert genoeg om de presentator tijdig af te kappen (regisseurs denken in blokjes, professoren als Wim Willems in colleges) en de boel zo te organiseren dat de sateh kambing op driekwart van de opnametijd werd geserveerd door een levensecht Indisch meisje uit het begin van de vorige eeuw (geen idee hoe ze dat voor elkaar kregen bij Toko Toet) enzovoort. Waar het nou eigenlijk allemaal over ging, dat ben ik onderhand al bijna vergeten. Ja, dat moet. Anders zie je later jezelf terug en zeg je aldoor: ‘Ja, nee hoor, laten ze dít staan en hebben ze dát eruit geknipt!’ Overigens wist ik niet eens waar het allemaal over zou gaan toen ik op de fiets aan was komen rijden. Die joviale meid aan de telefoon had gezegd dat ik één van mijn onvolprezen columns mee moest nemen, wat ik had gedaan, maar ter plekke zei de presentator dat het over mijn boeken moest gaan. Ik had dus mijn boeken mee moeten nemen. Maar als ik mijn boeken mee had genomen, dan zouden ze natuurlijk hebben gevraagd waarom ik mijn gitaar niet had meegenomen.
Enfin, uitzending aanstaande dinsdag. De boel gaat Google Video op, u hoort wel wanneer. Ik ga nu schrijven. Off line. The real stuff.
