Rivier de Lossie – fragment (2)

(2)

Op de eerste dag van mijn bedevaart reisde ik met de trein naar het vliegveld, waar ik als enige door de douane werd gefouilleerd. Er zaten alleen blanke mensen in het vliegtuig, Nederlanders en Schotten door elkaar, de meeste passagiers ongetwijfeld met nauwe familiebanden.

In Schotland aangekomen had ik geen last van de douane. Ik liet me met de eerste de beste taxi naar Aberdeen brengen. In de granieten stad nam ik het eerste het beste logement dat de taxichauffeur me voorstelde. Het was een huis dat zich in krapte en benauwdheid liet vergelijken met een ordinair Nederlands pension ergens in de provincie.

De gastvrouw nodigde me uit in de keuken en serveerde soep met brood. Ze schoof gemoedelijk bij me aan en stak een sigaret op terwijl ze me guitig mededeelde dat het in de overige vertrekken verboden was te roken.

Ik vond haar Hollands aandoen, ze sprak alleen in een andere taal. Misschien was het makkelijker de mensen voortaan maar te onderscheiden in Europeanen en Aziaten, bedacht ik, met mijzelf als Euraziatisch ertussenin.

Ze blies nonchalant een wolk sigarettenrook naar het gebarsten plafond. Net als ik, moest ze een jaar of veertig zijn. Ze zag er gezellig slonzig uit. Ik vroeg me af waar haar echtgenoot uithing, als ze die al had. Ze babbelde tegen me aan over haar dagelijks leven en klaagde over buitenlandse IT-ers die ze vaak in huis kreeg.

‘Ze bevlekken het beddengoed,’ zei ze, ‘en laten ranzige boekjes in de nachtkastjes achter.’

Daarop begon ze over de lasten van het leven, niet de materiële maar de spirituele. Reïncarnatie was volgens haar een troost en vloek tegelijk.

‘Jullie geloven daar toch ook in reïncarnatie, of niet?’

‘Ik weet het niet,’ zei ik, wars van zweverige gesprekken, die ik al te vaak had gevoerd. En ik vroeg me af wat ze bedoelde met ‘jullie daar’. Ze had mijn paspoortgegevens genoteerd en gezien dat ik uit Nederland kwam. Bedoelde ze ‘jullie daar in Nederland’ of ‘jullie Euraziaten’, mocht ze mij voor zo iemand houden? ‘Euraziaat’ was nog een puur Engelse term, die ze tot mijn spijt in Nederland niet gebruikten.

Nergens ter wereld was ik voor een Nederlander aangezien. Meestal voor een Indonesiër, een Indiaan of Maori. In Indonesië, waar komaf een nog grotere rol speelt dan in Nederland, was ik aangezien voor een Molukker, Menadonees of toch gewoon voor een Indo, wat daar weinig meer betekent dan dat je een lichte huidskleur hebt en veel op een acteur lijkt uit de een of andere film of televisieserie. Indonesiërs hebben er weinig weet van dat er een half miljoen Indo’s in Nederland rondlopen met een geschiedenis die teruggaat tot de beginjaren van de VOC. In de negentiende eeuw speelden Indo’s een grote rol in het amusementsleven in Nederlands-Indië, men zag ze veel op de toneel- en muziekpodia en ze zijn ook in het huidige Indonesië nooit van dat imago afgekomen. Dat was voor sommigen zo slecht nog niet, zolang ze de schoonheidsnorm wisten te halen. In Nederland kon Indo-etniciteit juist een hindernis zijn bij casting voor film of toneel, maar weer minder op de muziekpodia, al lagen ook daar beperkingen: een serieuze Surinaamse Country & Western-band, om maar wat te noemen, zou heel wat uit te leggen hebben.

‘Je hoeft denk ik niet iets te wéten om ergens in te geloven,’ poneerde de vrouw nog om het gesprek gaande te houden.

Maar ik zweeg, deed alsof ik vergeten was waar het over ging en boog me peinzend over mijn soepkom.
De vrouw liet het gesprek maar rusten, drukte haar sigarettenpeuk uit en ging de ruiten van de keukenkasten poetsen. Later, toen ik op bed lag te rusten, hoorde ik haar beneden zingen.

Wat zong ze? Was het iets in Gaelic? Waren haar ouders, haar grootouders, haar overgrootouders en allen die hun voorgingen in Schotland geboren? Was zij zo vast geworteld in dit land dat ze er eenvoudig geen weet van had? Dat was voor mij iets om jaloers op te kunnen worden.

Ook Indonesiërs vergeten niets

leger nederland contra indonesië Het nieuws wordt niet bijzonder breed uitgemeten. De NCRV komt met een reportage, maar het NOS journaal wordt niet gehaald. Googles standaard nieuwspagina maakt er ook geen gewag van. Uiteraard niet: Google filtert en displayed het meest gelezen nieuws. Het is ook geen goed idee om Googles standaard nieuwspagina als krant te gebruiken. Dit terzijde.

Ik hoorde het nieuws op BNR Nieuwsradio, terwijl ik stond te koken. Tien Indonesiërs hebben vandaag de Nederlandse staat officieel aansprakelijk gesteld voor de moord op hun familieleden. De moordpartij vond plaats tijdens de – ik haat deze term – Politionele Acties na de Tweede Wereldoorlog. Het is voor het eerst dat Indonesiërs officieel de Nederlandse staat aanklagen, volgens de Nederlandse advocaat van de Indonesiërs uit geldgebrek en onwetendheid over de mogelijkheden daartoe.

Eerst maar even naar die achterbakse term Politionele Acties. Ad van Liempt noemt die Een mooi woord voor oorlog in zijn gelijknamige boek, dat als ondertitel heeft Ruzie, roddel en achterdocht op weg naar de Indonesië-oorlog. Het boek verscheen bij de Sdu in 1995. Een search op Antiqbook geeft momenteel één tweedehands exemplaar. Verplichte kost voor onze nationale historicus Geert Mak.

Bij de tien Indonesiërs die de Nederlandse staat aanklagen, zit wellicht de vrouw Imih, die op 16 augustus jl. al een Nederlandse krant haalde met haar verhaal waarin haar man zich op de 9e december 1947 als vrouw vermomd zijn huisje verliet. Later werd ze wakker van geweerschoten. Haar man werd teruggevonden in een rijstveld, doodgeschoten door Nederlandse soldaten, die in het dorp Rawagede op zoek waren naar vrijheidsstrijders.

Hoe gaat deze zaak aflopen? Wat voor invloed zal ze krijgen op het beeld dat Indonesiërs van Nederlanders hebben? En andersom: hoe zal de gemiddelde Nederlander tegen deze zaak aankijken? Zal er überhaupt over worden nagedacht? Zouden onze geschiedenisboeken uiteindelijk toch nog herschreven worden? Dat gezeik over die hongerwinter weten we onderhand wel.

Beerput – verhaal in Archipel Magazine

Het zuiden van Nederland was nog niet bevrijd door de geallieerden of de slogan Indië verloren, rampspoed geboren galmde als een mantra in de Haagse regeringsgebouwen. De eerste scheepsladingen met mariniers, gerekruteerd in Brabant en Limburg, bleken niet voldoende en na een grondwetswijziging waren dienstplichtigen de klos. Onder die jongens bevond zich mijn oom Jan. ‘Ons Jan’, zo genoemd in het Helmondse, kwam tegen zijn zin als soldaat in de zelfgeproclameerde republiek Indonesië terecht, wendde direct na aankomst buikkrampen voor, misselijkheid, hoofdpijnen en een volslagen afkeer van de tropische hitte.

Mijn vader was een jaar of twintig toen hij in zijn geboorteplaats Soerabaja de pantserwagens van de geallieerden binnen zag rijden en zich als tolk aanbood. Nu, na de Japanse capitulatie, de Nederlanders het stokje van de geallieerden kwamen overnemen, trok hij op met de mariniers en voerde een oorlog die in onze geschiedenisboeken de Politionele Acties genoemd wordt. Koloniale inkt, kroontjespennen, simpel.

Nederlandse jongens speelden domme bijrollen in mijn vaders heldenverhalen, anders dan de Britse en Amerikaanse die hij had meegemaakt. Belanda’s staken een sigaret op in het pikkedonker met de vijand op een steenworp van ze vandaan. Dat soort dingen. Dorpjes platbranden viel niet onder de noemer heldenverhalen, dat was gewoon marinierswerk, er school geen romantiek in. Romantiek kwam pas tot leven wanneer werd besloten om een dorpje níet plat te branden.

Vrouwen, dat.

‘Niet doen, er zit een liefje van mij daar in die kampong.’

‘Hey, daar zit een meid die beweert een kind te hebben van een oom van me, ha ha! Die Belanda’s naaien ook maar raak hier. Mogen wij Indo’s dat dáár ook in Holland? Vreemd is het wel dat die Belanda’s hun vrouwen niet slaan. Hoor je dat? Die Belanda’s slaan hun vrouwen niet, in Holland slaan de vrouwen hun mannen, duh! Die meiden daar hebben haren op hun tanden, loh!’

Oost-Java, vage geschiedenissen alom, op elk niveau. Lijken dreven nooit lang in de kali, de krokodil zwom er nog. Tegen de tijd dat Politionele Actie numero 1 werd ondernomen, had onze lepe Jan de terugreis per schip al aanvaard, hij veegde zich de krokodillentranen van zijn snoet en floot schijnheilig deuntjes van heimwee door de patrijspoort van zijn scheepshut. Gezeten op een truck die hem naar de haven bracht had hij hilarisch zijn correspondentieboekje in de richting van een stel tolken geworpen. Mijn vader had het opgevangen en koesterde het als een juweel. Limbo’s en Brabo’s zwaaiden vaker vlijtig met hun correspondentieboekjes. Er stonden portretten in van bekoorlijke Nederlandse meisjes: godinnen in de ogen van elke Indo.

Mijn vader had de pech Adolf te heten, maar ook het geluk in een land te wonen waar bijnamen belangrijker zijn dan geboortenamen. Hij werd Do genoemd, soms Dodo. Mooie Do kreeg drie correspondentievriendinnetjes: een hoogopgeleide Amsterdamse dame die zich liet fotograferen op een hemelreikende trap in een chique studio, een dame uit de Haagse middenstand poserend met parasol voor het Kurhaus en dan nog een vrolijk lachend kamerolifantje uit het Brabantse Helmond, zeg maar het Kediri van Nederland.

De Amsterdamse schreef haar vlekkeloze brieven in schoonschrift met groene inkt en bestrikte haar enveloppen met paarse lintjes. De Haagse gebruikte een schrijfmachine waarvan de e en de o versleten waren. Daar stond tegenover dat ze naar eigen zeggen zeer hoge snelheden tot wel 200 aanslagen per minuut haalde. Do was daar eigenlijk wel jaloers op. Alsof het niet genoeg was wat zijn elegante vingers op de papierrol hamerden van wat Indonesische verzetsstrijders uitschreeuwden onder de martelingen van de Nederlanders.

Do maakte deel uit van een drietal tolken. Hij sprak en schreef Nederlands, Engels, Frans, Duits, Hoog-Javaans, Midden-Javaans, Laag-Javaans, Madoerees, Soendanees, Pidgin-Chinees, Kantonees, Japans, een beetje Arabisch en natuurlijk Maleis, de voertaal in de kustgebieden van de archipel. Het Helmondse kamerolifantje was erg onder de indruk van Do’s Nederlands. Andersom verbaasde hij zich over haar kinderlijke schrift, idiote interpunctie en onnozele mededelingen. Maar ze had een paar zusters, van wie de leukste serieus uit was op een knappe tropenjongen. Ze dicteerde haar oudste zus, het kamerolifantje, dat ze ‘als boter zo geyl is van je augen’.

‘Dat is geen Nederlands,’ grijnsde een marinier naast hem op een pantserwagen. Een ogenblik later reed mooie Do tijdens Politionele Actie numero 1 op een landmijn en tuimelde tachtig meter een ravijn in. Tot zijn leedwezen kon hij vanwege verwondingen aan zijn rug niet aan Politionele Actie numero 2 meedoen. Hij verbleef een poos in de Willemsoordkazerne. Hij ging wel eens op stap, totdat hij vaker en vaker zijn naam op de wind voorbij hoorde komen, die was opgestoken in de achtertuin van Soekarno. Zijn naam stond op de zwarte lijst. De strijd was beslecht, voor Do verloren, de dekolonisatie kon beginnen. Het ene na het andere schip vol militairen of burgers vertrok richting Holland. Mooie Do kreeg het bevel permanent binnen de muren van de kazerne te blijven. Hij zou hulp krijgen van een schimmige Nederlandse kapitein, zonder wiens netwerk hij nooit zijn land had kunnen ontvluchten, waar zijn toekomst in de maag van een krokodil lag.

Daags voor zijn vertrek nam hij tijdens de stille en minder onveilige middaguren afscheid van zijn moeder, de kokkin en de huisbediende. Alle anderen waren afwezig. In de avond sloop hij de kazerne uit met Ben, een Ambonese vriend, die een goede Chinees wist aan de Embong Malang. Volgens Ben was het varkensvlees bij die Chinees het beste van de stad en wellicht van heel Oost-Java, zo niet van het hele eiland. Hij kende ook het geheim van de Chinees, maar wilde dat niet zeggen. Hij liet alleen maar een hilarisch gegrinnik horen.

‘Ik kom er toch wel achter,’ zei Do, ‘ik kom overal achter, dat wéét je.’

Do doelde op de ondervragingstactieken die hij kende om Indonesische gevangenen aan het praten te krijgen. Een lange bootreis wachtte beiden. Hij had dan alle tijd Ben aan het praten te krijgen.

* * *

U bent op ongeveer eenderde van Alfred Birney’s verhaal Beerput. Verder lezen? Click hier voor het nemen van een abonnement of het aanvragen van een proefnummer van Archipel Magazine. Of hol naar een goede boekwinkel of kiosk. Geen idee waar in uw woonplaats? Vraag het Archipel Magazine per e-mail.

Van oude gewoonten, de verwarring die niet voorbijgaat

alfred birney op podium

De Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA) heeft een auto gestuurd om mij van huis te halen en weer terug te brengen. Mijn chauffeuse ziet er goed uit, rijdt swingend en is een onderhoudend gesprekspartner. Ze oriënteert zich als antropologe op de gevolgen voor Nederlandse soldaten buitengaats die een kameraad verliezen. Maakt dat verlies ze terughoudender of juist wraakzuchtig? Interessante vraag. Ik maak haar attent op mijn roman De onschuld van een vis (1995), die de verregaande gevolgen beschrijft van de oorlog die Nederland in Indonesië voerde.

Ik bereid me niet meer voor op lezingen. Ik beklim het podium en zie wel. Mijn leerschool kreeg ik in Indonesië tijdens mijn promotournees, waartussen onverwachte gastcolleges en optredens werden gewurmd. Er is wel een groot verschil tussen de podia daar en hier. Aan de overkant heeft het publiek een helderder beeld van de koloniale geschiedenis dan hier. Dat is niet verwonderlijk, want het waren de Nederlanders die kwamen, zagen, overwonnen, verloren en weer gingen.

Jonge Indonesiërs zeggen graag dat ze niet weten waar Nederland ligt en dat het hun ook helemaal niet interesseert, maar ze kennen wél allemaal de speelfilms waarin de vrijheidsstrijd jegens de ‘belanda’s’ wordt opgerakeld, zoals Nederlanders die kennen met hun wrok jegens de ‘moffen’. Suffe Nederlandse toeristen krijgen soms te horen dat het leven in de koloniale tijd beter was en dat Indonesiërs zelfs zouden wensen dat ze weer terugkwamen. Het is bespottelijk dat er nu nog Nederlanders zijn die deze beleefdheidsuiting serieus nemen. Ik trof er zelfs eentje tijdens de workshop in Felix Merites, Amsterdam, waar de chauffeuse me had afgezet.

Ik moest er een discussie inluiden met voorlezen uit eigen werk. Ik was het podium nog niet af of ik kreeg in de gaten dat er drie partijen waren en ik mijn positie als Indo weer eens moest gaan verdedigen in een zaal waarin het wemelde van mensen die een of andere gesubsidieerde club vertegenwoordigen en dus meer belang dan belangstelling hebben.

Onder het motto dare2connect was een dag georganiseerd die in het teken stond van culturele uitwisselingen tussen Nederland en Indonesië. Nou is dat een hels karwei – je zou er een volle week voor moeten uittrekken -vooral als je zo volledig mogelijk wilt zijn. Literatuur, film, architectuur, godsdienst, de koloniale geschiedenis… bijna alles wat je kunt bedenken kwam in drie simultane workshops aan de orde.

Ikzelf was ingedeeld bij de workshop Nederlandse cultuurmakers met Indonesische roots. Uiteraard mag je dan een flink percentage Indo’s in de zaal verwachten. Hetgeen een Nederlander deed verzuchten waarom de Indo weer zo nodig centraal moest worden gesteld. Ja, dat krijg je als je een Indo de workshop laat openen met een verhaal over Indisch leven in Nederland. De klacht van de man amuseerde me wel, het is immers altijd zo dat Nederlanders en Indonesiërs centraal worden gesteld en de Indo er maar tussen bengelt.

Op een vraag van de gespreksleidster leek het me interessant te melden dat ik als schrijver vóór 9/11 geen scepsis ontmoette in Indonesië. Na die vervloekte datum werd ik argwanender tegemoet getreden, er was een mondiale godsdienstoorlog uitgebarsten en ik werd de kant van de christenen op geduwd.

Een Nederlander ervoer mijn relaas als een aanval op de Indonesiërs en meende voor hen in de bres te moeten springen. Kan het neokolonialer? Hij verklaarde dat de Indonesiërs na de aardbeving verleden jaar heel vriendelijk waren toen hij met een stel collega’s in Yogyakarta, waar ze op tournee waren, als vrijwilliger meehielp een provisorische brug te bouwen. Ik vond die anekdote zo onnozel dat ik hem dat liet voelen. Gelukkig deed hij het verdere uur zijn mond niet meer open. Dat kwam niet alleen door mij. Een Indonesisch kunstenaar verklaarde namelijk ijskoud dat Indonesiërs slechts geïnteresseerd zijn in landen waar ze kunnen studeren, werken of hun kunsten kunnen vertonen. Duitsland, België en Frankrijk stellen zich gastvrijer op dan Nederland.

Ondanks allerlei goedbedoelde pogingen een brug te slaan tussen Nederland en Indonesië, al is het maar cultureel, lijkt de afstand tussen beide landen alleen maar groter te worden. Dat ligt in de eerste plaats aan de beroerde kennis van de gemiddelde Nederlander van zijn koloniale geschiedenis en zijn visie erop. Als een halve eeuw na de dekolonisatie nog altijd de termen Indisch, Indo en Indonesisch door elkaar worden gehaald, weet men dan eigenlijk wel waarover het gaat? In het verslag van dare2connect word ik bijvoorbeeld een Indonesiër met gemengd bloed genoemd. Toegegeven, zo Indonesisch als op de foto van die dag heb ik er inderdaad nooit eerder uitgezien.

© 2007 Alfred Birney
Archipel Magazine, herfstnummer 2007

Fietsen is ongezonder dan autorijden

logo alfred birney Het werd eens tijd dat we het te horen kregen: volgens een vers rapport van de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) overlijden jaarlijks 21.000 Nederlanders in eigen land als gevolg van het slechte milieu. Er sterven meer mensen aan luchtverontreiniging hier dan in onze buurlanden, dus ook meer dan in Duitsland met dat afschuwelijke Ruhrgebied. Er wordt nogal wat nadruk gelegd op het schadelijke fijnstof, alsof de autolobby erop aangedrongen heeft. Veertien procent van alle sterfgevallen in ons land staat in relatie tot het slechte milieu. Als direct gevolg van de luchtvervuiling sterven in Nederland jaarlijks 3600 mensen. Dat zijn er zo’n tien per dag. Het slechte milieu zorgt voor onder meer hart- en vaatziekten, kanker en aandoeningen aan de luchtwegen. En wij maar hysterisch doen over rookvrije zones, werkplekken en cafés. Uiteraard reageren organisaties als Milieudefensie en Stichting Natuur en Milieu geschokt op de jongste cijfers. Hun woordvoerders stappen in hun auto’s om naar weer een volgende vergadering te rijden, waar men leutert over verplichte roetfilters op vervuilende auto’s, alsof er auto’s bestaan die niet vervuilen. Persoonlijk vind ik nieuwe auto’s viezer ruiken dan oude. Als fietser hang ik nogal eens achter die uitlaatpijpen. Oude auto’s ruiken gewoon naar uitlaatgassen. Bij nieuwe auto’s is het alsof ze niet alleen benzine maar ook plastic verbranden. Intussen is in Arnhem een proef gestart naar de hoeveelheid schadelijke stoffen die verkeersdeelnemers inademen. Men laat mensen op de fiets naar het werk gaan en meet dan de gesteldheid van de luchtwegen. Er wordt beweerd dat nog niet eerder zo uitgebreid is onderzocht welke verkeersdeelnemers het meeste last hebben van luchtverontreiniging. Dat is een leugen. Er zijn allang uitgebreide metingen verricht, al heel lang. Uit welingelichte bronnen weet ik dat de rapporten klaar liggen op de ministeries. Belangrijkste conclusie: fietsen is ongezonder dan autorijden. Ik word gewoon langzaam vermoord. Maar er zal geen enkele maatregel volgen op welk rapport dan ook. Daarvoor zijn de mensen gewoon te dom.

Omtrent racisme

logo alfred birney Een vloedgolf van discussies over racisme naar aanleiding van de moord op meer dan 30 studenten en een leraar op de Virginia Tech university kon niet uitblijven toen bekend werd dat de dader van Zuid-Koreaanse komaf was. Op een willekeurig weblog (dode link) van een studente komt een stoorzender langs met, vrijuit vertaald, het volgende:

“Wat een zielig stelletje zijn jullie, om van te kotsen. Ik heb in Korea en Japan gewoond en die landen zijn zo’n beetje de meest racistische waar ik ooit was. Kinderen die half Koreaans zijn worden als honden behandeld en zijn de eersten die van school getrapt worden. In Amerika heb ik vaak genoeg Koreaanse kinderen horen roepen naar Filippino’s dat zij de ‘nikkers van Azië’ zijn. Wij zijn de besten en de rest sucks. Dat is toch echt een cultuur die racisme en haat uitbroedt.”

Hij heeft een punt, deze woesteling, maar ook niet meer dan dat. Racisme is inderdaad niet voorbehouden aan blanken, het komt zo’n beetje overal ter wereld voor. Een weldenkende Koreaan die dat toegeeft is niet moeilijk te vinden. Het begrip racisme kent overigens vele in- en uitgangen, zoals ‘vooroordelen’, ‘vreemdelingenhaat’ enzovoort. Ikzelf heb in Indonesië gezien dat Chinezen van de 7e (zevende!) generatie nog aparte bewijzen moeten overleggen bij diverse officiële loketten, waar Javanen dat helemaal niet hoeven. Dit gedoe bestond al tijdens de kolonisatie van de Nederlanders, die ooit apartheid in wetten waren gaan vastleggen. Nou kun je minderheden over de hele wereld wel verwijten dat ze lange tenen hebben en zelf ook discrimineren, maar intussen hebben blanken de luxe nooit en masse in de verdediging te worden gedwongen. Hoe zou dát nou komen?

Bevolkingbeperking

hat logo meneer b BNR-radio meldde gisteren dat hart- en vaatziekten van de topnotering op de hitlijst der doodsoorzaken zijn verdreven door kanker. De BNR-radiodokter liet zich hier vervolgens nogal sceptisch over uit, aangezien Nederlanders allengs de wanstaltigheid der Amerikaantjes overnemen door overdoses aan junkfood. Hart- en vaatziekten nemen niet af, maar zijn tegenwoordig wat makkelijker te genezen. Het is dus opvallend dat zorgverzekeraars, in navolging van het kabinetsbeleid, het gebruik van goedkopere cholesterolverlagers wensen. Het hoofd van het onderzoeksinstituut meldde overigens dat veel patiënten op eigen houtje binnen enkele jaren na een hartinfarct stoppen met het innemen van cholesterolverlagers. Hier kan ik me wel iets bij voorstellen. Mijn cholesterolwaarden waren goed, zijn goed en blijven goed want ik weet wat ik eet. Toch moet ik die medicijnen slikken, die wie weet straks uit Rusland komen met minuscule druppeltjes polonium. Het hoofd van het onderzoeksinstituut noemt het weinig slim van de overheid om niet na te gaan of de goedkope cholesterolverlagers wel het juiste effect hebben bij patiënten. Nieuwe typen medicijnen, weliswaar duurder, werken bij veel patiënten beter. Volgens mij doet de overheid gewoon aan een gluiperige vorm van bevolkingbeperking. Volgens een ervaringsdeskundige uit mijn omgeving bestaat er een maximum aantal behandelingen per jaar. Al staan er operatiekamers leeg en cardiologen te springen om te mogen opereren, het getal regeert. Ook de ernst van iemands hartklachten heeft geen invloed op de wachtlijsten, tenzij de sirenes loeien. En tenzij je natuurlijk een bekend politicus bent, onverschillig eentje die het oprotbeleid dan wel de solidariteit predikt.

Vergankelijkheid

hat logo meneer b De zomer was kort, heet. De zomer is een herinnering nu. Mijn lichaam houdt van warmte, hitte zelfs, maar misschien is ook dat een herinnering straks. Ik was maar één keer op het strand, met mijn zoon en een vriendje van hem, en fietsend op de terugweg stortte ik in, kwam amper nog vooruit. Ik had me te druk gemaakt om het gedrag van de jongens op het strand. Ik heb er de fut niet meer voor op een stel van die snotneuzen te letten. Had ik mezelf overschat? Welnee. Een door mijn cardioloog verordonneerde fietstest gaf een afwijking aan de kransslagader te zien. Hij was ondanks de goede waarden in mijn bloed, altijd achterdochtig gebleven. Nu had hij eindelijk iets gevonden waarmee hij het team in het concurrerende ziekenhuis – want dat zijn ze hier in Holland: concurrenten – kon overtuigen van de noodzaak mij nogmaals op de behandeltafel terug te zien. Doet me deugd, al blijft het knarsetanden met dat getreuzel van ze, reden waarom veel Nederlanders hun heil in Belgische ziekenhuizen zoeken. Het is een kwestie van wachten nu: twee, drie, vier, vijf weken. Misschien zal ik dan een nieuw hoofdstuk aan een roman-in-wording hebben toegevoegd. Ik ben weer een beetje gaan geloven in fictie, ja. Nooit gedacht, nee. Waar ik niet in geloof, is een commercieel succes. Mijn ambitie is een andere. Helaas gedragen uitgevers zich aldoor vaker als speculanten, en hun redacteuren zich als managers. Het publiek begrijpt dat. Kunst moet lonen. Wie wil zulk publiek?

Krant van gisteren

hat logo meneer b Ik heb mijn boekenkast nog altijd niet opgeruimd, mijn boeken staan niet op alfabetische volgorde naar auteur. Nu kan ik Robert Vernooy niet vinden. Ik denk dat het om De tijd van de gesel gaat, waarin het ethische vraagstuk aan de orde komt van zelfmoord als daad van solidariteit aan de anderen. Ik herinner me de thriller nauwelijks, wél dat mijn collega zich enorm over dit soort vraagstukken kon opwinden. De laatste keer dat ik hem zag en sprak was tijdens een boekpresentatie in Amsterdam, een jaar of tien geleden, waarbij wij met vier andere auteurs tegelijk het podium beklommen. Ik moest aan hem denken toen ik in de krant van gisteren een bericht las over een zelfmoordkliniek in Zwitserland, die zeer in trek is bij Nederlanders. In Nederland heeft men tegenwoordig de mogelijkheid om een ernstig zieke de laatste dagen van zijn leven in een zeer diepe slaap te brengen voordat de dood intreedt. Men spreekt dan niet van euthanasie maar van palliatieve sedatie. Deze omzeiling van de euthanasiewet wordt door een groeiende groep Nederlanders als onbevredigend ervaren, reden waarom men afreist naar Dignitas in Zwitserland. Leden die aan allerlei voorwaarden voldoen, kunnen daar barbituraat als drankje krijgen, een narcosemiddel dat niet voor narcosen wordt gebruikt omdat het daarvoor te gevaarlijk is. Zwitserland krijgt thans problemen met het imago rond sterftoerisme. Toch voorzie ik geen verbod op, veeleer een toename van dit soort klinieken. En het bijkans verplichte sterven, later, wanneer je de samenleving te veel geld gaat kosten.

Het buigsyndroom

logo alfred birney Rudy Kousbroek merkte eens op dat veel frustraties van Europeanen ten opzichte van de Japanners terug te voeren waren, of zouden kunnen zijn, op een diepgeworteld racisme. Ik weet niet meer waar ik dat las, hoogstwaarschijnlijk in Het Oostindisch kampsyndroom (Amsterdam, Meulenhoff: 1992). Irritant tot zeer hinderlijk in de verhalen van Europeanen, en van Indo’s, was het aldoor weer moeten aanhoren hoe men telkens moest buigen wanneer er een ‘Jap’ voorbij kwam. Er is zelfs een Indische vereniging die er haar logo mee versiert.

‘Jap’ was in ‘Indië’ zoiets hier in ‘Holland’ ‘Mof’ was. De term ‘Jap’ heeft het tot de dag van vandaag uitgehouden, langer nog dan ‘Mof’. Zou dat nou komen doordat men hier niet voor de ‘Mof’ hoefde te buigen, maar hooguit had te salueren?

Anyway, vandaag is het 15 augustus: de dag waarop ‘Indisch Nederland’ de capitulatie van Japan herdenkt. Dat geschiedt jaarlijks bij het Indisch Monument bij de waterpartij in Den Haag. Ik ben er nooit bij geweest, ik houd niet van oude Indo’s in uniformen die als malloten nog altijd salueren voor Vorst en Vaderland. En zij houden niet van mij, want ik wordt door die ouwe lui voor zoiets als een ‘linkse Indo’ gehouden.

Er is altijd veel gedoe geweest over de precieze onafhankelijkheidsdatum van Indonesia. De Indonesiërs houden het op 17 augustus, dat doen ze al 60 jaar. Nu dan heeft onze minister van Buitenlandse Zaken in naam van Nederland ‘politiek en moreel’ de datum van 17 augustus 1945 geaccepteerd als de dag van de onafhankelijkheid. Gelul natuurlijk, want we hebben het hier over een onafhankelijkheidsverklaring. De grootste ellende moest toen nog gaan beginnen. Zoals: de oorlog van Nederland tegen Indonesia onder de noemer van ‘Politionele Acties’. Over de verschrikkelijke Bersiap zal ik het maar niet hebben, want dat zegt de gemiddelde Hollander toch geen moer. Die komen toch weinig verder dan hun Hongerwinter van 1944, waarin ze suikerbieten moesten vreten, als ze die al krijgen konden.

De onafhankelijkheidsdatum van Indonesia viel totnogtoe in Nederlandse ogen gelijk aan de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949. Valt wat voor te zeggen natuurlijk. Ik bedoel een handtekening is een handtekening. Maar principieel hadden de Indonesiërs, althans in mijn ogen, gelijk. Zij waren gekoloniseerd geweest, hadden zich vrijgevochten, dus het was aan hen te bepalen welke dag zij als de dag van hun onafhankelijkheid beschouwden.

Dat hele gedoe, die discussie, heeft dus 60 jaar geduurd. Nu zo’n beetje alle Indische Nederlanders onder de groene zoden liggen, is het hier te lande allemaal wat eenvoudiger om als zijnde minister van BZ het laken alsnog recht te trekken. Maar… doe het dan goed.

Dat de minister himself in ‘Indië’ is geboren, doet er niet toe. Dat geeft hem niet méér recht een besluit als deze uit te voeren dan, zeg, een minister uit het Gooi. Hoe het met zijn kennis van de geschiedenis is gesteld zou ik niet weten, want de Haagsche Courant, waar ik momenteel mijn laatste weken als columnist doormaak, of moet doorstaan, vergeet soms ook maar om quotes af te sluiten. De HC, met de zeis van het AD voor het aangezicht, meldt op haar sterfbed:

De strijd in Nederlands-Indië tussen 1945 en 1949 heeft volgens schattingen aan 150.000 Indiërs en 6000 Nederlanders het leven gekost.

Wat zijn Indiërs? Weet u het? Die versleten term van een eeuw terug is door die sufkous van onze huidige Volksgeschiedschrijver Geert Mak van stal gehaald voor dat vod van zijn boek hem, getiteld De eeuw van mijn vader (Amsterdam, Atlas: 1999). Je moet er toch niet aan denken dat we het daar nog een eeuw mee moeten doen, wah? Enfin, onder Indiërs wordt verstaan Indo’s, als ik het allemaal wel heb, en onder Nederlanders wordt verstaan alles wat Nederlands onderdaan was, dus ook Indo’s.

Over de Romusha’s, Indonesische dwangarbeiders voor de Japanse bezetter, wordt al helemaal met geen woord gerept. Schattingen lopen uiteen van 200.000 tot liefst 2.000.000 slachtoffers onder deze arme jongens. En dan tellen we de gedode Indonesische vrijheidsstrijders nog maar even niet mee, want dat is hun pakkie an.

Het zal nooit wat worden met de geschiedschrijving van Nederland overzee. Nooit ofte nimmer. ‘Het wachten is nu op de Japanners’ (ook al kampioenen in het achterhouden van de feiten in hun schoolboeken). Deze hoop wordt althans gekoesterd door De Stichting Herdenking 15 augustus 1945, die vermoedt dat de tijd voor de Japanners nu ook wel begint te rijpen om met nieuwe spijtbetuigingen te komen inzake hun rol tijdens WO-II in de Archipel.

Niettemin blijft men een stok nodig hebben om een hond mee te kunnen slaan. De nieuwe honden in deze onzalige geschiedenis zijn de Koreanen. ‘Want die waren nog veel en veel erger dan de Japanners’, zo luidt het grote cliché van de laatste jaren. Dus ja, de Haagsche Courant gaat braaf daarin mee door op de voorpagina een spotprent af te drukken van een Koreaanse kampbewaker voor wie een blanke moeder met haar kind moet buigen. Raak je je oude vijand kwijt, dan vind je in no time wel weer een nieuwe.

Zie de mens.