Pasen is koud in Den Haag

Pasen is koud in Den Haag. Het algemene weerbericht is zelden van toepassing op de plaatsen direct aan de kust. Een vriend sms’t me dat het in Utrecht stralend weer is. Tweede Paasdag is al net zo saai als de Tweede Kerstdag. Gelukkig woon ik in een multiculturele buurt. Multiculturele samenlevingen zijn een zegen. Kijk maar over duizend jaar, dan is de hele wereld multicultureel. Turkse moslims hebben vandaag hun winkels open. Ze lijken op de Hollandse kruideniers uit de zestig. In een zelfbedieningszaak spreken klanten Engels, Duits, Pools, Hongaars, Turks, Nederlands en nog wat, Servokroatisch of zo. Oost-Europese vrouwen dragen petjes en lange getailleerde jassen, ze zijn vaak wat fragieler dan Hollandse vrouwen. Ze durven nog steeds niet naar andere mannen te kijken, zijn verlegen. Een Indonesisch meisje vroeg me in het Engels of ik haar wilde helpen met het uitkiezen van bloem. Ze zocht gewone bloem. Voor cake, roti kukus iets. Haar vriend was blank, lang, misschien Zweeds.

Pasen

hat logo meneer b Pasen is koud in Den Haag. Het algemene weerbericht is zelden van toepassing op de plaatsen direct aan de kust. Een vriend sms’t me dat het in Utrecht stralend weer is. Tweede Paasdag is al net zo saai als de Tweede Kerstdag. Gelukkig woon ik in een multiculturele buurt. Multiculturele samenlevingen zijn een zegen. Kijk maar over duizend jaar, dan is de hele wereld multicultureel. Turkse moslims hebben vandaag hun winkels open. Ze lijken op de Hollandse kruideniers uit de zestig. In een zelfbedieningszaak spreken klanten Engels, Duits, Pools, Hongaars, Turks, Nederlands en nog wat, Servokroatisch of zo. Oost-Europese vrouwen dragen petjes en lange getailleerde jassen, ze zijn vaak wat fragieler dan Hollandse vrouwen. Ze durven nog steeds niet naar andere mannen te kijken, zijn verlegen. Een Indonesisch meisje vroeg me in het Engels of ik haar wilde helpen met het uitkiezen van bloem. Ze zocht gewone bloem. Voor cake, roti kukus iets. Haar vriend was blank, lang, misschien Zweeds.

Chinees nieuwjaar knort me tegemoet

hat logo meneer b Ik had een halve afspraak in de stad met de ex-hoofdredacteur van een krant, maar versliep me grandioos vandaag. Ik zag een gemiste oproep op mijn mobiel, belde de man op, sprak wat in zijn voicemail en at een boterham met aardbeienjam. Die aardbeienjam is bedoeld als afwisseling op de kersenjam die ik bij elk ontbijt tot mij neem. Ik ben overigens een poosje aan de gemberjam geweest, maar toen rookte ik nog. Ik vind gemberjam echt iets voor rokers. Kersenjam vind ik iets voor dames, maar op één of andere manier past het ook wel bij een schrijver. Ik hoop dat u begrijpt wat ik bedoel. Is dat niet het geval, wéét dan dat ik zelf ook niet helemaal weet wat ik nou precies bedoel.

De dag was ook wel eigenaardig. Ik had het gevoel naar de stad te moeten vanwege die halve afspraak en besloot om dan maar de Chinese nieuwjaarsviering bij te wonen. Mijn zoon, gekluisterd aan zijn pc, wilde niet mee. Eenmaal buiten besloot ik om een grote omweg te maken, zodat ik, eenmaal in de stad gekomen, het einde van de Chinese optocht zou zien. Ik houd namelijk erg van achteraan lopen, ik weet niet waarom, maar als jongen liep ik tijdens schoolreisjes en zo meer graag achteraan.

Het was erg rustig aan de boulevard, misschien bevindt een kwart van Nederland zich in de Europese sneeuwgebieden terwijl een tweede kwart wat rondhangt in goedkope Afrikaanse toeristenoorden en de rest met griep ligt? Ik besloot langs de Scheveningse gevangenis naar de stad terug te fietsen en zag in een flits Helga Ruebsamen, die aan de verkeerde kant van de weg fietste. De laatste keer dat ik haar zag was rond 1990, Margaretha Ferguson leefde toen nog en Helga Ruebsamen reed in een oude Mercedes rond. Nu reed ze op een fiets, zwaar opgemaakt, ze lachte een beetje schaapachtig maar ik zal wel ernstig hebben gekeken, want fietsen is ernst. Ik bedoel: als ik fiets, dan fiets ik en dan ga ik niet uitgebreid naar passerende collega’s zwaaien. Schrijvers onder elkaar is toch al een ramp, een enkele uitzondering daargelaten.

Ik hing zo’n beetje achter een jong wezen op een mountainbike en kon niet uitmaken of het een meisje of een jongen was. Achter me hoorde ik iemand in mijn wiel puffen, al fietste ik niet hard. Mijn zoon zou later zeggen dat vandaag iedereen duf was. Zeker suf geblaft in het voorbije Hondenjaar.

De weg was lang, werkelijk, het Haagse Bos doemde akelig kaal op, de Laan van Nieuw-Oost-Indië was desolaat als de hel, alsof de Engelsen dat gebied zijn blijven bombarderen sinds de Tweede Wereldoorlog. Ik kocht een risolles bij mijn vroegere favoriete toko, die inmiddels van naam is veranderd, en fietste naar mijn oude wijk achter het CS, momenteel nauwelijks bereikbaar vanwege allerlei nieuwbouwactiviteiten, een soort speeltuin voor gewetenloze projectontwikkelaars en hardvochtige architecten.

Op de hoek van mijn oude straat at ik mijn risolles, gezeten op de bagagedrager van mijn trouwe fiets. Verderop stond een huurwoning aangeboden, waarvoor ik hoge ogen zou kunnen scoren en die ik nu wilde gaan bekijken. Maar zodra ik mijn oude straat in fietste vroeg ik me af: moet een mens ooit teruggaan naar waar hij vandaan kwam? Je gaat toch ook niet terug naar een ex-geliefde? De woning bleek onzichtbaar ook nog, want het hele portiek ging schuil achter een ondoorzichtige plastic bouwzeil, alsof er een week eerder een bomaanslag was gepleegd of er tenminste een kakkerlakkenplaag is bestreden.

De wijk was ooit de enige stationsbuurt die níet was verpauperd, maar toen woonden er nog schrijvers als ik. De wijk was ook ooit één van de moeilijkst bereikbare van de stad, nu waarschijnlijk van het hele land. Zelfs op de fiets kon ik het gebied niet aan de kant van het station verlaten. Ik moest hem aan de hand nemen. Ik ontmoette troosteloze gezichten in een grimasserende stationshal. Toen klonk het geweld van de Chinese optocht uit de stad, ik sprong op mijn zadel en ging er op af. Bij de Markthof zag ik nog net de staart van de stoet het Spui oversteken naar het plein.

Ik denk dat het de staart van de Hond was, het voorbije jaar. Vandaag is immers oudjaar en morgen nieuwjaar: het jaar van het Varken. Waarom wordt het niet om middernacht gevierd? Omdat dan de christenen en de moslims willen slapen? Ik had trouwens een Hondenjaar, na een nog verschrikkelijker Hanenjaar. Mag ik nu varkentjes gaan wassen?

Burn-out

hat logo meneer b Het internet begint me stierlijk te vervelen. De meerstemmigheid van weleer verstomt bijkans bij het mondiale gesprek van de dag, wat thans neerkomt op berichten over christenen versus moslims en vice versa. Duizenden weblogs besteden aandacht aan dezelfde issues. Wie niet voor mij is, is tegen mij. Die leus regeert. Genuanceerd denken past niet bij de snelheid van een muisclick, dus ik grijp maar terug op de papieren krant. Helaas dreigt de krant, na de verloren race met de televisie, nu achter het internet aan te hollen. Het zappen gaat evenwel sneller met zo’n tabloid in je handen. De krant is verder vrij van virussen, pop ups, pop unders, floating ads, spyware en ad aware en je leest een artikel eerder helemaal uit. Zoals het bericht van de nieuwste richtlijnen van psychologen, dat je bij een burn-out zo snel mogelijk weer aan het werk moet. Uitrusten is uit den boze dus. Interessant is dat de krant verplegend personeel als eerste risicogroep noemt, terwijl Wikipedia softwareontwikkelaars hoog op de lijst heeft staan. Nou meen ik zelf een burn-out te hebben, maar aangezien schrijven niet als werken wordt beschouwd, behalve dan door de Belastingdienst, lijkt het me lastig om weer als een idioot op een volslagen zinloze roman te gaan zitten broeden. Trouwens: tegen de tijd dat je boek in de pers besproken wordt, is het uit de winkelschappen verdwenen. Nog even en de uitgevers zetten een houdbaarheidsdatum op onze omslagen. Het is dit soort geklaag waarmee ik u even wilde vervelen.

We kunnen het maar niet geloven

logo alfred birney Volgens mij zullen mensen met moslimuiterlijk en zonder jihadneigingen zich deze dagen ongeveer voelen zoals ik me voelde tijdens de Molukse treinkapingen in de jaren zeventig. De eerste treinkaping joeg me naar de spiegel, zodat ik vast kon stellen dat ik inderdaad wel wat weg had van een Molukker. Ik was als Indische jongen van kinds af aan al uitgescholden, dus daar viel nog wel weer mee te leven. Maar tijdens de tweede treinkaping, in 1977, werd het menens. Indische vrienden van me werden het ziekenhuis in geslagen en ik durfde in het weekend de straat niet meer op.

Ik bewoonde een kamer in een huisjesmelkerpand aan de Bazarstraat. Ik zat lekker tussen de Hollanders en die deden boodschappen voor me. Ik had een kantoorbaantje en tijdens de lunchpauze op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen in een wijde boog om me heen. Niet bijster prettig. Je besprak de toestand met wildvreemde Indische generatiegenoten op straat en we konden die Molukkers wel vervloeken. Totdat de regering een troep mariniers naar de gekaapte trein stuurde en er zes Molukkers overhoop werden geschoten. Dat geschiedde onder druk van de toenmalige minister van justitie Van Agt, hij die nota bene nu met een bord voor zijn kop vice-premier Zalm ‘oorlogstaal’ verwijt. Voorlopig zijn er onder Zalm en Balkenende nog geen doden gevallen. Dat kon Van Agt toch moeilijk zeggen.

Indertijd had ik het twijfelachtige genoegen in mijn eentje in een lege coupe in een verder stampvolle trein te mogen zitten. Maar op de Frederik Hendriklaan liepen de mensen niet meer in een boog om me heen. Ze bekeken me eerder alsof ze net een voetbalwedstrijd tegen ‘mijn club’ hadden gewonnen. Mijn zusje zat in die dagen in de trein op haar gemak een sjekkie te draaien. Toen ze onnadenkend een aansteker in de vorm van een speelgoedpistooltje tevoorschijn haalde, sprong een oudere vrouw tegenover haar in paniek overeind en riep uit: ‘Help! Help! Een treinkaper!’

Dat Molukkers christenen waren, deed er niet toe. Dat de beoogde vijand van nu moslim is, doet er wel toe, en niet zo’n beetje ook. Amerika en zijn bondgenoten voeren een oorlog in Irak die door vele moslims over de hele wereld als provocatief neokoloniaal gedrag wordt ervaren. Futuristen voorspelden in de jaren zeventig al dat later – nu dus – over de hele wereld kleinere brandhaarden zouden gaan woeden. Er is geen enkele reden voor Nederland te denken dat die sfeer van wederzijdse onverdraagzaamheid aan ons voorbij zal gaan. Onze minister-president wentelt zich met de buitenlandse pers in onnozelheid door over een ‘on-Nederlandse situatie’ te spreken. ‘Nederlands’ is een versleten imago dat zich al lang niet meer als tolerant laat onderstrepen. Het is als met ons superieure Nederlandse voetbalsysteem van decennia her. We verliezen meer dan we winnen en kunnen het maar niet geloven.

Haagsche Courant, vrijdag 12 november 2004

Promotour (4) Bommen en varkensvlees

logo alfred birney Hoe langer je in Jakarta zit, hoe meer je de mensen hoort morren over de jongste bomaanslag. De stad is overspoeld met politieagenten. Indonesische meisjes beginnen hoofddoekjes op straat te dragen in de hoop dat de volgende kamikaze zijn auto een stukje verder zal rijden eer hij aan het koord van zijn bom trekt. Het dragen van hoofddoekjes is in Jakarta overigens minder gebruikelijk dan in Den Haag.

Het hoofd van het Erasmus Taalcentrum, waar ik een paar gastlessen verzorg, trekt zich van narigheid bijkans de haren uit het hoofd. Hij zit al 17 jaar in Jakarta, heeft alle aanslagen meegemaakt, inclusief de kerken die hier werden platgebrand, maar begint zich nu toch zorgen te maken. Zal het ETC straks aan de beurt zijn?

Op een Nederlandse school die ooit ruimte maakte voor Australische kinderen beginnen Nederlandse ouders nu te mopperen over hun aanwezigheid. Een enkeling houdt zijn kroost al thuis.

Op de avond van mijn boekpresentatie in QB World moet ik op mijn publiek wachten. De boekwinkel ligt in een gebouwencomplex dat veel bezocht wordt door welgestelde Indonesiërs, expats en buitenlanders. Een makkelijk doelwit voor terroristen. De winkels hier hebben de laatste weken al meer dan de helft van hun klanten verloren. Wil je het complex betreden, dan wordt je auto van onderen tot boven onderzocht op explosieven. Dat gaat tamelijk ongedwongen, de politie doet zelf ook liever wat anders, maar het moet wel gebeuren. Daarom begint mijn presentatie twee uur later dan aangekondigd.

Het wordt laat, want na de presentatie en de vragen uit het publiek moet ik mijn boek nog gaan signeren en tegelijk een interview geven aan een Indiase journaliste van de Jakarta Post. Is het publiek eenmaal weg, dan moet ik ook nog de resterende voorraad van mijn boeken van een handtekening voorzien, als geste aan de boekhandelaar. Ik zit aan het raam. Diep beneden me slingeren de overvolle autowegen zich tussen de enorme gebouwen door. Jakarta’s nachtleven begint.

Ik kom met de boekhandelaar, een journalist van Kompas en een collega schrijver terecht in het labyrintisch uitgaanscomplex van Jakarta West, waar ik me niet bijster op mijn gemak voel. Wie in dit waanzinnig Jakarta weet te overleven, kan dat overal, tot in New York, bedenk ik me. Na het stappen gaan we een nachtwaroeng binnen waar ze een speciale boeboer serveren. Alarm! Zodra een Indonesiër het over een specialiteit heeft, veins ik maagklachten, ha ha. Ik moet die rare pap niet die ze tot zich nemen, compleet met varkensvlees en wat al niet.

Eh… Pardon? Varkensvlees? Okay, de boekhandelaar is Chinees en boeddhist. Maar de schrijver en de journalist zijn Javaanse moslims toch? Jazeker, en daarom zegt de boeddhist voor de lol tegen zijn kompanen: ‘Zeg, er is nog eten over. Moeten jullie niks mee naar huis nemen?’ Waarop de schrijver met een grijns zegt: ‘Hey, wat denk je wat voor moslim ik eigenlijk ben? Thuis wordt halal gegeten, begrepen?’

Haagsche Courant, vrijdag 8 oktober 2004

Promotour (2) In Jakarta

logo alfred birney Het was al donker toen ik arriveerde, het vliegtuig had een dubbele vertraging. Op Schiphol vanwege het slechte weer. In Singapore vanwege handelslustige Chinezen die ter plekke het ruim hadden overladen. Richard Oh, schrijver, boekhandelaar en uitgever, kwam me afhalen met een vriend in een enorme Toyota. Ik liet me ontvallen dat de straten opvallend rustig waren, zo anders dan ik gewend was van Jakarta. Ze gaven als oorzaak de naderende verkiezingen. Dus niet die bom die een paar dagen eerder voor chaos zorgde? ‘Chaos? Ha ha! Je denkt toch niet dat wij wakker liggen van zo’n bom? Hey vriend, wij gaan gewoon door met ons leven, bommen zijn voor de media, wij hebben de literatuur, hey!’

Ze brengen me naar mijn hotel, maar geven me nauwelijks de tijd mijn kamer te betrekken. Ze slepen me naar een plek waar schrijvers elkaar ontmoeten, en inderdaad: geen woord over zoiets ordinairs als een bom.

Het weekend voor de verkiezingen neemt Richard Oh me echter in huis in het zuiden van Jakarta, ver weg van mijn hotel in het centrum. Hier is het toch rustiger en veiliger, de luchtverontreiniging is hier beter te harden en de wijk is absoluut oninteressant voor autobommen. Ik zie hier de muurhagedissen jagen op de muggen, ik hoor de cicaden bij nacht, het balkon van mijn kamer biedt uitzicht op palmen, bedienden staan dag en nacht klaar, het lijkt wel tempo doeloe hier.

Indonesiërs zijn enorm flexibel en grote improvisators. Mijn tourschema wordt in een oogwenk aangepast aan de situatie rond de presidentsverkiezingen. De officiële lancering van mijn tweede in het Indonesisch vertaalde roman wordt een paar dagen uitgesteld en bekendgemaakt per sms, het meest gebruikte medium ter plaatse.

Op de verkiezingsdag bezoek ik een stemlokaal in de open lucht. Van mensen die een stem hebben uitgebracht wordt een vingertop gedoopt in dieppaarse inkt, die zich de eerste dagen onmogelijk laat verwijderen. Dit is om te voorkomen dat ze in een ander stemlokaal nog eens gaan stemmen. Een avond eerder was mijn kamer in Richard Oh’s huis een salon voor een groepje schrijvers, stuk voor stuk moslims met stuk voor een stuk een bloedhekel aan bidden, en aan stemmen… Ze schatten dat maar 40 procent van de mensen zou gaan stemmen. Politiek was geen thema, we spraken over de hausse van verhalende literatuur in Indonesië. Uitgevers schieten als paddestoelen uit de grond, schrijvers vullen de kranten met hun verhalen, uniek in de hele wereld, mooi geïllustreerd. Ik ben een van de weinige buitenlandse schrijvers die met vertaald werk dit land bereiken. Niet omdat ze hier geen vertaalde literatuur willen, integendeel, maar omdat veel Europese uitgevers geen brood zien in dit land. Zodoende zien ze zich gedwongen om goed Engels te leren lezen om literaire voorbeelden te kunnen vinden anders dan hun eigen schrijvers. Ik geef ze het advies om Japans te leren. Veel mooier wat daar allemaal aan literatuur vandaan komt, vergeleken met die Engelstalige zooi die de wereld overspoelt.

Haagsche Courant, vrijdag 24 september 2004

Hindostaanse suiker

logo alfred birney Meeuwen behoren te vliegen. Er is werkelijk niets lelijkers dan een meeuw die naast je komt staan niksen terwijl jij lekker op je strandmatje ligt te zonnen in Scheveningen Paradise. Vooral de jongere exemplaren zitten afgrijselijk in hun veren. Daarbij zijn ze ook nog eens strontvervelend. Je meisje is amper teruggekeerd van de Egyptische snackcar, of er komt zo’n afzichtelijke, brutale meeuw een patatje uit je bakje wegkapen, en passant ook nog eens een lik mayo dan wel pinda nemend. Maar het moet gezegd: vliegt zo’n meeuw eenmaal weg, dan metamorfoseert zijn lelijkheid allengs in een schoonheid waar de mooiste mannen en vrouwen op het strand bij verbleken. En ze zien al zo bleek, die volgevreten auto’s (autochtonen) en allo’s (allochtonen) die het strand bezoedelen met hun weggeworpen halfgeconsumeerde etenswaren. Ziedaar de reden van de meeuwenplaag, die Scheveningen Paradise teistert. Waar hangen de hindostanen eigenlijk uit? Met 40.000 zijn ze in ’t Haegsche neergestreken, maar je ziet ze nauwelijks op het strand. En al helemaal niet in badkleding. Het lijken wel Scheveningers! Die beperken zich ook tot geflaneer over de boulevard. Het is daar waar je de hindostanen moet zoeken, smetteloos gekleed en all that, wandelend of tuffend over de boulevard. Zouden zij zich zelfs op de boulevard suf snoepen aan zuurstokken, smarties, suikerspinnen, popcorn, spekkies en meer van die levensverkortende goedjes? De krant staat weer vol over de eetgewoonten van onze kampioenen suikerzieken. Opvallend is dat hierbij melding wordt gemaakt van hindostanen en niet van hindoestanen. Hindostanen hebben hun wortels in en rond India en hun omweg naar Nederland via Suriname. Tachtig procent is hindoe en twintig procent moslim. Volgens de GGD heeft veertig procent van de Haagse hindostanen kans op suikerziekte. Nou ben ik benieuwd of er verschillen zijn tussen de hindoes en de moslims onder de hindostanen. Hebben rituele maaltijden invloed op suikerziekte? Hebben moslims onder de hindostanen misschien minder kans op suikerziekte omdat ze wellicht minder snoepen dan hindoes? Interessante vraag, lijkt mij. Enfin, onderzoek en berichtgeving over ‘etnische minderheden’ munten toch al zelden uit in helderheid. Ik hou het er maar even op dat niet hindostanen maar hindoestanen in de rij staan voor een abonnement op insuline. Mijn advies aan hen luidt: eet wat u wilt, maar blijf niet op de boulevard aan die suikerspinnen plakken. Trek eens een zwembroek of badpak aan en meng u op het strand tussen de auto’s, allo’s en meeuwen! Neem eens een verfrissende duik in onze van geneeskrachtige algen vergeven zee. Die is schoner dan de Ganges. Cool! En laat die heilige auto eens staan. Ga fietsen! Een hindoestaan op een fiets is nog altijd zoiets als een eskimo op rolschaatsen. Niet dan? Nee? Waar fietsen jullie dan, hindoe… eh… hindostanen?

Haagsche Courant, vrijdag 18 juli 2003

Vrije seks

logo alfred birney Het feminisme rukt op in het grootste moslimland ter wereld, met als kruidvat Djokjakarta op Centraal Java. Volgens de Indonesian Expat Newsletter is in de culturele hoofdstad van Java de afgelopen drie jaar een onderzoek uitgevoerd onder 1660 studentes in de leeftijd van 17 tot 23 jaar. Slechts 46 van hen zeiden nooit seks te hebben gehad, en drie waren nog nooit tot zoenen gekomen. Liefst 97 procent is geen maagd mee en een kwart van de ondervraagden had seks met meer dan één partner. Het matras ligt overwegend in de huizen van het manvolk, gevolgd door goedkope hotelletjes en de pensions en kosthuizen die studentes uit heel Indonesië herbergen. De grasmat in het park is er voor de dappersten: twee procent. Het is niet meer zo dat hospita’s de huursters als de eigen dochter behandelen, ze laten de meisjes min of meer hun gang gaan. Conservatieve moslims smeken bijkans de drie kilometer dikke gifwolk die boven Zuidoost-Azië hangt (ten gevolge van bosbranden en een enorme toename van het autoverkeer) richting poel der losbandigheid. Pragmatischer moslims willen af van de wet die vrouwen verbiedt te huwen zonder toestemming van de ouders, zodat de studentes legaal de liefde kunnen bedrijven. Er is een koude oorlog aan de gang tussen feministen en fundamentalisten, een seksuele revolutie die men wil gaan stoppen met strikte regels in de pensions en politie-invallen in de nacht. Gaat dat gebeuren, dan lezen we over drie jaar dat vijftig procent van de politieagenten regelmatig vreemd gaat op het Djokjase matras.

Haagsche Courant, woensdag 14 augustus 2002

Historisch moment

logo alfred birney Vandaag is een historische dag. Er komt een moment dat je in stilte kunt vieren. Het duurt een minuut en leent zich goed voor een introspectief feestje. Het bedoelde ogenblik is eigenlijk net zo spectaculair als de millenniumwisseling. Op de wereldlijke (Gregoriaanse) kalender welteverstaan, want de lunisolaire kalenders van Chinezen, Hindoes en Joden en de zuivere maankalender van de Moslims geven andere data aan, in het bijzonder voor hun feestdagen. De wereldlijke kalender is voor dagelijks gebruik, dus iedereen kan straks meedoen.

Vanavond om twee minuten over acht staat de digitale klok gedurende een minuut op 2002, 2002, 2002. Preciezer gezegd op 20:02, 20/02, 2002. Mooi voor een gedenkwaardige pauze in uw ongetwijfeld vermoeiende bestaan achter uw computer.

Het is niet de eerste keer dat getallen zo symmetrisch vallen met twee centrale nullen. Om één minuut over tien op 10 januari 1001 was het 10:01, 10/01, 1001. Er was toen geen sprake van een digitale klok en het valt dus aan te nemen dat onze middeleeuwers wel wat anders te doen hadden dan een beetje gaan zitten staren naar een klok. Elkaar doodslaan of zo. Net als wij nu doen, want tijd verandert de mensheid niet, zoals u wel zult weten.

Voor wie gelooft in de oerknal, moet de klok ooit op 00:00, 00/00, 0000 hebben gestaan. Hoelang zou die absolute stilte hebben geduurd? Tijd om te stoppen met denken, anders word je daas. Wat er vanavond op de klok gebeurt, komt in elk geval nóóit meer terug. De klok kan immers geen 30:03, 30/03, 3003 aangeven. Romantici, maakt u zich gereed!

Haagsche Courant, woensdag 20 februari 2002