IMC met Birney, Bloem, Jansz, Lopulalan op Tong Tong Fair

IMC

Het Indisch Muzikanten Collectief presenteert op de aanstaande Tong Tong Fair een CD met muziek en ingesproken bijdragen van Alfred Birney, Marion Bloem, Yvonne Groeneveld, Ernst Jansz, Frans Lopulalan, Jill Stolk en Edy Seriese. Deze auteurs zullen op de Tong Tong Fair hun ingesproken bijdragen live ten gehore brengen. Op donderdag 24 mei 2012, van 13:30 – 14:10 uur, is er een optreden van het IMC + voordrachten van Alfred Birney, Marion Bloem, Ernst Jansz en Frans Lopulalan.

Vier dagen later, op maandag 28 mei, in het Bibit Theater op de Tong Tong Fair, tussen 14:30 en 15:30 interviewt Edy Seriese Alfred Birney over De dubieuzen en Sylvia Pessireron over De verzwegen soldaat.

Indo-Maluku Garden Party

muma Zaterdag 28 april a.s. zal in Museum Maluku, Kruisstraat 313, Utrecht, een Indo-Maluku Garden Party worden gehouden, met verhalen, voordrachten, interviews, muziek, live painting, pantun en workshops tifa/cajon! Uitgeverij Knipscheer heeft er een stand met boeken van onder meer Glenn Pennock, Frans Lopulalan en Alfred Birney, wiens nieuwste boek De Dubieuzen gepresenteerd zal worden.

De Indo-Maluku Garden Party is een initiatief van Magda Pattiiha, Kitty Luhulima en John Pattiiha.

Hun motivatie is, volgens hun Facebook pagina:

1. de behoefte om de taboes te doorbreken en de overeenkomsten te benadrukken
2. antwoord te geven op de vraag waarom Indo’s en Molukkers los van elkaar hun cultuur beleven

Het doel:

1. het samen brengen van Indo’s en Molukkers
2. de ontmoeting tussen Indo’s en Molukkers
3. bewustwording bewerkstelligen
4. kijken naar wat ons met elkaar verbindt

Kijk voor meer informatie over dit mooie initiatief op het affiche en het programma (PDF’s).

Solodans van Aafke de Jong

Deze solodans van Aafke de Jong werd onlangs uitgevoerd in kunstruimte Bosch te Arnhem op 17 december 2011. De solodans is voortgekomen uit de voorstelling In the Beginning there was, uitgevoerd op Festival Nulpunt, 1 oktober 2011 aan Rivier de IJssel, onder de spoorbrug van Arnhem naar Westervoort. In die voorstelling werd onder meer gebruik gemaakt van een enorme hoeveelheid rivierklei, waaruit de dansers tevoorschijn kwamen.

Aafke de Jong maakt in deze solodans gebruik van resten klei uit die voorstelling. Het bijzondere aan deze solodans is dat zij als choreografe nu zelf als danser optreedt en zich beperkt tot een zeer klein oppervlak. De clip toont enkele fragmenten uit haar voorstelling op de muziek van Steve Reich’s Elektrisch Guitar Phase.

Trio las sombras

Kijk eens hoe ze opkwamen in de jaren vijftig. Gesoigneerd, er gaat nog net geen gordijn open. De zanger en sologitarist kruisen elkaar voor het lied wordt ingezet. Terwijl de zanger zich met een toen nog straffeloze macho mime tot een denkbeeldige schone dame wendt, tovert de sologitarist de brutaalste riedels uit zijn gitaar. Het is vooral hij die mijn aandacht trekt. Hij speelt zo gemakkelijk dat ik er bijna om moet lachen. Als deze muziek door de radio klonk, dan kreeg mijn vader heimwee naar een land waar hij nooit geweest was: Mexico. Hoe hij zich daar het leven voorstelde, weet ik niet. De zon scheen altijd, dat was genoeg voor hem. Ik zag dit trio nooit op de Nederlandse televisie, ik weet zelfs niet of ik ze ooit wel op de radio hoorde, zoals mijn romanheld in Het verloren lied. Het moet haast wel. Ik begroet de heren met een glimlach van herkenning. Zijn ze dood nu? Of heel erg oud? Negen gedaantenverwisselingen onderging het trio in zijn roemruchte bestaan.

Jason Gwen danst Itch! van Aafke de Jong

Afgelopen donderdag keek ik naar de voorstelling Itch! Live Van Aafke de Jong in Theater De Gouvernestraat, Rotterdam. Ik interviewde deze kameleontische danser al eens voor Archipel Magazine. Inmiddels timmert ze ook als choreograaf aan de weg.

jason gwen

Itch! Live is een voorstelling voor een solodanser, voor wie de talentvolle Jason Gwen is aangetrokken. Het podiumdecor is minimalistisch: er ligt een witte vloer en er hangt een filmdoek voor de spaarzaam gebruikte videobeelden die een duet van verleiding, irritatie en strijd aangaan met de danser. Er wordt gewerkt met drie beamers, die de vloer, het doek en het lichaam bespelen, soms ondersteund met muziek. De videobeelden staan volgens de choreograaf

‘voor het innerlijk van de ‘ingekapselde mens, die uiterlijk vaak beslissingen neemt waar hij in wezen niet achter staat, gebonden door schaamte, angst of druk vanuit zijn sociale omgeving. De cultuur waarvan hij deel uitmaakt, of juist het idee dat hij over zichzelf heeft, zorgen er keer op keer voor dat hij zich in tweespalt bevindt.’

De voorstelling duurt kort, 20 minuten, en heeft veel weg van een lang verhaal of korte novelle zonder zwakke punten. De choreografie kent een paar rustpunten en subtiele herhalingen, zodat je niet halverwege verdwaalt in de duizelingwekkende danskunst van Jason Gwen. De choreografe leunt daarbij duidelijk niet alleen op de videoprojecties, maar ook in de dans zie je herhalingen terug. Of de ontwikkeling van de met zichzelf en de buitenwereld strijdende mens naar een oplossing leidt, wordt, voor mij althans, in het midden gelaten. De dansvoorstelling is, zeg, een verhaal met een open einde.

Jason Gwen, met wie ik na afloop even sprak, is geboren in Vietnam, opgegroeid in Canada en in Nederland neergestreken. Hij is/was fotomodel, dressman, televisieacteur, danser en beweegt zich richting choreografie. Ik zou hem wel willen interviewen voor East Magazine. Eens kijken of dat gaat lukken…

Het was prettig om te zien dat ondanks de economische crisis en de overdreven hetze jegens kunstenaars er nog altijd mensen zijn die de televisie uit laten en naar het theater gaan. Al is het maar om de danser te zien hijgen, zweten en worstelen met zijn lijf en conditie. Itch! Live is live het mooist.

Itch! Live werd eerder uitgevoerd in de Schouwburg Arnhem, Paradiso Amsterdam, Lantaren/Het Venster Rotterdam en Festival De Oversteek Nijmegen. Kijk voor meer informatie op Aafke de Jong.

Het Indische meisje in de Nederlandstalige populaire muziek

In de jaren vijftig en zestig was het Engels nog niet zo dominant als nu in de populaire muziek. Het was heel gewoon dat artiesten hun liedjes in verschillende talen zongen. Ook werden er veel liedjes vertaald. Muziekuitgevers floreerden met het uitgeven van bundels voor orkestjes die in de weekends in allerlei gelegenheden speelden. Kopieerapparaten waren onbekend, muziek werd levend gebracht en de jukebox was voor ranzige cafés, waar het nette publiek niet kwam.

Jaren geleden gaf een muziekleraar de brui aan zijn beroep en liet me zijn enorme verzameling bladmuziek na. Het was zo’n ouderwetse muziekleraar, die les gaf in verschillende instrumenten: gitaar, piano, accordeon, viool, saxofoon etc.

De stapels bladmuziek waren vergeeld, het doorspelen van de partituren zou me jaren kosten en me al net zo lang de ene na de andere aha-ervaring geven. Want als kind zat ik veel bij de radio – ik schreef er Het verloren lied over – nauwelijks in staat al die teksten te verstaan, terwijl de melodieën zich diep in mijn herinnering nestelden.

Het liedje van de Zangeres Zonder Naam in de vorige post – Hij was maar een neger – was een origineel Hollands product dat ik, tot voor kort, nog nooit had gehoord. Ik herinnerde me vaag een dergelijk nummer over een Indisch meisje en vond het terug in de stapel antieke bladmuziek van de oude muziekleraar. Het nummer heet Klein Indisch meisje en staat in een bundel met het volgende opschrift:

MOLEN MUZIEK HOLLAND
PRESENTEERT:

De Grote Successen

1 Kus-kus-polka
2 Als vreemde klokken luiden
3 Waar ga je heen, clochard?
4 Klein Indisch meisje
5 Tabé ouwe reus
6 Moeders mooiste (ben je niet)
7 Ze hebben van de week (m’n hoed gegapt)
8 Paramaribo-wals
9 Geef mij een liedje en een lach
10 Evelien-Josefien-Carolien
11 Geef mij een knipoog (vertaling)
12 Een liedje uit Cuba (vertaling)
13 Laat het geld maar rollen

Nou, kostelijke titels uit een wat minder haastige tijd, waaruit toch vooral een openheid spreekt voor andere culturen en verschoppelingen of pechvogels. Muziek uit Amerika was wel sterk in opkomst, maar de molenmuziek hield nog stand.

Indertijd woonden er nog altijd Indische Nederlanders in het onafhankelijk geworden Indonesië. Maar op 5 december 1957, ook wel bekend als Zwarte Sinterklaas, verklaarde de Indonesische regering alle Nederlanders staatsgevaarlijk. Er zat al een grote groep Indische Nederlanders in Holland en de overheid was er niet onverdeeld blij mee. Uiteraard waren er mensen die zich het lot van die groep aantrokken. Dat moest natuurlijk worden bezongen.

oude bladmuziek klein indisch meisje

Click op het plaatje voor een vergroting en je ziet aan het begin van de partituur staan: Krontjong tango. Nou weet ik wel het een en ander van muziek, maar van een krontjong tango heb ik nog nooit gehoord. Ik moet er dan ook wel erg om lachen. Het lied is een origineel Hollands product – hoe kan het ook anders wanneer het om een Indisch meisje gaat – en is geschreven door het inmiddels vergeten duo Aat Daale (tekst) en Pierre Biersma (muziek).

Als we de muziek even laten voor wat het was en de tekst doorlezen, dan zien we behoorlijke verschillen met de tekst van Hij was maar een neger.

Klein Indisch meisje

Er kwam weer een schip uit de tropen vandaan,
Een meisje dat staart voor zich heen.
Ik zie in haar donkere ogen een traan,
Zij voelt zich hier vreemd en alleen.

Klein Indisch meisje, ik zie je daar staan,
Hunk’rend naar liefde en troost.
’t Is je zo vreemd dat je weg bent gegaan,
Ginds uit dat land in de oost.
Daar was het warm en scheen altijd de zon,
Daar stond je ouderlijk huis.
Klein Indisch meisje, toe wees niet bedroefd,
Ook hier is voor jou weer een thuis!

Het lot bracht je hier in dit drassige land,
Met sneeuw en met regen en kou.
Maar hier is het veilig en vind je de band
Die ’t vaderland ook heeft met jou!

Klein Indisch meisje… (etc)

© World-Copyright 1958 by “MOLEN-MUZIEK-HOLLAND” Amsterdam
Voor België, Koloniën en Luxemburg “METROPOLIS” Antwerpen

*Let even op de “Koloniën” in de copyrights notice. Dit is, om zo te zeggen, ‘historisch materiaal’.

Het liedje verscheen zeven jaar voor Hij was maar een neger. Je zou makkelijk kunnen denken dat in die zeven jaar Holland racistischer is geworden. Dat lijkt me niet, al is het wel zo dat binnen het kader van racisme en seksisme voortdurend accentverschuivingen plaatsvinden. Het maakte nogal verschil of je een ‘Indisch meisje’ was of een ‘neger’. Over beiden werden wilde verhalen rond gefluisterd. Indische meisjes zouden gewilliger en lekkerder zijn dan Hollandse meisjes. En negers zouden topsporters zijn bij het liefdesspel. Het is niet moeilijk te raden wie de aantrekkelijkste was en voor wie werd gevreesd.

Op gevoel

Op gevoel (slot)

alfred birney Op mijn zevenentwintigste jaar begon ik zelf een lespraktijk als gitaarleraar. Dagelijks scherpte ik mijn techniek met de moeilijkste vingeroefeningen in mijn zucht naar virtuositeit. Ik was in constant gevecht met mijn instrument. ‘Gevoel’ was iets voor idioten, zielenpoten, ordinair volk, Indo’s als mijn vader die alleen maar naar achterlijke Maleise deuntjes konden luisteren. De goden straften mij met een ganglion, een verdikking in de pees van mijn Spartaans getrainde linkerwijsvinger. Vlak voor de operatie bij een plastisch chirurg gooiden de goden er nog een schepje bovenop door mij tijdens een potje sparren op een kungfu-school mijn ringvinger van diezelfde hand te laten breken.

Nooit meer zou ik met die gehandicapte hand op hoog technisch niveau gitaar kunnen spelen. Partituren van klassieke gitaarmuziek en ingewikkelde jazztranscripties konden de vuilnisbak in. Ik moest iets doen, wilde ik niet sterven van verdriet. En ik kwam net als mijn vader achter een ratelende schrijfmachine te zitten.

Lang heeft het geduurd voordat ik weer naar mijn jeugdliefde durfde te luisteren. Het zou uiteindelijk de pure gitaarmuziek worden, muziek die met de gitaar op schoot is geschreven en voor een gitaar is bedoeld. Gitaristische muziek heet dat. Indorock is gitaristisch. Krontjong is gitaristisch. Hawaiian is gitaristisch. Angelsaksische folk en Amerikaanse blues zijn gitaristisch. Flamenco is gitaristisch. Mozart bewerkt voor gitaar is belachelijk. Scott Joplin op gitaar is een belediging voor de piano en mist de dynamiek op de gitaar. Bach op de gitaar is een armoedig aftreksel van de barokluit.

De Indo’s hebben indertijd de gitaar begrepen, onverschillig of het krontjongers waren of Indorockers. Niet door erover na te denken maar door de traditie van de vrije maatvoering te volgen. Die provisorische maatvoering gaat wellicht terug tot de Portugezen, die een eeuw voordat de Hollanders naar de Archipel zeilden daar hun volksinstrumenten en -muziek al hadden geïmporteerd. Luisteren naar de hedendaagse fado is niet moeilijk, pas wanneer je het probeert te spelen voel je dat je met een straffe maatvoering de eerste de beste bocht uitvliegt.

Wat Hollanders op het gebied van de gitaar hebben meegenomen naar de Archipel zou ik niet weten. Denkelijk helemaal niets. Ze verscheepten piano’s, die er een ellendig leven leidden en hooguit de dominantie van het Westen met overdreven pedaalgebruik symboliseerden. In mijn familie werd op de plantages piano gespeeld, mijn grootvader draaide bakelieten grammofoonplaten van westerse opera’s op een slingergrammofoon.

Na jarenlang geen les meer te hebben gegeven, nam ik onlangs mijn laatste gitaarleerling aan: mijn zoon van twaalf. Ik heb hem niet gevraagd waarom hij gitaar wil leren spelen. Zijn moeder is Indo, ik ben het, voor de jongen is er geen ontkomen aan.

Waaraan? Aan de een of andere traditie die je kennelijk via de genen meekrijgt.

Toen ik mijn zoon na enkele lessen overhoorde, merkte ik dat hij niet naar het blad keek op de partiturenstandaard.

`Hey, waarom lees je niet?’ vroeg ik, kribbig in mijn rol van muziekleraar.

‘O, ik speel het op gevoel,’ zei mijn zoon, met dezelfde muzikale intonatie als die oude Indo’s van weleer.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Zoeken

Op gevoel (8) Zoeken

Ik zag nog niets in de Hawaiian-muziek van een grootheid als Sol Hoopii, die traditionele Hawaiian-muziek combineerde met Amerikaanse jazz. Deze virtuoze pionier speelde steelguitar, liet met de gitaar plat op schoot een flessenhals over de snaren glijden en zou later als groot voorbeeld dienen voor meestergitarist Ry Cooder. Volgens mijn vader speelde zijn broer al zo in Soerabaja vóór de oorlog, waar hij ooit de tweede plaats haalde bij een steelguitarwedstrijd.

Ik leerde mezelf mijn gitaar in allerlei alternatieve stemmingen zetten en had niet veel moeite om op die manier te spelen. Maar het verveelde snel. En waar ik mijn hersens over brak en mijn vingers dus nauwelijks aan toekwamen, was de krontjongmuziek, de échte, dus niet de nepzooi van Indo-liedjes gezongen achter de piano. Nee, de muziek van bijvoorbeeld een krontjongoctet, gewapend met gitaren in diverse maten, viool, ukelele en cello. Er stond letterlijk geen maat op, de muziek was onmogelijk in één maatsoort onder te brengen, wendingen waren te onverwacht om met potlood in notenschrift op papier te kunnen zetten. Ik begreep er niets van.

Krontjong luisterde naar andere wetten. Zoals leden van een klassiek westers strijkkwartet bij de uitvoering van, zeg, Mozart, Beethoven of Bartók vooral goed naar elkaar moeten luisteren, moeten die van een krontjongorkest elkaar vooral goed aanvoelen. Een strijkkwartet leest, een krontjongorkest doet dat niet.

Rond mijn vijfentwintigste jaar leerde ik mijn tweede gitaarleraar kennen, toevalligerwijs weer een Indo. Vreemd… als ik in de spiegel keek zag ik nooit een Indo, ik zag mezelf ongekleurd. Maar als ik bij mijn leraar binnenstapte voor mijn wekelijkse klassieke gitaarles, dan zag ik een Indo en verwonderde ik me over zijn muziekkeuze. Al die gitaarmuziek van Fernando Sor, Augusto Barrios en Abel Carlevaro detoneerde met zijn gestalte van een forse, ongepolijste Indo van Borneo. Verborg hij misschien iets?

Ja. Naast zijn baan als gitaarleraar aan het conservatorium van Den Haag en op de Stedelijke Muziekschool van Delft leefde hij zich uit op de saxofoon. In de weekends speelde hij in een latin-orkest, tussen de Hollanders en Antillianen. In die hoedanigheid heb ik hem nooit zien spelen, zoals ik mijn vader nooit heb zien luisteren naar zijn krontjong. Want zodra ik de huiskamer binnenkwam, zette mijn vader zijn krontjong- of Hawaiian-muziek af en legde een grammofoonplaat van The Rolling Stones op de draaitafel. Je kunt niet al je muziek delen met anderen. Zeker niet als het een opera van herinneringen in je wakker roept.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Noten lezen geen verraad meer

Op gevoel (7) Noten lezen geen verraad meer

notenschrift Vraag een bejaarde Indo hoe hij speelt en het klassieke antwoord luidt: ‘Op gevoel. Je moet spelen op gevoel.’ Vraag hem welke akkoorden hij pakt en hij zal zeggen: ‘Ik weet niet, als maar klinkt ja…’

Davey was in die tijd ook zo. Als ik met potlood en kladblok in de hand aan hem vroeg een akkoordenschema te dicteren, dan zei hij dat hij ook niet precies wist hoe al die akkoorden heetten. Zo liet hij mij gefrustreerd achter. Was ik niet muzikaal genoeg om zomaar voor de vuist weg te spelen of miste ik een basis? De directie van het tehuis wees een verzoek van mij om op gitaarles te mogen van de hand: ‘Komt toch niks van terecht.’

Er woedde een levendige ruilhandel in liedjes met akkoordenschema’s op school. Het waren liedjes uit de hitparade, nu en dan iets van een Indo-zangeres of een band waarin de een of andere verdwaalde Indo speelde. Als het zo was dat de Indo’s de gitaarmuziek populair maakten in de jaren vijftig, dan waren ook zij het die als eersten de slag misten naar een commerciële carrière. Indo’s waren – zo zou ik later leren – feitelijk de échte muzikanten, die alleen aan spelen denken en al het overige aan anderen overlaten. The Tielman Brothers vonden hun optredens in Duitsland belangrijker dan een commercieel circus in Amerika rond de gitaren van meneer Fender. Hollanders waren anders, die leken in plaats van plectrums guldens te hanteren bij het aanslaan van de snaren.

Hollandse muzikanten zouden ook nooit zeggen dat ze bij god niet wisten wat voor akkoorden zij speelden. Zij wisten het. Net als mijn grootvader van moederskant, een Brabantse schoenmaker die in zijn vrije tijd feestjes opluisterde met zijn orkestje. Hij speelde viool en accordeon en kon noten lezen.

‘Echt waar, mam? Kon hij noten lezen?’

‘Ja, natuurlijk kon hij noten lezen!’

Ik raakte in een muzikaal gewetensconflict. Moest ik nou de Indo gaan uithangen die nonchalant zei dat hij ‘op gevoel’ speelde, of moest mijn imago dat van de noten lezende muzikant worden?

De grote broer van Davey zou als voorbeeld gaan dienen. Hij speelde Bach op de gitaar en bezocht het conservatorium in Den Haag. Ik nam les bij hem en schiep er genoegen in dat geheimschrift van vlaggetjes, stokken, punten, herstellingstekens, kruizen en mollen te leren doorgronden. Maar ik hield het niet lang vol: de folkmuziek van Britse gitaristen klopte aan de deur en wist een restje Schotse genen in mijn lijf heftig in beroering te brengen.

Terug in Den Haag maakte ik Amerikaanse vrienden, bezocht met hen folkcafé na folkcafé en zag er onooglijke muzikanten zonder enig sex-appeal prachtig spelen op hun gitaren. Zonder plectrum lieten ze de bassen dansen en de hoge snaren twinkelen. Ze bezongen de liefde uit vervlogen tijden, flink geworteld in hun cultuur, de voeten lekker diep in de modder, en ze begrepen er niets van dat ik als ‘Dutchman’ geen enkel maar dan ook geen enkel Hollands lied ten gehore kon brengen.

Oh well…

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Wat voor gitaar heb je?

Op gevoel (4) Wat voor gitaar heb je?

radio Veel foto’s van gitaarspelende mensen uit de jaren vijftig en zestig verraden aan het kennersoog goedkope klankkasten van triplex, kromgetrokken halzen en snaren die pas werden vervangen wanneer ze braken. De snarenfabricage had nog niet die fijnzinnigheid van nu, je kon ze nog niet in verschillende maten kopen, ze waren stug en door de slechte gitaarhalzen lagen ze vaak hoog boven de toets. Gitaar leren spelen had iets van atletiek, je moest krachtige vingers kweken wilde je ooit in staat zijn een barré-akkoord te pakken, dat wil zeggen met een gestrekte wijsvinger zes snaren tegelijk indrukken. Wie dát kon, wie dát liet zien, was in ieders ogen bijkans virtuoos.

Gitaren hingen tuttig met een koord rond iemands nek, soms gewoon met een stuk padvinderstouw, die striemen achterliet in de hals van de gitarist. Amateurisme lees je af aan hoe de vingers van de rechterhand over de kast werden gelegd, soms met de vingertoppen rond de zijkant gekromd. Toch klonk de muziek goed, als mijn herinnering me niet bedriegt.

De zelfbewuste gitarist liet zijn gitaar klinken vanuit elke houding, bij voorkeur nonchalant met een blasé smoelwerk achteroverhangend in een luie stoel. Dat waren de vingervlugge jongens naar wie je bijna niet durfde te kijken, zó goed speelden ze vergeleken met al die andere Indo’s, die zonder uitzondering gitaar speelden of voordeden dat ze het konden.

Waar mijn broertje en ik op letten wanneer we een foto zagen van een Indo met gitaar: speelt hij de akkoorden alleen bovenaan bij de kop van de gitaar of laat hij zijn vingers ook in de hoogste regionen dicht bij de klankkast jongleren? Dat laatste was toen een teken van virtuositeit. Wanneer Indo’s met de gitaar op de foto gingen, zorgden de showbinken ervoor dat ze hun vingers hoog onderin lieten dansen, een beetje wegkijkend van de camera, de gedachten elders om elke schijn te mijden dat hier werd geposeerd.

De besten speelden jazz. Die grepen akkoorden die vreemd waren en duister klonken. Dat deden de oudere Indo’s, die zich het liefst stilletjes in een achterkamer met alleen hun gitaar terugtrokken.

De radio liet op de zondagochtenden dixieland uit de polder horen. Het was moeilijk een buitenlandse zender te vinden waarop je de gitaar in haar volle glorie kon horen. Mijn vader klaagde erover. Hij sprak niet alleen van krontjong, maar bovenal van Hawaiian-muziek. Ze schenen ook in Den Haag te zitten, een paar van die Hawaiian-orkestjes, waarin vaak vrouwen een vooraanstaande rol opeisten, de gitaar plat op schoot, de snaren beroerend met een lipstickkoker als ze geen flessenhals of metalen bar hadden. Ik kreeg ze nooit live te zien, maar wanneer ik eens een Hawaiian-nummer op de radio hoorde, viel mijn mond open om al het moois dat je met een gitaar kon doen.

Terwijl vriendjes en kennissen in gevecht waren met hun instrumenten, toonde mijn vader weinig oog voor hun geploeter. Hij had een gitaar en droomde van Amerika. Ik had een speelgoedauto met een afgebroken wiel en droomde van een gitaar.

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)