Zoot Allures. Jaren zeventig. Ik luisterde nooit naar Frank Zappa. Ik dacht dat hij alleen maar herrie maakte en ongein uithaalde. Ik raakte wel onder de indruk van zijn helderheid van formuleren in een of andere documentaire en hield hem voor een gemankeerde schrijver. We noemden muziek als Zoot Allures destijds fusion. Cynici spraken van popmuzikanten die vergeefs jazz probeerden te spelen.
Tagarchief: muziek
Shakuhachi voor Kawabata
Op deze YouTube Hommage aan de schrijver Kawabata, de eerste Japanse Nobelprijswinnaar voor literatuur, gekozen door die onderhand wel dubieuze Zweedse club, hoor je achter de fotoserie een Japanse fluit: de shakuhachi. Ik herken er de speler Kohachiro Miyata in. Ik heb een langspeelplaat van hem uit 1977 van het schitterende, kleine New Yorkse Nonesuch Label, dat veel muziek uitbracht waar de gewone burger waarschijnlijk nog nooit van heeft gehoord. Zo te zien bestaat het label nog, de muziek is nog leverbaar, of gewoon te beluisteren op de website.
Osaka Dadadadan Tenko
Voor alle kunstvormen was 1987 een goed jaar. Zo richtte danser en choreograaf Isaya Mondori (Hirosjima, 1948) de groep Osaka Dadada-Dan Tenko op. In de tenko, de Japanse drum, had hij de dynamische ondersteuning gevonden om zijn dans energieker te kunnen maken. Fusion van klassieke en moderne uitingsvormen in muziek en dans zou het het signatuur worden van Tenko. De tien jonge muzikanten trainen dagelijks op lenigheid en fysieke kracht naast het oefenen op de drums, samisen en de shakuhachi. De groep trekt momenteel door Nederland, waar zij in liefst 20 plaatsen optreden. Meer informatie op de website van Osaka Dadadadan Tenko, met een clip, waarop je het Japanse gezelschap langs Hollandse molens ziet rennen en patat en haring kunt zien eten.
Je zal maar een kalkoen zijn!
Nou, nog een maandje en dan hangen we weer aan het spit. De lange monsters met hun vette schorten wikkelen ons ook nog in spek, alsof wij zo goed met de varkens kunnen opschieten. Laatst hoorde ik zo’n lange zeggen: ‘Je zal maar een kalkoen zijn!’ Intussen liet-ie lachend een schep graan op ons neerdalen, van dat nepspul met 20 procent dierlijk spul erdoorheen. Theo en Leentje, met wie ik een hoekje deel, proefden er rund in, maar volgens mij was het vermalen hond en kat uit het dierenasiel. We scharrelen hier met 1000 stuks op 10 x 10 meter, dat gaat nog wel. Het kan erger, zoals de kippen verderop, die zitten in gesubsidieerde flats met centrale verwarming. Ze zijn wel wat dommer dan wij, die kippen, ze laten zich gewoon volautomatisch de snavel afknippen zónder in opstand te komen! Dat komt zo: ze worden gedrogeerd met tranquillizers. Nu gaan ze dat ons ook flikken, maar dan holistisch, sinds wij hier enorm zijn gaan krijsen toen wij laatst vermalen krokodil kregen, halfom door de maïs heen. Dat weigerden we natuurlijk te eten, ook wij trekken onze grenzen. De lange monsters in hun lebberige bevlekte schorten hebben toen ons gedrag gemeld aan de boerenorganisatie en die heeft nu iets nieuws voor ons verzonnen: Gregoriaanse muziek op cd! Die boerenorganisatie heeft eergisteren dus zo’n gettoblaster in ons kamp laten neerzetten en nu moeten we de ganse dag naar dat vreselijke Gregoriaans luisteren. Wat een grafmuziek is dat! Dat draaien ze om ons rust te geven! Nou ja zeg! Ze zullen bedoelen dat die muziek voor de lange monsters zelf is bedoeld. Zij zijn het die in de stress schieten met dat naderende kerstfeest van ze. Wij niet! Wij hebben ons allang verzoend met de wetenschap dat wij straks bij de soortgenoten van de lange monsters op de tafel liggen. Wat dat betreft voelen de dierenactivisten ons wel aardig aan. Die hebben de boeren aangevallen op een verkeerde voorstelling van zaken en op misbruik van holistische benaderingswijzen. Maar ja, wat heet aanvallen… Een beetje gelul op de BBC-radio, daarna een reclameboodschap van een supermarkt die nu al de kerstboom bij de kassa heeft staan en dat was het dan. Echt op de vuist met die boeren gaan ze niet voor ons hoor, wij zijn maar pluimvee. En intussen vreten die dierenactivisten ook nog onze granen en sojabonen op in plaats van zich op die vieze dikke vette modderige varkens te werpen. En van Theo en Leentje hoor ik zo net dat ze de konijnen met house en rap willen gaan oppeppen, dan komen ze minder duf op de slachtbank terecht. Het gaat kortom om behoud van de natuurlijke smaak voordat de peper- en zoutmolen in actie komt. Enfin, de mode is dan weer dit en dan weer dat, maar u weet het nu: u kunt weldra kiezen tussen in slaap gezongen kalkoen en opgepept konijn. Als ik u was zou ik boerenkool met worst nemen. Dan weet je niet wat je eet en hoef je niet voor ons te bidden.
Haagsche Courant, 28 november 2003
Finger-picking-technieken
Fingerpicking technieken voor de akoestische gitaar; een introduktie op folk, blues en ragtime – deel 1 & deel 2

Van Alfred Birney is al drie decennia een gitaarmethode voor fingerpicking in gebruik. Hij introduceerde er in Nederland het notatiesysteem van dubbele balken met noten- en tabulatuurschrift mee, dat later grote navolging kreeg. Zijn methode wordt door veel docenten op muziekscholen bij de gitaarlessen gebruikt.
De fingerpicking-boeken worden niet meer via de muziekhandel geleverd en worden veel gekopieerd, maar kunnen hier legaal worden gedownload als PDF-file. Click beneden op een boekomslag van de fingerpicking-methode en download de boeken in een nieuw venster. Sla ze op, print ze uit uit of en lees ze in een PFD-reader.

Ben je blij met de boeken en wil je misschien je dank betuigen? Koop dan eens een boek van Alfred Birney, voor jezelf of als cadeau aan een ander…
(nog niet compleet, we zijn bezig, kom later nog eens kijken)
Fingerpicking Technieken voor de akoestische gitaar, een introduktie op folk, blues & ragtime, deel I, paperback 21 x 30 cm met illustraties; Den Haag dec 1979 (1e druk), 1981 (2e druk) ISBN 90 70 106 82 5 UGI 580 Download als e-book in PDF
Fingerpicking Technieken voor de akoestische gitaar, een introduktie op folk, blues & ragtime, deel II, paperback 21 x30 cm met illustraties; Den Haag nov 1981 ISBN 90 6438 049 X UGI 580 Download als e-book in PDF
Ton van Bergeyk: If I had you (Campbell, Connelly, Shapiro). Music Maker 3e jrg nr 8, jun 1980 Download Ton van Bergeijk-If I Had You 4,14 MB
John Renbourn: Ladye Nothynges Toye Puffe (Renbourn). Music Maker 3e jrg nr 9, jul 1980
Stefan Grossmann: Yas Yas Ragtime Blues (Grossmann). Music Maker 3e jrg nr 11, sep 1980
Mississippi John Hurt: Salty Dog Blues (Morris); My Creole Belle (Hurt). Music Maker 4e jrg nr 1, nov 1980
Ry Cooder: Maria Elena (Barcelata). Music Maker 4e jrg nr 2, dec 1980
Michael Chapman: Naked ladies and electric ragtime (Chapman). Music Maker 4e jrg nr 3, jan 1981 (part 1); nr 5, mrt 1981 (part 2)
Chet Atkins: Drive in (Rich). Music Maker 4e jrg nr 4, feb 1981 (part 1); nr 7, mei 1981 (part 2)
Marcel Dadi: Song for Kathy (Dadi). Music Maker 4e jrg nr 7, mei 1981
Blind Blake: Blake’s worried blues (Blake). Music Maker 4e jrg nr 8, jun 1981
Bert Jansch & Dave Evans: Veronica (Jansch). Music Maker 4e jrg nr 9, jul 1981
Davey Graham, Bert Jansch: Angie (Davey Graham). Music Maker 4e jrg nr 10, aug 1981
Harry Sacksioni: Anji (Angie, Davey Graham). Music Maker 4e jrg nr 11, sep 1981
Patrick Simmons: Larry the lodger (Simmons). Music Maker 4e jaargang nr 12, okt 1981
Michael Chapman: Champion (Chapman). Music Maker 5e jrg nr 1, nov 1981 (part 1); nr 2, dec 1981 (part 2)
Joseph Spence: Jump in the line (Bell) / Face to face that I shall know him (trad.). Music Maker 5e jrg nr 3, jan 1982
Leo Kottke: Stealing (Kottke). Music Maker 5e jrg nr 5, mrt 1982
Ton van Bergeyk: Moonlight Serenade (Miller). Music Maker 5e jrg nr 6, apr 1982 Download Ton van Bergeijk-Moonlight Serenade (227 KB)
Blind Boy Fuller: Weeping willow (trad.) / Mamie (Fuller). Music Maker 5e jrg nr 8, jun 1982
Duck Baker: Forty-ton parachute (Graham). Music Maker 6e jrg nr 1, nov 1982
Ry Cooder: Flashes (Beiderbecke). Music Maker 6e jrg nr 3, jan 1983 Download Ry Cooder Flashes (3,47 MB PDF)
Kansas: Dust in the wind (Livgren). Music Maker 6e jrg nr 5, mrt 1983
John Fahey: St. Patrick’s Hymn (trad.). Music Maker, 6e jrg nr 11, sep 1983
Bossa Nova Violão Brasileiro: Gente Humilde (Garòto, arr. Baden Powell). Music Maker, 7e jrg nr 1, nov 1983 (deel 1); nr 6, apr 1984 (deel 2)
Stephen Stills: Blues Man. This is a very old handwritten TAB of mine I once wrote for a pupil. The paper is somewhat faded but readable. At his moment there is no example of the studio version of the tune to be found on the internet (YouTube). I reckon most of you wanting to play this tune still have the album on vinyl or CD. Now, special attention for the guitar tuning. Tune the A en D bass one step higher to B en E. Then… tune the G-string all the way down till it sounds like the E on the D-string. Stephen Still also plays Blues Man and Do for the others in that tuning. Grab the TAB in PDF (172 KB). Do not spread it around, but link to this page. Use it for your own purpose. Thanks.
Ry Cooder: Flashes. This tune is actually played in E A E G# B E. But all strings are tuned a half step lower. So you should tune your guitar Eb Ab Eb G Bb Eb. Ry Cooder plays a lot of his stuff on stage in standard or different tunings. The tune, written by Bix Beiderbecke, I tabbed from Ry Cooder’s LP Jazz (1978), using an old tapedeck, headphones, a pencil and paper. Of course it has been written down like I heard it way back when… Have fun! Grab the TAB in PDF (3,47 MB). Do not spread it around, but link to this page. Use it for your own purpose. Thanks.
William Moore: Old Country Rock from finger picking ragtime legend, recorded in 1928. I post this one for a friend of mine and share it at the time with you. The TAB is an old one, written by me some 30 years ago. The variations you should figure out yourself. Have fun! TAB Old Country Rock (49 KB opens in new window)
Donovan: Tangerine Puppett. TAB Donovan Tangerine Puppett (43 KB opens in new window)
Bert Jansch: Dreams of love. BERT_JANSCH_DREAMS_OF_LOVE.PDF (50,9 KB opens in new window)
De coming out van een ouwe Haagse gabber op een dinnerparty
Ik heb een uurtje geslapen, ben daarna nog een half uur in het ligbad gaan soezen en heb me toen gekleed. Het wasgoed wordt je hier fraaier gestreken en zachter dan waar ook ter wereld terugbezorgd: een weldaad. Op de uitnodiging van de ambassadeur en zijn vrouw de barones wordt als kleding casual gesuggereerd. Dat scheelt een stuk in de tropen, maar toch trek ik een wit overhemd aan op mijn spijkerbroek en draag een antraciet dun colbert van casual Italiaanse snit. Geen stropdas. Die draag ik nooit, ik haat stropdassen, de stropdas is het belachelijkste kledingstuk dat een man maar kan dragen. Praktisch gezien dient het nergens toe, zoals een sjaal. De strop zou dateren uit de tijd dat de Vikingen Brittannië onveilig maakten: ze lieten de mannen met stroppen rond de nek lopen, zodat die, als ze even praatjes kregen, in een handomdraai aan een boom gehangen konden worden. Zijn stropdasdragende mannen masochisten?
De telefoon gaat. Een baliemeisje meldt in het Engels dat de secretaris inmiddels is gearriveerd en beneden op mij wacht in de lobby. En dat ik me niet hoef te haasten.
Sigaretten mee. Aansteker. Een pen. Visitekaartjes. Wat nog meer? O ja, een doos boeken, meegesjouwd all the way from patria.
De secretaris van de ambassadeur is een van de geestigste mensen die ik heb ontmoet op de conferentie. Hij zal zijn humor ook wel hard nodig hebben om zich staande te kunnen houden in de wereld der diplomaten.
Maar nu toont hij een ander gezicht. Op de achterbank van de Jeep begint hij me aan een hoogst serieus interview te onderwerpen. Over mijn schrijverschap. Over mijn afkomst. Over mijn verhouding met de pers.
De chauffeur rijdt ons door het donkere Jakarta naar de ambassadeurswoning. Achter het hek staan veiligheidsmensen, ik weet niet of ze gewapend zijn. Eén van hen loodst ons naar binnen. We worden dus niet binnengelaten maar binnengeloodst, alsof er elk moment een stel militanten vanuit de boomkruinen rond de woning hun molotovcocktails naar onze koppen kunnen gaan gooien.
Het huis is een oud-koloniaal gebouw, perfect opgeknapt en onderhouden: een doolhof van grotere en kleinere vertrekken, gangen, brede trappen. Er staat beeldhouwwerk, er hangen schilderijen, er liggen tapijten op de marmeren vloer, we komen in het verkeerde vertrek terecht, waarschijnlijk dat van de ambassadeur, en worden dan haastig door de Indonesische huisbediende naar de kamer van de barones gebracht.
De bediende draagt witte kleding, zoals in tempo doeloe. De bediende maakt zich onzichtbaar, zoals in tempo doeloe. Ik ben geen kind uit tempo doeloe en heb de neiging om Indonesische bedienden als broertjes te beschouwen. Een probleem.
De vrouw des huizes komt binnenstappen. Ze toont ons trots haar vleugel en haar boekenkast, ze is van het entamerende culturele soort. Wanneer even later de ambassadeur binnenkomt in gezelschap van de schrijver Jacob Vreedenbregt, vraag ik deze collega of het waar is dat hij op gegeven ogenblik zoveel personeel had dat hij iets moest gaan verzinnen en daarom een jongen maar de hele dag vlinders liet vangen.
‘O, je bedoelt wat ik toen zei in dat programma van Adriaan van Dis?’
‘Ja.’
‘Ja, dat is zo. Tenminste: dat wás zo.’
De ambassadeur komt nog even terug op zijn openingstoespraak op de conferentie en zegt een beetje tobbend dat helaas lang niet iedereen van zijn humor is gediend.
Tijd voor de gastvrouw om mij de tuin te laten zien. Brede marmeren veranda. Op het gazon staan verspreid ronde tafeltjes op hoge poten. Partylights. Geen zwembad hier, waarschijnlijk de enige villa zonder zwembad.
Zou wat zijn geweest toch, een zwembad in de tuin van de ambassadeurswoning. Alle gasten te water en ik loop dan rond het bad terwijl ik lees uit Fantasia: De fenomenale meerval.
De ambassadeursvrouw heeft me die ochtend op de conferentie naar mijn wensen geïnformeerd en ik heb om een katheder gevraagd. Die heeft ze me beloofd maar er niet voor kunnen zorgen. Het lijkt haar veel leuker om de boel wat meer ontspannen te houden, misschien kun je een beetje rondlopen terwijl je voorleest?
‘Hm,’ zeg ik, peinzend over het narrenschap dat de schrijver tegenwoordig overal wordt opgedrongen. Dat krijg je ervan als die vervelende Hollandse cabaretiers met hun boeken de ‘literaire’ toptien bezetten.
‘Waar wil je staan?’
‘Waar ik nu sta, hier op de veranda, dan schuifel ik wel wat heen en weer en heb ik goed zicht op de mensen.’
‘Goed,’ zegt de gastvrouw handenwrijvend. Ze is enthousiast, misschien is de verveling hier in de villa achter de hekken voor haar wel net zo groot als voor de vrouwen van de bestuurders in tempo doeloe, waar ik aldoor aan denken moet hier. Maar mensen zoals zij houden op zijn minst het culturele leven een beetje gaande.
We spreken het draaiboek nog wat door en dan komen de gasten binnendruppelen. Er worden er 70 verwacht, buiten de groep meisjes die die middag op het toneel van de aula hun zangtalent hebben laten horen.

Zij zullen de avond openen met hun lieftallig gezang. Wanneer de gasten met hun voorgerecht klaar zijn, zal ik mijn act tonen, want zo noemt men dat tegenwoordig vanuit het ingebakken idee dat schrijvers artiesten zijn, clowns of zo, in elk geval geen schrijvers zoals dode schrijvers, want alleen dode schrijvers die nog worden gelezen zijn pas echte schrijvers: die hebben het tenminste altijd over anderen en niet over jou. Zo leef je als het ware schrijvenderwijs toe naar grafsteen, plaquette en een bladzijde of voetnoot in een overzichtswerk van de een of andere onbenul die zijn hele leven niet buiten zijn leeskamer is geweest en bij het aanvaarden van zijn professoraat nog ontmaagd moest worden.
Pikant toch: een stel bruine meisjes zingt op de veranda, begeleid door een bruine jongen op de gitaar. Bruine bedienden gaan rond met de schalen en een bruine nog geen dode schrijver zal een lichtvoetig verhaal gaan voorlezen op deze lichtvoetige avond in een tuin dat bevolkt wordt door een Europees publiek.
Mevrouw de dode schrijfster Madelon Szekely-Lulofs laat in haar beroemde en overgewaardeerde roman Rubber uit 1932 op een of ander partijtje een stel Indo-muzikanten opdraven als Indo-behang. Ik weet niet of men er na een slordige 70 jaar al achter is dat Indo’s ook al een jaar of honderd boeken schrijven, maar ik vermoed toch dat dat enkele figuren in het publiek zou verbazen. Waren ze volkomen van mijn achtergrond op de hoogte geweest, dan zouden enkele me beslist hebben gevraagd om ook eens die gitaar van die jongen tussen de zingende meisjes over te nemen.
Uiteraard krijgen ze mijn verhaal De jongen met de gouden vingers uit Fantasia te horen, speciaal voor deze avond geselecteerd. Gevoelige romanfragmenten bewaar ik voor intiemere avonden. Dit verhaal is eenvoudig voor te dragen: lekkere spanningsboog, een beetje muziek, een beetje liefde, een beetje geweld plus een beetje Indo-geschiedenis uit de jaren zestig. Wat zou dit publiek nog meer wensen? Toch geen verhaal over Indië mag ik hopen, of praat ik hier voor een neokoloniaal publiek?
Ik zweet me ongans bij het voorlezen van mijn verhaal, beweeg me zo’n beetje met de snoerloze microfoon over de veranda tussen de ranke zuilen, het publiek is schimmig bij de partylights in de tuin. Had ik de podiumervaring van Anneke Grönloh maar. Ik probeer de techniek van de artiest in praktijk te brengen, mijn ogen te laten zwerven zodat iedereen het gevoel heeft dat je ze aankijkt. Maar er zit ook publiek achter me.
In de tuin, recht in mijn gezichtsveld staat één man met een bierbuik en een glanzende halfkale schedel me aldoor zichtbaar genietend aan te kijken. Hij wordt mijn favoriet tussen het publiek, ik kom steeds weer bij hem terug en zie zijn hoofd steeds roder worden van de pret.
Zodra het verhaal uit is en het applaus wegsterft boven de miljoenen daken van Jakarta stormt de man met de halfkale glanzende schedel op me af en grijpt me bij mijn schouders.
‘Jongen,’ zegt hij, ‘je hebt me in je hart gesloten! Weet je dat ik die tijd waarover jij vertelde zélf heb meegemaakt? Ik kom uit Den Haag, ik was zélf zo’n gabber en het is écht zo wat je vertelde! Jemig, er waren altijd vechtpartijen tussen de Indo’s en ons. Ja, ik zeg maar ‘ons’, want stond wél aan de andere kant, begrijp je? En het is precíes wat jij zei: dat het ging om onze meisjes! Die liepen allemaal van ons weg om met de Indo’s te gaan dansen! Nou, en dan kreeg je inderdaad knokpartijen, ha ha, wat een tijd was dat! Maar het is nu voor het eerst dat ik het van de ándere kant heb gehoord!’
De man staat even later glunderend aan mijn tafel, waar ik mijn boeken signeer. Of ik erin wil schrijven: Voor Harry, die ouwe Haagse gabber.
Opeens komt er vanuit het niets een Indo aan mijn tafel staan. Hij is leraar in Jakarta en een liefhebber van Indorock en vraagt me of er nog een exemplaar van mijn verhalenbundel over is. Nee, helaas. Ander boek? Hij aarzelt.
‘Gaat het allemaal over Indorock, wat je schrijft?’
Ik kan het niet helpen, maar ik moet lachen. ‘Nee, zelfs niet altijd over Indo’s.’
‘Waarom niet?’
‘Dat vertel ik morgen op de conferentie wel. Ben je daar dan?’
‘Spijtig, maar ik moet lesgeven.’
Ik wil met hem spreken over zijn leven als Indo hier in Jakarta, maar het wordt druk rond de tafel en hij verdwijnt geruisloos terwijl ik mijn boeken signeer. Geruisloos dus.
Nog een Indo, een vrouw, aan mijn tafel. Ze zit in Jakarta omdat haar Hollandse man hier zijn werk heeft. Hoewel ze een generatiegenote van mij is, begint ze zich nu pas in haar Indoschap te verdiepen. Daarvoor moest ze eerst toevallig in Indonesië terechtkomen.
Ze verbaast me dat ze nog geen enkele schrijver van de Tweede Generatie heeft gelezen. Scholieren zouden moeten leren hun schrijvers te zoeken. Daar heb je dan wel leraren voor nodig die wat verder kijken dan naar wat hen voorgeschreven wordt.
Het Yournael van Cyberney werd in april 2000 onder aanvoering van Alfred Birney gelanceerd en verscheen wekelijks tot aan de boekenweek in maart 2001. Ruim 60 afleverigen van Cyberney (Alfred Birney), Frans Lopulalan, Joyce Bloem, Maureen Birney, Widjajanti Dharmowijono, Guno Jones, Esther Captain en Anyes lieten zien dat er nog veel onbesproken was en is in de Nederlandse taal, juist door hen die een mengcultuur in zich dragen. Het Yournael van Cyberney & Co bracht artikelen en verhalen rond literatuur, kunst, cultuur, fotografie, emancipatie en uitgeverspolitiek in het labyrint van mengculturen in binnen- en buitenland. De bijdragen van Alfred Birney verschenen bewerkt en gebundeld met ander proza in een eenmalige uitgave als alternatief boekenweekgeschenk en tegelijk als feestbundel ter ere van het 25-jarig jubileum van Uitgeverij In de Knipscheer. Bestel het boek hier!