Mary Brückel, de moeder van de pasar malams

Pasar malam betekent avondmarkt. In Indonesië vind je ze waar je maar komt. De Nederlandse evenknie heet Braderie en vindt plaats in de middag. Pasar malams in Nederland vind je ook overal, het hele jaar door, maar deze festivals hebben doorgaans een diepere betekenis dan de avondmarkten in Indonesië. Op Nederlandse pasar malams ontmoeten mensen uit Indische kringen elkaar, er is altijd muziek en soms worden er films vertoond, vinden er lezingen plaats enzovoort. De grootste pasar malam van de wereld was de Pasar Malam Besar, die onlangs werd omgedoopt naar Tong Tong Fair om zo de nadruk op het culturele aspect van de Indische cultuur te leggen in de hoop om niet voor de zoveelste keer als een grootschalig eetfestijn te worden afgeschilderd.

De naam Tong Tong komt van het gelijknamige tijdschrift onder aanvoering van Tjalie Robinson, ooit geheten Onze Brug en thans bekend onder de naam Moesson. Hoe dat allemaal zit met die naamsveranderingen, dat moet u mij maar niet vragen, ik vind het al ingewikkeld zat om ze ook maar neer te pennen. De genoemde namen brengen bij sommigen van de oudere generatie Indo’s en/of Indische mensen nog altijd heftige reacties teweeg, onder wie bij Geraldine Brückel-Lang.

Naar de smaak van Geraldine krijgt haar schoonmoeder Mary Brückel-Beiten te weinig credits in de biografie Tjalie Robinson, biografie van een Indo-schrijver (2008) van Wim Willems. Nou vind ik dat zelf nogal meevallen, ik herinner me althans niet te hebben gelezen dat Wim Willems zijn held Tjalie Robinson als de oprichter van de Pasar Malam Besar/Tong Tong Festival heeft neergezet. Hij zet hem veeleer neer als voortrekker van de Indische gemeenschap in Nederland. Dat hij daarin soms wat ver gaat – bijvoorbeeld door op het podium van Crossing Border te beweren dat de Indische gemeenschap niet had kunnen bestaan zonder Tjalie Robinson – maakt nu even niet uit.

Hoewel de biografie van Wim Willems in de eerste plaats over Tjalie Robinson gaat en niet over postkoloniaal Nederland, vindt Geraldine Brückel-Lang dat de aandacht van de biograaf voor haar schoonmoeder Mary Brückel-Beiten niet ver genoeg gaan. Daarom heeft ze een alleraardigste reader gemaakt: een plak- en knipselboek van de rol die Mary Brückel speelde in de vroegste jaren van postkoloniaal Nederland. Het laat zien hoe Mary al pasar malams organiseerde voordat Tjalie er ook maar aan dacht, onder meer door afdrukken van brieven tussen beiden. De reader is tweetalig en bestaat veelal uit krantenknipsels en fotokopieën van brieven in het Nederlands en de Engelse vertalingen ernaast. Lekker voer voor biografen, al is Mary’s rol niet echt onbekend in Nederland. Niet alles wordt door Geraldine vertaald, zoals de volgende wel zeer smakelijke passage uit een brief van Tjalie aan Mary:

Ik heb nog altijd zo’n stille hoop (of onbewezen overtuiging) dat je nog eens gaat schrijven. Ik heb je opmerkzaam gadegeslagen; ook je omgeving; ook je werk. Je hebt meer van het leven meegemaakt dan b.v. Maria Dermoût, die een heel lieve vriendin van me is, of Hella Haasse, die niet schrijven kan. Of Anna Blaman, die te veel moet opblazen omdat er in werkelijkheid te veel leegte is in haar.

Tjalie schrijft ook nog dat ze daarbij niet direct moet denken aan zoiets als de roman: Let op mijn woorden: de tijd van de roman is voorbij… (1958)

Geïnteresseerden in Geraldine’s boekje over de moeder van de pasar malams in Nederland kunnen haar mailen: wimbruck@telus.net (Canada). Koningin Beatrix kreeg er eentje gratis. U natuurlijk niet ;-)

De (na)smaak van Indië

Op zondagmiddag a.s., 14 februari, 15:00 u, voer ik in Boekhandel van Pampus te Amsterdam met Lizzy van Leeuwen een tweegesprek over postkoloniaal Nederland, vanuit verschillende perspectieven. Leidraad vormen mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998), mijn postkoloniale polemische bundel Yournael van Cyberney (2001) en Lizzy van Leeuwens geschiedenis van zestig jaar Indisch Nederland: Ons Indisch erfgoed (2008).

Vanwege drukke werkzaamheden aan een nieuw boek heb ik wat laat mijn toezegging gedaan en mijn enige probleem van die dag zal waarschijnlijk dan ook zijn of ik wel op tijd mijn nest uit kan komen. Ik schrijf namelijk ’s nachts tot vroeg in de ochtend en slaap dan een gat in de dag, want de wintermaanden zijn voor mij toch het aanzien niet waard.



Grotere kaart weergeven

Ik sta dus (nog) niet aangekondigd op de site van Boekhandel van Pampus, waar als thema van de middag is gekozen de “Nasmaak van Indië”, naar aanleiding van de uitgave van de moderne vertaling van Multatuli’s Max Havelaar (maart 2010), overigens niet bepaald een van mijn favoriete literaire werken.

Lizzy van Leeuwen en ik zullen beginnen bij de koloniale literatuur en via Hella Haasses novelle Oeroeg (1948) en Tjalie Robinsons ongezouten kritiek op dat boek een link leggen naar de postkoloniale ontwikkelingen in Nederland. Uiteraard is er gelegenheid tot het stellen van vragen.

Aan Indisch 3.0 is gevraagd een korte bloemlezing te geven over wat de jongere generatie Indische Nederlanders bezighoudt. Ook zal Ed Caffin namens Indisch 3.0 een lezing geven.

Het programma is gevarieerd, met film, muziek, hapjes en signeersessies.

Programma

15.00 u Tweegesprek Lizzy van Leeuwen met Alfred Birney
16.30 u Film: Contractpensions – Djangan Loepah! Aansluitend een gesprek met regisseur Hetty Naaijkens-Retel Helmrich.
18.00 u Kalangkang, Sundanese muziek
18:30 u Bijdrage door Ed Caffin, van weblog Indisch 3.0
19.00u Einde

Nasmaak van Indië, 14 februari 2010, 15.00 – 19.00 uur.
Toegang, inclusief snacks: € 5.
Locatie: Boekhandel van Pampus, KNSM Laan 303, Amsterdam

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

Indië verloren, rampspoed geboren

de-republikein-december-2009 Naar aanleiding van de onlangs herdachte soevereiniteitsoverdracht, die plaats vond 60 jaar geleden op 27 december 1949, wijdt kwartaaltijdschrift De Republikein een themanummer aan Neerlands interessantste geschiedenis, namelijk die van een der grootse koloniale wereldmachten. Dat die geschiedenis wordt weggemoffeld, is voornamelijk bekend aan mensen die zich ermee bezighouden. Dat spreekt. En zodra die geschiedenis door zogenaamde vaklui wordt verteld, breekt in heel Indisch Nederland – ja, dat bestaat nog – rumoer uit. Mensen van de eerste generatie Indische Nederlanders beginnen met te zeggen dat mensen van de tweede generatie Indische Nederlanders / Indo’s het leven in “Indië” nooit hebben meegemaakt en daarom geen recht hebben van spreken, laat staan van schrijven. De tweede generatie Indo’s verwijt de eerste generatie een overdreven Hollands culturele opvoeding en kijkt intussen met argusogen naar de derde generatie, die vrolijk bahasa Indonesia leert en zich uitleeft op Asian Party’s. Soms klinkt het verwijt van de derde generatie, dat de tweede generatie helemaal niets heeft gedaan aan het overbrengen van de Indische cultuur, terwijl er toch een sloot boeken van de tweede generatie in de bibliotheken te vinden is. Interessant is dat de tweede generatie zich veelal uit in fictie, terwijl de derde generatie vrijwel alleen met non-fictie komt.

Maar hier gaat het allemaal niet om in De Republikein, nummer 4, december 2009, jaargang 5. Deze aflevering, waarvoor ik als gastcolumnist ben gevraagd, brengt met een serie frisse artikelen de geschiedenis van Nederland en Indonesië in kaart voor, zeg, de lezer die wel eens wat meer wil weten dan wat geleuter over tempo doeloe, sarong en kabaya en het scheepsjournaal van Bontekoe in tijden van de VOC.

Rik Smits, hoofdredacteur van het kritisch tijdschrift, stelt terecht in zijn voorwoord dat Nederland helemaal geen “klein landje” is, zoals wij onszelf dat graag voorhouden. In economisch, cultureel en wetenschappelijk perspectief is Nederland een reus. Helaas is Nederland ook kleingeestig en de geschiedenis houdt dan ook bij voorkeur op bij de duinen. Rik Smits haalt Tjalie Robinson aan om de scherpe toon van zijn blad te onderstrepen, terwijl ik het themanummer afsluit met Tjalies veronachtzame kritiek op Hella Haasses overgewaardeerde novelle Oeroeg, onder de titel Postkoloniaal naschrift.

Binnen deze tangconstructie beschrijft Gerard Aalders de lepe, of gluiperige, rol die de Amerikanen speelden tijdens de dekolonisatie. Mooi is te zien hoe cruciaal WO-II is geweest voor het dekolonisatieproces. Onder Henk Schulte Nordholts pen krijgt het democratie een werkelijk Indonesisch karakter en good old Ewald Vanvugt legt, onvermoeibaar als hij is met een oeuvre van intussen meer dan 30 boeken, nog maar eens haarfijn uit hoe het koningshuis schatrijk werd aan de opiumhandel. Voor wie deze klok al eens heeft horen luiden maar nog niet weet waar de klepel hangt, moet deze bijdrage beslist lezen.

Er staat nog meer verbazingwekkends in deze aflevering van De Republikein. Dat inwoners van het Javaanse dorpje Rawagedeh nog niet zo lang geleden de Nederlandse staat aansprakelijk stelde voor de moord op vierhonderd ongewapende inwoners, is iedereen nog wel bekend, mag ik hopen. Gerrit-Jan Pulles beschrijft dit internationale misdrijf van a tot z en hij toont aan dat het beroepen op “verjaring” van de Nederlandse overheid inconsequent en juridisch zeer twijfelachtig is. Want ja, zodra Nederland de portemonnee moet trekken, is men niet thuis. Maar zelfs zoiets eenvoudigs als het aanbieden van excuses aan de nabestaanden was zelfs al te veel voor onze overheid.

Er staat nog veel meer in dit nummer. Marije Plomp over een Molukse ambtenaar die op een wel heel merkwaardige manier door de overheid wordt behandeld. Eveline Buchheim zoomt in op de “werkelijke rol van Europese vrouwen” in de kolonie, Leo Polak vat de geschiedenis van de Molukkers samen, etc.

Surf naar De Republikein en bestel dit nummer. Een abonnement is ook de moeite waard. De stukken zijn serieus maar niet droog geschreven, en houden het midden tussen journalistiek en wetenschap… zonder vervelende voetnoten.

Nominatie beste literatuurblog

Bij toeval (ja, dat bestaat, en als het niet bestaat dan noem je het maar anders en dan bestaat het toch) zag ik op aboutblank dat mijn blog is genomineerd voor de beste literatuurblog van 2009. Geen idee wie me heeft voorgedragen. Deze grootste weblogverkiezing van Nederland vindt plaats onder auspiciën van Dutch Bloggies. Ik zie zo snel geen vriendjes of vriendinnetjes in de jury zitten, dus ik sta niet toevallig bij de laatste tien onder de noemer Beste Literatuur Weblog. Ik bevind me in aardig gezelschap, al is het me niet helemaal duidelijk waaraan een Literatuur Weblog nou eigenlijk moet voldoen. De een leest en recenseert zich suf, de ander houdt als een idioot het laatste nieuws bij en ik, eh… mijn laatste wapenfeit is mijn gemopper op dat Nederland Leest-gedoe rond een van de slechtste koloniale novellen die ons taalgebied ooit heeft voortgebracht.

Enfin, een plekje op de longlist heeft wel iets. Ik bedoel: ik liep net rond met het idee om maar met dat geblog te stoppen. Moet ik nou doorgaan, alleen maar omdat een stel mensen met smaak mijn weblog volgen? Weet je wat wél een gedoe is? Je moet naar het Paard in Den Haag om te horen of je bij de laatste vijf zit. En dan moet je weer wachten op de bekendmaking van de winnaar in jouw categorie. Dat betekent dus opdraven en in zo’n zaal gaan zitten wachten. Nog erger: je wint de prijs! Dan moet je het podium op en iets bloggenderwijs gaan zeggen. En als je nou net de MexGriep hebt? Moet het dan hoestenderwijs? Nou wist ik al dat het leven van een schrijver niet over rozen ging, maar ik heb nooit geweten dat dat ook voor bloggers op zou gaan. Moeten bloggers uit cyberspace nu ook al hun snoet in real life laten zien? Ik wist trouwens niet eens dat ik een blogger was. De grenzen tussen schrijven en bloggen vervagen. Dát is zeker. Zelfs bij de oude media krijgen ze dat in de gaten. Snelle jongens daar. Wat moet je ook anders verwachten met dat ge-Oeroeg van ze.

Waar werk je aan?

Iemand mailde me laatst met de vraag waar ik momenteel aan werk. Ik dacht een ogenblik dat ik helemaal niets te doen had, ik zat immers veelvuldig op mijn balcon in de zon. Maar nu ik alles even op een rijtje zet, krijg je dit:

1. Schrijven aan een novelle (deadline 1 november)
2. Werken een een artikel voor een tijdschrift (deadline 1 augustus)
3. Afronden van een verhaal voor in een reisgids (deadline 1 augustus)

Er gebeuren natuurlijk ook allerlei dingen omheen in de – zo noemt men dat – privésfeer. Fun & Stress. Verder ben ik druk bezig achterstallige administratie weg te werken. En al e-mail ik gemiddeld twee uur per dag, toch loop ik daarmee achter, het zijn slechts enkele dagen maar toch… Soms besluit ik om enkele mails maar helemaal niet beantwoorden, zo erg is dat niet, het overkomt mij ook weleens dat ik geen antwoord krijg, vooral wanneer iemand mij iets schuldig is of iets idioots onderneemt.

Ik voer ook nog een huishouden. Als ik een beroemd schrijver was, dan had ik uiteraard een secretaresse, een literair agent, een kok en een huishoudster die alle zooi van me overnamen. Ik zou contracten ondertekenen en vette voorschotten innen op boeken die ik beloof te zullen schrijven maar die nooit zullen komen.

Enfin, het artikel… Dat zal gaan over Nederland leest, editie 4. Boven mijn stuk staat geschreven: Nederland leest niet. Got it?

Heruitgave Oost-Indische inkt

alfred birney oost-indische inkt Alfred Birney
Oost-Indische inkt; 400 jaar Indië in de Nederlandse letteren

bloemlezing
Uitgeverij Contact
Amsterdam 2009
paperback 560 blz.
ISBN 9789025432492
Herdruk Prijs € 17,95
Bestel: Beslist

Deze controversiële bloemlezing is onderhand een standaardwerk geworden en geeft een nieuw beeld van Indië in de Nederlandse letteren aan de hand van meer dan vijftig schrijvers. Met een uitgelezen selectie van literaire teksten geeft Alfred Birney de geschiedenis weer van de mensen die zijn geboren uit het samengaan van Oost en West: de Indische mensen die Nederlands koloniale verleden, en met name de Indische cultuur, mede gestalte hebben gegeven. Wat deze bloemlezing anders in dit genre maakt, is dat de lezer bij voorkeur de geboden volgorde moet aanhouden, want de fragmenten sluiten als een kettingverhaal op elkaar aan. Wie de bloemlezing zo leest, krijgt een beeld van de geschiedenis van Nederlands-Indië en haar nasleep tot op heden. En volgt die aan de hand van het verhaal van de Mesties, de Indo-Europeaan, de Indische Nederlander, Indische jongens en meisjes, kortom: de Indo. Het verhaal leidt voorlopig naar de schrijvers van de zogenaamde tweede generatie in Nederland, waarmee deze bloemlezing ook de langverwachte aanvulling vormt op wat eerder van Rob Nieuwenhuys verscheen.

Bijdragen van: Jan Huygen van Linschoten (1562?), Willem Ysbrantsz Bontekoe (1587), Francois Valentijn (1666), Willem van Hogendorp (1735), Jacob Gotfried Haafner (1755), Walter Robert van Hoëvell (1812), Multatuli (Eduard Douwes Dekker) (1820), H. de Veer (1829), Jan ten Brink (1834), P.A. Daum (1850), Dé-lilah (1850?), G. Valette (1853), Adinda (Thérèse Hoven)(1860), Louis Couperus (1863), Victor Ido (Hans van de Wall) 1869), Marie van Zeggelen 1870), Carry van Bruggen (1881), Willem Walraven (1887), Maria Dermoût (1888), Arnold Clerx (1897), M.H. Székely-Lulofs (1899), E. du Perron (1899), Jo Manders (1900), C. Binnerts (1901), Beb Vuyk (1905), Rob Nieuwenhuys (1908), J.J.Th. Boon (Vincent Mahieu & Tjalie Robinson)(1911), A. Alberts (1911), Hella S. Haasse (1918), Aya Zikken (1919), Margaretha Ferguson (1920), Elviere Spier (1920), Lin Scholte (1921), F. van den Bosch (1922), Wim Walraven jr. (1922), Rudy Kousbroek (1929), R.A. Cornets de Groot (1929), Wies van Groningen (1929), Loes Nobel (1931), Paula Gomes (1932), F. Springer (1932), Helga Ruebsamen (1935), Bouke B. Jagt (1944), Adriaan van Dis (1946), Nicolette Smabers (1948), Ernst Jansz (1948), Alfred Birney (1951), Marion Bloem (1952), Frans Lopulalan (1953), Theodor Holman (1953), Glenn Pennock (1953).

Een groot literair indocompendium. “Oost-Indische inkt” geeft geen representatief beeld van vierhonderd jaar Indië in de Nederlandse letteren. Maar zo’n boek wil het ook niet zijn. – Vrij Nederland

Een interessant boekwerk, waarin misschien niet de bloem van de Indische letteren is verzameld, maar waaruit wel in grote lijnen een niet altijd vrolijke geschiedenis van de Indische Nederlander valt af te lezen’ – NRC

Verhalen bijeen te garen over het zichtbare en duidelijke kolonialisme is in de Indische belletrie niet zo moeilijk, maar om verhalen te vinden waarin wordt aangetoond dat ook voor de Indo gold dat “dienstbaarheid zijn bestemming en machteloosheid zijn aard” zou zijn is veel moeilijker. Alfred Birney is daarin geslaagd, en met lof zou ik willen toevoegen. – Trouw

Een greep uit het boek op Literatuurplein.

Postkoloniale geschiedenis in Nederland

bosma-terug-uit-de-kolonien.jpg In het kielzog van Lizzy van Leeuwen met Ons Indisch erfgoed volgt Ulbe Bosma met Terug uit de koloniën. De eerste bood ons een uitgebreide blik op Indisch Nederland van na de Tweede Wereldoorlog tot op heden. Ulbe Bosma verdiept die periode door heel postkoloniaal Nederland onder de loep te nemen. Naast Indo’s komen Molukkers, Surinamers, Antillianen en Arubanen aan bod. Vergeleken met ex-koloniale mogendheden, zoals Engeland en Frankrijk, is het “postkoloniale debat” in Nederland nooit van de grond gekomen. Wij spreken liever van het “multiculturele drama” en zoomen dan in op de “arbeidsmigranten”. Bosma maakt wel uitstapjes naar die groep, maar blijft verder stevig bij de les. Met zijn brede kennis is het soms jongleren en koorddansen geblazen. Toch weet hij een interessant en hopelijk invloedrijk verhaal te maken van wat Nederland bij voorkeur onder het tapijt zou vegen.

Auteur: Ulbe Bosma
Titel: Terug uit de koloniën.
Paperback, aantal pagina’s 448 (met noten)
Uitgever: Bert Bakker
Prijs: €19,95

© 2009 Alfred Birney. Dit signalement verscheen eerder in de boekenbijlage van het Algemeen Dagblad op zaterdag 18 april 2009. Alleen de eerste 50 woorden van deze recensie mogen worden overgenomen, gevolgd door een link naar deze pagina.

Doch er is een drawback – 7

George Birnie en Conrad Busken Huet maken zich op om in september 1875 samen met hun gezinnen naar Europa terug te keren. Om een of andere reden gaat de gezamenlijke reis niet door. De dood van Potgieter snijdt, zoals Anne aan Sophie schrijft, bovendien de laatste fysieke band door die Busken Huet nog met Nederland heeft. De vriendschap tussen George Birnie en Busken Huet is een goeddeels zakelijke en de scheiding van het tweetal is nauwelijks pijnlijk te noemen. Busken Huet komt uiteindelijk in Parijs terecht, waar hij de laatste tien jaar van zijn leven zal slijten.

George Birnie heeft zijn huis in Batavia verkocht, gelegen aan de westkant van het Koningsplein, waar ook de familie Couperus, onder wie de latere schrijver Louis nog als jochie, van 1872 – 1878 woont. Het beheer van de onderneming in Djember wordt aan neef Gerhard David overgedragen en George vertrekt, dus zonder de Busken Huets, met Rabina naar Europa.

Om Rabina aan die andere wereld te laten wennen, trekken ze eerst naar Napels. Ze logeren er een maand of negen in Hotel de Russie aan de Corso Vittoria Emanuela nr. 8. De kinderen zitten, neem ik aan, dan bij hun tantes in Deventer.

‘Zeg Rabina,’ vraagt George op een dag, ‘wil je vanavond niet meegaan naar de Opera?’

‘Opera, opera, watte geven? Faust? Ouwe man met dikke boek (buik). Dank je hartelijk.’

George schreef in één van zijn brieven dat het bijna niet mogelijk is zich straffeloos te onttrekken aan het milieu waarin men geboren is, of waarin men later meer dan een halven menschenleeftijd heeft doorgebracht.

Het liefst was hij vanuit Italië linea recta terug naar Djember gegaan, maar het leek hem onvermijdelijk de familieonderneming vanuit Nederland te moeten gaan leiden. Uiteraard zag hij al voor zich dat hij een probleem zou krijgen met zijn vrouw in Nederland. De vraag waardóór dat probleem kon bestaan, hoeft onderhand niet meer gesteld worden. Racisme is natuurlijk niet langer incidenteel te noemen. Zo veel zijn we de laatste honderd jaar wel opgeschoten.

In de zomer van 1876 krijgt de bijna 32-jarige Rabina eindelijk het moederland van haar man te zien. Aanvankelijk wonen ze in Velp. In 1880 betrekken ze een door George aangekocht familiehuis aan de Brink te Deventer.

Zoals George met zijn baard een opvallende verschijning was in Djember, zo was Rabina dat nu in het Overijsselse. Bij een wandeling op De Brink in Deventer riep een straatjongen naar haar: ‘O, wat ben jij vies!’

‘Ik heb bruine huid,’ antwoordde Rabina, ‘maar heb gewassen. Ik niet vies, jij niet gewassen, jij vies.’

Een dergelijke scène zou niet hebben misstaan in het proza van Dé-lilah. Helaas heb ik zelfs in haar proza, dat 2000 bladzijden telt, geen voorbeeld kunnen vinden van hoe Javaanse vrouwen zich bewogen in burgerkringen in Nederland. En als je het al niet bij de volkomen onterecht vergeten Dé-lilah kunt vinden, dan vind je het waarschijnlijk verder nergens.

* * *

Bronnen:
Joop van den Berg: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza. Amsterdam: Uitgeverij De Buitenkant; Uitgelezen boeken, katern voor boekverkopers en boekenkopers, jrg. 6 nr. 2, juni 1996. Of, verkort, in Indische Letteren, 12e jaargang, nummer 2, juni 1997: Dé-lilah, een vergeten schrijfster van ruim 2000 pagina’s Indisch proza.

Elisabeth Birnie. De Birnies. Twello, 1992 (eigen beheer)

J.J.P. de Jong. De waaier van het fortuin. Den Haag, SDU: 1998

Olf Praamstra. Gezond verstand en goede smaak, de kritieken van Conrad Busken Huet. Amstelveen: 1991. Bij het ter perse gaan van dit nummer beschikte ik nog niet over de jongste biografie van Olf Praamstra over Conrad Busken Huet en ik kon dus nog niet nagaan of hij de onderhavige brief van Anne Busken Huet misschien (in zijn geheel) heeft geciteerd, wat overigens het geval is. De brief van Anne Busken Huet ontving ik in 2001 per e-mail van Olf Praamstra, de biograaf van Conrad Busken Huet.

* * *

© Dit artikel verscheen eerder in De Gids van mei 2007

Doch er is een drawback – 5

In Batavia resideerde ook Busken Huet, voormalig redacteur van De Gids onder E.J. Potgieter. Busken Huet was na enkele geruchtmakende publicaties uit de redactie van De Gids gestapt, gevolgd door een aan hem loyale Potgieter. Na publicatie van een te erotisch getinte roman had Busken Huet zijn dieptepunt in Nederland bereikt. Hij kwam in 1868 in Batavia aan en werd er journalist voor de Java-Bode. Daar ontwikkelde zich een nieuw schandaal. Zijn reis naar Nederlands-Indië bleek betaald te zijn door de Minister van Koloniën, die hij als tegenprestatie voor de regering in het moederland zou adviseren hoe de Indische pers het beste in toom kon worden gehouden. Toen in 1872 de Java-Bode van eigenaar veranderde, vond Busken Huet het tijd worden om een eigen dagblad te lanceren. Om financiële steun voor zijn krant te verwerven was hij afhankelijk van onder meer bankiers, suikerfabrikanten en rijke, conservatieve planters uit de Oosthoek van Java, die een liberale koloniale politiek schuwden.

Ook George Birnie was gebaat bij het voortbestaan van een behoudende krant en steunde Busken Huet dan ook met geld. In april 1873 verscheen het eerste nummer van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië. Busken Huet had in Batavia een fraai huis gekocht, waar zijn vrouw Anne de boel bestierde met meer dan tien personeelsleden. De man beschouwde het bezit van de Indische kolonie als zo’n beetje het enige waarom de rest van de wereld Nederland mocht benijden. Maar echt thuis voelen deed hij zich niet in Nederlands-Indië. Van maandag tot en met zaterdag reed hij met zijn koets om zeven uur ’s morgens naar het redactiebureau in de Bataviase benedenstad, om pas tegen zessen weer thuis te komen. De avonden vulde hij met het schrijven van artikelen en feuilletons voor zijn krant, en met lezen. Ook zijn vrouw Anne schreef feuilletons, wellicht als ghostwriter, dat zou moeten worden uitgezocht.

Het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië leek een succesvolle onderneming. Maar volgens Olf Praamstra, de biograaf van Busken Huet, is dat niet waar. Het bewijs hiervoor vond hij in de brieven die Busken Huet schreef aan George Birnie, waarin de literator een heel andere toon aanslaat dan in de brieven die hij aan zijn literaire bondgenoot E. J. Potgieter in Nederland stuurde. De brieven aan George Birnie staan bol van gebedel om geld, compleet met inkomstenstaatjes.

Het aantal abonnees van het Algemeen Dagblad van Nederlandsch-Indië was te laag om de krant draaiende te houden. Busken Huet zag bovendien geen kans te repatriëren naar Nederland, nu zijn zoon Gideon veertien jaar was en hij het hoognodig achtte dat die beter onderwijs ontving dan in Batavia voorhanden was. George Birnie vond dat deze criticus ook wel een beter lot verdiende dan de rest van zijn leven als journalist in Batavia te moeten slijten. Busken Huet wilde een rol gaan spelen in het politieke leven in Nederland en schreef, voor mij nogal verrassend, dat hij een einde aan de bourgeoisie wilde maken en met de oprichting van een landelijke organisatie van arbeiders een nieuwe stem aan de Nederlandse politiek wilde geven. George Birnie stemde ofwel met die plannen in, of had gewoon met de man te doen. Hij leende hem het geld om zijn schuldeisers af te kopen, zodat Busken Huet zijn zaken in Indië kon liquideren.

Ook George Birnie maakte zich op voor een terugkeer naar Nederland. Nu was het eenvoudiger om met een blanke vrouw terug te keren dan met een Javaanse. Dat spreekt overduidelijk uit een brief van Anne Busken Huet aan de zuster van E. J. Potgieter, kort na diens overlijden op 3 februari 1875. De brief volgt hier integraal.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007