Verplicht meubelstuk

Transportschip de Groote Beer, die mijn vader naar Nederland bracht.

groote beer schip

Op gevoel (2) Verplicht meubelstuk

Er zat geen gitaar in mijn vaders hutkoffer op zijn bootreis van Java naar Holland in 1950. Zo snel mogelijk na aankomst schafte hij een goedkoop ding van triplex aan, in mijn ogen een pronkjuweel, en hing het aan de muur. Mijn vader speelde niet veel. Ik herinner me maar één avond waarop ik met mijn broertjes en zusjes rond hem op bed zat om te zingen van de stencils die hij in een strenge ordner bewaarde.

Hij speelde niets uit het volksrepertoire van zijn moederland. Terang Bulan. Nina Bobo. Bengawan Solo. Niets van dat. Zijn favoriete liedjes kwamen van Jim Reeves, een Amerikaanse zanger die in de jaren vijftig populair was onder Indo’s, vanwege zijn zoetheid en weemoed. Verder ordinaire Amerikaanse liedjes, die hij ongetwijfeld van zijn geallieerde makkers moest hebben geleerd, zoals South of the Border, waarin de bezongen liefde in Mexico woont. Mexico! Mijn vader koesterde The American Dream, maar zijn hart ging uit naar Mexico, misschien omdat hij dacht dat hij daar als Indo minder zou opvallen.

Met zijn verleden op Java, zijn struggle in Holland en zijn droom in Mexico moest hij toch een sterk motief hebben om gitaar te spelen? Maar ik hoorde vaker geratel van de hamertjes uit zijn schrijfmachine komen dan muziek uit het klankgat van zijn gitaar.

Misschien speelde hij wel stilletjes, zodat we het niet hoorden. Soms zag ik dat zijn gitaar van de muur was gehaald en dus ergens in de slaapkamer moest staan. Het was verboden zijn gitaar aan te raken. Ze was nauwelijks een instrument, eerder een meubelstuk en ze kreeg die behandeling ook: regelmatig werd ze in de teakolie gezet, nogal fnuikend voor de hals, die door het vocht krom ging trekken.

Als ik eens het streng verboden gebied van mijn ouders slaapkamer betrad, viel ik op mijn knieën voor het instrument, pakte voorzichtig de hals vast zodat de gitaar niet om zou vallen en liet mijn duim zachtjes langs de snaren gaan. Die vreemde moderne gitaarstemming was betoverend en angstaanjagend tegelijk. E A D G B E… díe stemming, zo anders dan de harmonieuze krontjong- of Hawaiian-stemmingen. De klank van die open snaren roept zelfs nu nog de herinnering in mij op aan de oorlogsboeken die rond het bed van mijn ouders lagen opgestapeld, en aan die koude mariniersdolk onder zijn hoofdkussen voor als de een of andere Indonesische vrijheidsstrijder ’s nachts uit de lucht kwam vallen om hem de strot door te snijden om wat hij had gedaan, dáár, ooit, op Java.

De gitaar was een verplicht meubelstuk, omdat elke Indo nu eenmaal zo’n ding moest hebben. Dat wist ik toen niet. Ik verlangde naar de muziek uit het klankgat, als zalving voor de bloederige oorlogsverhalen die mijn nimmer zwijgende vader avond aan avond door de huiskamer liet galmen. Waarom hield die man nooit eens op met zijn slachtoffers te tellen? Waarom zweeg hij niet en speelde hij niet gewoon gitaar, zoals zijn vrienden deden? Waarom beantwoordde hij niet gewoon aan het cliché van de Indo?

Fragment uit het verhaal “Op gevoel”
Copyright © 2006 Alfred Birney
Meulenhoff, 2006: Indisch leven in Nederland (red. Annemarie Cottaar)

Klassieke fusion uit Nederlands-Indië

Gistermiddag bezocht ik de doop van de cd Herinneringen uit Java van Henk Mak van Dijk. De titel is wat ongelukkig gekozen, associaties aan tempo doeloe dringen zich al gauw op. De componisten die deze pionierende pianist voor het voetlicht haalt kun je als voorlopers van de, laat ik zeggen, klassieke fusion zien. Denk aan gamelanklanken die zich vermengen met debussyaanse watervallen. Dus niet aan krontjong of what have you.

Rivier de Lossie – fragment (1)

(1)

Het was in mijn veertigste levensjaar. Door het plotselinge uiteenvallen van een band die me had gecontracteerd voor een festival in Schotland leek mijn vliegticket waardeloos geworden. Maar ik had mijn komende afwezigheid overal al aangekondigd. Ik greep de gelegenheid aan om de bedevaart te ondernemen die ik mezelf ooit als jongeling had voorgenomen te maken. Sluipenderwijs zou het lot me aan een hiaat in mijn bestaan komen herinneren.

Tijdens de voorbereidingen op mijn reis herinnerde ik me uit een donkere episode van mijn verleden een scène waarin de voetsporen van mijn leven onzichtbaar voor me uit dansten. Ik had mijn gitaar achtergelaten op een feestje bij een Amerikaanse jongen die na zijn schooltijd op de Nederlandse American High School in Den Haag was blijven hangen. Met een buurjongen, die net in het studentenhuis waar ik zat was komen wonen, wandelde ik naar het huis van de Amerikaanse jongen aan de Conradkade. Het was een huis van expats, er werd niet opengedaan. Mijn buurjongen, ook een gitarist, dacht dat er politie aan de deur werd vermoed en dat de voordeur daarom gesloten bleef. Amerikaanse kinderen van kosmopolitische ouders waren vaak huiverig voor politie-invallen in die tijd, ze waren dat gewend in eigen land.

Toch maakte het me wantrouwig. Ik was bang dat ik mijn gitaar voorgoed kwijt zou zijn. Mijn buurjongen schudde misprijzend zijn hoofd, maakte een geruststellend gebaar en stelde voor terug te gaan naar huis.

Ik voelde me wat verloren, de wind joeg duizenden herfstbladeren over de brug, we doken diep in onze jassen. Ik vroeg me af hoe mijn nieuwe buurjongen gitaar zou spelen en bekeek zijn vingers, die zich kromden rond de revers van zijn ouderwetse loden jas.

Mijn buurjongen werd geroepen door een Iers stel aan de overkant. We schoolden met ons vieren samen op de vluchtheuvel tussen de tramrails op de kruising van de Laan van Meerdervoort en de Conradkade. De Ierse jongen droeg een lange jas met capuchon en had zijn gitaarkoffer volgeplakt met kleurige stickers die een reis om de wereld verrieden. Zijn gezellin had een vioolkoffer onder haar arm.

De jongens beraadslaagden waarheen te gaan. Het meisje en ik zwegen, het was op een avond in 1971, ik was twintig, zij misschien wat jonger, de jongens waren iets ouder. De Ierse jongen wilde naar Café Chantant aan het Noordeinde. Maar volgens mijn buurjongen was het dringen geblazen als je daar op zaterdagavond wilde spelen. Hij bleek de stad goed te kennen, was al vaak verhuisd, en wist wel iets anders.

We liepen over de laan richting bioscoop Metropole en sloegen af bij de ambassadewijk. Uit een villa klonk jazzmuziek, ik zag mensen in avondtoilet voor de ramen en droomde er het pluche en de kroonluchters bij. Het meisje en ik liepen zwijgend achter de jongens aan. Ik hoorde ze spreken over David Crosby, die een solo-elpee had uitgebracht. Ik kende de plaat, ik huiverde altijd bij het laatste nummer, een soort gregoriaans uit de kelen van spoken in een onwezenlijk escheriaans trappengewelf. De titel was I’d swear there was somebody here en vormde een verhaal zonder woorden met de elpeetitel: If I could only remember my name

De jongens doodden de tijd onderweg langs de Scheveningse Bosjes met een discussie over de betekenis van David Crosby’s lyriek. De een hield het op een hang naar de reïncarnatieleer, de ander op een diep gemis zonder duidelijke voorstelling van wat dat gemis precies kon zijn. Misschien bedoelden ze hetzelfde maar luisterden ze niet goed naar elkaar.

Een clandestiene folkclub lag ergens boven in een hoekhuis in het Renbaankwartier, waar je de zee kon ruiken. Er was geen alcohol of marihuana, wel hete soep. Schaakborden, gedempte conversaties. Op een barkruk zat een jongen met een bebrild vollemaansgezicht, varkenslijf en worstvingers geweldig gitaar te spelen. De jongen zong in het Gaelic. Ik verstond hem niet maar begon een land te missen waar ik nog nooit geweest was.

Het verloren lied 7

radio-antenne

Er klonk geen radiomuziek maar onderdrukt gesmoes die dagen in de huiskamer, onverstaanbaar en geheimzinnig.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Het verloren lied 5

radio-antenne Mijn vader was uit Duitsland teruggekomen, ik hoorde avonden lang gekibbel in de huiskamer en begreep dat hij met ruzie uit het variétéorkest was gezet. Mijn moeder bestookte hem met verwijten, hij plaagde haar omdat zij nu het geld moest gaan verdienen: `Ga jij maar werken in de stad…’

Bij haar afwezigheid spookt mijn vader tot laat op de avond door het huis, zet de radio aan, rookt een sigaret, kijkt naar buiten. Hij leest geen krant, mijn vader leest niet, hij haalt het nieuws van de radio terwijl hij onbestemde deuntjes tussen zijn tanden fluit.

Mijn moeder, op haar beurt, voelt zich nooit alleen als hij weg is. Ze laat de radio soms avonden lang uit en leest haar Duitse weekbladen in bed, dat ze dan helemaal in beslag neemt.

Zijn ze allebei van huis, dan hangt de schaduw van mijn grootmoeder over de radio. Ze houdt niet van populaire muziek, ook niet van de jazz die haar reizende echtgenoot speelt. Ze heeft alleen oor voor de grote klassieke componisten. ‘s Avonds laat luistert ze naar de nieuwsberichten van de BBC. De nieuwslezer laat lange stiltes vallen, waarin ik haar kan horen praten. Ze lijkt met hem in geheimzinnig gesprek. Later zal ik ontdekken dat de dingen die ze zegt helemaal niets met het nieuws te maken hebben.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Het verloren lied 1

radio-antenne Ik hoorde ooit een lied en ben het altijd blijven zoeken. Misschien hoorde ik het op een van die avonden nadat mijn grootvader was vertrokken, ik weet het niet. De laatste keer dat hij scheep ging was aan de vooravond van 1960, in een vreemd huis ergens in de buurt van de haven. We logeerden er rond de jaarwisseling, maar mijn ouders waren uitgegaan. Mijn grootouders hielden de gastheer en gastvrouw beneden gezelschap en ik lag onder een wollen deken op een divan in een halfduistere kamer met om me heen de spookachtige silhouetten van voorwerpen die bij oude mensen hoorden.
     
Een buizenradio verspreidde zijn zachte gele licht. Zijn geruis herinnerde aan een Nederlandse zender die met een sluitingsmelodie van verontrustend eentonige carillonklanken de ether had verlaten. De glazen zenderplaat met zijn toverachtige muizentrappen vol namen van grote radiostations lokte me, maar ik durfde de divan niet af in de vreemde kamer. Ten slotte kwam mijn grootvader boven kijken en zag dat ik nog wakker lag.
     
De man reikte me zijn oude, gebruinde hand en leidde me naar een rookstoel bij het raam. Hij ontstak het schemerlampje op de radio en liet me bij zich op de brede stoelleuning zitten. Achterover geleund fluisterde hij dat ik de laatste uren voor middernacht beslist wakend moest meemaken.
     
Het licht van de radio legde de groeven in zijn gezicht bloot. Men zei dat je kon zien dat hij vaak in de tropen was geweest. De pianist was aan wal geweest, had thuis in Den Haag verlof gevierd, maar hij miste de deining alweer van de zee, de geur van de danszalen op de schepen, het applaus van de passagiers en misschien miste hij nog meer, heel ver overzee.
     
Hij neuriede wat en begon met de knoppen en de toetsen in de grote houten lijst van het radiotoestel te spelen. Ik volgde de kalme bewegingen van zijn tanige vingers. Zijn vingertoppen streelden de ivoren toetsen van de golfbanden met hun confetti van namen en getallen, en hij begon zachtjes te praten. De lange golf noemde hij een lege balzaal, de korte golf een eng doolhof. Ik moest maar op de middengolf zoeken, de brede boulevard. Daar werd het `s avonds druk en spannend en kon je op de zwakste zenders gaan jagen: die waren eigenwijs en brachten je vaak de mooiste muziek. De Nederlandse zenders moest ik overslaan, de buitenlandse waren beter. Als mijn vader eens een wereldontvanger op de kop tikte, wie weet vond ik dan ooit een zender uit een land waar hij, grootvader, toevallig verbleef.
     
Hij zou teruggaan naar Indonesië, voor de laatste keer, al was het land niet meer als toen. Sinds de oorlog was het Indië niet meer, zei hij, de mensen waren niet meer zo gastvrij. Maar hij zou nog één keer gaan, op uitnodiging, en dan nooit meer. Als hij terugkwam zou hij zijn oude koffer vol bladmuziek met tango’s openmaken en er Scheveningen mee gaan veroveren.
     
Hij, grootvader Langenacht, hield van Indië maar droomde van Argentinië. Mocht ik eens een tango op de radio horen, dan moest ik maar aan hem denken.
     
Ik knikte.
     
En wilde ik hem beloven later piano te gaan spelen?
     
Ik knikte weer maar voelde me vreemd ongerust.
     
‘Maak je geen zorgen,’ zei hij, ‘als muzikant ben je nooit alleen, zul jij nooit alleen zijn later. Maar bij de radio kan een mens beter wel alleen zijn.’
     
Hij kwam uit de rookstoel en deed iets wat hij nooit gedaan had: hij kuste me op mijn voorhoofd. Toen ging hij weer naar beneden.
     
Ik voelde me een ingewijde en begon omzichtig met de toetsen te spelen, liet bijna vroom de zenderstaaf dwalen langs de zenderschaal. Soms, tussen twee grote zenders weggedrukt, klonk een lied vol heimwee. Dan bewoog ik de afstemwijzer zachtjes heen en weer om te voorkomen dat de muziek wegstierf en vroeg me af hoe dat lied van toen ook weer had geklonken.
     
Ik was het liefst de hele nacht in de rookstoel blijven zitten, met de geur van grootvader om me heen, maar ik werd weggeroepen van de radio door mijn teruggekeerde ouders van beneden aan de trap.
     
Het grote licht in de huiskamer deed me pijn aan de ogen. Mijn ouders, grootmoeder en de heer en mevrouw des huizes vormden een kring rond de salontafel om te proosten op het nieuwe decennium, de jaren zestig, een getal dat een geheimzinnig aanlokkende klank voor me had.
     
De klok sloeg twaalf en de lucht werd versierd boven de daken van IJmuiden. Een lichtkogel trok een streep tussen de kleurige anemonen en hoepelrokken hoog boven de haven.
     
Ze vroegen me of ik het mooi vond, het geknal en gekanonneer in de verte. Ik knikte maar vroeg me aldoor af of grootvader werkelijk naar bed was gegaan, zoals ze hadden gezegd. Misschien zat hij met zijn oor bij de radio en zou hij dat de hele nacht blijven doen.

Meer lezen over de jaren zestig?
Lees het komende fragment.
Of bestel het boek

Kerstavond

Dat idiote Google heeft YouTube breedbeeld gegeven. Nou kan ik mijn oude template niet meer gebruiken, die werd te smal. Ik begin een aldoor grondiger hekel aan Google te krijgen. En aan WordPress, met die opgeklopte kwartaal-updates van ze. Er gaat geen dag voorbij of er komt wel weer de zoveelste onzinnige plugin uit. Als je alle plugins zou gebruiken, dan had je website een uur nodig om te laden. En dan, om de paar dagen worden er weer nieuwe themes over je uitgestort, allemaal variaties op vorige themes: een bloemetje erbij, een wolkje eraf, een ander kleurtje, voila. Toen WordPress nog jong was en ongerept, was alle nieuws ook werkelijk nieuws. Het ergste vind ik dat ze The Ultimate Tag Warrior hebben geprobeerd mee te bakken. Niet gelukt. Kijk maar naar dat zielige tagwolkje onderin. Vijftig tags is het maximum, gut wat een gekruidenier. De bedenkster van de UTW, Neato, heeft de pijp maar aan Maarten gegeven. Zonde van haar briljante werk. Haar tagclouds kon je zo groot maken als een Apple screen. De maker van de default theme, Michael Heilemann, is zijn heil ook maar elders gaan zoeken. Intussen zaagt de bedenker van de Sandbox aan de poten van de stoel van zijn twee voorgangers (er zijn twee standaard themes die worden meegeleverd), want hij wil dat zijn zandbak ook standaard wordt meegeleverd, zodat ook hij naast de troon van dat zichzelf opblazende WordPress kan zitten. Ernaast, ja. Het zal niet lang meer duren of WordPress wordt ingelijfd door Microsoft of Google. Daarna stort de hele open cummunity natuurlijk in elkaar. De bedenker van het systeem kan dan een eiland kopen, met vliegveld en zo meer, en rust op zijn lauweren, zich vervelend…

Het filmpje is hier te zien:

Cubaanse eenvoud

Update 31 dec:

Frans Lopulalan reblogde dit nummer in zijn posting Muziekkeuze Alfred Bluebird Birney. Ik mailde hem dat deze man waarschijnlijk met een afgekoven zakkammetje op 4 snaren zat te spelen. Frans mailde: Die Maffe Ouwe ontroert … je ziet zijn leven op dat barre Cuba, dat het Paradijs moet zijn. Te arm om aan zoiets simpels te komen als een plectrum (bij mijn dochter op het kakkerige Montessorilyceum gebruiken ze die dingen bij wijze van spreken als confetti … ), maar wel blijven zingen, met scheurend hart …

Zo is het.