Rivier de IJssel

Alfred Birney Rivier de IJssel
Rivier de IJssel
Novelle
Haarlem, Knipscheer Publishers, 2010
Hardcover, ingenaaid, met flappen, 112 blz
Cover Sabrina Luthjens
Bestel: online of bij de reguliere boekhandel.
ISBN 978-90-6265-650-9
Prijs: €16,50

Een muzikant hoopt op een wilde nacht met een zangeres die hij moet begeleiden. Maar er is een derde in het spel: een dubbelganger die hem een vervreemdend gevoel geeft over zijn afkomst en een grote kennis van het Nederlands koloniale geschiedenis aan de dag legt. De muzikant krijgt het idee te moeten kiezen tussen de liefde en zijn zucht naar historische kennis. Wellicht zal hij zijn vaders motieven leren doorgronden: een politiek vluchteling onder de vlag van Nederland anno 1950. Met dit boek toont de schrijver dat migratie geen eenrichtingsverkeer is en dat racisme overal op de loer ligt. Rivier de IJssel is geschreven door iemand die weet hoe het voelt te leven in een land waar de mensen jou vertrouwd zijn maar jij hun niet.

Rivier de IJssel is Alfred Birney’s follow up van het geroemde Rivier de Lossie, maar kan ook zelfstandig, of in omgekeerde volgorde gelezen worden.

Schitterend geschreven novelle… Arnhem aan Zee.

Chapeau voor de auteur die zijn familiegeschiedenis weet te overstijgen en een universeel verhaal neerzet. Den Haag Centraal.

Birney heeft een heldere stijl van schrijven die erg plezierig aandoet. – NBD/Biblion.

Belgisch publiek

ernst-jansz-antwerpen.jpg Mijn uitgever pikte me tegen de avond op voor een ritje naar Antwerpen, district Borgerhout. Theater De Roma stamt uit 1928, in Antwerpen breken ze de boel niet zo snel af als in Den Haag.

Het publiek kwam bedaard aangelopen voor een voorstelling van Ernst Jansz in het kader van zijn Bob Dylan-tournee. Iemand sprak van een typisch Dylan-publiek, maar het was niet zo dat je alleen maar oude hippies zag. Ook mensen die nog geboren moesten worden toen Dylan The Times They Are A-Changing zong waren aanwezig. Ik ving gesprekken op over antizwaartekracht en zwarte gaten, onderwerpen die Dylan volgens mij tot nog toe altijd links heeft laten liggen. Enfin, het was in elk geval geen publiek dat zich dagelijks vermaakt met televisie kijken, chatten op MSN en meer van dat. De dames zagen er goed Belgisch uit, iets tussen Amsterdam en Parijs in. Jansz betrad kalm het podium, een tikje blasé gewend als hij is aan de enorme aandacht die hem in zijn muzikantenbestaan ten deel is gevallen. Hij lichtte zijn vertalingen van Dylan’s songteksten toe en werd bijgestaan door Guus Paat, een goede slide- en hawaiian-muzikant. Opvallend was de keuze van de liedjes.

Mijn voorkeur gaat uit naar Dylan’s verhalen, zoals Tangled up in blue en Lily, Rosemary And The Jack Of Hearts. Jansz heeft een voorliefde voor Dylan’s liefdesliedjes, zoals Tomorrow Is A Long Time en Just Like A Woman. Uitstapjes naar zijn eigen leven laten zien dat hij in zijn nieuwsgierigheid naar Dylan’s liefdesleven ook op zoek is naar zichzelf.

Het publiek was muisstil, zo anders dan in Nederland. Ik sprak daarover met een vrouw achter het buffet. Ze was het ermee eens dat het Belgische publiek beschaafder is dan het Nederlandse. Maar, zo zei ze, Hollanders kunnen zich meer laten gaan en enthousiasme tentoonspreiden. Dat vond ze ook wel wat hebben. Onderweg terug naar Nederland zei mijn uitgever ook zoiets. Belgen applaudisseren beschaafd, fluiten je niet uit als ze je optreden niet goed vinden. Maar een artiest terugklappen doen ze ook niet zo snel en staande ovaties krijg je toch eerder in Nederland dan in België.

Misschien zouden Nederlanders wel wat Vlaamser willen zijn en Vlamingen wat Nederlandser. Een dergelijk ideaalbeeld van elkaar, naast het gebruikelijke gezeur, is nog altijd beter dan complete bevolkingsgroepen stigmatiseren of zelfs de grens zetten.

Frankrijk zet Roma over de grens, Finland volgt… Houden ze niet van Roma-muziek of zo?

Ik ga nog even terug naar de gezellige straat waaraan het theater De Roma ligt. Het was rond middernacht. Ernst Jansz stond nog wat boeken te signeren en mijn uitgever laadde de bus met al wat een standhouder nodig heeft. Ik had het koud, had nauwelijks gegeten en zag aan de overkant een snackbar van Noord-Afrikanen. Ik stak over en ging er naar binnen. In de vitrine lagen niet alleen de gebruikelijk kip en shoarma, nee de helft was gevuld met zeebaars, sardines, garnalen, zwaardvis en wonderlijke groenten. Ik bestelde een broodje met vis en kreeg een enorme gevulde kano met de lengte van een ovalen dekschaal voorgezet. Frites erbij, saus en sla en een glas muntthee voor nog geen 5 euro. Ik vroeg aan de barjongens of ze uit Tunesië kwamen. Nee, het waren Marokkanen. Toen ze hoorden dat ik uit Den Haag kwam, vroegen ze of er Marokkanen in Den Haag zaten. Ja, zei ik, 30.000. Ze keken me verbaasd aan. Zóveel? Ik moest lachen, ze dachten dat ik ze in de maling nam. Gelukkig begonnen we niet over racisme, dat is onderhand zo’n heilloos gedoe. Intussen zag ik alleen maar Noord-Afrikanen de zaak binnenkomen. Geen Belg te bekennen.

Alfred Birney Wintertuinfestival Nijmegen

wintertuin festival 2010 Op zaterdag 27 november organiseert Literair Productiehuis Wintertuin in samenwerking met Stichting Muhabbat een speciaal avondprogramma binnen het Wintertuinfestival: Bandoeng aan de Waal.

Auteur Alfred Birney, journaliste en schrijfster Eveline Stoel en hoogleraar Wim Willems zullen onder leiding van Wim Brands de rol van het Indisch literair erfgoed binnen de Nederlandse letteren onderzoeken. De avond wordt ingeleid door cultureel antropologe Lizzy van Leeuwen.

Centraal staat een debat over de Indische traditie binnen de Nederlandse letteren: de problemen bij de representatie ervan op terreinen als de postkoloniale identiteitsvorming, de cultuuroverdracht en het levend houden van de herinnering (tempo doeloe). De vorm van het debat is vergelijkbaar met het wekelijks tv actualiteitenprogramma Buitenhof, want podia moeten commercieel zijn en menen zich daarom dan ook aan dat afgrijselijke medium te moeten spiegelen. Gelukkig kijk ik geen teevee dus ik heb geen idee hoe ik me op het podium televisieachtig zou moeten gedragen.

Gespreksleider is Wim Brands. Projecttleider is drs. Peter van den Vrijhoef

TEL: 024-3230975 (Muhabbat)06-53553757 (privé)
Datum / tijd: 27 november 2010 (21.30 uur)
Plaats / locatie: De Lindenberg in Nijmegen

Die eeuwige oorlog

logo alfred birney weblog Nu de meerderheid van de eerste generatie Indische mensen van de aardbodem is verdwenen, beginnen hun nazaten zich roeren in (veelal zelfuitgegeven) memoires en geschriften. Er zitten flink wat mensen bij die een (blanke) vader hadden, die al de oorlog in werden ingestuurd (de zogenoemde Politionele Acties in Indonesië: “Een mooi woord voor oorlog” volgens Ad van Liempt) voordat Nederland helemaal bevrijd was geworden door de geallieerden.

Soms neemt iemand contact met me op, met de vraag of ik kan helpen bij het uitrafelen van allerlei oorlogstoestanden in Indië/ Indonesië. De laatste tijd reageer ik veelal narrig dat ik niets meer met die vervloekte oorlog te maken wil hebben. Ikzelf ben, of liever gezegd was, meer geïnteresseerd in de ervaringen van kinderen van ouders met een oorlogstrauma: de gekte die kinderen overgedragen kregen. Het beste voorbeeld daarvan is mijn roman De onschuld van een vis (1995), herdrukt in Indische gezichten.

Fictie is voor mij een bevredigender manier om de nasleep van een oorlog te tonen dan non-fictie. Ik geloof niet zo in non-fictie. Ik geloof dat zodra je de pen oppakt je de geschiedenis al begint te kleuren. Er zijn acht familieleden van mij door de Japanse bezetters de dood ingejaagd. Als fictieschrijver zoek ik naar de kern van oorlog en volg dan liever één persoon die de dood in wordt gejaagd dan acht personen. Mijn vader schreef zijn oorlogservaringen neer gedurende de dertien jaar waarin ik met hem leefde. Ik hoorde elke avond die ratelende schrijfmachine. Eenmaal uit huis weggehaald door de kinderbescherming en geplaatst in een internaat hoorde ik die dominante schrijfmachine niet meer. De oorlog in Indië raakte op de achtergrond.

Later, toen ik een grote jongen was en ik mijn vader regelmatig bezocht, vroeg ik om verhalen over zijn jeugd van vóór de oorlog. Kortom: de Tjalie Robinson stuff. Dan begonnen de verhalen over de jacht, goena-goena en mooie Chinese meisjes, maar die mooie vertellingen gingen naadloos en in no time over in die afschuwelijke verhalen over de oorlog. En weer later kreeg ik te maken met Indische instanties die zich via allerlei invalshoeken met de oorlog bezighielden. Toen mijn vader stierf in 2005 kreeg ik een klap. Er viel iets weg. Ik donderde in een gat. Ik moest me opeens met iets anders gaan bezighouden dan met die vervloekte oorlog. Ik begon de oorlog te haten, als ik dat al niet deed, en probeerde de oorlog af te zweren. Evenwel, oorlog komt altijd wel terug in mijn boeken (mijn postkoloniale werk, niet in de rest van mijn proza), eenvoudig omdat oorlog bij de wereldgeschiedenis hoort en omdat mensen nu eenmaal jaloers, egoïstisch en oorlogszuchtig zijn.

In mijn novelle Rivier de Lossie (2009) speelt de herinnering aan een hele verre oorlog, tussen de Scoten en de Picten. Dat is in de negende eeuw na Christus. Er komt ook een flits van de oorlog in Nederlands-Indië voorbij. Maar het eigenlijk verhaal gaat heel ergens anders over. Zo ook in Rivier de IJssel (2010). Oorlog speelt wel op de achtergrond, maar de koloniale geschiedenis, de handelsgeest van de Hollanders en racisme staan veel meer op de voorgrond. Maar dan… Ergens schrijf ik het volgende in Rivier de IJssel:

Alexander bleef niet lang in Batavia en trad in dienst als controleur bij het Binnenlandse Bestuur. Hij begon zijn ambtelijke loopbaan in Blitar, een plaatsje in de buurt van Kediri op Oost-Java.
     Blitar… Die naam deed me denken aan een wonderlijk verhaal van mijn vader. In dat kleine plaatsje had hij zijn eerste levensjaren bij familie van zijn moeder doorgebracht. Ze had hem erheen gestuurd vanwege een zweer achter het oor. Als die niet zou genezen, was hij ten dode opgeschreven. Een oom heeft hem met kruiden uit de jungle behandeld. Zo stond het in zijn memoires geschreven.
     Maar laat Blitar nou juist dát ene plaatsje zijn waar hij twintig jaar later als jongeman tijdens de oorlog met een troep Nederlandse mariniers met vlammenwerpers mensen uit hun huizen heeft gebrand!
     Wie snapt zoiets?

Verwarring, vragen waar geen antwoord op komt, rusteloos zoeken naar zoiets als waarheden, hopeloos constateren dat racisme mijn overgrootmoeder al overkwam in 1870 in Deventer. Maar ook: de liefde, de muziek, onvergetelijke ontmoetingen, rivieren die blijven stromen terwijl mensen komen en gaan. Ik verwerk allerlei motieven in een novelle en hoop dat er een juweel tevoorschijn komt. De herinnering aan mijn vaders oorlog laat ik allengs achter me. Het was zijn oorlog. Het is verdomme mijn oorlog helemaal niet.

Maar dan… Archipel Magazine komt uit. Zomaar een zomernummer rond Bali. Toerisme, toch? Stuit ik zowaar op een artikel met de titel: De getuigenissen van FX Harsono (zie de vorige post op dit weblog). Midden op de tweede bladzijde prijkt een vetgedrukte quote:

‘Op beide doeken staan familieleden afgebeeld naast in 1951 door zijn vader gefotografeerde doodshoofden, die in de buurt van Blitar voor herbegrafenis uit Chinese massagraven waren opgegraven.’

Wacht eens even. Mijn vader is daar als een beest tekeer gegaan, heeft er kampongs platgebrand en locals overhoop geschoten, als ik zijn memoires moet geloven. Stel dat dat echt zo was? Zijn moeder was een Chinese. Zijn oom was een Chinees. Het wemelde kennelijk van de Chinezen in Blitar. Volgens het artikel zijn er 191 Chinezen tijdens de vrijheidsstrijd in 1947 en 1948 vermoord door Indonesische vrijheidsstrijders, die de Chinezen als medestanders van de Nederlanders zagen.

Begin ik nu stilaan iets te begrijpen wat een mens helemaal niet zou moeten begrijpen? Dat mijn vaders afgrijselijke wandaden met een stel Nederlandse mariniers een persoonlijke wraakoefening was? Kijk, je kunt de oorlog wel achter je willen laten, of die van je vader, maar je blijft er toch je hele leven aan herinnerd worden. Dit soort geschiedenissen krijgen geen plek in de Nederlandse geschiedenisboeken. Ze krijgen een plek in de beeldende kunst van een kunstenaar die ik niet ken, en in de boeken van een schrijver die hij niet kent.

Het polderproza van Oeroeg

Naar aanleiding van mijn column Postkoloniaal naschrift in De Republikein stuurde August Hans den Boef me een artikel over Hella Haasses “koloniale overgangsnovelle” Oeroeg.


oeroeg

Kritische artikelen over dat boek zijn zeldzaam; de blik van de gemiddelde Hollandse recensent reikt nauwelijks verder dan de duinen. Een enkeling ziet nog vaag de schimmen van uitzeilende VOC-schepen in de mist verdwijnen, maar dat is het dan wel. Weinig literatoren nemen de moeite zich echt te verdiepen in de koloniale literatuur. Zo begint Elsbeth Etty doodleuk een column over Oeroeg met de volgende zin:

Om Oeroeg te begrijpen is het niet nodig de context te kennen, het Nederlandse koloniale verleden en de Indonesische revolutie.

Het probleem, dat zij maar even voor het gemak omzeilt, is dat zij die de context wél kennen het boek niet anders dan een miskleun ervaren. Wie dat doen, vormen een groep van zogenaamde ‘kenners’, onder wie het overigens lastig zoeken is naar kritische onafhankelijke geesten, want elkaar napraten zit nu eenmaal bij de mens ingebakken.

Vervelend is dat Oeroeg (1948) zo lang op de boekenlijsten blijft staan. Het boek is, wat dat betreft, te vergelijken met Orpeus in de desa (1900) van Augusta de Wit. Even dacht ik dat deze van Indo-haat doortrokken novelle nu wel voor altijd de boekenlijsten was afgemept. Maar nee, het wordt gewoon weer gecanoniseerd. Zo krijgt die Olf Praamstra toch nog zijn zin. Hij bepleitte namelijk eens in een aflevering van Indische Letteren de terugkeer van die novelle op de boekenlijsten van de middelbare scholen.

Maar of er nou werkelijk goed over zo’n lijst nagedacht wordt, dat trek ik liever in twijfel. Volgens mij doen ze maar wat. Een beetje Indië, een beetje Suriname, een beetje Allochtonië, een paar Vlamingen, wat oud spul uit de eigen vrieskist, veel ‘tijdloze’ titels en dan nog wat nieuw spul, anders is het net alsof er in deze eeuw niets fatsoenlijks meer geproduceerd is. Maar gekruidenier werkt helemaal niet bij zoiets als canonisering. Niet als canonisering een serieuze aangelegenheid is (wat ik sterk betwijfel in een land waar verkoopcijfers, hypes en misplaatste verafgoderij – Hella Haasse is zo’n aardig, lief oud mens – tellen boven kwaliteit en waarachtigheid).

Een boekenlijst zou chronologisch moeten worden gepresenteerd. Dan krijgen de leerlingen tegelijkertijd een historisch overzicht mee. Dus:

Van den Vos Reynaerde (13e eeuw)
Anna Bijns: Refereinen (1528-1567)
Joost van den Vondel: Gijsbrecht van Amstel (1637)
Willem Ysbrants Bontekoe: Iovrnael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe (etc) (1646)
Betje Wolff & Aagje Deken: De Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782)

Etcetera.

Geschiedenis en literatuurgeschiedenis moeten niet zo afzonderlijk worden gedoceerd dat de leerlingen eigenlijk geen weet hebben van de achtergronden waartegen de boeken spelen. Het is wel aardig om Helmans De stille plantage (1931) weer terug te halen, maar zet dan ook een later boek van Edgar Caïro op de lijst. Uiteraard in een chronologisch overzicht en niet, zoals u twee postings terug kunt zien, in een droge opsomming van, voor hedendaagse scholieren, nietszeggende namen. Zelfs Hella Haasses Oeroeg zou dan minder betwijfeld kunnen worden, omdat de novelle dan duidelijk in een heftig historisch tijdsgewricht zou worden gepositioneerd.

De kolonisering van gebiedsdelen in de Oost en de West is een meer dan belangrijk hoofdstuk in de geschiedenis van Nederland. Nou wordt dat niet direct ontkend. Maar met het overwegend opblazen van de Tweede Wereldoorlog (in Nederland en niet in Nederlands-Indië / Indonesië) trekt Nederland liever het slachtofferkleed aan dan de hand in eigen boezem te steken en eens flink te verhalen van de moordpartijen die onze jongens overzee begingen met als doel via de handel de eigen kas te spekken. Mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) is verre van perfect, maar laat wel zien dat er wel meer te lezen valt dan Augusta de Wit, E. Du Perron en Hella Haasse. Dat beetje Indië op de boekenlijsten wordt geregeerd door de macht der gewoonte.

Weliswaar zie ik de namen van Maria Dermout en Vincent Mahieu aan de kim verschijnen, maar een contrapunt van Lin Scholte op Hella Haasse is er niet. Een contrapunt op Adriaan van Dis, zoals Theodor Holmans Tjon (2007) zie ik al evenmin. De leeslijsten kennen geen dynamiek, ze laten alleen wat onnadenkend gekruidenier zien. Een Marokkaanse schrijver wordt ingewisseld voor een Iraniër. Helga Ruebsamens roman Het lied en de waarheid moet plaatsmaken voor een stichtelijk verhalenbundeltje van haar hand. Harry Mulisch’ oeuvre wordt overdreven opgeblazen, waardoor Armando’s De straat en het struikgewas (1988) helemaal van de lijst verdwijnt, enzovoort. Ja, ik brainstorm maar wat. Maar wel serieus. Niet omdat de een of andere vergadering over een half uur is afgelopen en ik naar een sigaretje snak of nog even snel de stad in moet.

Terug naar de aanleiding van dit stuk: August Hans den Boefs artikel De dubbelzinnigheid van een koloniale overgangsnovelle. Het verscheen in De Groene Amsterdammer van 9 juni 1993. Het bewijst dat Oeroeg steeds weer discussies doet oplaaien. Dat is voor een schijver natuurlijk koren op de molen. Hella Haasse hoeft alleen maar nu en dan haar debuut te verdedigen, en dát is nu juist waar August Hans den Boef op in zoomt.

Aanleiding van zijn stuk is de verfilming van het boek en waarschijnlijk is die film ook aanleiding geweest tot de rel tussen Rudy Kousbroek en Siem Boon later in dat jaar. August Hans den Boef begint zijn, overigens genuanceerd, stuk met de vraag of het boek wel in al zijn facetten te verfilmen is. Het boek is ‘lekker dun’, dus makkelijk leesvoer voor scholieren, maar welke kant zal het opgaan onder de handen van de regisseur?

Zal de sfeer ten prooi vallen aan tempo doeloe-nostalgie en de islam aan political correctness? […] Ook wanneer de scenarist en regisseur zich trouw aan de tekst houden, blijven er onoplosbare problemen omdat de tekst niet altijd ondubbelzinnig is.

Hierover straks meer. Interessant is dat het niet Tjalie Robinson was die als eerste kritische kanttekeningen bij het boek plaatste. In het Indische blad Oriëntatie was het redacteur Dirk de Vries, die zich in een eerste recensie kritsch over het boek uitliet.

Ten eerste leek het slot hem onwaarschijnlijk. Dit is de meest gehoorde klacht over het boek en niet eens zo interessant.

Verder stoorde hij zich aan de incorrecte schrijfwijze van Soendanese en Indonesische woorden en aan het klakkeloos overnemen van enige gefingeerde nationalistische organisaties uit het boek Buiten het gareel van Soewarsih Djojospoespito (in latere drukken is aan deze kritiek tegenmoet gekomen).

Tjalie Robinson vond deze kritiek te zwak en kwam pas een maand later met zijn felle kritiek, die hier te lezen is. Ik schonk er aandacht aan in deze posting, een afdruk van mijn artikel Nederland leest niet uit Archipel Magazine (herfstnummer 2009). De belangrijkste quotes zijn ook door August Hans den Boef in zijn stuk gebruikt.

Dirk de Vries stelde verder wat droogjes:

dat de novelle elck wat wils brengt: de groei van Oeroeg tot Indonesische nationalist moet naar het hart van zijn Nederlandse progressieven, terwijl de Rijkseenheid in de haveloze Oeroeg aan het slot eigen theorieën bevestigd zal menen.

Met andere woorden (August Hans den Boef):

niemand kan er zich een buil aan vallen.

Overigens wordt Tjalie Robinson ook niet helemaal gespaard in de bespreking van August Hans den Boef. Dat hij Oeroeg “politiek gevaarlijk” noemt, blijft bijvoorbeeld een onduidelijkheid in zijn aanval op Oeroeg. Belangrijk is te weten dat Tjalie Robinson niet bedoelde om Hella Haasse aan te vallen. Ook ikzelf vind haar een bijzonder aardig mens, maar daar gaat het helemaal niet om. Als je een canon laat afhangen van wie er al dan niet aardig zijn onder de schrijverscolonne, dan zou je een wel heel vreemde lijst krijgen. Met uiteraard een tegencanon van de grootste hufters van de Nederlandstalige letteren.

Een vergeten stem in de discussie over Oeroeg is Margaretha Ferguson. August Hans den Boef laat die stem wel in zijn stuk spreken. Ferguson constateerde dat de ik-figuur aan het slot alleen maar de schade beschrijft die is toegebracht aan Nederlandse eigendommen. Gezwegen wordt over de verwoestingen die de Nederlanders hebben aangericht (en dan laten we de andere partijen in die buitengewoon gecompliceerde oorlog nog maar even buiten beeld). Verder wees Margaretha Ferguson erop dat Oeroeg een intelligent mens is en dat Lida, de blanke verpleegster, die verindischt is, niet de eerste blanke was die zich verbonden voelde met de vrijheidsdrift van de Indonesiërs (“inlanders”). Dus waarom heeft de ik-verteller dan het gevoel dat hun houding onecht en door anderen ingefluisterd is? Ook Ron Nieuwenhuys met zijn Oost-Indische Spiegel (1972), een boek dat al twee generaties onderzoekers aan het werk houdt, plaatste kritische kanttekeningen bij het boek.

Haasses verdedigingen van haar eersteling bracht haar tot verschillende uitspraken door de tijd heen. Ten eerste wijt ze veel van haar onwetendheid aan de opvoeding van haar ouders, die het opkomende nationalisme van de Indonesiërs zoveel mogelijk buiten de kletstafel hielden. Zelf herinner ik me een uitspraak van haar, waarin ze zegt dat ze er als meisje evenvoudigweg niet over nadacht waarom er gescheiden zwembaden waren voor blanken en “inlanders”. Deze naïveteit maakt haar enerzijds onnozel en anderzijds sympathiek. Want waarom zou een schrijver niet met een volkomen argeloze houding mogen verhalen?

De vraag blijft: hoe argeloos was ze? Toen Oeroeg verscheen was Haasse dertig, dus geen meisje van achttien meer. Ze liet zich er ook voorstaan dat ze graag de boeken van Ter Braak en Du Perron las, terwijl die laatste nota bene het nationalisme van de Indonesiërs volkomen steunde.

Uiteindelijk wilde Haasse in eerste instantie het landschap van haar jeugd oproepen. Wie kan daar bezwaar tegen hebben? Ze wilde ook een pleidooi houden voor wederzijds begrip tussen mensen, wat blijkt uit haar dankwoordbij het onthullen van haar naam als auteur van Oeroeg. (In die tijd leverden auteurs hun manuscripten voor het jaarlijks boekenweekgeschenk onder motto in.) Typisch voor de schrijfster is dat ze een voorzichtig standpunt blijft innemen rond Nederlands kolonialisme en de Indonesische vrijheidsstrijd. Totdat uiteindelijk haar roman Heren van de thee in 1992 verschijnt.

August Hans den Boef:

De […] roman lijkt eerder een hommage ‘aan alles wat ooit in of voor Indië door Nederlanders aan verdienstelijks werd verricht.’ Want als de jonge hoofdpersoon zijn opwachting maakt bij familie in Indië, ontmoet hij daar geen op geld beluste koloniale racisten, maar planters die de islamitische gewoonten van hun employés overnemen, moskeeën en islamitische scholen stichten, met een Chinese vrouw zijn gehuwd, gamelan spelen, Oud-Soendanese manuscripten lezen, mordicus tegen de Atjeh-oorlog zijn, als ideaal een beschermd wildreservaat koesteren, de republikeinse beginselen aanhangen, niet naar de kerk gaan en nog veel meer ethisch en verheffends aan de dag leggen. En dat allemaal in de negentiende eeuw!

Je zou bijna denken dat Haasse opeens komt met kritiek op de kolonialen. Alleen haar voorbeeld is wat slecht gekozen. Een oude “inheemse” vrouw onthult een vloek die de nazaten van de patriot Daendels achtervolgt.

August Hans den Boef:

de Grote Heer van de Postweg heeft immers zoveel ellende van het volk van Java op zijn geweten. Tot je je realiseert dat Daendels tijdens de Franse bezetting heeft laten aanleggen. Uit alle schurken die zich in Indië hebben verrijkt en die de bevolking hebben gekneveld kiest Haasse uitgerekend een collabo!

Aan het eind van zijn artikel doet August Hans den Boef een voorstel om Oeroeg te lezen als een koloniale overgangsnovelle. Dat klinkt anders dan waarmee Elsbeth Etty haar pleidooi voor Oeroeg begint. Misschien is het ook wat veel gevraagd van het argeloze leespubliek én van de boekbesprekers, onder wie niemand een wanklank heeft laten horen (Lizzy van Leeuwen telde 70 besprekingen na de gratis verspreiding van de novelle door de CPNB, waaronder geen enkele kritisch geluid, en is toen maar opgehouden met tellen.)

Om Oeroeg werkelijk goed te kunnen lezen, moet je uitstekend op de hoogte zijn van de koloniale letteren enerzijds en Nederlands koloniale verleden anderzijds. Daarvoor is nodig kennis van de Nederlandse koloniale geschiedenis. En juist dan erger je je groen en geel aan dat drakerige proza dat onlangs wederom als onkruid door de CPNB werd verspreid. Indonesiërs zien er alleen maar de verheerlijking in van Nederlands kolonialisme. De Indonesische vertaling en Haasses tournee waren dan ook niet bedoeld voor de Indonesiërs, maar voor de Nederlandse expats, die het net zo goed in het Nederlands hadden kunnen lezen. En die nauwelijks beseffen dat hun stijl van leven daar nog altijd zo koloniaal is als die van Haasse, Kousbroek en consorten.

Oude kameraden

gekko De Indische schrijversavond van afgelopen woensdagavond in het Mondiaal Centrum Haarlem was goed, gevarieerd en onderhoudend. Mijn chaperonne, een van een beroemde Franse regisseur geleende kosmopoliet die al overal op de wereld heeft gewoond, was prettig gezelschap: ze was er wel en ze was er niet. Mijn leesbril, visitekaartje, tekstrol en meer van dat spul dat je als schrijver mee moet nemen als het podium wacht, konden gemakkelijk in haar tas, zodat ik niet met van die uitpuilende zakken hoefde te lopen.

Ik had Frans Lopulalan gevraagd om ook te komen. Zijn uiterlijk verbaasde me toen we hem op het station van Haarlem troffen. Die hoed droeg hij jaren terug al, maar ditmaal zat er haar onder. Echt haar! Dus niet meer die geschoren kop a la James Moody maar nu reversed. Als je de koppen van Frans Lopulalan en James Moody niet kent, laat dan maar zitten, zo belangrijk is dit nou ook weer niet.

Ik had de uitgever al ge-sms’t (wat een spelling hè tegenwoordig, het is werkelijk niet te geloven – welke idioot in, zeg, China, zou het nog in zijn hoofd halen om zoiets als Nederlands te gaan studeren?) dat we er aankwamen (dus niet eraan kwamen), maar de man nam niet op en de telefoon op de uitgeverij bleek later onder een paar omgevallen dozen met boeken terecht te zijn gekomen, zodat Frans, mijn chaperonne en ik maar besloten te gaan lopen. Hierop waren wij voorbereid. Ik had een routekaart van Google Maps met uitgebreide routebeschrijving uitgeprint, terwijl Frans dezelfde beschrijving met ganzenveer had overgepend op een stuk perkament, dat een verre voorouder ten tijde van de VOC nog van een Belanda had gesnaaid voor hij die de kop afhakte om er soep van te trekken.

Zoals ik al zei heeft mijn chaperonne al overal op de wereld gewoond. Soms is dat lastig wanneer je naast haar over straat loopt. Want ze kijkt links en rechts naar allerlei mooie grachtenhuisjes waar ze eventueel wel een week of vijf zou willen vertoeven. Dus Frans en ik begonnen ook om ons heen kijken in dat Haarlemse gat van bijkans niks en niemendal. En zo misten we de afslag naar een steeg; mijn chaperonne wenst namelijk niet in een steeg te wonen. Om een lang verhaal kort te maken: na een dwaaltocht van een half uur wierpen we onze A4-tjes en perkamentrollen maar in een gracht en vroegen aan een paar autochtonen (Batavieren in H&M-kleding) de weg naar de Lange Herenvest. Daar aangekomen bleek onze uitgever net de auto te hebben gepakt om Peter van Dongen, die overigens heel mooi auto’s kan tekenen, van het station Haarlem af te halen. Lucky Peter van Dongen.

In het Mondiaal Centrum troffen we verder Glenn Pennock. Die waren we al zo’n jaar of twintig kwijt, dus dat werd elkaar omhelzen. Niet huilen, want wij zijn Indo’s en huilen doe je alleen bij een repatriëring. Glenn bleek tien jaar in Amerika te hebben gezeten, in Los Angeles natuurlijk, maar als gitarist… Nou dacht ik dat hij een pencak silat meester was die elk jaar op Madura in een kuil met giftige schorpioenen ging zitten mediteren, maar dat was in een vorig leven. In een leven dáár weer voor had hij het conservatorium doorlopen, dus hij was geen jochie die op zijn veertigste dacht: kom, ik ga nog maar eens wat gitaar proberen te spelen. En dat hebben we geweten. Hij speelde prachtig, helaas op een Taylor, met te veel gerinkel, hoogstwaarschijnlijk op Elixir snaren, maar een kniesoor die daar nog op let zodra Pennock zijn kunsten, en performance, vertoont.

Ik moest de avond openen met een kort interview over mijn jongste boek Rivier de Lossie. Het babbelen ging nog wel, maar toen ik een stuk moest voorlezen werd het toch hannesen met mijn leesbril en een microfoon zonder standaard. Ik had me ook helemaal niet voorbereid op voorlezen en bovendien heb ik er een bloedhekel aan. Ik lees mijn teksten alleen hardop tijdens het schrijfproces, om te horen of de muziek door de zinnen klinkt, maar ik vind dat het daar dan ook bij moet blijven.

Toen ik van het podium af was, werd nog een stukje film vertoond van Ernst Jansz, die op mijn boekpresentatie in Den Haag de runnin’ gag The Ferryman’s Daughter van Donovan zong, terwijl hij zichzelf begeleidde op de gitaar. De song haalde het einde niet, want de batterijen van de camera hadden het begeven. Er moet namelijk altijd wel iets misgaan. Maar goed, het was een leuke impressie en het was leuk om Ernst Jansz even te zien zingen, aangezien hij nu, als bandleider, was verhinderd in verband met de voorbereidingen van een tournee van Boudewijn de Groot.

Nu weet ik niet meer wie er na mij kwam: Glenn Pennock of Peter van Dongen, wiens strips allengs de wereld overgaan (het volgende land is Spanje, Indonesië is al geweest om maar wat te noemen). Van Dongen werkt gemiddeld zes jaar aan een stripverhaal en omdat mijn boeken vele versies kennen, zou de interviewer zich later afvragen of dat nou “typisch Indisch” is. Het antwoord luidt uiteraard nee, want er zijn ook Indo’s die hun boeken afraffelen tijdens tournees en snoepreisjes naar congressen, conferenties en dergelijke.

Ik sloot het eerste deel van de avond af met het voorlezen van een polemisch stuk over het naderende CPNB-feestje “Nederland Leest”. Maar ik was niet in vorm en hakkelde te veel naar mijn smaak. Ik had nota bene als voorbereiding het stuk de avond ervoor door mijn zoon aan mij laten voorlezen, zodat ik het terug kon horen. De manier van de muzikant, ja. Mijn zoon las het een stuk beter voor dan ik. Gelukkig staat het binnenkort afgedrukt in Archipel Magazine, compleet met enkele taalslordigheden, die Frans er voor het optreden had uitgehaald, terwijl hij een sjekkie rookte buiten, op een steenworp van het Spaarne.

Het Spaarne stroomt, het Spaarne stroomt voorbij… (mooi lied van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh):

Na een indrukwekkend muzikaal intermezzo van Glenn Pennock – hij speelde vrolijk door in de pauze – werd een oude film (1988) vertoond van twee schrijvers met elkaar in gesprek: Frans Lopulalan en Ernst Jansz. Die film vormde de aanzet van een afsluitend podiumgesprek, waarvoor ook Frans Lopulalan het podium beklom. Yvon Muskita zat ook in de zaal, maar die wilde zich niet laten verleiden de troep te komen vergezellen.

Na afloop heb ik nog wat boeken gesigneerd. Het mooist was dat een Hollandse man aan kwam zetten met Lalu Ada Burung (2002), de Indonesische vertaling van Vogels rond een vrouw (1991). Hij had het boek in Solo op Java gekocht en zag zijn kans nu schoon er een krabbel in te krijgen.

Voordat we elk ons weegs gingen, vertelde Glenn me nog dat hij me destijds vanuit Amerika een zelfgemaakte kaart had gestuurd, compleet met een routebeschrijving naar waar hij zich bevond, voor mocht ik eens in de buurt zijn. Een kennis van hem had namelijk de aankondiging van mijn bloemlezing Oost-Indische inkt (1998) op het NOS Journaal gezien. De nieuwslezer had gesproken van “teksten vanaf Jan Huygen van Linschoten tot aan Glenn Pennock”.

Ja, ik vond het leuk om het boek te laten beginnen met een vis die in zijn eentje een VOC-schip tegenhoudt en het te laten eindigen met een stuk proza in een soort vissentaal met een eigen idioom. Geen hond die het ziet natuurlijk, maar dat is de lol van mijn schrijven: geheimpjes verstoppen.

Nooit geweten dat dat boek in het NOS Journaal aangekondigd is geweest. Zoiets gebeurt niet vaak. Mijn chaperonne herinnerde zich de uitzending ook nog. En vast die anderen ook, die me nog jarenlang hebben achtervolgd met het verwijt dat ik geen teksten van hun in het boek had opgenomen. Nu begrijp ik de frustratie van die schrijvers eindelijk. Ze hebben het NOS Journaal gemist!

Gut.

Wat erger is… Uitgeverij Contact heeft nooit die mooie kaart en uitnodiging van Glenn Pennock aan mij doorgestuurd…

Enfin, aan het werk nu. De deadline voor mijn volgende novelle ligt op 1 november.

Pasen is koud in Den Haag

Pasen is koud in Den Haag. Het algemene weerbericht is zelden van toepassing op de plaatsen direct aan de kust. Een vriend sms’t me dat het in Utrecht stralend weer is. Tweede Paasdag is al net zo saai als de Tweede Kerstdag. Gelukkig woon ik in een multiculturele buurt. Multiculturele samenlevingen zijn een zegen. Kijk maar over duizend jaar, dan is de hele wereld multicultureel. Turkse moslims hebben vandaag hun winkels open. Ze lijken op de Hollandse kruideniers uit de zestig. In een zelfbedieningszaak spreken klanten Engels, Duits, Pools, Hongaars, Turks, Nederlands en nog wat, Servokroatisch of zo. Oost-Europese vrouwen dragen petjes en lange getailleerde jassen, ze zijn vaak wat fragieler dan Hollandse vrouwen. Ze durven nog steeds niet naar andere mannen te kijken, zijn verlegen. Een Indonesisch meisje vroeg me in het Engels of ik haar wilde helpen met het uitkiezen van bloem. Ze zocht gewone bloem. Voor cake, roti kukus iets. Haar vriend was blank, lang, misschien Zweeds.

Doch er is een drawback – 2

Als verhalen voor kinderen bij sprookjes beginnen, waarom dan niet verhalen voor volwassenen bij driestuiverromans. Dé-lilah schreef pulpfictie van hoge kwaliteit, boeken die helaas vrijwel niet meer te vinden zijn. In haar plantersroman Hans Tongka’s carrière (1898), een Indische soap superieur, is álles maar dan ook álles te vinden over vrouwenlevens in de kolonie, door alle rangen en standen heen, met diverse Europese en Aziatische nationaliteiten. Je bent als lezer onder meer getuige van de gevechten die Aziatische vrouwen moeten leveren om een blanke man te kunnen huwen. En je krijgt te zien dat het de ene vrouw wél en de andere niet lukt.

In Dé-lilah’s tweedelige roman worden twee zogeheten njais opgevoerd, vrouwen die dansen op het koord tussen huishoudster en minnares van een blanke man. De ene heet Kim, de andere Yum. Kim is mooi, opstandig, geraffineerd en boosaardig. Yum is onooglijk, dociel, naïef en goedmoedig.

Kim gaat door voor een Chinese, maar heeft een Javaanse moeder. Dat wordt uitdrukkelijk gesteld, want dat krengerige in Kim moet toch érgens vandaan komen. Dé-lilah is met haar Indo-Europese achtergrond in haar etnische typeringen veel preciezer dan veel van haar zogeheten ‘volbloed’ Nederlandse collega-schrijvers, wat een gevolg is van een groter etnisch bewustzijn bij Indo-Europese schrijvers. Iemand met een gemengde achtergrond is eerder, en niet zelden sociaal gedwongen, met zijn of haar afkomst bezig. Dat is het raciale oog, wat heel iets anders is dan de racistische blik.

Yum is een volle Chinese, maar het wordt nergens duidelijk of zij in Nederlands-Indië geboren is, of als immigrante direct afkomstig is uit China. Kim en Yum moeten een jaar of twintig zijn wanneer Dé-lilah een rond 1885 gesitueerde historische scène beschrijft, waarin twee Chinese losarbeiders (koelies) zonder enige vorm van proces worden opgehangen (dat was mogelijk in het toenmalige Deli). Mijn overgrootmoeder Rabina is dan tweemaal zo oud en heeft dan al de status bereikt waar Kim en Yum zo naar smachten: een huwelijk met een blanke man.

De dekselse Dé-lilah, met haar enorme, sardonische talent voor soap, gekoppeld aan een cynische, parodiërende blik op het Nederlands-Indische leven, wil wel zo goed zijn om aan het einde van haar boek de onooglijke Yum met een Hollander te laten trouwen. Maar dan wél in Deli, ver van het beschaafde Europa vandaan. Met de mooie, vol streken zittende Kim loopt het slechter af: ze sterft.

Een huwelijk met een blanke man, inclusief een villa ergens in de Nederlandse provincie, is in Dé-lilah’s roman slechts weggelegd voor blanke Hollandse vrouwen. Dat op zich is niets bijzonders in de Indische bellettrie. En daarom is het verhaal van mijn overgrootmoeder Rabina zo bijzonder. Zij was immers een Javaanse. Toch trouwde ze met een blanke man en ging zelfs met hem mee naar Nederland. Er is nog nooit een kenner van de Indische literatuur geweest die mij een boek kon wijzen waarin zo’n verhaal verteld wordt. Verbintenissen tussen Javaanse vrouwen en blanke mannen spelen zich in de Indische bellettrie altijd af op het scandaleuze Java. Indo-Europese vrouwen kwamen wél met hun blanke mannen naar Nederland, maar dat is een ander verhaal, vaak genoeg verteld ook.

(wordt vervolgd)
© Eerder verschenen in De Gids, mei 2007

De eerste zin

logo alfred birney weblog Iedereen kent de beroemde beginzin Mijn vrouw is dood en al begraven van Marcellus Emants uit Een nagelaten bekentenis (1894). Een voortreffelijke eerste zin is nooit weg, maar staat niet garant voor een voortreffelijk boek. De tweede zin moet namelijk de verwachting van de eerste inlossen. De derde die van de voorgaande zinnen, enzovoort. Als je 2500 zinnen in een zinvolle volgorde achter elkaar hebt gezet, dan heb je een geslaagde novelle of korte roman geschreven. En niet als de eerste zin schittert en de rest bagger is.

Ik heb het eigenlijk altijd obligaat geneuzel gevonden, dat inzoomen op de eerste zin van een literair boek. Het was echt voer voor gemankeerde schrijvers, pseudo-literatoren en meer van dat snobberig volk. Toch heeft dat geleuter over de eerste zin me nooit werkelijk koud gelaten, uiteraard, het hoort nu eenmaal bij het schrijversvak. Schrijven is namelijk een vak. Dat wist u natuurlijk al, al zou je het niet zeggen. Het gros van de boeken dat wordt verkocht is namelijk rotzooi. Bagger. Meuk. Zooi. Crap. Driemaal niks. Mijn zoon wordt intussen echt vrolijk van slechte zinnen. Ik geef hem namelijk bijles door slechte teksten en beroerde zinnen voor te lezen en die met hem te ontleden.

Ik was u nog een anekdote schuldig. Dus begin ik eerst maar over die obligate eerste zin te leuteren. Ik ben namelijk een zeikerd. Dat wist u natuurlijk al, dat hoort immers bij het schrijversvak. Weet u, eh… ik val zo min mogelijk mensen lastig met hinderlijke correcties. Zo’n zeikerd ben ik ook weer niet. Dus als iemand zegt “hoeveel kost dat”, dan verbeter ik die persoon niet. Ook niet als iemand schrijft dat “iets groter is als dat”. Of als iemand roept: “daar irriteer ik me aan”. Ze doen maar. Wat kan mij het schelen. Maar mijn zoon krijgt wél mijn gezeik over zich heen. Ja, figuurlijk, ik ben Reynaert niet hey. U denkt nu vast dat hij ook schrijver wil worden. Nou nee. Zo idioot is hij natuurlijk niet. Het vak Nederlands interesseert hem weinig. Tenzij ik de spot drijf met wat er allemaal gezegd en geschreven wordt. Dan ziet hij dat zijn eigen taalgebruik nog zo beroerd niet is.

We zitten aan de keukentafel en wachten totdat ik iets uit de oven kan halen. Of we hebben net gegeten. Zoiets. Het gebeurt altijd aan de keukentafel. Dáár wordt het meest geschaterd. Er liggen vaak wat boeken in de vensterbank. Recensie-exemplaren die ik opgestuurd krijg. Mijn zoon vraagt dan of “ze een beetje kunnen schrijven”. Dan pak ik een nieuw boek, waar ik nog geen blik in heb geworpen, en lees de eerste zin voor:

Heimwee en hoop, de klanken en etensgeuren van thuis, veel meer kan een migrant niet meenemen.

Mijn zoon laat de zin zwijgend tot zich doordringen. Om hem wat te helpen vraag ik:

“Heb jij weleens een klank van thuis meegenomen?”

Mijn zoon schiet in de lach.

“Heb jij ooit een etensgeur van thuis meegenomen, in je broekzak gestopt misschien?”

Mijn zoon lacht nog harder.

“Wat denk je: neem jij later heimwee mee als je op reis gaat, of krijg je dat heimwee gratis op de plaats van bestemming?”

Mijn zoon klapt dubbel van de lach.

“En die hoop… Nou, goed dan. Laten we die dan maar straks van thuis meenemen, zodat we niet samen onder de tram komen.”

Mijn zoon kronkelt over de vloer van het lachen. En blijft er bijna in wanneer ik zeg dat deze zin niet van een beginner komt, maar van iemand die al een waslijst aan publicaties op zijn naam heeft staan. Dat de tekst ongetwijfeld door een handvol proeflezers is bekeken, door een redacteur is nagezien en door een corrector is nagelopen. Helaas, de vaklui staan op straat. Ik hoef maar een boek te pakken, de eerste zin op te dreunen en er vervolgens met het ontleedmes langs te gaan. Het gaat er niet om wat je schrijft, zelfs niet hoe je schrijft, maar de boel moet wél kloppen.

Plotseling vraagt mijn zoon me: “Zeg, hoe staat het eigenlijk met jouw eerste zin in je nieuwe boek?”

“Eh… watte?”

Ik pak de drukproeven er even bij en lees de eerste zin voor. Die klopt. Maar hij is te lang, besluiten we. Amechtig bovendien, vind ik. Als ik hem in tweeën knip gaat hij er al een stuk op vooruit. Evenwel, de daaropvolgende zinnen kun je niet echt volgers noemen. Het tweede deel van de afgekeurde zin moet naar het einde van de alinea, dan heb je meteen een spanningsveld. Mee eens? Mijn zoon knikt. Zo moet het. En dan zit ik al in de slotfase: het boek gaat weldra in productie. Conclusie: niet de eerste zin moet goed zijn, maar de eerste alinea. En vervolgens… u weet wel.

Mijn zoon houdt zich de laatste tijd opmerkelijk intensief met eerste zinnen bezig. Hij kent er zelfs al eentje, ongevraagd, uit zijn hoofd:

Mijn vader stierf in de armen van mijn driejarige dochter.

Kijk, daar kun je mee aankomen. Deze zin is net zo eenvoudig als die beroemde van Marcellus Emants, maar dubbelzinniger. De informatie die je krijgt is duidelijk en wonderlijk tegelijk. Je wilt meteen weten wat er aan de hand is. Aan u de vraag: welk boek of welke novelle uit de moderne Nederlandstalige literatuur begint met deze zin?

Hoe gewaagd is Inez Hollanders aanstaande boek?

De Nederlands-Amerikaanse schrijfster Inez Hollander mailde me dat haar boek Silenced Voices, Uncovering a Family’s Colonial History net in Amerika is verschenen. In het voorjaar verschijnt het in het Nederlands bij uitgeverij Atlas, onder de titel Verstilde stemmen, verzwegen levens.

Inez Hollanders voorzaten waren indertijd de Franckens, die de plantage Kali Djompo beheerden, vlakbij de plantages van de Birnies, mijn voorzaten. Tijdens Hollanders onderzoek een jaar of wat terug mailde ze me over de “martelgang” van haar boek. Ze schreef het eerst in het Nederlands, het boek werd aanvankelijk geaccepteerd door Veen, maar die uitgever trok zich op het laatste moment om onduidelijke redenen terug. Op de zestigjarige herdenking van de Japanse capitulatie schreef Hollander een indringend stuk over de revolutie in Soerabaja. De NRC wilde het hebben, het stuk werd geredigeerd maar een week voor publicatie in de prullenbak geworpen. Een vriendin van Hollander wist te vertellen dat de NRC het stuk “te riskant” vond. Hollander heeft toen haar boekmanuscript ook maar helemaal weggelegd. Ze raakte verbitterd en begon te twijfelen aan de vrijheid van meningsuiting in Nederland.

Een Amerikaanse historicus, die Nederlands kon lezen, vroeg haar herhaaldelijk naar het manuscript en wist het op de tafel van Geert Mak te krijgen er een uitgever voor te vinden. Inez Hollander kreeg contact met Geert Mak toen hij ergens een essay van haar las. Via hem kwam het Met die man hebben Indo’s nog een appeltje te schillen (hij noemde Indo’s Indiërs in zijn bestseller De eeuw van mijn vader), wie weet deed hij daarom zijn best om het manuscript bij uitgeverij Atlas uitgegeven te krijgen terecht. Hollander moest de boel wel zelf terugvertalen naar het Nederlands. Hierdoor is het boek volgens de schrijfster zelf genuanceerder geworden.

Hollander denkt dat de vooroordelen van Amsterdam en hoe men binnen de grachtengordel tegen de Nederlandse koloniale geschiedenis aan kijkt, nog altijd een grote rol spelen. Een redacteur, die waarschijnlijk van toeten noch blazen wist, schreef “foute toon” in de kantlijn bij de volgende zin in Hollanders inleiding:

‘Strikt genomen vertel ik in dit boek het verhaal van onze rubber- en koffieplantage Kali Djompo (1899-1957), en mijn familieleden die daar woonden en werkten. Mijn Indische familieleden waren kolonisten die uiteindelijk zelf gekoloniseerd werden (door de Japanners) en verdreven werden (door de Indonesiërs). Als berooide bannelingen arriveerden ze in Nederland, een land dat nog steeds niet voldoende hun bijdrage, hun pijn en hun verlies onderkend heeft.’

Hollander herinnerde me aan een e-mail van me, waarin ik schreef:

‘Wie ook maar de joodse en Indische episodes in de Tweede Wereldoorlog naast elkaar durft te zetten op wat voor manier dan ook, wordt niet gehoord in Nederland.’

Ze vroeg me of ze dat citaat in haar boek mocht opnemen. Dat vond ik goed, maar ik waarschuwde haar nog maar eens op de gevoeligheid die in Nederland hangt ten gevolge van een diepgeworteld schuldgevoel ten opzichte van joden, die hier tijdens WO-II zonder noemenswaardige problemen werden gedeporteerd naar vernietigingskampen. Een vergelijking tussen joden en Indische mensen loopt altijd verkeerd af en wel in het nadeel van Indische mensen.

Ik zag eens een televisiedocumentaire waarin een verslaggeefster van joodse komaf net zo lang met een cameraman op een pasar malam in de provincie Indische mensen afzocht totdat ze er eentje vond – Emmy Verhoeff – die wel wilde verklaren dat het leed van Indische mensen wel degelijk vergelijkbaar was dat van joodse mensen. Nou, dat hebben we geweten. Die uitspraak is uit zijn verband gelicht en zwaar aangezet op de Nederlandse televisie uitgezonden. Het is wel vaker voorgekomen dat beide groepen tegenover elkaar werden geplaatst en uitgespeeld in het kader van Neerlands kampioenschap slachtofferschap. Ditmaal was het een reactie op het in het leven roepen van de Stichting Het Gebaar. (N.B. De onlangs door mij besproken biografie van Tjalie Robinson van de hand van Wim Willems is onder meer door de Stichting Het Gebaar gefinancierd – het staat niet voorin het boek vermeld, wat niet erg netjes is, maar dat doet aan het feit niets af dat met de middelen van Het Gebaar in elk geval werk gedaan wordt dat anders was blijven liggen.)

Zoals een goed schrijver of publicist betaamt, kent ook Inez Hollander haar eigenwijze kanten. Ze bedankt me voor mijn waarschuwingen, ze weet precies waar ik het over heb, ze zal ongetwijfeld “over een mijnenveld lopen, maar als genoeg mensen dit gaan zeggen en hebben gezegd dan moet het toch een keer aankomen bij die botte Batavieren. Misschien ben ik een idealist, of een naïeveling, maar de stilte, de taboesfeer zoals die in mijn familie rondom het onderwerp Indië geheerst heeft, moet op een gegeven moment doorbroken worden, hoe dan ook. Soms moet men provoceren om gehoord te worden en misschien betekent dit dat ook dit boek doodgezwegen gaat worden in Nederland, maar dan staat daar nog altijd de Amerikaanse markt tegenover en hoe men hier op dit boek gaat reageren. In zekere zin is dat interessanter dan de voorspellingen die we (nu al ) kunnen doen over de receptie van het boek in Nederland.”

Dus zinnen als “in Nederland is het nog steeds taboe om het lijden van de joden te vergelijken met de ellende van de Europeanen, Indo-Europeanen en romusha’s die het slachtoffer werden van de Japanners” blijven gewoon in haar boek staan. Inez Hollander is een verbeten schrijfster, geboren in 1965, de woede straalt soms van haar e-mails: “Je wil niet weten hoeveel Indo’s hier in Californië zitten, weggekeken uit Nederlands destijds, en niettemin hebben ze een misplaatste nostalgie inzake Nederland, koningshuis etc., daarbij voorbijgaand aan het feit dat het een Indische diaspora is geweest waarbij de Indo’s die nu in Californië wonen, twee keer hun vaderland verloren hebben, maar niks geen bittere gevoelens koesteren.”

De ontvangst van het boek is in Amerika tot dusver positief. De aandacht waait al over naar Australië, waar een kleine groep Indo’s actief bezig is met de koloniale geschiedenis. We zullen zien hoe het het boek hier in Nederland zal vergaan, straks in de lente.