Then she was a he

hat logo meneer b Er viel geen harde wind te bevechten vandaag. Ik kon rustig om me heen kijken en zelfs de weinige passanten groeten die op de fiets de duinen opzoeken om hun conditie op peil te houden. Denken aan mijn roman kon ook, al is het niet raadzaam dat te doen wanneer je niet aan je bureau zit. Ik bedacht een motief dat zich in elk deel een keer moest herhalen. Iets in deze trant: ‘Zeg waarom speel je eigenlijk geen blues?’ vroeg iemand aan de zwarte pianist, die een reeks Mazurka’s van Chopin had gespeeld. Of: ‘Hey, waarom speel je geen keroncong?’ vroeg iemand aan de Indo, die de hele avond Ierse folk had laten horen. Of: ‘Waarom trek je geen geile jurk aan als je met je viool het podium op gaat? Je bent toch een lekker wijf?’ Kortom: De hel, dat zijn de anderen. (J.P. Sartre) Mijn gedachten dwaalden af naar een vroegere leerling, een talentvol meisje dat gitaarlessen kwam nemen en reeds fantastisch piano speelde. Ze had bijna geen borsten, sprak vrij laag en kastijdde zichzelf eens gedurende een winter door elke avond na het eten een half uur naakt in de tuin te gaan zitten. In de lente had ze zichzelf bewezen dat ze niet ziek was geworden van wind, regen, sneeuw, vorst. Ze verdween uit mijn leven, zoals zovelen. Later hoorde ik dat ze haar geslacht en naam had veranderd en in een ander deel van het land was gaan wonen om er een nieuw leven te beginnen. Haar vriendinnen spraken er schande van, maar ik miste een uitstekende leerling met een buitengewone intelligentie. Eens, op een middag, speelde zij of hij Russische pianomuziek voor me op een etage met alleen een slaapmat en de hoogstnoodzakelijkste dingen die een mens gebruikt om te kunnen leven.

Helden sterven niet

hat logo meneer b Waarom houdt de dood van een zangeres u zo uit uw slaap? Of is het de maan die bijna vol is? Ik denk niet dat het u past sentimenteel te worden vanwege het verscheiden van Mariska Veres. U moet onderhand wel wat kunnen hebben na al degenen die u ontvielen. Is het zo erg om dood te gaan? Nee? Nou dan! O, was Mariska Veres uw held, toen u nog een jongen was en met een stuk of 20 leeftijdgenoten een of ander obscuur internaatje in Scheveningen bewoonde? Ja, ze zag er sexy uit op een platenhoes: een suède hesje met rijgveters die haar boezem streelden. Een kop met haar nog voller dan eendagsvlieg Bojoura. Mariska had kapsones, niet? Dat zeiden de jongens althans, wanneer ze haar eens ergens hadden zien lopen. Als je meer dan 35 jaar later de filmbeelden bekijkt van toen, zie je een jong verlegen meisje staan. Iemand van Hongaars-Frans-Russische komaf: een pré-allochtoon. Latere filmbeelden tonen een gezette dame die van alles zingt, tot en met Hongaarse liederen toe. Hield u misschien van haar, omdat ze een échte muzikante was? Wat? Gaat het helemaal niet om de persoon Mariska Veres? Het jaar 1969 dan? Dat akelige jaar van de Haan, waarin u zoiets als uw jeugd verloor? Als dat het is, wordt het dan onderhand geen tijd de boel eens te vergeten? Nee? Hoezo? Omdat alles nu nog erger is? Meneer B., pardon, met uw welnemen… Helden sterven niet. Of is dat geloof u wellicht ontvallen?

Nar (1)

hat logo meneer b Iemand sprak me aan bij de kassa in een supermarkt. Ze wilde weten of ik degene was die ze dacht voor zich te hebben. Ik knikte kortaf en vroeg wie zij was. Toen ze zich bekend maakte, zag ik het meisje van 40 jaar terug in haar gezicht. Het einde van de lopende band, waar mensen veelal gestresst hun boodschappen in plastic tassen frommelen, is geen prettige plek om bij te praten. Ze gaf me haar kaartje, een mooi kaartje; het is tamelijk knap om nu nog met een opvallend smaakvol kaartje te komen. Nar handelde intussen in lingerie. Ik geef niets om lingerie, wel vind ik het boeiend om van iemand te horen hoe er wordt gehandeld in lingerie. Ik had geen kaartje bij me, die dingen zijn op, ik roep meestal: kijk maar op Google, wat waarschijnlijk arrogant en ongeïnteresseerd overkomt. Maar ik haat winkelen, bestellen, de stad in moeten, en eigenlijk haat ik ook wel kaartjes. Ik heb een la vol kaartjes en overweeg om ze maar met Oud en Nieuw op de brandstapel te gooien. Wat moet ik nou met die obligate kaartjes van politici, radiomakers, kunsthandelaren, mensenrechtenactivisten, uitgevers en ga zo maar door, als ik er de gezichten niet bij zie? Maar Nar, dat is wat anders. Ze was ooit een van de drie schoonheden uit de meisjesvleugel van kindertehuis Nieuw-Voordorp in Voorschoten. Een heldin in onze ogen, een onverbeterlijke wilde meid in de dossiers van de kinderbescherming. Hoe was het haar die jaren vergaan?

Vondelingen

hat logo meneer b Op een sorteerband bij een afvalverwerkingsbedrijf in Utrecht kwam gisterochtend een babylijkje voorbij. Medewerkers haalden het tussen het puin vandaan, dat met tonnen uit vele delen van het land wordt aangevoerd. Het meisje haalde het leven niet, maar wel de krantenkoppen. Een bizar soort roem is dat. Ik denk niet dat haar publiek – een handjevol werklui, politieagenten, lijkschouwer en laboranten – haar een naam zal geven. Een nummer zal ze wel krijgen. Wat voor nummer? Hoe en waar zal ze worden begraven? Wie was zo wreed of in de war zich zo van haar te ontdoen? Harteloos maar nog altijd het minst slecht is je baby te vondeling leggen. Verzorgd afval, om zo te zeggen. Ik zag ze wel eens binnenkomen, die kleine baby’s, ze kwamen in auto’s, meestal weggehaald bij hun moeders. Ik bewoonde met 80 jongens en meisjes, in aparte vleugels, een kindertehuis in Voorschoten. Verscholen achter onze gebouwen lag het Sophiahuis met de zwevende glazen serre, waar de verzorgsters wel eens met de baby’s op de arm naar de vijver stonden te kijken. Soms sloop ik met een paar kornuiten naar het Sophiahuis en gluurden we tussen de gordijnspleten door naar de wiegjes. We hadden het te doen met die baby’s. Zodra ze peuter waren, vertrokken ze naar de meisjesvleugel. Ik heb jongens gekend die het hele traject hebben afgelegd, van het Sophiahuis tot en met de laatste zaal: de Drempel (naar de vrije wereld). Je herkende ze aan hun gelaatsuitdrukking. Honderden moeders en vaders boden nooit troost.

Verloop

hat logo meneer b Het verloop is groot bij het kamerverhuurbedrijf, dat mij ongewild op gezette tijden aan de vergankelijkheid herinnert. De studente met de bril in de kamer boven de tuinkamer, het meisje bij wie ik nooit een jongen zag, alleen een vriendin, is vertrokken. Ik stel me voor dat ze buitenlandse was en hier voor een jaar kwam studeren. Voordat zij kwam, woonde er enkele jaren een meisje, dat niets anders deed dan studeren. Ze kookte nooit, haalde haar eten bij de pizzaboeren en toko’s in de omgeving en nam elke avond op een vast tijdstip een douche. Ze had de jaloezieën van de badruimte naar binnen gedraaid, zodat je haar altijd gemakkelijk kon begluren. Er is weinig gewoners dan iemand onder de douche te zien gaan en zich even laten zien afdrogen en kleden. Het meisje was lang, heel lang, alleen. Pas tegen het einde van haar studie scheen ze zich open te stellen voor een vriend. Die kwam. Eén, twee, drie keer. En weg was ze. Is een degelijk en saai leven, zoveel mogelijk gepland, de weg naar het geluk? De studente die zojuist vertrokken is, was de schoonheid zelve niet. Haar weg zal niet over rozen gaan. Haar opvolgster is een mooi blond meisje met een mooi lijf. Ik zag hoe ze zich omkleedde in de badruimte, waar vreemd genoeg een verhoogd bed is ingebouwd, wat ik nu pas zag. Ze trok een jurkje aan en ging op bed liggen. In de woonkamer rookte haar vriend zijn laatste sigaret.

Meisje met gitaar

hat logo meneer b De huizen aan de tuinzijde van mijn afzichtelijke flatwoning stammen uit het begin van de vorige eeuw. Ze zijn meest opgesplitst in appartementen en studio’s. Er wonen veel alleenstaande jonge vrouwen. Eén van de tuinkamers moet een bijzonder erotische feng shui-energieveld hebben, want ik heb er menig stel de liefde zien bedrijven. Maar de kamer moet ook voor onrust zorgen, of scheiding, immers er is geen mens dat het er langer dan een jaar uithoudt. Het meisje dat er thans woont, schat ik begin twintig. Studente, zoiets. Ik heb haar tot nog toe drie mannen zien ontvangen, one night stands, zoals die generatie eenmalige amourettes noemen. Het meisje was zonder uitzondering de actieve partij. Bij de eerste man vergat ze de gordijnen te sluiten. De namiddagzon scheen in haar kamer, het was zomer, het meisje bereed wild en onstuimig haar minnaar, die schuilging onder het kozijn. De tweede minnaar bracht haar dominante trekken naar boven: ze liet hem haar broek uittrekken en trok zijn hoofd aan de haren naar haar kruis. Onlangs was er een derde op bezoek. Ze klom steeds weer speels op zijn schoot en had uren nodig hem in bed te krijgen. De taal van zijn lichaam verraadde weerzin. Maar hij wilde haar niet weerstaan. De gordijnen werden gesloten. Het liefdesspel duurde kort. Lange intervallen scheiden haar minnaars. De scènes zijn plat, triviaal. Laatst raakte ik wel bijna in vervoering toen ik het meisje met een gitaar op schoot zag zitten. Maar ook dat kreeg geen vervolg.

Schrijfkunst

hat logo meneer b De jongen is 19. Zijn kleren lijken op die van een student: donkere kimono, hoge houten sandalen, studentenmuts, boekentas over zijn schouder. Drie dagen heeft hij bij de warme bronnen op het schiereiland Izu doorgebracht. Nu wil hij in zuidwaartse richting klimmen. Regen daalt neer op het mistige cederwoud van de berg. Wanneer hij aan de monding van een pas bij een theehuis aankomt en in de deuropening blijft staan, bedenkt hij dat het bijna een onmogelijk toeval is. Wat? Dat de danseressen binnen wat uitrusten. Welke danseressen? Die informatie is nog voor de lezer achtergehouden, en daarin ligt de techniek van de schrijver. Ik heb ooit de eerste bladzijde grondig bestudeerd, omdat ik voelde dat hierin een belangrijk recept voor aankomende schrijvers verborgen lag. Voor de drie eerdere gelegenheden waarop de jongen de danseressen heeft gezien, volstaat later een alinea in plaats van enkele bladzijden. In het rondtrekkende gezelschap bevindt zich een jong danseresje. Ze is misschien 16 jaar, maar heeft het haar in klassieke rollen opgestoken, zoals op oude prenten. De jongen heeft het meisje zien dansen in een herberg, de derde keer dat hij haar zag. Hij is van zijn stuk geraakt en heeft nu het geluk vrijwel vanzelfsprekend in hun midden te worden opgenomen. Maar later blijkt het meisje pas 13 te zijn. De novelle, over een onmogelijke jeugdliefde, telt ongeveer 30 bladzijden en verscheen 80 jaar geleden. Het is het verhaal dat ik eergisteren bij het ontbijt herlas: De danseres van Izu van Yasunari Kawabata.

Raadsel uit de Maleise bellettrie

logo alfred birney Maya Sutedja – Liem, collega publicist in Archipel Magazine, mailde me naar aanleiding van mijn tweedelig artikel Goena-goena volgens P.A. Daum en Victor Ido in genoemd tijdschrift. Ter sprake komt onder andere een verhouding tussen de zoon van een Indonesische huishoudster en een blanke Europese vrouw, een kwestie waarop in de koloniale tijd een zwaar taboe rustte en waarover veelal slechts angstvallig werd geschreven. Maya kent een boek uit het Maleis, waarin het taboe-onderwerp vrijmoedig bij de kladden wordt genomen.

Het verhaal is getiteld Njai Isah en geschreven door een zekere Ferdinand Wiggers, een Indo-Europeaan die gewoonlijk in het Maleis publiceerde. Het verhaal verscheen aanvankelijk als feuilleton in een Maleise krant in 1903 en daarna in enkele boekdelen. Het gaat over een Nederlands meisje dat een verhouding krijgt met de zoon van hun Indonesische bediende en zwanger raakt. Om haar reputatie niet te schaden moeten man en kind worden weggemoffeld. Het meisje zelf ziet zich gedwongen een Nederlandse man te vinden om mee te trouwen, wat gepaard gaat met goena-goena en meer van die typische motieven uit de koloniale bellettrie.

Maya heeft slechts twee delen in een Leidse bibliotheek kunnen opsporen. Omdat het motief nogal spectaculair was voor die tijd vraagt zij zich af of het boek misschien geen vertaling is van een Nederlands verhaal. Ikzelf neem aan van niet, omdat de fatsoensrakkers eerder in Nederland dan in het voormalige Nederlands-Indië gezocht moesten worden. Het colofon in het boek geeft geen uitsluitsel, wat indertijd niet ongebruikelijk was. Als uitgever wordt genoemd de NV tot exploitatie van Mal. week- en andere bladen in Nederlandsch-Indië. Meer is niet bekend.

Over de schrijver heeft Maya het volgende kunnen achterhalen. Ferdinand Wiggers (1862-1912) was een zoon van de Nederlandse (?) Frederik Ernst Wiggers en de Indonesische Pela (of Helena?). Ferdinand Wiggers huwde eveneens een Indonesische vrouw, genaamd Tjanting (later genoemd Enerstina Hermina?). Van de vijf kinderen die uit dit huwelijk voortkwamen, bleven twee zonen in leven: Norbertus Petrus (1886 – ?) en Ernst Ferdinand (1890-?). Ferdinand Wiggers was redacteur bij verschillende Maleise dagbladen, waarin hij veel publiceerde, wat soms tot een boekuitgave leidde. Daarnaast vertaalde hij ook veel Europese romans naar het Maleis, waaronder Van slaaf tot vorst van Melati van Java.

Maya is bezig stukken uit Njai Isah te vertalen. Ze beoogt de uitgave van haar vertalingen van korte Maleise verhalen in het komende jaar en zit nu met de brandende kwestie: in welke brontaal is het verhaal geschreven: het Maleis of het Nederlands? Stuur even een mail als u Maya Sutedja – Liem kunt helpen.

De dag is dood

hat logo meneer b Een blik op de kalender zegt me dat ik lang ben weggeweest. Met deze afgezaagde zin begin ik het nieuwe jaar. Dat ziet er weinig hoopvol uit. Maar wat wil je, elke eerste dag van elk nieuw jaar geeft me het idee dat de wereld een afschuwelijk godsgericht over zich heeft gekregen. Voor zover ik weet is het vuurwerk dat men op oudejaarsnacht afsteekt, bedoeld om de boze geesten te verjagen die het oude jaar hebben verkracht, belazerd en mishandeld. Het schijnt dat de kwaliteit van vuurwerk elk jaar verbetert. Niet langer zijn het de Chinezen die het beste vuurwerk maken, maar de Hollanders. Veel vuurwerk was er niet rond mijn onderkomen, maar het had een uiterst indringende werking. The morning is dead, and the day is too… Werkelijk. Inktzwarte openingszin uit Burning Of The Midnight Lamp van Jimi Hendrix. Ik weet niet wat mij bezielt vandaag, maar ik wilde plotseling een langspeelplaat van Donovan terughoren. Op de achterkant van de platenhoes heb ik ooit genoteerd: 28.8.1971. Ik was twintig toen. Er was een meisje, een Duitse, een onmogelijke liefde. Donovan had een lied over een zwerver die zijn meisje moest achterlaten omdat zijn leven nu eenmaal zo was. Ramblin’ Boy heet het. De taal is bijzonder beschaafd, om niet te zeggen tuttig vergeleken met de rauwe teksten die men thans de strot uit doet komen. Maar het leven blijft onveranderlijk, zelfs op een dag waarop de wereld zo dood lijkt dat het onmerkbaar zou kunnen vergaan.

Tanizaki en Kawabata

hat logo meneer b Voor ik dit onderkomen betrad, een jaar of acht geleden, was mijn boekenkast het toonbeeld van ordening. Ik betrad dit huis, schroefde een degelijke boekenkast tegen de muren, kwakte er mijn boeken in en keek er niet meer naar om. Geen idee hoeveel titels er staan. De afgelopen dagen heb ik in elk geval alle Japanse titels tussen de boekenruggen uit kunnen vissen. Ze staan nu op een aparte plank. ‘De liefde van een dwaas’ – bekend als ‘Naomi in Engelse vertaling – van Tanizaki zit er niet bij. Van hem heb ik alleen het latere ‘Dagboek van een oude dwaas’. Ik heb het boek nooit kunnen uitlezen, hoe vaak ik er ook aan ben begonnen. Tanizaki’s stijl ligt mij niet. Misschien bevalt mij zijn Lolita-thematiek al evenmin. Tanizaki is interessant om te vergelijken met Nabokov, althans wanneer je de nimfijnen zoekt en de mannen die zich door hen laten dollen. Kawabata voerde in zijn roman ‘Het geluid van de berg’ eveneens een nimf op, maar anders dan Tanizaki en Nabokov. Beschreven wordt de liefde van een 61-jarige zakenman voor zijn jonge schoondochter, met wie hij de liefde voor flora en fauna deelt. Deze liefde is platonisch. Zuiver. Kawabata kéék. Veel van zijn romanfiguren kwamen niet verder dan kijken, als ik mij zijn boeken goed herinner. In ‘De schone slaapsters’ krijgt een man een meisje bij zich, maar hij mag haar niet aanraken. Het meisje slaapt. De man slaat haar gade, denkt na, het meisje geeft geen aanstoot. Ze ís.